Skip to main content

Leugens over Louwes

In 1999 werd in Deventer de weduwe Wittenberg gruwelijk vermoord. Na twee maanden vruchteloos speuren viel de verdenking op haar accountant Ernst Louwes. Eerst volgde vrijspraak, toen veroordeling, afgewezen cassatie, herziening, tweede veroordeling, hernieuwd onderzoek (door het OM) en ondertussen zat Louwes zijn straf uit.

Wetenschapsfilosoof Ton Derksen heeft in zijn boek Leugens over Louwes het falen van het justitiële apparaat minutieus in kaart gebracht en zijn conclusie is:

Er is een afschuwelijke moord gepleegd in Deventer, maar die moord heeft niets te maken met Louwes.


Het boek verscheen op 6 december 2011, en ik woonde de boekpresentatie op die datum bij. Bij thuiskomst had NRC Handelsblad er al een groot artikel over.

Op de persconferentie vertelde Ton Derksen dat hij voor het eerst met de zaak in aanraking kwam toen hij voor Bossche magistraten een lezing moest geven over ’het geval Louwes’. Hij wist op dat ogenblik niet dat het ‘overtuigende DNA-bewijs’ bij elkaar gelogen was. Daar kwam hij pas achter toen hij in Denver de werkelijke, tot dan toe geheime, DNA-gegevens te zien kreeg.

Leugens over Louwes bestaat uit zeven hoofdstukken plus een bijzonder gedetailleerd notenapparaat, die elk een of meer van de verschillende bewijsstukken op de korrel nemen die aangevoerd zijn door het OM om de schuld van de verdachte aannemelijk te maken. Op een onnavolgbare manier toont Derksen aan dat deze bewijsstukken ofwel niet relevant zijn voor deze zaak dan wel falen in de opzet om te discrimineren tussen de scenario’s schuldig en onschuldig.

Dit is niet het eerste boek over deze zaak; Louwes schreef zelf ook een boek (hier in zijn geheel te vinden [gearchiveerde kopie]), en veel van wat Derksen meldt is te vinden op de zeer uitvoerige website www.geenonschuldigenvast.nl. Het boek van Derksen is echter uniek omdat Derksen het gehele dossier heeft geanalyseerd en ook veel nieuwe feiten aan het licht brengt.

Mes

Een irrelevant bewijsstuk is bijvoorbeeld een mes, zonder ook maar een spoor van bloed eraan, dat iemand enkele dagen later op een kilometer afstand van de plaats delict had gevonden. Dit werd het onderwerp van uiterst dubieuze geurproeven. Bij zo’n geurproef hoort er een duidelijke relatie van het object met het delict te zijn. Voor het OM was het voldoende dat het gevonden mes maar aan één kant sneed (1), net als het bij de moord gebruikte mes en dat er bovendien geen mes miste uit de keuken van het slachtoffer. Maar alle foto’s van de keuken van het slachtoffer zijn door justitie verdonkeremaand (althans, ze zitten niet in het dossier en het is erg onwaarschijnlijk dat die foto’s niet gemaakt zouden zijn, want de rest van het huis is van alle hoeken gefotografeerd). De politie rapporteerde wel dat er in de keuken alleen bestek en geen keukenmes is aangetroffen, terwijl het bekend was dat mw. Wittenberg graag kookte. Het OM beweerde dat de vorm van het mes paste bij een afdruk op de blouse, terwijl dat overduidelijk niet het geval was. Louwes werd aanvankelijk vrijgesproken, waarschijnlijk omdat de rechter het mes niet serieus nam. Behalve irrelevant is de kwestie met het mes ook een voorbeeld van de verdachte manier van werken van het OM. Voorbeelden van niet-discriminerende gegevens zijn een telefoongesprek van Louwes en zijn DNA op de blouse. Daarover later.

‘Ongelooflijk’

Derksen wijdt drie hoofdstukken aan argumenten die overtuigend pleiten voor de onschuld van verdachte. In de eerste plaats is het duidelijk dat Louwes die ochtend even langs was geweest bij de weduwe om een brief op te halen. Aangezien Louwes opvallend vochtig spreekt, is de aanwezigheid van zijn DNA op de blouse van het slachtoffer niet verbazingwekkend. Voorts zijn er ‘stille getuigen’ die in het geheel niet rijmen met het scenario van het OM. Het sterkste bewijs is echter een regelrecht alibi, dat echter noch door Louwes zelf, noch door diens advocaten duidelijk naar voren is gebracht, maar, en dat is het schrijnende, dat wel grondig is getoetst door het OM, en dat het OM niet heeft kunnen ontkrachten. Eveneens verbijsterend is dat het OM in de rechtszaal probeerde aan te tonen dat Louwes niet ’s ochtends op bezoek was geweest, terwijl uit privécorrespondentie blijkt dat het OM er op grond van diverse feiten van overtuigd was dat hij er wel was geweest. Als reactie op de verschijning van het boek verzuchtte Louwes tegen De Pers over het alibi: ‘Ongelooflijk, niemand heeft dit eerder uitgezocht. Ook mijn advocaten niet.’

De moord, zo blijkt uit de ‘stille getuigen’, moet zijn begaan kort na het achtuurjournaal op donderdagavond 23 september 1999. Louwes heeft de weduwe mobiel gebeld om 20 uur 36, naar zijn zeggen vanaf de snelweg ergens tussen Harderwijk en ’t Harde (Derksen rekent voor dat dit in de bocht bij Nunspeet geweest moet zijn). Zijn ware alibi is echter niet dit telefoontje, maar het feit dat hij zei een half uur daarvoor bij Harderwijk in een file te hebben gezeten. Dit had Derksen trouwens al eerder tamelijk uitvoerig besproken in zijn boek De ware toedracht: praktische wetenschapsfilosofie voor waarheidszoekers (2010). Louwes zag zelf die file slechts als verklaring waarom hij bij Harderwijk de afslag naar Lelystad had gemist en dus pas ’t Harde richting Lelystad ging. Het is een echt alibi omdat hij op geen enkele manier van die file had kunnen weten, behalve als hij er zelf in had gezeten. En die file moet er geweest zijn, gezien de verkeersintensiteiten. Pas een uur later werd de file op de radio gemeld (toen de moordenaar nog hard bezig geweest moet zijn sporen uit te wissen) en weer een half uur later werd de file weer afgemeld. De file stemde in veel details overeen met wat Louwes erover wist te vertellen, en een en ander is ook ogenblikkelijk door de politie nagetrokken. De politie moet ook meteen na Louwes’ verhaal hebben nagegaan of hij iets over die file – op een plaats waar anders vrijwel nooit een file is – van collega’s had gehoord. In de rechtszaal werd hier luchtig overheen gestapt met de opmerking dat Louwes die file van een collega of op de radio gehoord zou hebben.

Bayesiaans

Het OM hield het er impliciet op dat alles wat Louwes over de file had verteld pure fantasie was, die alleen maar toevallig klopte. Dit is een goed voorbeeld om Derksens bayesiaanse argumentatie toe te lichten. Ik versimpel iets. Stel we hebben een verdachte met een verhaal dat klopt. Er zijn twee mogelijkheden: (1) de verdachte is schuldig, het verhaal is gefantaseerd en dat het klopt is toeval, of (2) de verdachte is onschuldig en het verhaal berust op waarheid. We kunnen schatten hoe toevallig dat toeval is. Laten we zeggen een kans van 1 tegen 100. Dan zijn we er echter nog niet. Stel eens dat de politie feilloos werkt en er 50 keer zoveel schuldigen voor de rechter belanden als onschuldigen. We nemen maar even aan dat alle schuldigen erop los fantaseren en alle onschuldigen de waarheid spreken. Dan zullen er op elke 100 schuldige verdachten 2 onschuldigen zijn. Die 100 verdachten produceren samen 1 verhaal dat toevallig klopt, en de onschuldigen produceren 2 kloppende verhalen. Bij een kloppend verhaal in de rechtszaal is dus de kans 1:2 dat de betrokkene schuldig is, en geen 1:100 zoals je zou denken als je alleen let op de kans dat gegeven verhaal ‘toevallig’ klopt.

Het is in het algemeen van belang dat men twee types kansen goed onderscheidt: de kans op ‘het bewijsmateriaal’ gegeven het scenario, en de kans op het scenario, gegeven het bewijsmateriaal. Die worden vaak door elkaar gehaald. Op de persconferentie gaf Derksen een pakkend voorbeeld: de kans dat iemand behoorlijk lang is, gegeven dat hij professioneel basketballer is, is een totaal andere kans dan de kans dat iemand professioneel basketballer is, gegeven dat hij behoorlijk lang is.

In het geval van Louwes liggen de cijfers anders dan in het geschetste hypothetische voorbeeld. De toevalskans (alleen voor het fileverhaal) is voorzichtig geschat 1 op 100.000. Dat is ongeveer de kans om in een keer iemands telefoonnummer goed te raden als men slechts weet dat hij of zij uit een niet te kleine plaats komt. Hierbij is dan nog niet eens verrekend dat in dit geval de betrokkene op het krankjorume idee zou zijn gekomen om te vertellen dat hij een afslag gemist had die hij anders nooit mist. Deze kans van 1 op 100.000 is dus de kans dat het verhaal klopt, gegeven het OM-scenario ‘Louwes is schuldig’. Aan de andere kant, in de rechtszaal is het aantal uit de duim gezogen verhalen (hoofdzakelijk van schuldigen) ruwweg even groot als het aantal ware verhalen (van onschuldigen). Dus de extra ‘vooraf’-factor is in dit geval geen 50 maar circa 1, maar dat moet wel nauwkeurig worden beredeneerd.

Professionele leugens

Het boek begint met een inleiding getiteld ‘Leugenachtigheid’. Het OM ging er van meet af aan vanuit dat Louwes leugens verkocht, zonder uit te leggen wat voor belang hij erbij kon hebben dit soort verklaringen af te leggen.

Verdachte Louwes vermeldde zonder terughoudendheid allerlei bijzonderheden die gemakkelijk te controleren waren, zoals over de file. Het is tamelijk bekend dat het er niet best uitziet voor een verdachte die op een leugen betrapt wordt. Het OM had in eerste instantie maar twee ‘harde feiten’: behalve het mes ook een vermeende leugen.

Louwes had mevrouw Wittenberg namelijk om 20 uur 36 opgebeld om haar het bedrag 1750 gulden, namelijk de drempel voor aftrekbaarheid van giften, door te geven. Daar had ze die morgen om gevraagd, Louwes had daarna zijn kantoor gevraagd het uit te zoeken, en de weduwe had het bedrag ook genoteerd op een briefje. Dit telefoontje was verwerkt door een KPN-mast in Deventer, zodat het leek alsof Louwes loog over de plaats (ergens tussen Harderwijk en ’t Harde op de A28) waar hij dat telefoontje gepleegd had. In de loop van het boek wordt aannemelijk gemaakt dat Louwes op alle controleerbare punten gewoon de waarheid heeft gesproken.

‘Zij konden het liegen niet laten’: deze variant op een bekend liedje is van goed van toepassing op het OM en de getuigen-deskundigen. Derksen houdt bij ieder hoofdstuk een ‘leugenbox’ bij, waarin alle leugens genoteerd worden die de revue passeren. Deze leugenbox raakt bij het vorderen van het boek steeds voller met ‘leugens over Louwes’, maar er is geen enkele leugen ván Louwes bij. In totaal gaat het om ruim dertig leugens.

Derksen gaat in de inleiding in op het begrip ‘professionele leugen’. Wanneer in de rechtszaal professionals (officier van justitie of getuige-deskundige) iets beweren dan moet ook duidelijk zijn met hoeveel zekerheid die bewering gedaan wordt. Wanneer zij met stelligheid iets poneren terwijl zij hoogstens over aanwijzingen beschikken, dan mogen wij al spreken van een leugen. Zij hebben immers de professionele taak om de waarheid te spreken, want de rechter moet volledig kunnen afgaan op hun uitspraken. Derksen zegt uitdrukkelijk dat bij de professionele leugen de intentie tot misleiding geen rol speelt. Het is deze passage in het boek die meteen al een pleidooi oplevert voor een serieuze taakopvatting en een groot verantwoordelijkheidsbesef bij de staande magistratuur, aangezien dit onmisbare voorwaarden zijn voor een goede rechtsgang.

Het boek schetst in zijn totaliteit een opeenvolging van functionarissen van het OM die als de eerste de beste malafide advocaat selecteerden in de gegevens en een volkomen valse voorstelling van zaken gaven, soms ook door grove incompetentie en slordigheid. En helaas ook rechters die, zo lijkt het, veel van wat het OM en de deskundigen zeiden voor zoete koek aannamen. Vaak, zo krijgt men de indruk, zorgt het OM ervoor dat de verklaringen van de deskundigen ook nog wat bijgekleurd worden naar de wens en de opvatting van het OM.

Derksen toonde zich op de persconferentie nogal mild jegens het OM. Het gaat echt om betrokken oprechte personen, die eerst overtuigd zijn van hun eigen gelijk, dan willen scoren en die vervolgens het de rechter niet al te moeilijk willen maken door die te overvoeren met details. Persoonlijk zie ik een grote analogie met kwakzalvers die oprecht zieken willen helpen met hun grote ‘ervaring’, maar die niettemin wartaal uitslaan die ze helaas zelf geloven en die af en toe dan ook grote brokken maken.

Consumptie

Na de inleiding komen tal van specialistische onderwerpen aan de orde die bij de gevoerde processen van belang waren. De meeste aandacht krijgt het forensische DNA-onderzoek. Derksen rekent onder meer nauwgezet voor dat al het Louwes-DNA op de blouse samen niet meer hoeft te zijn dan wat in één druppeltje vochtige spraak (‘consumptie’) kan hebben gezeten. Deze minuscule hoeveelheid kan zich in de loop van de dag, en vervolgens door de onvoorstelbare slordige manier waarop er na de moord met de blouse is omgesprongen, overal over de blouse verspreid hebben. In dit verband zijn de leugens (‘bij vol daglicht’) van het NFI van belang geweest. Men gebruikte namelijk daar standaard al behoorlijk gevoelige methoden, maar in de rechtszaal werd beweerd dat men alleen maar met relatief grote hoeveelheden DNA kon werken. (Het NFI heeft al verklaard, waarschijnlijk zonder het boek te lezen, dat men niet gelogen heeft.) Dus uiteindelijk zegt het DNA in dit geval op zich niets. Het Louwes-DNA was in niet zulke hoeveelheden aanwezig dat het slechts met gewelddadig contact te verklaren was. Het discrimineerde dus niet tussen schuld en onschuld.

Abnormale voortplanting

Derksen gaat uitvoerig in op uitzonderlijke weersomstandigheden en de abnormale voortplanting van radiosignalen die als gevolg daarvan kunnen optreden, in dit geval tot uiting komend bij de mobiele telefonie. Ook hier weer een treffende illustratie van wat Derksen onder een professionele leugen verstaat. De vraag was of op de avond van 23 september 1999 (de avond van de moord) een mobiele telefoon een afstand van 25 km (nl. van Nunspeet naar Deventer) had kunnen overbruggen, en daarbij veel dichterbij gelegen stations had kunnen negeren. Beide vragen zijn relevant, omdat een mobieltje altijd het station kiest met het sterkste signaal. De vraag is voor een deskundige beantwoordbaar, want die kan nagaan of de weersomstandigheden in combinatie met de plaats van de concurrerende stations dit mogelijk maakten. Men nam voetstoots aan dat een dergelijke abnormale voortplanting in Nederland een hoge uitzondering was, maar er is inmiddels gebleken dat het zich gemiddeld misschien wel eens per zes dagen ergens in Nederland voordoet, en speciaal in september.

Het OM heeft wel naar deze kwestie gekeken, hoewel, zo lijkt het, vooral om elke mogelijke tegenwerping van Louwes’ advocaat op voorhand te ontkrachten. Zo heeft men op 20 december 1999 met speciale apparatuur tussen Harderwijk en ’t Harde gereden om na te gaan dat er inderdaad echt helemaal nergens ontvangst mogelijk was van een station in Deventer. Alle gegevens werden aan twee deskundigen voorgelegd. Een van hen, een professor uit Eindhoven zei (geparafraseerd): onzinnig, er waren winterse buien volgens het KNMI op die dag, dan is abnormale voorplanting van radiogolven niet mogelijk. Op zich is dat misschien waar. Bij buiig weer is er geen stabiele warmere luchtlaag waartegen de radiogolven kunnen spiegelen.

De professor heeft echter met zijn neus gekeken, want die winterse buien stonden in het weerbericht van 20 december. ’s Avonds op 23 september was het een graad of 19 met zwakke wind en een uit het westen opkomend koufront, waarbij koelere zeelucht als het ware onder de warme landlucht kruipt. Naar later bleek was er over Nederland, delen van Duitsland en Frankrijk een aantoonbare toestand van abnormale radiovoortplanting. De professor heeft dus professioneel gelogen, omdat hij domweg beter had moeten weten. Hij had de atmosferische gegevens van de bewuste dag moeten opvragen en invullen in de formule, die hij uiteraard had horen te kennen, om na te gaan of er wel of geen bijzondere toestand van de atmosfeer was.

Het OM deed er nog een schepje bovenop, want het ‘onzinnig’ van de professor sloeg alleen op de veronderstelling dat er iets met de ionosfeer aan de hand was geweest. Voor abnormale voortplanting is alleen de atmosfeer tot maximaal 300 meter hoogte van belang. (Misschien weet men bij het OM helemaal niet wat ‘ionosfeer’ is.) Niet alleen de professor heeft met zijn neus gekeken, het OM ook (dat evengoed had kunnen weten dat die winterse buien sloegen op 20 december), en we moeten aannemen dat de advocaat en de rechter ook hebben zitten suffen. Naar verluidt blijft de professor nog steeds bij zijn oorspronkelijke advies. Later kwam dit bij een herzieningsverzoek ter sprake, en toen was het argument van de advocaat-generaal (AG) dat er zoveel stations langs de snelweg stonden waarop Louwes’ mobiel had kunnen aanklikken dat de toestand van de atmosfeer er niet toe deed, ook alweer zonder het echt uit te rekenen. Zolang de verdediging niet kon bewijzen dat Louwes alleen maar vanaf de snelweg kon hebben gebeld, waren de argumenten van de verdediging onbelangrijk, aldus de AG. De verdediging was echter niet op het idee gekomen om met behulp van de file aan te tonen dat Louwes onmogelijk om 20 uur 36 in Deventer had kunnen zijn, en heel goed net op die tijd bij Nunspeet had kunnen zijn, wat de enige plek tussen Harderwijk en ’t Harde is waar ‘Deventer’ met de nabijere stations kon wedijveren.

Het OM bleek op dit punt trouwens zeer wel in staat om zonder hulp van ‘deskundigen’ zich te bezondigen aan selectieve waarneming. Zo betoogde het OM dat Louwes’ mobieltje altijd het dichtstbijzijnde station aanklikte. Maar het ‘bewijs’ bestond uit net het ene gesprek uit een serie van vijf, drie weken eerder, dat inderdaad zo verliep. De andere gesprekken uit die serie overbrugden veel grotere afstanden of klikten niet het meest nabije basisstation aan. Maar de officier negeerde deze gesprekken. Alweer een professionele leugen.

Gestoord

In het voorlaatste hoofdstuk komt het motief van Louwes aan de beurt. Hij zou het om het geld gedaan hebben. Hij was namelijk net per testament aangewezen als voorzitter van een stichting die na overlijden van mevrouw Wittenberg haar vermogen moest aanwenden voor uitbehandelde ex-patiënten van haar man, die psychiater was geweest. Maar het ‘motief’ klopt niet met zijn gedrag voor en na de moord. Zo had hij zijn nogal strenge chef op kantoor aangezocht als medebestuurslid van de stichting en was hij bewijsbaar op zoek gegaan naar manieren om het geld volgens de doelstellingen van de stichting te besteden. De ‘bewijzen’ van het OM zijn pure insinuaties. Geconfronteerd met de aantijging dat hij wou gaan feestvieren met het geld van de weduwe, kon Louwes alleen maar uitbrengen, dat hij dat absurd vond, omdat hij geen schulden had.

De ‘stille getuigen’ komen in het laatste hoofdstuk aan de orde. Ten eerste is daar de moord zelf. De gruwelijke details van de moord moet u maar op www.geenonschuldigenvast.nl nalezen. Na de moord heeft de moordenaar de woning doorzocht en op de zolder een braadpan aangetroffen. Die heeft hij doorzocht, het is onduidelijk wat hij zocht en of hij het gevonden heeft. Drieduizend gulden en juwelen ter waarde van bijna een halve ton in die braadpan bleven onaangeroerd. Alles bij elkaar het werk van een gek. Mevrouw Wittenberg was trouwens altijd bang geweest dat een van de meer gestoorde ex-patiënten van haar man haar wat zou aandoen. Als je een dergelijke moord in de schoenen wilt schuiven van een brave, zorgzame en vlijtige accountant die het uitsluitend om de nalatenschap te doen zou zijn, dan moet je als OM toch met betere bewijzen komen.

Het schort

Het schort van mw. Wittenberg is ook een belangrijke stille getuige. Ze placht altijd met schort aan af te wassen, en sloeg zelden of nooit het achtuurjournaal over. In het huis werd de stoel in de serre in de tv-stand aangetroffen met een onaangeroerd glas jus d’orange op het tafeltje ernaast waarop ook een leesbril, opengeslagen tv-gids en schrijfgerei. Alles wijst erop dat mw. Wittenberg zich het achtuurjournaal niet heeft laten ontgaan. Maar op het stoeltje naast de tv-stoel hangt haar afwasschort (alles te zien op nevenstaande foto die op de dag van ontdekking van de moord is gemaakt; de tv-stoel staat links op de foto, en van het roodwit geblokte schort is nog net klein stukje te zien). Samen met wat er nog meer over haar gewoonten bekend was, wijst dit erop dat ze tv heeft gekeken, terwijl ze nog niet klaar was in de keuken (waarvan we de foto’s moeten ontberen), en dat er toen onverwachts werd aangebeld, waarna ze haar schort vlug heeft afgedaan om de deur te openen. Dat is de reden om te denken dat de moordenaar tijdens of kort na het achtuurjournaal is binnengelaten, én dat hij niet verwacht werd, althans niet op dat tijdstip.

‘Feiten’

Dit schort geeft een deprimerend inzicht in wat bij de Hoge Raad voor ‘feit’ doorgaat. Een feit is bij de Hoge Raad namelijk iets dat bij de lagere rechtbank als vaststaand is aangemerkt. Feiten zijn dus zinnetjes in een dossier. Als het OM zou stellen dat een baby van drie maanden iets heeft gezegd omdat zulks in een ambtsedige verklaring van een politieagent staat, en de rechter accepteert dat, dan is dat een ‘feit’ en dan staat het de Hoge Raad vrij daar gebruik van te maken. Precies dit is ooit gebeurd (zie Dubieuze zaken, door Crombag, Van Koppen en Wagenaar (1992) p. 508) en bijna zoiets deed zich hier voor. De Hoge Raad citeerde namelijk uit een eerdere uitspraak dat de moord na 20 uur 36 is gebeurd, en voor 24 september. Dus is het een ‘feit’ dat de moord op elk tijdstip tussen 20 uur 36 en 24 uur kan zijn gebeurd, en dus zijn alle beschouwingen dat Louwes er niet vlak na 20 uur 36 geweest kon zijn irrelevant.

Derksen vertelt nog veel meer, en wie ongeduldig is, kan meteen de uitvoerige slotbeschouwing lezen, waarin Derksen zich een meester toont in het bondig en helder samenvatten van het betoog uit de voorafgaande zes hoofdstukken.

Hij eindigt met de opmerking dat er bijzonder veel gedaan is om tot een veroordeling te komen, terwijl er helaas ook veel is nagelaten dat ontlastend had kunnen zijn voor verdachte. Wellicht is het OM bezweken voor de ‘verleiding van het hogere goed’ (noble cause corruption). Met andere (niet Derksens) woorden, als men ‘zeker weet’ dat de verdachte het gedaan heeft, dan wordt in het algemeen belang een bewijs rond gemáákt als het eigenlijk nergens naar lijkt. Als de rechter dan ook nog blind vaart op wat het OM vertelt, is een verantwoord oordeel onmogelijk.

Zit er een herziening in? Dan moet er een ‘novum’ zijn. Derksen zei op de persconferentie dat er veel novums in zijn boek staan. De Hoge Raad denkt echter strikt juridisch. Als het gaat om iets dat de rechter zou hebben kunnen weten toen hij een oordeel velde, dan is het geen novum. Aan de andere kant, als de Hoge Raad ervan overtuigd is dat er een gerechtelijke dwaling is geweest, dan kan men wel iets vinden dat in juridische zin een novum is.

Ton Derksen schreef eerder Lucia de B.: reconstructie van een rechterlijke dwaling, en dit boek is een even een intelligente en doorwrochte studie en hij heeft hiermee weer een waardevol en indrukwekkend boek toegevoegd aan zijn publicaties op het terrein van de rechtspraak.

Ik ben tamelijk vertrouwd met de inhoud van het boek omdat ik geholpen heb met de tik- en spelfoutendetectie, maar voor deze bespreking heb ik overlegd met enige andere actieve Skepsis-donateurs.

Noot

(1). De patholoog-anatoom had opgemerkt dat een der wonden (de huidbeschadiging, niet het wondkanaal) aan een zijde spits was, wat suggereert dat het gebruikte mes aan die kant gesneden heeft en dus misschien ook maar aan een kant scherp was (zie onderstaande tekening naar een autopsiefoto van de 5 meswonden) . Hij betitelde dit als een ‘torpedovormige wond’. Het kan niet worden uitgesloten dat de officier zo onnozel was dat ze een mes met spits toelopend lemmet aan zag voor ‘torpedovormig’, in elk geval was voor haar de ‘torpedovorm’ van het mes een belangrijk argument.

PS. U kunt het boek van Derksen natuurlijk kopen in de boekwinkel, maar als u het bij bol.com bestelt via Kloptdatwel steunt u die website een beetje. Doen!

149 thoughts to “Leugens over Louwes”

  1. Louwes vertelt aanvankelijk dat hij bij de weduwe was …

    Dit staat allemaal in detail in het boek verteld en waarschijnlijk accurater dan ‘amer’ het vertelt.

    Op 13 september 1999 was aan mevrouw Wittenberg een officiële brief over aangekochte grafrechten gestuurd. Deze brief wilde ze bij de andere officiële stukken voegen die Louwes al van haar beheerde. Omdat ze ‘officiële stukken nooit opstuurde’, had ze Louwes gevraagd de brief bij haar op te halen.

    Voorts

    Louwes vertelt de politie op [maandag] 27 september, dan nog als executeur-testamentair van mevrouw Wittenberg, dat hij de werkster niet heeft gezien, maar dat hij wel geluiden op de bovenverdieping heeft gehoord en spiritus had geroken en daaruit had afgeleid dat er een werkster was.

    De moord werd ontdekt op [zaterdag] 25 september. Ik ben toch wel nieuwsgierig wanneer Louwes dan ‘in een eerdere verklaring’ aan de politie iets over een sleutel heeft verteld. Op welke dag dan?

    Amer komt telkens met allerlei halfbakken verhalen die uitvoerig en in meer detail en waarschijnlijk accurater besproken staan in het boek. Hij weigert het boek te lezen want hij is uit op ‘waarheidsvinding’. Als hij nou iets te berde bracht in de trant van ‘op p.xxx staat A, maar in de processtukken staat B, terwijl C’, maar nee, hij wil het boek niet lezen. Zoals demo opmerkt, amers opmerkingen komen helemaal niet uit wat Louwes zegt, maar uit allerlei andere niet al te betrouwbare bronnen.

  2. Kinderachtig Jan Willem Nienhuis, ik heb de zaak jaren intensief gevolgd. En er is nog veel meer. Wat Louwes zelf over die sleutel vertelt is lastig te verklaren maar ja dat vertelt Louwes toch echt zelf, net zoals de eerste verklaringen die niet uitkwamen later maar aan fouten van de notulust worden toegeschreven.

    Amer heeft de zaak jarenlang intenstief gevolgd en de verklaringen in al die jaren erg goed gelezen, maar u heeft gelijk als u zegt dat Amer geen boek aan de man hoeft te brengen en geen websites financieel hoeft te steunen.

    Ton Derksen zei zelf al dat geld vaak een reden is om te liegen en te draaien. Financiele onafhankelijkheid is wel wat waard als je voor de echte waarheidsvinding gaat.

    Jammer dat dit ook een complotsite is geworden.

  3. Dat van de sleutel vertelde Louwes aan de politie toen ze hem op zijn werk bezochten, de maandag na de moord.

  4. Dank demo, voor de toelichting over het rapport van Jongsma.

    De door mij geciteerde ‘stommiteit’ van de OvJ Zwolle is de enige ‘leugen’ die in het hoofdstuk 6 over het motief door Derksen wordt opgevoerd.

    Ik vind het weglaten van ontlastend materiaal net zo erg als professioneel liegen.

    Derksen heeft gesproken met twee personen bij wie Louwes had geïnformeerd naar mogelijkheden voor een zinnige besteding van het geld van de stichting. Die zijn geen van beide benaderd door het OM.

    Voorts zeggen de OvJ Zwolle en Den Bosch allebei dat het Louwes om het geld te doen was, zonder dat ze daar concreet bewijs voor aandragen. Of het moest zijn dat er in de stichting geen controle was geregeld (requisitoir Zwolle p. 11). Dat is echter de gewoonste zaak in een kleine stichting.

    Behalve dat (al eerder door mij genoemd): de moordenaar heeft geen geld weggenomen, en Louwes liet ca. 100.000 loon als executeur-testamentair lopen.

  5. “1131La 080102 info uit Amsterdam
    Coll. Simon Gelens van de afd. Jeugdzaken van het bureau IJ-tunnel te Amsterdam nam op 7 december 2001 een aangifte op van XXX, geb. —–19XX
    wonende te Amsterdam, XXXXXXX ter zake eenvoudige
    mishandeling door zijn stiefvader: XXXXXXXX geboren te Amsterdam op ——19XX,
    wonende te XXXXX.
    De jongen begon zijn verklaring met de woorden:
    Op het moment dat ik vandaag 7 december 2001 omstreeks 16.00 uit school kwam en de straat
    in liep zag ik vier politieauto’s bij de deur staan. Toen ik die politieauto’s voor de deur zag
    staan dacht ik dat XXXXX eindelijk werd opgepakt. Dat is wel een ander verhaal, maar ik zal het
    voor u in het kort vertellen. Ongeveer een half jaar geleden is er een moord gepleegd in
    Deventer. En daar komt XXXX nog wel eens. De zwager van XXXX is daarvoor opgepakt en heeft
    nu 12 jaar cel gekregen. Ik weet dat XXXX sinds die tijd erg rijk is en vier auto’s bezit. Hij heeft
    ook kort voor die moord tegen mijn vader gezegd dat hij binnenkort erg rijk zou worden. Ik
    weet dat er bij de moord veel geld is gestolen. Ik weet dat de zwager van XXXX van zijn
    voornaam Ernst heet.
    Coll Gelens nam contact op met Pierre Gouw in Deventer en Gelens faxte vervolgens mij het pv
    met genoemde inhoud. Ik heb de OvJ Duyts van de inhoud van dit PV op de hoogte gesteld.
    Met haar afgesproken dat dit op deze manier wordt vast gelegd en het daar voorlopig bij blijft.
    Journaal Recherche Bijstand Team IJsselland Blad 288”

    Klopt dit wel?

  6. Nou zo komen we nog eens ergens.

    de weduwe een van de mensen was die de beschikking over een sleutel van de woning had

    De weduwe, dat kan de werkster niet geweest zijn, want die was getrouwd. De mededeling dat de weduwe Wittenberg een sleutel van haar eigen huis had, vind ik raar. Uit het boek van Derksen (p. 227 r. -6) maak ik op dat Louwes wel een sleutel had.

  7. Klopt dit wel?

    er kloppen een aantal zaken niet. Deze schooljongen heeft het over een half jaar eerder, terwijl de moord op de weduwe Wittenberg 27 maanden eerder was. Hij heeft het over veel geld gestolen, kennelijk genoeg voor vier auto’s. Maar de moordenaar heeft 3000 aan contanten laten liggen en verder is er niet aanwijsbaar geld verdwenen. De zaak Louwes was behoorlijk in het nieuws. Ik hou het erop dat dit een geval van confabulatie is.

    Het lijkt me behoorlijk off-topic

  8. Ja sorry, ik bedoelde de huishoudster.

    “Louwes vertelde dat eveneens ter Velde, de buren (fysiotherapeut) en de werkster een sleutel van de woning hebben”.

    Hier is het hele verhaal:

    “Website Maurice 7 november 2006.
    De eerste verklaring van Louwes
    In tegenstelling tot Michael de J. heeft Louwes elke keer als hij verhoord werd steeds hetzelfde gezegd. Op maandag 27 september 1999 werd Louwes de eerste keer gehoord. Daarvan staat een uitvoerige beschrijving in het Tactisch Journaal. Ik las het juist weer en het is interessant om het nog eens terug te lezen. Daarin staat een aantal opvallende zaken in het licht van al datgene wat er later gebeurd is.
    Wat valt jouw op?

    “Als belastingadviseur verzorgde hij voor Dhr. en Mw. Wittenberg de aangiften inkomsten/vermogensbelasting. Na het overlijden van Dhr. Wittenburg heeft hij deze werkzaamheden voortgezet voor Mw. Wittenburg. Hij heeft destijds tevens de aangifte succesierecht verzorgd. Op 13-09-1999 is er nieuw testament opgesteld door notaris S. waarin Dhr. Louwes staat vermeld als excecuteur testamentair. In het oude testament wat is opgesteld begin 1997 was Dhr. ter Velde,

    Deze ter Velde heeft begin 1997 samen met Mw. Wittenberg het testament opgesteld. Mw. Wittenburg verkeerde in een emotionele toestand i.v. het recentelijk overlijden van haar echtgenoot. Ter Velde zou ge(mis) bruik hebben gemaakt van haar emotionele toestand en zou onder druk van hem ervoor hebben gekozen dat het grootste gedeelde van de erfenis zou gaan naar de enige dochter van Ter Velde. Omdat het echtpaar Wittenburg kinderloos was nam de dochter Ter Velde een bijzondere plaats voor hen in. De erfenis bestond in hoofdzaak uit legaten groot f600.000 en het resterende bedrag kwam toe aan de enige erfgename, de dochter van Ter Velde, ongeveer f.3.200.000.
    Destijds had Mw. Wittenburg aangegeven dat onder geen beding het grootste gedeelte van de erfenis zou gaan naar familieleden. De enige persoon waar zij veelvuldig contact mee had was de Fam. Ter Velde. Op een gegeven moment (datum/jaar niet bekend) mocht de dochter van ter Velde een pony kopen van Mw. Wittenburg ter waarde van ongeveer f.6.000/7.000. Echter men vertelde later dat het een paard was geworden met een waarde van f.16.000/17.000. Hierover was zij zeer ontstemd. Na van de schrik bekomen te zijn werd zij geconfronteerd door Ter Velde met het verzoek om maar maandelijks een bedrag over te willen maken van f.500,– i.v.m. stalling van het paard. Ter Velde zou dit niet kunnen opbrengen en onder het mom dat het voor zijn dochter niet leuk zou zijn om snel weer het paard te moeten verkopen heeft Mw. Wittenberg hieraan voldaan (bedragen zijn maandelijks teruggevonden op de bankafschriften).
    Louwes denkt dat gelet op voorgaande Mw. Wittenburg in juni/juli van dit jaar heeft besloten om haar testament te gaan wijzigen. In de tijd dat haar echtgenoot nog leefde waren zij al voornemens dat een eventueel vermogen aan een stichting moest worden nagelaten welke tot doel zou moeten hebben: opvang/nazorg voor behandelde psychiatrisch patienten.
    De heer S. van de Generale Bank had ook al tegen Mw. Wittenburg gezegd dat zij een stichting in het leven moest roepen voor genoemd doeleinde. Derhalve heeft zij Louwes gevraagd voor zijn vakantie juni/juli ’99, om een nieuw testament voor te willen bereiden. Hierbij wilde zij dat Louwes i.p.v. ter Velde executeur-testamentair werd en dat het grootste gedeelde van het vermogen (3.200.000) zou worden nagelaten aan een nog op te richten stichting waarvan Louwes in eerste instantie voorzitter zou worden. Louwes moest tevens direkt bestuursleden aanwijzen. De Stichting zou niet eerder perfect worden dan na overlijden van Mw. Wittenberg. Tevens dient Louwes zorg te dragen voor de uitvaart.
    In de aangifte IB/VB van Mw. Wittenberg staat opgenomen een aftrekpost van f.20.700. Dit betreft een betaalde lijfrente die t.g.v. de dochter van ter Velde was gesteld. Deze begunstiging was gewijzigd door ter Velde, hij zou hiervoor gemachtigd zijn door Mw. Wittenberg ten tijde van het opstellen van het eerste testament. Tevens is ter Velde tot op heden gemachtigde van de ING bankrekening. De lijfrentepolis is eveneens onlangs (gelijktijdig met het opstellen nieuw testament) ten gunste gekomen aan de op te richten stichting. In het nieuwe testament zijn als legaten opgenomen de dochter Ter Velde voor een bedrag van f.100.000 en diens echtgenote voor een bedrag van f.40.000.
    Louwes heeft tot op heden nimmer contact gehad met ter Velde. Mw. Wittenburg had Louwes uitdrukkelijk verzocht nimmer aan ter Velde mede te delen dat het testament was gewijzigd en dat hij niet meer was aangesteld als executeur-testamentair. Louwes moest zelf de uitvaartverzekering opbellen om er zeker van te zijn dat zij niet toevallig ter Velde in kennis zouden stellen.
    Dhr. Louwes is vorige week donderdagmorgen, 23-09-1999, nog bij Mw. Wittenberg in de woning geweest. Gelet op de geluiden van de bovenverdieping nam hij aan dat de werkster er was. Hij heeft toen op haar verzoek de grafrechten opgehaald bij de kerk en bij haar afgegeven. Zij legde hem toen de vraag voor tot welk bedrag zij giften kon doen aan de kerk, hij zou dit uitzoeken en haar die avond terugbellen. ’s Avonds om 20.00 uur heeft Louwes vanuit zijn auto (onderweg van Utrecht naar zijn woonplaats Lelystad) met zijn GSM gebeld met Wittenberg en haar meedegedeeld dat m.b.t. de giften er een belastingvrije voet bestaat van 1% over haar inkomen van ongeveer f.175.000 dus f.1.750,– (dit verklaart wellicht de aantekeningen op de gevonden memo in het woonhuis Zwolschestraat 157). Dhr. Louwes zou ongeveer 21.15/21.30 uut thuis zijn en de verdere avond en nacht thuis zijn gebleven.
    Louwes vertelt dat hij deze maand (sept 99) dan wel juni/juli van dit jaar van Mw. Wittenberg een sleutel had gekregen van het woonhuis. Deze had hij gekregen voor het geval er iets met haar zou gebeuren. Louwes vertelde dat eveneens ter Velde, de buren (fysiotherapeut) en de werkster een sleutel van de woning hebben. Mw. Wittenberg wilde aanvankelijk de sleutel van ter Velde terug hebben, echter durfde de relatie tussen beiden hiermee niet op het spel te zetten. Zij vertelde Louwes wel dat ter Velde geen sleutel mocht krijgen indien zij een nieuwe woning zou betrekken aan het Pothoofd te Deventer”.

    Succes verder met de boekbespreking.

  9. @Amer
    Wil je beweren dat alleen mensen die zonder betaling schrijven de waarheid spreken? Dan kan ik me voorstellen dat je iemand die het vermogen van een weduwe mag beheren, bij voorbaat al verdacht vindt. Maar als Derksen zijn werk gratis online had gezet, zou het vermoedelijk minder impact hebben. Misschien kun je het bij de bieb lenen.

    Louwes had de moord mogelijk kunnen gebruiken om er zelf beter van te worden. Daarmee had hij een motief. Maar dat is natuurlijk niet voldoende om hem de moord in de schoenen te schuiven. Zelfs al had hij misbruik gemaakt van de situatie, waarvan niets is gebleken, dan was daarmee nog niet aangetoond dat hij noodzakelijk de moordenaar was.

    Als Louwes de moord pleegde om er financieel beter van te worden, dan lijkt het me niet aannemelijk dat hij dit in een opwelling deed, want hij stond niet onder tijdsdruk. Hij zou dan vast hebben beseft dat het niet verstandig was om de weduwe vlak voor de moord nog even op te bellen. Waar was dat voor nodig?

    De gegevens van de KPN overtuigden de politie ervan dat Louwes aantoonbaar had gelogen. Pas later bleek dat ze zijn locatie alleen betrouwbaar konden bepalen met behulp van de zogenoemde timing advance gegevens, maar die werden niet tijdig opgevraagd. In plaats daarvan voerde men een geurproef uit met het vermeende moordwapen. Volgens de hond had Louwes het gedaan, maar later werd duidelijk dat het mes hoogstwaarschijnlijk niets met de moord te maken had (de lengte, de vorm en de sporen klopten niet). Daarom stapte men over op DNA-bewijs op de blouse, maar dat is in dit geval ook verre van doorslaggevend. Er blijft dus geen overtuigend bewijsmateriaal over.

  10. Wanneer is dat verzoek wijziging begunstiging gedaan en door wie is dat ondertekend?

    Zomaar een vraagje.

  11. Lekker, dat ik dat aan amer kon overlaten.
    Het verhaal over dat paard enz. werd integraal bevestigd door de schoonheidsspecialiste.

    Let op, dat dit fragment uit het TJ komt en dus niet is geautoriseerd als correct. De vergissing omtrent de grafrechtenbrief (die Louwes gewoon meenam) leverde een uitvoerig onderzoek op, dat uiteraard nergens in uitmondde.
    Kostte alleen maar belastinggeld.

  12. Op 15 september 1999 werd van de WAA bij monde van Louwes een schrijven ontvangen door de Zwolsche Algemeene dat er een wijziging in de begunstiging moest komen. Als eerste bleef het slo begunstigde bij in leven zijn, als tweede werden dat de testamentaire erfgenamen en als derde de wettige erfgenamen van verzekeringneemster (het slo dus). Dit schrijven was opgemaakt op 13 september 1999. (TJ 765)

    De facto ging de opbrengst aldus naar de stichting.

  13. Rob Nanninga schreef:

    Mevrouw Wittenberg had weliswaar na de dood van haar man 19.000 gulden van een rekening in Luxemburg gehaald,

    Louwes zelf schrijft iets anders in 2004, maar hier
    http://dmz.homelinux.net/dmzlog/?p=54
    staan alle details.

    Op Louwes’ eigen verhaal legt hij uit hoe het zit met het plan om 40.000 gulden te schenken.
    http://dmz.homelinux.net/eigenverhaal/louwes_eigen_verhaal.htm

    Hij kende de lijfrenteconstructie, maar meende zich te herinneren dat er een manier was om het ineens te doen. Ik ken die manier niet, het enige wat ik me kan voorstellen is dat men per testament vastlegt dat als men eerder overlijdt dan de lijfrente afloopt, het restant als legaat wordt uitgekeerd. Dan heeft de ontvanger een grote zekerheid dat het totale bedrag zal worden ontvangen.

  14. Amer geen boek aan de man hoeft te brengen en geen websites financieel hoeft te steunen.

    Amer refereert naar mijn opmerking dat door het boek via kloptdatwel te kopen die site een kleine beloning krijgt, geen flauw idee hoeveel dat is, een hele euro voor alle vijf (?) kopers samen misschien.

  15. Jan Willem Nienhuys,

    Was geen aardige opmerking van mij

    rest verwijderd, redactie

  16. Op verzoek: De sleutel van de werkster.

    In een interview als getuige zou Louwes op 27 september 1999 hebben verklaard dat de werkster een sleutel van de woning had. En tegenover de rechter zou hij later (ik heb niet paraat tegen welke) hebben verklaard dat hij tot dat moment (de ochtend van de moord) niet eens wist dat de weduwe een werkster had. De vraag kan dan worden gesteld hoe hij dan wel wist dat zij een sleutel had maar achteraf desondanks ontkende dat hij van haar bestaan wist. Daarmee zou Louwes zijn betrapt op een leugen.. of niet.

    In het tactisch journaal nr. 087 staat het volgende:

    Dhr. Louwes is vorige week donderdagmorgen, 23-09-99, nog bij Mw. Wittenburg in de woning geweest, gelet op geluiden van de bovenverdieping nam hij aan dat de werkster er was. Hij heeft toen op haar verzoek de grafrechten opgehaald bij de kerk en bij haar afgegeven.(…….) Louwes verteld dat hij deze maand (sept’99) dan wel in juni/juli van dit jaar van Mw. Wittenburg een sleutel had gekregen van het woonhuis. Deze had hij gekregen voor het geval er iets met haar zou gebeuren. Louwes vertelde dat eveneens ter Velde, de buren (fysiotherapeut) en de werkster een sleutel van de woning hebben. Mw. Wittenburg wilde aanvankelijk de sleutel van ter Velde terug hebben, echter durfde de relatie tussne beide hiermee noet op het spel te zetten. Zij vertelde Louwes wel dat ter Velde geen sleutel mocht krijgen indien zij een nieuwe woning zou betrekken aan het Pothoofd te Deventer. (……)

    Het volgende is het geval: de werkster had géén sleutel en werd altijd door de weduwe binnengelaten. Louwes kon dat dus ook niet weten. En de verbalisant heeft pas maanden later alsnog een PV opgemaakt van dit gesprek. Bovenstaande opmerkingen zijn dus na het bezoek van 27 september even snel in het journaal vermeld. Naast de mogelijkheid dat Louwes dus tegenover de rechter zou hebben gelogen zijn er nog een aantal opties.

    Ten eerste was deze verbalisant nogal slordig in zijn verslagleggingen zodat een vergissing niet uitgesloten kan worden. Want de vroegere werkster had wel een sleutel en kwam eens in de twee weken aanwaaien bij de weduwe en werd door haar als vriendin beschouwd. Uit de punctuele verklaring in het journaal is duidelijk dat de weduwe uitgebreid overleg had gehad met Louwes over wie allemaal wel en niet over een sleutel beschikten. Hijzelf kreeg ook alvast een sleutel voor na haar dood..!

    Als de verbalisant het woord ‘vroegere’ niet heeft gehoord dan kan hier een eerste verklaring liggen voor het misverstand.

    Ten tweede hád de werkster helemaal geen sleutel zodat Louwes in het interview wellicht die mogelijkheid heeft geopperd tegenover de verbalisant. Want opnieuw, het was duidelijk dat er tussen hem en de weduwe nadrukkelijk overleg over was geweest wie zij een sleutel gunde en wie niet. En als de verbalisant het woord ‘mogelijk’ niet heeft gehoord dan kan dat de tweede verklaring vormen. En zo niet, dan zou Louwes wellicht zelfs al in het eerste interview hebben gelogen over de sleutel bij de werkster omdat zij er helemaal geen had! Maar voor zo’n leugen was dan weer helemaal geen reden.

    De slordigheid van de verbalisant lijkt mij de meest logische verklaring omdat Louwes ook geen enkele reden had om het bestaan van de werkster te ontkennen of te liegen over het bezit van die sleutel bij de werkster.

    Een fraai voorbeeld van die slordigheid ten slotte en de enorme gevolgen daarvan, door diezelfde verbalisant en in dezelfde mutatie, zie journaal hierboven: “Hij heeft toen op haar verzoek de grafrechten opgehaald bij de kerk en bij haar afgegeven”.

    Louwes had echter tegen hem verklaard dat hij die grafrechten bij haar had opgehaald. Daarop is een wekenlange zoektocht gestart en tal van verhoren georganiseerd om die grafrechten op te sporen, terwijl ze keurig in het dossier bij Louwes zaten. De verbalisant luisterde blijkbaar niet zo goed…

  17. Enkele opmerkingen:

    André Vergeer wordt in Leugens over Louwes van Ton Derksen expliciet bedankt in het voorwoord, en zijn experimenten worden op p. 177/178 besproken.

    De verklaring van Louwes dat hij tot 23 september 1999 niet wist dat mw. Wittenberg een werkster had was op 26 januari 2004 voor het gerechtshof in Den Bosch (boek p. 77, verwijst naar zittingsverslag p. 35 van het zittingsverslag).

    Hetzelfde TJ vermeldt:

    ’s Avonds om 20.00 uur heeft Louwes vanuit zijn auto (onderweg van Utrecht naar zijn woonplaats Lelystad) met zijn GSM gebeld met Wittenberg en haar meedegedeeld dat m.b.t. de giften er een belastingvrije voet bestaat van 1% over haar inkomen van ongeveer f.175.000 dus f.1.750,– (dit verklaart wellicht de aantekeningen op de gevonden memo in het woonhuis Zwolschestraat 157)

    Mijn cursivering. Deze verbalisant had het verschil tussen een belastingvrije voet en een onderdrempel voor aftrekbaarheid ook al niet begrepen. Let ook op de spelfout ‘Wittenburg’

  18. @Jan Willem,

    De bewuste verbalisant van deze mutatie (087) in het tactisch journaal maakte nog veel meer fouten met evenzovele consequenties:

    Doordat er heel veel perikelen zijn geweest vanwege het verkeerd uitlezen door de technische recherche van o.a. het telefoontje van Louwes is een ander item in het boek van Ton Derksen wat ondergesneeuwd geraakt wat m.i. de onschuld van Louwes nog eens extra onderstreept. Maar ik ben in voor alle suggesties. Wij hebben in ieder geval maanden besteed aan het bewijs dat het tactisch journaal op dit onderwerp moet zijn ‘aangepast’. Het kan immers niet zo zijn dat fouten in een dergelijk ‘politie-dagboek’ achteraf allemaal worden hersteld omdat het hele gebeuren in een dergelijk onderzoek gebaseerd is op voortschrijdend inzicht. En daar hoort ook bij dat je je fouten herstelt. En dus niet pas wegpoetst omdat de rechter toevallig om dat dagboek vraagt..

    Wat is er gebeurd? Louwes meldde al op 27 september dat hij op donderdag de 23e rond 20.00 uur met het slachtoffer had gebeld over een ‘aftrekpost’. Het tactisch journaal daarover:

    ’s Avonds om 20.00 uur heeft Louwes vanuit zijn auto (onderweg van Utrecht naar zijn woonplaats Lelystad) met zijn GSM gebeld met Mw. Wittenburg”.

    De Technische Recherche las de display van de telefoon van het slachtoffer uit op zaterdag de 25e september en berekende een verkeerde datum én tijdstip van zijn telefoontje: vrijdag de 24e om 20.25 uur. Het is mij nooit duidelijk geworden hoe Louwes er zelf precies achter kwam dat die tijd verkeerd was genoteerd. Had hij met iemand van de recherche gesproken? Was het tot een discussie gekomen? Ik weet het niet, maar Louwes probeerde bij zijn eigen provider in ieder geval te achterhalen wanneer en hoe laat hij dan wél had gebeld. Weer uit het tactisch journaal:

    234 LS 991006 15.00 inkomend gesprek Slo [=slachtoffer, red.]
    Louwes geeft aan naar het vaste nummer van het Slo te hebben gebeld op de 23e omstreeks 20.37 uur [André: dat tijdstip klopt dus al niet, zie boven!!]. Via de tejchniek blijkt uit te komen .dat dit gesprek op de 24e heeft plaats gevonden. Louwes heeft naar de PTT gebeld om uit te zoeken wanneer hij met zijn mobiele 06-…….. heeft gebeld naar het vaste nummer Slo – 0570-……. Dit kon wel, echter het duurde geruime tijd. PTT security gelbeld. Was alleen mogelijk met machtiging OVJ. Rudi Koolschijn gaf aan dat ze dat zo moesten aanleveren zonder machtiging. Geruime tijd later maakte Rudi een machtiging OVJ 125 F om zo via de z.g. B analyse de inkomende mobiele nummers naar het vaste nummer van Slo te traceren l Even later telefoon van Rudi dat hij de fax naar KPN security had gestuurd. Hierop de KPN weer gebeld. Eind deze week of begin vofgende week hebben we de uitdraai binnen of de OVJ moet persoonlijk bellen om spoed!

    Voor alle duidelijkheid, hier staat dus dat Louwes al een of meer pogingen had ondernomen om de juiste datum en tijdstip van zijn eigen telefoontje met de weduwe, bij zijn eigen provider na te trekken maar dat duurde hem blijkbaar te lang. Waarop hij zélf de recherche waarschuwde omdat hun telefoongegevens volgens hem in ieder geval niet klopten.

    De ‘schuldige’ Louwes, althans volgens het OM (want hij zou op die donderdagavond telefonisch ‘belet’ hebben gevraagd voor hij de moord beging), krijgt dus in 1999 een ideaal alibi in de schoot geworpen voor de vrijdagavond, nota bene van de politie zélf. En doet vervolgens zelfs zijn uiterste best om dat alsnog recht te zetten. Weer uit het Tactisch Journaal:

    273 LS 991007 12.00 Telefoontje Louwes
    N.a.v. de machtiging die Rudi Koolschijn gisteren had verstuurd aan PTT security waarin het verzoek was verwoord om na te gaan welke mobiele bellers had ingebeld op het vaste nummer van SLO tussen 1.9.99 en 29.9.99 bericht ontvangen. OVJ Blom heeft er vanmorgen achteraan gebeld en we krijgen de uitdraai z.g. B analyse vanmiddag of morgenvroeg toegefaxt.

    291 Ls 991008 10.00 Telefoontje Louwes
    “Een uitdraai van de PTT security gekregen m.b.t. het telefoontje dat Louwe gepleegd zou hebben op donderdag de 23e september omstreeks 20.30 uur (André: wéér een ander tijdstip! en wèèr klopt het niet) naar de vaste lijn van het SLO. Bleek volgens PTT uitdraai inderdaad zo te zijn. Op 20.36 uur die dag werd er in gebeld naar de vaste lijn van het SLO door de mobiele van Louwes /06-…….”.

    Nee, het klopt dus inderdaad dat Louwes (en op eigen initiatief afgedwongen) niet op de vrijdag- maar op donderdagavond al had gebeld. Met het schaamrood op de wangen moest er dan ook door de hoofdinspecteur van politie en chef van die ‘technische’ rechercheurs op 11 oktober 1999 alsnog een nieuw PV op worden gemaakt om die rekenfout te herstellen. [André: zelfs dan blijft er nog een storende rekenfout in het nieuwe PV staan die eigenlijk nooit meer is ontdekt en die voor ons het extra bewijs vormt dat het tactisch journaal moet zijn vervalst voordat het in 2003 aan de rechter werd aangeboden.]

    Oké, de ‘schuldige’ Louwes heeft zijn eigen alibi van die vrijdagavond dus met succes helemaal zelf om zeep geholpen. Was dit alles nu gebeurd in zijn onschuldige naïviteit of was het de sluwe dader Louwes die al overtuigd was van zijn andere alibi door zijn telefoontje vanaf de A28 met de weduwe? Hij had immers al verklaard dat hij op de 23e rond 20.00 uur en onderweg van Utrecht naar Lelystad had gebeld op de A28. Er zijn uiteraard vele varianten mogelijk maar ik probeer er vast een aantal waarbij ik aanteken dat hij toen nog niet (echt) kon verwachten dat de OvJ hem er later van zou beschuldigen dat hij pas gebeld had toen hij zo ongeveer voor de deur stond, op de avond van de moord (23 september). Het ‘waarom niet’ is duidelijk omdat hij toen nog niet kon vermoeden dat zijn telefoontje aan zou klikken op de paal in Deventer. Had hij die (peil-)mogelijkheden immers al wél gekend, dan zou hij dit allemaal nooit zo hebben verklaard:

    1. De ‘schuldige’ Louwes wist dus blijkbaar niets van de mogelijkheden van dat moment in 1999 van het peilen van telefoontjes op een afstand van pakweg 500 meter (van de A28) omdat hij anders veel veiliger had kunnen kiezen voor een andere datum van bellen (24 i.p.v. van 23 september) die hem door de recherche gratis in de schoot was geworpen.

    Want had hij immers (als schuldige dader) van die technische peilmogelijkheden van dat moment wél geweten, dan had hij ook kunnen weten dat zijn telefoontje waarschijnlijk zou zijn aangeklikt op een paal in (de buurt van) Deventer. Het vraagt verder om bovennatuurlijke krachten van Louwes dat hij ook nog eens rekening hield met eventuele superrefractie van die dag, die zijn telefoontje niet op de A28 maar ergens in Deventer zou plaatsen..

    2. De ‘onschuldige’ Louwes zou echter (ongeacht van wie hij dit had gehoord) alles onderzoeken dat hem – als rechtgeaard boekhouder – mogelijk in diskrediet zou kunnen brengen en/of wat in tegenspraak zou kunnen zijn met zijn eigen herinnering. Inclusief een voor dat moment relatief ‘onschuldig’ en foutief genoteerd of berekend telefoontijdstip. Hetgeen Louwes dan ook daadwerkelijk deed. En let wel, op een datum dat hij helemaal nog niet was aangemerkt als verdachte.

    Achterover leunend had de ‘schuldige’ Louwes immers op zijn gemak af kunnen wachten wat er uit het telefoononderzoek kwam om – in het uiterste geval – te kunnen wijzen op zijn eerdere verklaring van 27 september dat hij al had gemeld dat hij op die donderdagavond rond 20.00 uur met het slachtoffer had gebeld.

    Nee, Louwes zocht opnieuw naar de waarheid, ongeacht zijn eigen rol daarin.

    3. Maar goed, for the record, de ‘schuldige’ Louwes heeft dus helemaal geen weet van alle peilmogelijkheden van dat moment van zijn mobieltje en denkt dat ie er mee wegkomt terwijl hij zich op dat moment wel degelijk in Deventer bevond toen hij om 20.36 uur de weduwe belde om te vragen “of hij even binnen mocht komen”, wat het OM later zou beweren. En als ‘dader’ wist Louwes dan ook hoe laat hij de moord ongeveer had gepleegd.

    Dat zou dan wel een verklaring kunnen zijn waarom hij volgens zijn eigen verklaring van 27 september reeds rond 20.00 uur (Ton rekent vanaf 20.10 uur) met de weduwe belde tussen Harderwijk en ’t Harde. (Niet zozeer de locatie, maar vooral ook het tijdstip was dan immers belangrijk om hem zo ver mogelijk weg te voeren van de PD van 20.36 uur). Maar het is dan weer GEEN plausibele verklaring waarom hij dan op diezelfde 27e september ook nog eens meldt dat hij pas tussen 21.15 en 21.30 uur thuis was. De afstand Harderwijk/’t Harde tot Lelystad is immers ongeveer 31 tot 38 minuten zodat hij dan al tussen 20.30 en 20.40 uur thuis had moeten zijn. En dat, terwijl hij volgens zijn eigen verklaring pas tussen 21.15 en 21.30 uur thuis was. En, hoe later hij thuis was, des te groter was de kans dat hij op het beslissende moment in Deventer was geweest, de moord kon plegen en ook nog eens vóór 21.30 uur thuis kon zijn.

    De ‘onschuldige’ Louwes schatte dus de verschillende tijdstippen redelijk bij benadering terwijl de ‘schuldige’ Louwes zich (achteraf) schromelijk moet hebben verrekend…

  19. @ André Vergeer
    Het lijkt me niet zo relevant. Louwes kon in geen geval “kiezen” voor de datum die de politie noemde, want zo’n grote blunder zou vast niet onopgemerkt blijven en hij had eerder al wat anders verklaard. Het heeft ook weinig zin om erover te speculeren waarom Louwes de blunder probeerde recht te zetten.

    Belangrijker is dat het bedrag dat mw Wittenberg had genoteerd, overeenstemde met wat Louwes over de inhoud van het korte telefoongesprek had verteld. Ook zijn uitspraken over de file waarin hij onverwacht belandde, sloten goed aan bij de feiten.

    Maar dat was plotseling niet meer van belang toen men uit de KPN-gegevens meende te kunnen afleiden dat Louwes met zekerheid in Deventer was. Als vaststaat dat hij over de locatie heeft gelogen, dan mag je ervan uitgaan dat de rest ook gelogen is. Je mag dan veilig aannemen dat mw Wittenberg de aantekening al bij een eerdere gelegenheid had gemaakt, dat Louwes toevallig wat over die file had gehoord en dat hij even belde om zijn komst aan te kondigen. Als je al zeker weet dat het verhaal van Louwes niet kan kloppen, dan maakt het niet meer uit hoe je het verklaart.

  20. Het lijkt inderdaad om zekerheid van het OM te gaan, maar het boek van Derksen heet niet voor niets Leugens over Louwes. Die zekerheid was er nooit. De beide deskundigen die het OM aanvankelijk raadpleegde, wisten van het bestaan van ‘abnormale radiopropagatie’ af, maar spraken over ‘enkele dagen per jaar’. Ook de twee deskundigen die in Den Bosch (toen het proces over moest van de Hoge Raad) getuigden wisten van de mogelijkheid van abnormale radiopropagatie. Alleen de getuige-deskundige uit Eindhoven zei dat het absoluut niet kon vanwege de winterse buien. Uiteindelijk is het ongelijk van al deze deskundigen wel erkend toen tegen de uitspraak in Den Bosch cassatie werd ingesteld, maar toen zei de Hoge Raad dat het er helemaal niet toe deed, want de moord was tussen 20:36 en 24:00 gebeurd, dus ook als verdachte om 20:36 zei waar hij was, dan nog had hij tijd genoeg om zijn handeling voor 24:00 uit te voeren. Op dat ogenblik was het DNA-bewijs doorslaggevend geworden (en was de rechtbank en misschien wel het OM onjuist voorgelicht over hoe weinig dat DNA alles bij elkaar wel was).

    Als de kans 1 op 1000 is (in werkelijkheid is de kans groter) moet je dat afwegen tegen de kans dat zich al die andere onwaarschijnlijke details uit het verhaal van Louwes zich inderdaad zo hebben afgespeld. Als er drie details zijn met elk een kans van 1 op 10 dan is dat samen niet een kans van 3 op 10 of 1 op 30, maar een kans van 1 op 10x10x10 .

    Rob argumenteert dat als je begint met iets dat zeker is (de kans dat een mobieltje dat aanklikt in Deventer ook vlak bij Deventer was), dan maakt het niet uit hoe klein de andere kansen zijn, want de kans dat de betrokkene was waar hij zei dat hij was (A28) is dan gewoon 0.

    Derksen noemt aan het eind van zijn boek ook het feit dat Louwes helemaal nooit tegenover de politie iets verklaard heeft dat bewijsbaar niet klopte, en zelfs dat hij zijn eigen zaak niet verbeterde door onverifieerbare zaken wat aan te dikken. Deze evidente waarheidsminnende attitude wordt door hem als argument gebruikt. Een schuldige die van alles en nog wat te verbergen heeft en die dingen moet vertellen die niet gebeurd zijn, zal zich af en toe vergissen. Dat was impliciet ook wat het OM zei, namelijk dat Louwes een buitengewoon sluwe leugenaar was, hoewel de Sherlocks van het OM uiteraard nog veel en veel slimmer waren, door hem op allerlei ‘kleine foutjes’ te betrappen. (Bijvoorbeeld dat hij beweerde bij de weduwe geweest te zijn en de werkster gehoord te hebben, maar niet wist dat werkster altijd begon met koffiedrinken – komt allemaal aan de orde in het boek van Derksen.)

    Het detail dat Vergeer hier meldt, draagt dus bij tot het Derksen-argument van de overall betrouwbaarheid van Louwes. Natuurlijk kun je dit immuniseren. Je kunt zeggen: ‘Louwes, die natuurlijk wist hoe buitengewoon knap de politie en het OM zijn, zou zich gerealiseerd hebben dat zijn telefoontje hoe dan ook uiteindelijk op het correcte tijdstip zou worden vastgepind. Dat hij zich dus moeite gaf om dat tijdstip te vast te stellen was een sluwe manoeuvre om zich als onschuldige burger voor te doen. Daar trappen wij van het OM niet in, en we zorgen dan ook dat dit in de rechtszaal niet besproken wordt, anders gaat zo’n rechter maar weer twijfelen.’

    Het OM ging een heel eind met dit type argument. Hoewel het OM en de politie goed (maar niet heel goed) gerechercheerd hadden dat Louwes die ochtend al op bezoek was geweest bij de weduwe, en dat zijn verhaal aan alle kanten klopte, heette het in de rechtszaal dat het allemaal te mooi klopte.

    Wanneer iemand begint te argumenteren dat een verhaal niet waar kan zijn omdat het te goed klopt, dan is er ergens iets mis. Dat is een soort spiegelbeeld van: ‘credibile est, quia ineptum est. … certum est, quia impossibile’, oftewel: dit verhaal is zo idioot dat het zeker waar is.

    Ik schreef ‘niet heel goed’ omdat de werkster onzeker was of ‘de boekhouder’ op die donderdagmorgen 23 september of de week daarvoor was geweest. Maar op donderdag 16 september kan het niet geweest zijn, omdat Louwes toen in de vroege ochtend een afspraak met iemand anders had op ongeveer drie kwartier rijden van Deventer. Met andere woorden: 16 september kan het niet zijn geweest. Dat detail heeft de politie niet gecontroleerd, in elk geval hebben ze het niet gevraagd aan de persoon waar hij toen een afspraak mee had.

  21. Wat n trieste oprakeling van dit treurige dossier. Echt niks nieuws gelezen. Het meest trieste is dat er geen enkel bewijs is dat aantoonbaar naar een ander wijst, bijv. N DNA spoor van de beruchte klusjesman.

  22. Harald Merckelbach schrijft (9-12-2011) een vrij neerbuigende recensie van het boek op http://forensischepsychologie.wordpress.com/2011/12/09/ton-derksen-schrijft-een-boek/

    Met daarin o.a. de kritiek dat Derksen de statistiek niet zou begrijpen: “Ten zesde, je snapt de ouderwetse statistiek niet. Wat een p-waarde is enzo (p. 207). Ik ga het niet uitleggen. Te veel werk. Doe die cursus maar opnieuw.”

    Kun je dat voor de lezers ophelderen Jan Willem?

    Als ik het goed heb, zijn zowel Merckelbach als Derksen leden van het comité van aanbeveling van Skepsis. Maakt het verschil van inzicht wel een beetje pikant 😉

  23. Dat is geen recensie van Leugens over Louwes. De kritiekpunten in deze recensie betroffen allemaal De Ware Toedracht (Veen Magazines, 2010). Het is een beetje flauw om over tikfouten te vallen. Dat zoveel boeken vrij zijn van tikfouten e.d. ligt trouwens niet aan de auteurs, maar aan de zorg die door de uitgever ingehuurde ‘redacteuren’ eraan besteed hebben. Wat er in De ware toedracht staat over p-waarden is inderdaad onjuist. Ik laat geen gelegenheid voorbij gaan hoe het wel zit.

    Als je een proef doet en een bepaalde uitkomst krijgt, kun je altijd uitrekenen wat de kans op ‘een dergelijke’ uitkomst is, uitgaande van een specifiek kansmodel voor het geheel van de proef.

    Dus gooi je met twee dobbelstenen, en krijg je een dubbelzes, dan kun je uitrekenen wat de kans op een dubbelzes is, aangenomen dat het een eerlijke dobbelsteen is. Die is 1/36 = 0,28 .

    Trouwens,m als je met een groene en een rode dobbelsteen gooit, dan is voor elke x en y de kans op rood=x en groen=y ook 1/36, als je begrijpt wat ik bedoel.

    Bij sommige soorten proeven gaat het erom aan te tonen dat een van tevoren vastgelegd fenomeen zich ‘opvallend’ vaak voordoet. De concurrerende claim is dan dat er niks speciaals is aan het verschijnsel. Je kunt aan de hand van het exacte protocol van de totale proef berekenen wat de kans is op een bepaald type uitslag, aangenomen de veronderstelling dat er niks bijzonders aan de hand is. Die niksbijzondersaanname noemen we met een geleerd woord een nulhypothese.

    Die veronderstelling is een aanname. Als je al wist dat het zo was, dan hoefde je de hele proef niet te doen. Je kunt bijvoorbeeld uitrekenen bij welke uitkomst x je kunt zeggen ‘aangenomen de nulhypothese heeft deze uitkomst of een meer extreme uitkomst een kans van 5% om op te treden’.

    Als je dan na afloop van de proef inderdaad die uitkomst x (of een meer extreme waarde) vindt, kun je niet zeggen dat ‘de kans dat dit toeval is gelijk is aan vijf procent’, hoewel naar schatting 99,9% van de onderzoekers dat wel zegt.

    Onthoud maar ‘de kans dat iets toeval is’ = onzin.

    Je kunt geen proeven nemen en telkens na afloop van een proef turven wel/geen toeval. Je kunt wel zeggen, gesteld dat slechts het toeval invloed had, dan heeft zich iets voorgedaan dat volgens die veronderstelling een kans had van 5% te gebeuren.

    Het voorbeeld van de groene en de rode dobbelsteen (of sterker: iemand die een lot in de loterij wint, of welke andere gebeurtenis dan ook waarvoor je achteraf een kans kunt berekenen) laat zien dat de berekening van dergelijke waarden achteraf, als de gebeurtenis zich heeft voorgedaan, onzin is.

    Dus als iemand zegt: ik kan de val van een dobbelsteen voorspellen, en hij demonstreert dat door meteen bij de eerste keer correct te voorspellen, dan heb je iets.

    Hier wordt in wetenschappelijke artikelen voortdurend tegen gezondigd.

    Als de een of andere waarde wordt bepaald en er komt uit dat het 95%-betrouwbaarheidsinterval bijvoorbeeld 3,1-5,3 is, dan wil het niet zeggen dat de werkelijke waarde een kans van 5% heeft om buiten die grenzen te vallen. De ‘werkelijke waarde’ is gewoon een vast iets dat helemaal niet van het toeval afhangt. Het mathematische object dat van het toeval afhangt is dat interval. De proefondervindelijke meting plus berekening levert een toevalsafhankelijk interval op (nl. [3.1 , 5.3]). Men stelle zich de werkelijke waarde als een madeliefje in het gras voor, en het betrouwbaarheidsinterval als een hoepel die we zo goed mogelijk (en in het donker) naar dat madeliefje hebben gegooid. De kans waar het dus om gaat is niet de kans dat een bewegend madeliefje zich binnen de vaste hoepel bevindt, maar de kans dat onze hoepel (waarvan de positie van allerlei toevallige omstandigheden afhangt) zo terecht is gekomen dat hij om het vaste madeliefje ligt. Dat is een subtiel verschil.

    Maar als je weet dat het kansmodel niet gaat over waar het madeliefje groeit, maar over totaal van alle toevalsfactoren (alle aspecten van de meting) die de uiteindelijke positie van het betrouwbaarheidsinterval beïnvloeden), dan snap je beter wat je hebt aan dat CI.

  24. Dat is geen recensie van Leugens over Louwes. De kritiekpunten in deze recensie betroffen allemaal De Ware Toedracht (Veen Magazines, 2010).

    Ah, dat kon ik niet echt uit dat stuk van Merckelbach halen, zonder over het nieuwe boek van Derksen te beschikken. De lezer moet dat blijkbaar afleiden uit de zinnen:

    Maar hoezo nieuw boek? Dat oude was nog lang niet af. Kijk, als Ton een scriptie bij mij had geschreven, had ie er flink van langs gekregen. Verdomme Tonny, had ik tegen ‘m gezegd, ik moet je over een paar dingen eens flink de oren wassen. Het is niet leuk, maar iemand moet het doen.

  25. P.S. Alleen een kleine p-waarde zegt nog niet zoveel, als de proef niet zo ontworpen is dat het van tevoren geclaimde fenomeen er ook in tot uiting komt.

    Laat ik een extreem voorbeeld geven. Ik beweer dat ik met gedachtekracht de maan kan wegduwen. Nu richt ik een proef in met dobbelstenen en ik gooi 10x achtereen een zes. P= verschrikkelijk klein. Maar de proef is niet zo ingericht dat als de claim zou kloppen dit er ook uit zou komen. Je kunt de claim natuurlijk uitbreiden en zeggen dat de middelbare maanafstand het vallen van dobbelstenen beïnvloedt. Maar ook dan zegt de hypothetische uitkomst niks. In feite is de rare uitkomst even waarschijnlijk onder de veronderstelling van de nulhypothese als onder de veronderstelling van de alternatieve hypothese, dus ondanks de kleine p-waarde schiet je niks met dit curieuze resulaat op.

  26. JW schreef:

    Als de kans 1 op 1000 is (in werkelijkheid is de kans groter) moet je dat afwegen tegen de kans dat zich al die andere onwaarschijnlijke details uit het verhaal van Louwes zich inderdaad zo hebben afgespeld. Als er drie details zijn met elk een kans van 1 op 10 dan is dat samen niet een kans van 3 op 10 of 1 op 30, maar een kans van 1 op 10×10×10 .

    Rob argumenteert dat als je begint met iets dat zeker is (de kans dat een mobieltje dat aanklikt in Deventer ook vlak bij Deventer was), dan maakt het niet uit hoe klein de andere kansen zijn, want de kans dat de betrokkene was waar hij zei dat hij was (A28) is dan gewoon 0.

    Van die andere feiten kun je de kans niet schatten. Als Louwes al wist dat mevrouw Wittenberg de 1750 gulden op een papiertje had geschreven (omdat hij daar zelf bij was) en als hij later had gehoord dat er een file was, dan is het natuurlijk logisch dat dit klopt.

    Volgens mij gaan politie en justitie graag uit van een feit dat betrouwbaar is vastgesteld. Met behulp daarvan kunnen ze hoofdzaken van bijzaken onderscheiden en orde scheppen in de berg van gegevens en verklaringen die op meerdere manieren geïnterpreteerd kunnen worden en die elkaar soms tegenspreken. Dat lukt nog beter als ze een deskundige kunnen vinden die bereid is de rechter ervan te overtuigen dat het feit inderdaad heel betrouwbaar is. Er wordt dan niet meer serieus gekeken naar alles wat er tegen pleit, want dat is minder zeker en kan bijna altijd wel op de een of andere manier worden verklaard.

    Hetzelfde gebeurde met het mes. Aanvankelijk was Louwes vrijgesproken, maar in hoger beroep liet het gerechtshof zich overtuigen door de geurproef, die ten onrechte als keihard bewijs naar voren werd geschoven, terwijl men niet meer lette op alles wat er tegen pleitte.

  27. Ik ben bang dat juristen helemaal niet denken in kansen. Iets is óf betrouwbaar vastgesteld óf onzeker. Vaak telt een ooggetuigeverslag als betrouwbaar, en uiteraard is een ambtsedige verklaring ook betrouwbaar.

    Van die redeneringen van het type ‘als hij dit of dat gedaan heeft dan is het logisch dat’, zonder dat er ook maar enig bewijs is voor ‘dit of dat’, dat is je reinste immunisering, een raadselachtig detail wegwerken door een beroep te doen op iets wat je helemaal niet weet.

    Afgezien daarvan, het OM voerde in het eerste hoger beroep in Arnhem aan dat wat Louwes over de file zei niet klopte, terwijl de politie de wegenbouwer had verhoord, uit wiens informatie bleek dat het juist wel klopte, en er wordt gesuggereerd dat Louwes het van een met name genoemde collega wist. Die collega had inderdaad ook in die file gezeten, die was geïnterviewd (4 dagen na de arrestatie van Louwes), en uit niets bleek dat Louwes en de collega ook maar een woord over die file hebben gewisseld. Het bleef bij een opmerking over de cursus. Maar het OM zegt alleen maar dat Louwes en de collega de volgende dag hebben gesproken. Dit detail wordt niet eens door Derksen als leugen aangemerkt.

    Toen in opdracht van de Hoge Raad het proces over moest werd dat voor het hof in Den Bosch gedaan. Toen werd als volgt geargumenteerd: verdachte beweert dat hij ca. 20:30 bij ’t Harde reed en dat hij daar in een file zat [verdachte had het gehad over een file bij Harderwijk kort na 20:00 uur] maar dat doet niet ter zake want de file is op de radio gemeld [maar dat was om 21:00 uur aan de staart van de inmiddels langer geworden file bij Harderwijk, en ten gevolge van een ongeluk].

    Met andere woorden, het OM heeft misschien wel gedacht zoals Rob aangeeft, maar het OM moet geweten hebben dat een dergelijke redenering in de rechtszaal geen hout snijdt. In plaats daarvan heeft het OM dingen gezegd die gegarandeerd onwaar waren.

  28. Pepijn van Erp schreef

    Ah, dat kon ik niet echt uit dat stuk van Merckelbach halen

    Ik ook niet! Met schaamrood op de kaken en kloppend hart heb ik de desbetreffende pagina’s opgezocht en kon helemaal niets over p-waarden of Festiger e.d. vinden. Ik vond het al raar want ik herinnerde me die helemaal niet.

    Gelukkig bleek het een boek te zijn dat ik niet had nagekeken. Richard Gill heeft wel het hoofdstuk over waarschijnlijkheidstheorie (in dat andere boek) gekeken en als hij commentaar over de p-waarden heeft gehad, is dat niet verwerkt.

  29. “Het is mij nooit duidelijk geworden hoe Louwes er zelf precies achter kwam dat die tijd verkeerd was genoteerd. ”

    Hier houdt André zich van den domme, het kan niet anders, dan dat de recherche bemerkte, dat er verschillen zaten tussen het rapport nr. 17 in het Tactisch Journaal omtrent het telefoongeheugen op de PD, gepubliceerd op 26 september 1999 en het PV aangaande dit telefoongeheugen, gepubliceerd op 28 september 1999.

    De verschillen betroffen:
    – datumverschil van het gesprek van Louwes
    – tijdverschil (12 minuten) van alle overeenkomstige gesprekken
    – in het rapport van 26 september ontbraken alle oproepen die de schoonheidsspecialiste had gedaan

    De consequentie van de verschillen is na vergelijking met de telefoongegevens van Louwes:
    Het rapport (26 september) in het Tactisch Journaal is het meest correct (foutloos)
    Het rapport (26 september) in het Tactisch Journaal is gebaseerd op het uitlezen van het telefoongeheugen op een eerder tijdstip dan dat van de PV (want de registratie stokte eerder)
    Derhalve had de schoonheidsspecialiste op het moment van aflezen nog niet geprobeerd te bellen
    De fout in de datumberekening van het PV werd opgemerkt, maar de fout in de tijdberekening bleef een raadsel, dat werd afgedekt door een meinedige verklaring in een afsluitend PV.

    E.e.a. kreeg een nieuwe wending, toen in 2007 tijdens een discussie tussen Maurice de Hond en ondergetekende een notitie boven tafel kwam, waarop het genoemde -incorrecte- PV was gebaseerd. Hieruit bleek, dat er een overschrijffout van 10 minuten was gemaakt (in de gegevens waarmee de telefoonklok moest worden gecorrigeerd).

    De stand was nu:
    Het document van 26 september (Tactisch Journaal) meldde het telefoongesprek op 20:37 uur
    Het document van 28 september (PV) meldde het telefoongesprek op 20:25 uur, maar volgens de gebruikte gegevens eigenlijk om 20:35 uur
    Het gesprek had volgens de KPN plaatsgevonden om 20:36 uur en 11 seconden (*)

    André en Maurice beweren, dat het Tactisch Journaal werd aangepast, om een tijd te kunnen corrigeren, waarvan pas in 2007 werd ontdekt waarom deze fout was – een ontdekking die n.a.w. nog steeds niet is doorgedrongen tot de onderzoekers. Tot op heden zien zij niet, dat de correctie heeft plaatsgevonden in het PV van 17 januari 2000, waarbij een meinedige verklaring van het tijdsverschil is ingeroepen(**). En die correctie gold het PV van 28 september en niet de rapportage van 26 september, want die was altijd al correct, hetgeen blijkt uit een hele serie van andere rapportages.

    Daarnaast verzuimden beiden geruime tijd te onthullen, dat in 2007 (toevallig gelijktijdig) een nadere ondervraging van recherche-personeel duidelijk had gemaakt, dat er na de moord twee maal onderzoek gepleegd was naar de inhoud van het telefoongeheugen, eenmaal op zaterdagmiddag en eenmaal op zaterdagavond.

    Ik geef toe, het is een ingewikkeld verhaal, maar wel uiterst belangrijk voor de bepaling van het tijdstip van de moord.
    Het verplaatst namelijk de tijdstippen, waarop het slachtoffer contact had en zou hebben met de schoonheidsspecialiste, waardoor ook dit bewijsmiddel zich voegt bij een lange serie andere bewijsmiddelen, die bewijzen, dat de moord op zaterdagochtend plaatsvond.

    Hier verder lezen svp:
    http://tinyurl.com/72k7deh
    http://tinyurl.com/6nvjtpb (en onderliggende paragrafen)

    (*) Het telefoongeheugen van het slachtoffer registreerde geen seconden.
    (**) Hierin wordt beweerd, dat de telefoonklok 10 minuten uit de pas liep. In werkelijkheid, zo staat duidelijk in het PV van 28 september te lezen, liep de klok ongeveer een half JAAR uit de pas.

  30. het OM heeft misschien wel gedacht zoals Rob aangeeft, maar het OM moet geweten hebben dat een dergelijke redenering in de rechtszaal geen hout snijdt. In plaats daarvan heeft het OM dingen gezegd die gegarandeerd onwaar waren.

    Ik vrees dat het voor het OM niet veel uitmaakte hoe Louwes aan de informatie over de file was gekomen. Men ging er gewoon vanuit dat hij met zekerheid in Deventer was en dus niet in de file had gestaan. Het maakte dan weinig meer uit hoe hij aan zijn informatie was gekomen. Iedere hypothese was wat dit betreft goed genoeg, ook al klopten de aannames niet. De officier had waarschijnlijk geen reden om de feiten nauwkeurig te bestuderen, want de verdediging kon sowieso niet aantonen dat Louwes de informatie onmogelijk na afloop had kunnen verkrijgen.

  31. Marc vind dat hij niks nieuws gelezen heeft, en demo en André gaan met elkaar in de clinch over een detail van de timing van telefoongesprekken e.d.

    Het boek tracht echter te documenteren dat het OM en de deskundigen een karrenvracht aan onwaarheden hebben gedebiteerd die allemaal ten doel hadden Louwes te veroordelen. Het gaat om onwaarheden waarvan het OM had kunnen weten dat ze niet klopten, omdat ze in strijd waren met wat de politie had ontdekt en wat in het dossier stond.

    Daarom rekent Derksen de wanprestaties van de honden niet als leugen, maar wel dat de getuigedeskundige zegt dat honden slechts 1 à 2 procent fouten maken (NB het OM beschouwst dus iets als ‘zeker’ wanneer de kans op een fout 1 op 50 is). De manier waarop het mes was gelinkt aan de moord kan ook niet door de beugel en dat politieagenten drie maanden na dato pas een proces-verbaal opstellen van hoe ze de geur hebben veiliggesteld, en wel enkele uren nadat ze gedetailleerde instructies hebben gekregen hoe het hoort en impliciet een uitbrander dat hun eerdere proces-verbaal nergens naar leek – dat is ook een ernstige zaak. Veel van de zaken in het boek waren al elders te lezen, maar het gaat in het boek primair om de wanprestatie van het OM.

  32. • Marc
    11 December 2011 om 13:04 schreef:
    “Wat n trieste oprakeling van dit treurige dossier. Echt niks nieuws gelezen. Het meest trieste is dat er geen enkel bewijs is dat aantoonbaar naar een ander wijst, bijv. N DNA spoor van de beruchte klusjesman.”

    Dat valt nog te bezien:
    Uit forensische gegevens valt duidelijk af te leiden, dat het slachtoffer door het huis was gesleept. En toch lagen de sleutels naast haar hand (die overigens open was en verstijfd).
    -Die moeten er door de dader(s) neergelegd zijn met als opzet een binnenlaten door het slachtoffer te suggereren.

    De kranten in de stapel post achter de voordeur lagen in zodanige volgorde, dat daaruit de conclusie moet volgen, dat er een krant ’s ochtends werd bezorgd, die pas ’s middags werd gedrukt.
    -De post moet er zo door de dader(s) zo zijn neergelegd. Met als doel een tijdstip delict op donderdagavond te creëren. Dat lukte, ondanks het gegeven dat nog minstens vier getuigen aangaven, het slachtoffer nog vrijdag gezien te hebben (twee aan twee ook nog eens vrijwel gelijktijdig) en ondanks een overvloed aan forensisch materiaal.

    Voorts werden zich herhalende DNA-sporen aangetroffen, toe te schrijven aan een vrouwspersoon (wel autosomaal, maar niet Y-chromosomaal).

  33. In het boek bespreekt Derksen op p. 254 onderaan kort waarom hij denkt dat het tijdstip van de moord toch op donderdagavond kort na het achtuurjournaal geweest moet zijn. De getuigen die mw. Wittenberg nog gezien zouden hebben op vrijdag worden in voetnoot 67 aangestipt.

    De relevantie voor het boek (over de leugens van het OM) is dat het OM er zelf sterk van overtuigd was dat de moord vlak na 20:36 plaats had gevonden, maar toen ze dat niet uitkwam (omdat ze zo onder de indruk was van het bij elkaar gelogen DNA-bewijs) maakten ze ervan dat Louwes het ook wel veel later gedaan zou kunnen hebben, dus toen was de file en het telfoontje opeens niet meer zo belangrijk.

  34. @Jan Willem,

    Ik ga niet meer in de clinch met Demo omdat ik het op vele onderwerpen niet met zijn zienswijze eens ben. En vooral niet met de moord op vrijdagavond.

    Wat bijvoorbeeld wel interessant is in deze discussie zijn alle leugens over het gevonden mes (P1) en de daarbij gevonden paraplu. Zo zou het mes op ongeveer 1000 meter afstand van de PD zijn aangetroffen. En omdat de Zwolseweg naar die kant afgesloten was wegens wegwerkzaamheden zou Louwes dus 2 km heen en weer moeten hebben lopen om het mes en de plu daar achter te laten en/of via een andere route dan gebruikelijk Deventer met zijn auto te verlaten.

    Het mes werd direct weggebracht naar het NFI om op bloed en DNA te worden onderzocht. Maar aan dat schone mes zonder bloedsporen was dus al gezien dat het afgespoeld moest zijn geweest. Toch duurde het nog tot die woensdag (vier dagen na de vondst van het slachtoffer, drie dagen na de vondst van het mes èn dat nog eens, terwijl de tactische recherche al op de PD rond banjerde) dat de spoelbakken en de stankafsluiter in de keuken werden bemonsterd op mogelijk bloed. Het NFI meldde dat er zich geen bloed of andere sporen op dat mes bevonden. Vreemd echter dat het (afgespoelde) mes bij het NFI NIET was gesloopt om ook even onder het heft te kunnen kijken. De wattenstaafjes uit de spoelbakken werden in 1999 ook al niet bij het NFI aangeleverd.

    Verder werd verzwegen dat de voorschriften meldden dat een voorwerp niet langer dan 72 uur aan de buitenlucht mag zijn blootgesteld om nog voor een geurproef in aanmerking te komen en niet besmet mag zijn met de geur van een ander. ‘Gelukkig’ meldde de vinder dat hij het mes al op zaterdag had ‘veiliggesteld’ en in een gang had geschoven en dat hij dat met zijn MOUW (?) had gedaan. Hij meldde zijn vondst op zondagmiddag, precies op tijd dus voor de afloop van de kritische termijn. En er is op dat moment NIET met hem gesproken door de recherche om uitleg te vragen over de omstandigheden van die veiligstelling (OOK al een voorwaarde volgens de forensisch-technische normen). Noch werden de omstandigheden van dat moment (fotografisch) vastgelegd en ook dat is een voorwaarde bij geurproeven, omdat de recherche pas maanden later foto’s maakte van de vindplaats. En dan ga ik nog niet eens in op de geurproef van de hond Spike zelf.

    Met de paraplu is de recherche daarna de buurt in geweest om te achterhalen van wie deze was. Bij de ontdekking van een bloedvlekje in de broekzak van Louwes, na zijn aanhouding, is ook de paraplu nog eens onderworpen aan een zgn. polylight-onderzoek, een lamp met verschillende lichtfrequenties waarbij bloed, sperma en speeksel zichtbaar gemaakt kunnen worden. Daarbij werd door de recherche een ‘bloeddruppeltje’ aangetroffen dat later – opnieuw – door het NFI zou worden ontkend. Ook in 2003 werd die plu opnieuw aan het NFI aangeboden maar de resultaten zijn nooit gemeld.

    Louwes vertelt zelf dat hij op dat ogenblik in 1999 een bloedmonster heeft afgestaan vanwege een DNA-onderzoek, geheel in lijn met bovenstaande. Alle documentatie (aanvraag/vordering van de officier van justitie) omtrent dat DNA-onderzoek zijn echter uit het dossier verdwenen, zelfs bij de rechter-commissaris!

    Maar goed, er was dus een mes gevonden en twee rechercheurs zouden later verklaren dat het mes (P1) overeenkwam met de afdruk in bloed van een krom mes op de blouse. Het mes werd als moordwapen aanvaard door het Hof in Arnhem terwijl het later nooit het moordwapen kon zijn geweest! De patholoog loog over zijn onderzoek, de vinder van het mes loog en de officier en de recherche logen over datzelfde mes.

    Stay tunend, want dit is nog maar een begin van al die leugens over het mes en die plu…

  35. De paraplu komt in het boek alleen voor in twee citaten uit resp. Tactisch Journaal 27-9-99 en proces-verbaal 23-12-99 (dossier p. 85).

    Ik moet zeggen dat ik nog steeds niet snap waarom gezegd wordt dat de patholoog-anatoom loog. In het boek wordt hij geciteerd als: ‘Uit de aantekeningen, die ik onmiddellijk na de sectie gemaakt heb blijkt, dat de steekkanaal lengte (dus gemeten aan het lijk in gestrekte houding) ca 10 cm bedraagt.’ (brief aan OvJ 23-2-99). Later, 8-12-00, voor de rechtbank Den Bosch, verklaarde de patholoog-anatoom ‘Ik kan me niet herinneren dat ik in de onderhavige zaak indertijd die steekwonden heb gesondeerd.’

    Derksen vindt dat hij dus gelogen heeft, omdat hij op 23-2-99 niet gezegd heeft dat hij dat geschat had. Ik vind dat ‘ca 10 cm’ voldoende duidelijk maakt dat het gaat om een schatting. De patholoog-anatoom kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het onvermogen van de OvJ om de term ‘ca’ te begrijpen.

  36. Wat ik een betje mis is of er nu naar aanleiding van dit boek iets wordt ondernomen door Louwes of Justitie

  37. Ik denk dat men er zeker van kan zijn dat de advocaat van Louwes de inhoud van het boek kent, maar voor zover ik begrepen heb wordt een herzieningsverzoek pas over paar maanden ingediend.

  38. @Jan Willem,

    Toch vind ik dat de patholoog direct had moeten melden dat hij de steekwonden niet daadwerkelijk had gesondeerd. Dat lijkt mij een standaard-onderzoek binnen zijn vakgebied omdat de politie (en de rechter) die gegevens nodig heeft voor een beoordeling van het feitenmateriaal v.w.b. de mogelijke afmetingen van het moordwapen. Hij meldt namelijk (pas) op 29 februari 2000 het volgende aan de OvJ: “Uit de aantekeningen, die ik onmiddellijk na de sectie heb gemaakt blijkt, dat de steekkanaal lengte (dus gemeten aan het lijk in gestrekte houding) ca. 10 centimeter bedraagt. Ze verlopen vrijwel loodrecht van vòòr naar achter(rug)waarts”.

    Hij liegt dus gewoon onder ede als later zou blijken dat hij die steekdiepten slechts zou hebben geschat aan de hand van een skelet terwijl hij volgens zijn eigen verklaring ‘zou hebben gemeten aan het lijk in gestrekte houding ..’! Want ook de vijf huidperforaties op de borst van het slachtoffer waren door hem geschat met een “ca.” van alle perforaties tegelijk!

    Maar goed, tijdens de sectie zou een rechercheur van hem hebben gehoord dat een beschadiging was aangetroffen aan een rugwervel. Uit het tactisch journaal nr. 046: “De steekwonden waren minimaal 10 centimeter diep. Een van de steken had de onderliggende ruggewervel geraakt”. Een betere manier om de steekdiepte te meten was er immers niet. En in een vertrouwelijke brief schreef de Zwolse officier aan de AG in Den Bosch: “Eén technisch rechercheur wist zich nog te herinneren, dat er zelfs meerdere gaatjes in de ruggengraat hadden gezeten. De andere twee collega’s moeten nog worden ondervraagd. Dit zou een verklaring kunnen zijn, dat de steekwonden niet de diepte van het lemmet hebben gehad”. Hetgeen nog een vinnige discussie opleverde met die patholoog-anatoom in Den Bosch omdat HIJ vond dat die rechercheur hem daar dan maar op attent had moeten maken TIJDENS de sectie…(!?).

    Vervolgens gelastte de rechter in Den Bosch tijdens de regiezitting van 16 september 2003 een onderzoek naar de blouse door twee deskundigen van TNO, de heren Luiken en Timmer. Beiden hadden, weliswaar op basis van fotomateriaal, het mes P1 al uitgesloten als veroorzaker van de kromme afdruk in bloed op de blouse en zij achtten het kromme Globalmes GS8 (in bezit van de klusjesman) een betere kandidaat. Hun opdracht van de rechter was om mes P1 met de afdruk in bloed op de blouse te vergelijken en met de steekbeschadigingen in die blouse. Want ook die steekbeschadigingen bleken ‘smaller’ dan de lemmetbreedte van mes P1. Het is evident dat Luiken en Timmer daarbij ook het Globalmes van de ‘klusjesman’ in hun onderzoek zouden hebben betrokken. Maar wat gebeurde? De blouse bleek ineens onvindbaar! En werd pas op het allerlaatste moment teruggevonden waardoor de onderzoeken van TNO ‘helaas’ geen doorgang kon vinden…

    Pikant detail 1: Het DNA-onderzoek op mes P1 uit februari 2003 (waarbij DNA was aangetroffen van twee onbekende mannen [?]) was op de zitting van 8 december 2003 nog niet door ‘De Schaduw’ in een rapport vastgelegd. Dat werd pas in de laatste dagen van de strafprocedure bekend gemaakt. En dat, terwijl er enkele maanden na dat onderzoek van februari 2003 al foto’s en resultaten van dit mes waren rondgestuurd, o.a. aan de procureur-generaal van de Hoge Raad. Maar blijkbaar dus NIET aan de verdediging.

    Pikant detail 2: op (of eigenlijk in) het fotomateriaal van het NFI van de blouse werden data vermeld van juli en augustus 2003! Persoonlijk acht ik het dus niet uitgesloten dat die blouse dan ook al in DIE periode op het NFI in Rijswijk aanwezig was en dus nooit zoek geweest is. En dat zou, gezien de melding aan Louwes op het allerlaatste ogenblik, op de zitting van 8 december 2003 (dat er DNA van hem op die blouse was gevonden), helemaal een gigantische leugen zijn waardoor een contra-onderzoek door de verdediging bij TNO zelfs onmogelijk werd.

    Omdat de blouse dus tot 12 november 2003 niet beschikbaar was voor TNO (‘ingeboekt’ bij het NFI op 21 november!), heeft de DNA-man van het NFI, Richard Eikelenboom, dit onderzoek dan maar zélf uitgevoerd vanwege de grote ‘tijdsdruk’, opnieuw op last van de rechter. Daarbij ‘vergat’ hij blijkbaar dat er ook een onderzoek was gevraagd naar de breedte van de beschadigingen door het mes maar hij concentreerde zich slechts op de kromme afdruk in bloed. In een hilarisch filmpje reconstrueerde hij met dit mes afdrukken met bloed waarbij hij afdrukken creëerde van 30 tot 35 cm. met een lemmet van 18 cm. En die afdrukken waren inderdaad krom maar m.i. dus veel te lang. En, omdat hij toen nóg geen conclusie wilde trekken zond hij zijn gegevens eerst nog eens naar Canada voor een ‘peer-review’. Opnieuw met de onvermijdelijke consequentie dat die resultaten pas in de laatste dagen voor de laatste zitting van 26 januari 2004 aan de rechter konden worden gemeld.

    Ter illustratie nog even een vreemd voorval van de zitting van 8 december 2003. Hoewel het mes dus al in 1999 op sporen, bloed en DNA was onderzocht en later in februari 2003 zelfs was gesloopt en opnieuw volledig was onderzocht op DNA, verzocht de AG aan het Hof ter zitting van 8 december om het mes in de beschermende koker te laten. Mochten de verdediging en de rechter dan niet zélf hun conclusies trekken van de AG over de lengte en de breedte van het lemmet van mes P1..?

    In april en mei 2006 werden, op de vragen van de verdediging, opnieuw onderzoeken uitgevoerd door collega’s van Eikelenboom van het NFI naar de steekbeschadigingen in de blouse en naar de kromme afdruk in bloed vanwege de mogelijkheid van het gebruik van een Globalmes door de dader (en in het bezit van de ‘klusjesman’). En je raadt het vermoedelijk al: De textieldeskundige van het NFI kon, evenmin als haar collega uit 1999, niet tot een conclusie komen “vanwege de ingewikkelde steekpatronen” terwijl onze eigen textieldeskundige die beschadigingen op basis van foto’s wel degelijk in kaart bracht, de vormen daarvan kon voorspellen en zelfs eindeloos kon reconstrueren in proefsteken.

    En de collega-‘bloedspoorpatroondeskundige’ van Eikelenboom, ing. Keereweer, presteerde het zelfs om de kromme afdruk in bloed op de blouse weer ‘recht’ te verklaren in een uiterste poging om het Globalmes maar uit te kunnen sluiten.

    Resumerend: De technische recherche verklaarde in 1999 bij PV het rechte mes P1 ‘krom’ omdat dit hen beter uitkwam in de aanklacht tegen Ernest Louwes en op basis van zeer dun bewijs, zoals de omstandigheden van veiligstelling en de afstand tot de PD. De lengte van het lemmet werd daarbij eveneens genegeerd. En de geurproeven en de DNA-onderzoeken op het mes P1 waren daar in 1999 en 2003 een exponent van, waarbij de vertraging van de rapportages van het NFI een zeer belangrijke factor vormden in de strafprocedure waardoor Louwes zich niet adequaat kon verdedigen.

    Vervolgens trachtte Eikelenboom in 2003 het rechte mes P1 opnieuw krom te verklaren door op een stuk textiel kromme afdrukken te reconstrueren die aantoonbaar veel te lang waren en daarmee dus niet aan de afdruk in bloed op de blouse te relateren. En werd een contra-onderzoek door TNO naar een krom mes (in bezit van de andere verdachte) met succes onmogelijk gemaakt.

    Na diverse vragen vanuit de verdediging werd door een collega van Eikelenboom in het oriënterend onderzoek in 2006 nog eens getracht om de kromme afdruk op de blouse weer ‘recht’ te verklaren vanwege de ‘rondingen van het lichaam en de ingewikkelde plooien in de blouse’ waardoor het Globalmes werd ‘uitgesloten’. Daarnaast probeerde de OvJ uit Zwolle in 2003 de te grote lengte van het lemmet (18 cm. versus 10 cm. steekkanalen) van het mes te ‘verklaren’ door ‘al’ die beschadigingen aan de wervelkolom van het slachtoffer, geconstateerd door één rechercheur tijdens de sectie. Niet door de patholoog dus, maar door een rechercheur vastgesteld.

    En de ‘textieldeskundigen’ van het NFI waren bij herhaling niet in staat om een conclusie te trekken uit de relatief simpele steekbeschadigingen terwijl ‘onze’ deskundige alleen al op basis van foto’s haar conclusies haarfijn kon voorspellen en reconstrueren.

    Maar ik heb de grootste leugen nog even voor het laatst bewaard. Want wat is er aan de hand? Volgens de verklaring van de beheerder van het kerkhof, waar het slachtoffer bijna dagelijks mee sprak tijdens de bezoeken aan het graf van haar overleden man, zou de ‘klusjesman’ (de bezitter dus van het kromme mes), zich op die vroege vrijdagmorgen na de moord aan de poort van de begraafplaats hebben gemeld met de opmerking: “Ze hebben haar met zeven (7) messteken om het leven gebracht”. Het slachtoffer was op dat moment zelfs nog eens niet aangetroffen door de politie waardoor daderkennis bij de ‘klusjesman’ mag worden verondersteld. En dat, terwijl er slechts vijf (5) huidperforaties aan het slachtoffer waren vastgesteld door de patholoog-anatoom van het NFI. Deze verklaring van de ‘klusjesman’ over die vrijdagochtend wordt niet alleen ondersteund door de collega’s van die beheerder maar ook is door een internist inmiddels vastgesteld dat het slachtoffer wel degelijk 7 perforaties in haar lichaam vertoonde. Ook ‘onze’ textieldeskundige bewees dat er inderdaad 7 individuele perforaties werden aangetroffen in het beleg van de blouse. Zelfs nog eens ondersteund door de ‘deskundige’ van het NFI. Alleen gaf deze laatste er weer een zodanige draai aan dat getwijfeld moet worden aan haar verstandelijke vermogens en/of aan haar integriteit of aan beide. Oordeel zelf, zou ik zeggen…

    En oh ja, die paraplu die ‘mogelijk’ was gebruikt bij het vervoer van het afgespoelde mes P1, en waar in 1999 ‘mogelijk’ bloed in was aangetroffen en die bij herhaling is aangeboden aan het NFI voor DNA-onderzoek, DIE resultaten van dat onderzoek op DIE paraplu heb ik nooit meer in het onderzoek aangetroffen. Waarmee het (verdwenen verzoek van de OvJ om) DNA-onderzoek op die plu in 1999 en op het bloedmonster van Louwes voor mij ook al terechtkomt in de categorie van regelrechte fraude…

    P.S.

    Lees en huiver bij zoveel leugens van één enkele deskundige, de forensisch patholoog van het NFI, op slechts één onderwerp, waar hij onder ede verklaart tijdens de regiezitting van 16 september 2003 tegenover het Hof Den Bosch:

    “U houdt mij het rapport voor van de door mij op 26 september 1999 verrichte sectie op het lijk van J.J.E.G. Willemen. In dat rapport heb ik geen melding gemaakt van de diepte van de steekwonden in de borst. Onlangs heb ik een meting verricht bij een plastic model van een skelet van een mens dat zich in het laboratorium bevindt (1). Ik ben daarbij uitgegaan van de diepste steekwond, te weten de klieving van de lichaamsslagader. De lichaamsslagader ligt tegen de wervelkolom aan. Andere organen die waren geraakt liggen minder diep (2). Ik heb bij het plastic model een steeklengte gemeten van ongeveer 12 centimeter (3). Niet alle steekwonden waren even diep (4). Ik heb de lengte van de andere steekwonden niet gemeten, omdat dat niet gebruikelijk is (5). Eerder (in februari 2000, André) heb ik in antwoord op een vraag van de officier van justitie schriftelijk gemeld dat alle steekwonden ongeveer 10 centimeter lang waren. Ik heb dat toen niet gemeten, maar geschat”.

    Eerst even zijn antwoord op de vraag van de officier van justitie in februari 2000 waar hij antwoordde: “Uit de aantekeningen, die ik onmiddellijk na de sectie heb gemaakt blijkt, dat de steekkanaal lengte (dus gemeten aan het lijk in gestrekte houding) ca. 10 centimeter bedraagt. Ze verlopen vrijwel loodrecht van vóór naar achter(rug)waarts”. Dit is dus al de eerste leugen omdat hij in 2000 aan de officier wel degelijk suggereerde dat die meting uit zijn aantekeningen kwam. En wat hij in 2003 dus al moet terugnemen met: “Eerder heb ik in antwoord op een vraag van de officier van justitie schriftelijk gemeld dat alle steekwonden ongeveer 10 centimeter lang waren. Ik heb dat toen niet gemeten, maar geschat”.

    Dan de volgende leugens:

    1. “Onlangs heb ik een meting verricht bij een plastic model van een skelet van een mens dat zich in het laboratorium bevindt”. Dit is niet alleen een leugen maar ook een grove blunder. Zelfs een leek weet dat elke borstkas op breedte en diepte kan variëren. Was het plastic skelet van een man of van een vrouw; was er sprake van een ‘kippenborst’ of van een trechterborst? Hield hij nu wél of geen rekening met de 15 (!) aan weerszijden gebroken ribben?

    2. “De lichaamsslagader ligt tegen de wervelkolom aan. Andere organen die waren geraakt liggen minder diep”.
    Alweer gelogen! Het hart en de longen waren op diverse locaties doorkliefd zodat hij (zonder meten en zonder de afmetingen te kennen van het mes) nooit kon bepalen hoe diep het mes op die locaties was doorgedrongen tot achter die organen.

    Overigens ben ik – als leek – in dit geval nog niet zo zeker van deze bevinding. De lichaamsslagader ligt relatief veilig achter het borstbeen. De huidperforaties lagen op 2 tot 4 cm. van de mediaanlijn zodat een verticale steekrichting vloer niet voldeed. En een overlangse, dus horizontale doorklieving van die lichaamsslagader (boven/achter het hart) vraagt dan eerder om een min of meer horizontale steekbeweging, gerekend vanaf het liggende slachtoffer en t.o.v. van de vloer. (Ook onder deze hoek voldoet de Global met zijn holle snijkant aan alle voorwaarden..).

    3. “Ik heb bij het plastic model een steeklengte gemeten van ongeveer 12 centimeter”.
    Zie onder 1. Daarnaast had hij dus ook geen idee onder welke hoek het mes precies was binnengedrongen, want hij had niet gesondeerd zodat ook de hoek onbekend was. En geen rekening gehouden met de gebroken ribben.

    4. “Niet alle steekwonden waren even diep”.
    Dit zegt hij maximaal op basis van zijn geheugen omdat hij dat nooit heeft gemeten, laat staan genoteerd. Zie ook onder 3.

    5. “Ik heb de lengte van de andere steekwonden niet gemeten, omdat dat niet gebruikelijk is”.
    En alweer gelogen omdat hij in 1999 verzuimde om dat al bij de eerste steekwond te meten en in 2000 de diepte slechts gokte. Alleen de rechercheur had blijkbaar goed opgelet tijdens de sectie omdat hij in het tactisch journaal noteerde: “De steekwonden waren minimaal 10 centimeter diep. Een van de steken had de onderliggende ruggewervel geraakt”.

    Ook de opmerking an sich klopt niet. Want de patholoog laat daarbij buiten beschouwing dat het slachtoffer ook met meerdere steekwapens kon zijn gestoken en bij vijf steken lijkt het mij niet ongebruikelijk om ze even alle vijf te sonderen vanwege de lengte, de hoek van de insteek en de mogelijke locatie van de dader t.o.v. het slachtoffer (links, rechts, linkshandig of rechtshandig).

    Het enig goede antwoord dat de patholoog had kunnen geven in 2000 en in 2003 was: “Sorry, ik ben zo stom geweest om dat alles in 1999 niet nader te onderzoeken”. En dat zijn dus de professionele leugens volgens Ton Derksen die grote gevolgen kunnen hebben op de resultaten van het onderzoek. Pas in 2006 gaf deze patholoog toe dat de gebroken ribben en het daardoor verder indrukken van de borstkas een grotere marge toelieten. Oftewel, dat ook een kort mes in dergelijke omstandigheden een grotere diepte kon bereiken. Een Globalmes bijvoorbeeld…

  39. Dat maakt het het allemaal een stuk duidelijker. De ‘leugen’ (zoals in het boek) bestaat dus uit het gebruik van de term ‘gemeten’. Die kan natuurlijk wel verwarring scheppen, maar dat is zo te zien niet meer dan een vage aanduiding, zoals ‘de hoogte van het huis, gemeten vanaf de bovenkant van de schoorsteen is xxx meter’, of ‘met hemelsbreed bedoelen we altijd de kortste afstand gemeten over het aardoppervlak’ of ‘de borstomtrek is de grootste omtrek van de borst, gemeten over de onderkleding’ of de breedte van deze schuinwandige zolderkamer is slechts 2,5 meter, gemeten op ooghoogte’. Het geeft in combinatie met een voorzetsel niet aan dat er daadwerkelijk een meting is uitgevoerd, maar een omstandigheid die de uitslag van een eventuele meting kan beïnvloeden. Dit is ook in de meer overdrachtelijke zin zo. Als we zeggen dat het maar een matige zomer was, gemeten naar het aantal zomerse dagen, of dat het met de economie nog heel redelijk gaat gemeten naar het aantal werklozen, of juist heel slecht gemeten naar de goudprijs, wil dat ook niet zeggen dat de spreker een meting heeft uitgevoerd, hooguit dat hij of zij ergens een getal heeft gelezen.

    Het is onzorgvuldig taalgebruik, en net als met de getuigenis van professor ‘Brabant’ meer een bewijs van verwijtbare slordigheid (dat bij Derksen ook onder professionele leugen valt). Maar het is ook een beetje slordig om achteraf te vallen over de interpretatie van het woordje gemeten in de gegeven context. De patholoog heeft gewoon niet erg zijn best gedaan, en de opmerking dat ‘de lengte van de andere steekwonden niet gemeten, omdat dat niet gebruikelijk is’ verraadt een ‘we rotzooien maar wat aan’-houding bij dit soort onderzoek.

  40. “Op een onnavolgbare manier toont Derksen aan dat deze bewijsstukken ofwel niet relevant zijn voor deze zaak dan wel falen in de opzet om te discrimineren tussen de scenario’s schuldig en onschuldig.”

    Onnavolgbaar of juist heel goed te volgen?

  41. Wat betreft het telefoontje en het al of niet op de A28 zijn tijdens dat telefoontje: Het verbaast mij dat Ton Derksen niets opmerkt over de afwezigheid van de TA-gegevens, waarmee de juiste positie op 500 meter nauwkeurig bekend was geworden. Er is zoveel onderzoek gedaan en dan zouden de TA-gegevens niet opgevraagd zijn? Of zouden ze er wel zijn, maar achtergehouden zijn zoals zoveel ontlastend bewijs?

  42. @JJM

    In het boek staat hier niets over. Voor de lezer die hier midden in valt het volgende. In het boek staat wel uitgelegd dat een mobieltje contact zoekt met een station dat (tegenwoordig) op maximaal 33 km afstand is van het mobieltje. De enige handzame manier om dat te controleren is door de afstand te bepalen (bijvoorbeeld doordat het mobieltje na een contactpoging ogenblikkelijk het eigen signaal teruggezonden krijgt).

    Op http://en.wikipedia.org/wiki/Timing_advance

    staat er meer over uitgelegd. Ook gedurende het gesprek houden mobieltje en basisstation voortdurend bij hoever het basisstation van het mobieltje is. Het mobieltje mag namelijk maar eens per zoveel microseconden een portie signaal naar het basisstation zenden om zo in het goede timeslot terecht te komen, en aangezien een radiosignaal in een microseconde 300 meter aflegt en elke microseconde telt moeten basisstation en mobieltje allebei bijhouden hoever het mobieltje van het basisstation is. Dat bedrag is de Timing Advance (TA). Die wordt gemeten in eenheden van ongeveer 3,69 microseconden, en die vertegenwoordigt de tijd voor een signaal om van mobieltje naar basisstation te gaan en daarna weer terug (in meters 1106 meters).

    Ik citeer van http://www.boublog.nl/27/04/2009/schuldig-door-ernest-louwes/

    Aan de hand van de ‘timing advance gegevens‘ kan de plaats vanwaar getelefoneerd werd binnen een straal van 500 meter worden bepaald. Deze TA-gegevens worden door de telefoonmaatschappij een half jaar lang bewaard. De recherche heeft deze gegevens echter niet opgevraagd en toen de advocaat van Louwes ze na zijn veroordeling wilde opvragen, bleken ze reeds vernietigd. Voor dit ultieme bewijs van de onschuld van Louwes heeft het OM geen enkele moeite gedaan! Alles wat tegen Louwes gebruikt kon worden, werd daarentegen opgeklopt, uitvergroot en soms zelfs aantoonbaar vervalst!

    JJM suggereert dat de TA-gegevens misschien zijn opgevraagd, en vervolgens terzijde gelegd. In deze hele zaak zien we echter aan de lopende band deskundigen opdraven die hun vak niet kennen, slordig werk afleveren, en juristen (bij het OM bijvoorbeeld) die hun eigen dossier niet kennen, geen benul van waarschijnlijkheidstheorie of wat dan ook dat zich in de ‘echte’ wereld (namelijk die buiten hun juridische denkkader) afspeelt, dat van verwijtbare domheid gesproken kan worden. Het niet opvragen van de TA-gegevens past daar ook in.

    Bij elke verklaring dat er ergens iets misgaat is de meest aannemelijke verklaring domheid, onkunde, incompetentie, gebrek aan samenwerking, koppigheid, vergeetachtigheid, onderschatting van risico’s etc. De minst aannemelijke verklaring is bovenmenselijke sluwheid in combinatie met boos opzet en een geniaal vermogen om grote aantallen domoren feilloos te laten samenwerken in een complot.

    Zo gauw de advocaat wist dat het telefoontje Louwes verdacht maakte, had hij die TA-gegevens ook kunnen opvragen. Zou die ook in het complot gezeten hebben? Welnee.

  43. @Jan Willem,

    Toch geef ik JJM geen ongelijk. Ik kan uiteraard niet bewijzen wie hier precies gelogen heeft (de politie, de ‘deskundige’ van KPN, de advocate of alle drie) maar DAT er gelogen is, is voor mij zeker.

    In datzelfde jaar 1999, werd Ökan Osman namelijk veroordeeld op grond van de peilgegevens van zijn mobieltje in Amsterdam in 1997 (!). De Timing Advance-gegevens dus, hetgeen een doorbraak was voor die tijd omdat ook een mobieltje ‘in rust’ bleek te kunnen worden gepeild zonder dat je ermee belde. En wat lezen we in het tactisch journaal (let daarbij op de datum 26 oktober 1999):

    562 wvv 991026 1045 GSM-palen

    Zoals bekend heeft het BTO uitgezocht of informatie van de GSM-palen wordt opgeslagen en dus bevraagbaar is. De indruk werd namelijk gewekt in een artikel met de vraag “De mobiele telefoon als peilbaken. Mag dat?” Daarin werd gesteld, dat de computers van de providers constant op de hoogte zijn van de lokatie, van de in bedrijf zijnde mobiele telefoon en dat deze informatie ook voor onbepaalde tijd werd bewaard. Het blijkt, dat dit technisch wel mogelijk is, maar niet wordt toegepast. De providers hebben namelijk geen belang bij deze informatie. Alleen wanneer er een gesprek plaats vindt, wordt de plaats van de GSM-paal, die het signaal verstuurd, gelokaliseerd. Dit overleg is geweest met de bij sommige collega’s welbekende Jan Reijnders. Deze heeft zich bereid verklaard, te onderzoeken of op 23/9 paal 14501 zich in Deventer bevond en dit ook schriftelijk te bevestigen. Hij is zelfs bereid om bij een eventuele rechtszaak als getuige-deskundige op te treden. Hij heeft op dit gebied al de nodige ervaring.

    De projectleider, Willem van Veen, verwijst hier (drie weken vóór de aanhouding van Louwes) expliciet naar een artikel in Ars Aequi uit september 1999:

    http://www.burojansen.nl/afluisteren/plaatsbepaling.html

    Citaat uit dit artikel:

    In de zaak Okan O. is mede op grond van inlichtingen verstrekt door KPN Telecom aan politie en justitie de verblijfplaats van Okan O. op het tijdstip van de schietpartij wettig en overtuigend bewezen. Deze inlichtingen hadden betrekking op de afgelegde route van de mobiele telefoon van Okan O. (!!)

    Ook als er geen gesprekken worden gevoerd met een mobiele telefoon, wordt er bij KPN (en de andere telecommunicatiebedrijven) geregistreerd waar elke telefoon zich bevindt. In de zaak van Okan O. werd duidelijk dat de plaatsbepaling geschiedt middels zend- en ontvangstbakens van KPN, de zogenaamde GSM-palen. Ongeveer een half jaar voor de uitspraak in de zaak Okan O. ontkenden de aanbieders van telecommunicatiediensten in Nederland nog het feit dat de gegevens met betrekking tot de locatie van de mobiele telefoons worden geregistreerd en bewaard in hun computers. Een Zwitserse krant onthulde destijds dat de gangen van een mobiele telefoon op de minuut en op enkele honderden meters nauwkeurig kunnen worden nagegaan. Dit heeft het Zwitserse telecommunicatiebedrijf Swisscom indertijd bevestigd. In de zaak Okan O. verklaarde een medewerker van KPN dat in Nederland (in stedelijk gebied) ongeveer om de drie kilometer een GSM-paal staat. Dezelfde medewerker van KPN verklaarde ook dat de gangen van Okan O. alleen nagegaan hadden kunnen worden, doordat er gebruik was gemaakt van de voicemail van de telefoon. KPN registreert signalen die de mobiele telefoon uitzendt bij het doorschakelen van inkomende gesprekken naar de voicemail, zo stelde de medewerker van de KPN.

    Inmiddels is gebleken dat de computers van de KPN constant op de hoogte (moeten) worden gehouden van de locatie van de mobiele telefoon. In verband met de bestrijding van fraude (bellen op andermans kosten) worden deze ‘call detail records’ vervolgens voor onbekende tijd bewaard. De tijd dat deze ‘locatiegegevens’ bewaard worden is, overigens van belang in verband met de controleerbaarheid van die gegevens voor de zittingsrechter en voor de verdediging van de verdachte.

    Van Veen KAN zich mogelijk verkeerd hebben laten voorlichten maar Reijnders (van PTT/KPN) had zeker beter moeten weten. Geheel in lijn met die KPN-medewerker uit bovenstaande artikel in Ars Aequi loog hij echter glashard over die technische mogelijkheden. Bovendien was Van Veen al sinds 21 oktober op de hoogte van de locatie van die paal 14501 (Nieuwstraat) zodat bovenstaande mutatie van 26 oktober op een leugen berust: “Deze [Reijnders] heeft zich bereid verklaard, te onderzoeken of op 23/9 paal 14501 zich in Deventer bevond en dit ook schriftelijk te bevestigen”.

    In de verhoren van Ernest Louwes van 25 en 29 november over zijn telefoontje komt ook een moment voor waarop hij aan zijn verhoorders meldt dat zijn advocate ook al een dergelijk onderzoek uitvoert: “Ik kan het mij gewoon niet voorstellen. Mijn advocaat zal ook nog een andere mogelijkheid laten onderzoeken. Op haar verzoek kan ik u daarover op dit moment niets verklaren”.

    Op dat moment was het dus allang geen vraag meer òf die paal 14501 daar nu wel of niet stond in Deventer maar dat er ‘andere onderzoeken werden verricht door zijn advocate’ naar zijn telefoontje.

    Drie professionals dus, die van het artikel en/of minstens van de mogelijkheden van dat moment van peilen van mobiel telefoonverkeer (TA) weet hadden, hebben het erbij laten zitten. Kan die het die advocate dan ook worden verweten? Ik denk van wel….

    Tijdens de zitting van 8 december 2003 en in het verhoor over die TA-gegevens meldde Van Veen zich ziek en deed de AG nog een vergeefse poging om de technische man, Emaus niet te laten horen; wat de verdediging en de rechter weigerden. Dit verklaarde Emaus die dus als allereerste weet had van die gegevens aan het hof (let weer op die data):

    In november (1) 1999 heb ik aan KPN gevraagd om de relevante timing advance gegevens. Tot nu toe heb ik van KPN geen uitsluitsel gekregen over de vraag of die gegevens beschikbaar zijn (2). De raadsman vraagt mij waarom niet eerder naar de timing advance gegevens is geïnformeerd. Pas in november 1999 is door het onderzoeksteam aan ons gevraagd een onderzoek te doen naar de vraag of het mogelijk is een mobiele telefoonverbinding op te bouwen tussen de A28 bij ’t Harde (3) en het basisstation in Deventer. Het onderzoeksteam heeft toen niet gerept over timing advance gegevens (4). Pas tijdens onze communicatie met de provider is het gegeven van de timing advance waarden naar voren gekomen (5). Maar toen bleken die gegevens niet meer beschikbaar te zijn (6).

    Als ik dergelijke verklaringen lees krijg ik letterlijk de tranen in mijn ogen over zoveel aperte leugens. Emaus, van Bureau Technische Ondersteuning (BTO), was al op 21 oktober op de hoogte van de locatie van paal 14501 op de Nieuwstraat in Deventer en al vanaf 8 oktober van het telefoontje van Louwes dat daar had aangeklikt. Blijkens bovenstaande mutatie 562 was hij toen ook al met de TA-gegevens bezig geweest: “Zoals bekend heeft het BTO uitgezocht of informatie van de GSM-palen wordt opgeslagen en dus bevraagbaar is”. En dan zijn verdere leugens:

    1. “In november 1999 heb ik aan KPN gevraagd om de relevante timing advance gegevens”. Niet dus, het was volgens mutatie 562 TJ minstens al vóór 26 oktober gebeurd, hetgeen hij in 2003 ook zelf had kunnen weten op basis van datzelfde TJ. Maar bovendien stelt hij hier ook dat HIJZELF om die TA-gegevens zou hebben verzocht terwijl hij in zijn verklaring tegenover de rechter suggereert dat die gegevens hem pas bekend werden tijdens zijn contact met KPN.

    2. “Tot nu toe heb ik van KPN geen uitsluitsel gekregen over de vraag of die gegevens beschikbaar zijn”. Een leugen. Want vier (4) jaar later (in december 2003) moet hij tegenover het hof toegeven dat hij dat nooit meer heeft geverifieerd. Impliciet ontkent hij ook nog eens valselijk dat het überhaupt mogelijk was dat er al in 1999 TA-gegevens werden bewaard, hetgeen opnieuw in tegenspraak is met mutatie 562 in het tactisch journaal en met het artikel uit de Ars Aequi van september 1999.

    3. “De raadsman vraagt mij waarom niet eerder naar de timing advance gegevens is geïnformeerd. Pas in november 1999 is door het onderzoeksteam aan ons gevraagd een onderzoek te doen naar de vraag of het mogelijk is een mobiele telefoonverbinding op te bouwen tussen de A28 bij ’t Harde en het basisstation in Deventer”. Een hardnekkige leugen die Ton Derksen ook al signaleerde omdat Louwes in september nog had verklaard dat hij belde ‘tussen Utrecht en zijn woonplaats Lelystad’. En pas NA zijn aanhouding: “tussen de afslag Harderwijk en afslag ’t Harde”. Bovendien is het geen antwoord op de vraag: “De raadsman vraagt mij waarom niet eerder naar de timing advance gegevens is geïnformeerd”.

    4. “Het onderzoeksteam heeft toen niet gerept over timing advance gegevens”. Wel dus, omdat al op 26 oktober door hemzelf, of minstens door zijn afdeling BTO was uitgezocht of die TA-gegevens bij KPN nu wél of niet werden bewaard (zie mutatie 562 van 26 oktober hierboven).

    5. “Pas tijdens onze communicatie met de provider is het gegeven van de timing advance waarden naar voren gekomen”. Weer gelogen, omdat uit mutatie 562 blijkt dat het team EERST door een artikel uit de Ars Aequi op de mogelijkheid van het peilen van de mobiele telefoon (zonder te bellen) was gewezen en dat er DAARNA pas contact was gezocht met Reijnders van KPN.

    6. “Maar toen bleken die gegevens niet meer beschikbaar te zijn”. Een ondersteuning van mijn bewering onder punt 5 omdat hier wordt gesuggereerd dat de vraag naar de TA-gegevens uitging van Emaus zélf. “Niet meer” bevestigt immers wel degelijk het bestaan van die gegevens tot een bepaald moment. Maar erger nog, Reijnders van KPN had helemaal niet gezegd dat die gegevens niet meer beschikbaar waren. Want zijn bewering in mutatie 562 luidde immers (evenals die KPN-er uit het artikel in Ars Aequi): “Daarin werd gesteld, dat de computers van de providers constant op de hoogte zijn van de lokatie, van de in bedrijf zijnde mobiele telefoon en dat deze informatie ook voor onbepaalde tijd werd bewaard. Het blijkt, dat dit technisch wel mogelijk is, maar NIET wordt toegepast. De providers hebben namelijk geen belang bij deze informatie. Alleen wanneer er een gesprek plaats vindt, wordt de plaats van de GSM-paal, die het signaal verstuurd, gelokaliseerd”.

    Nu had dus juist DIT artikel in de Ars Aequi van september 1999 blootgelegd dat die TA-gegevens wel degelijk opvraagbaar waren, zelfs nog jaren na dato! Waarbij het niet nodig was om te bellen maar alleen al de aanwezigheid van de accu in het mobieltje voldoende was om een verdachte van paal tot paal te volgen op elk moment van de dag. Opgemerkt door teamleider Van Veen en – op zijn verzoek – nagevraagd door Emaus zèlf om vervolgens valselijk naar het rijk der fabelen te worden verwezen..!

    Ik kan dus niet bewijzen dat de TA-gegevens in oktober/november 1999 bij KPN zijn opgevraagd door politie/deskundige/advocate. Maar wat ik wel kan bewijzen is dat zij van het bestaan daarvan wel degelijk op de hoogte waren. En dat zij daar ook nooit aan hebben geappelleerd, laat staan een weigering/ontkenning daarvan hebben vastgelegd. Professionele leugens dus.

    Frappant detail is nu dat er enkele weken na deze ‘escapade’ van Van Veen in oktober 1999 door hem bij Libertel alsnog verzocht is om de telefoongegevens van de ‘klusjesman’ (en zijn vriendin) en dat die gegevens niet aan de verdediging vrij gegeven worden op grond van de privacy. En de gegevens die daar weer wel van bekend zijn kloppen niet….

  44. Er lopen hier volgens mij een aantal zaken door elkaar. Ten eerste het peilen van een mobieltje als het aanstaat. (Volgens mij is het onzin dat de aanwezigheid van een accu in het mobieltje voldoende is; voor dat peilen is nodig dat er een signaal heen en weer gaat tussen basisstation en mobieltje zodat de afstand kan berekend worden uit de totale heen-en-weertijd. Als de batterij leeg is, of als het mobieltje uit staat, wordt er niet gezonden.) Als een mobieltje wordt aangezet, gaat het eerst zoeken naar een baken. Als het er een gevonden heeft, is er natuurlijk contact, en weet dat basisstation ook hoe ver het mobieltje is. Ik neem aan dat het basisstation dan ook doorgeeft aan de provider dat het mobieltje ‘bij hem’ is. Vervolgens worden met enige regelmaat deze gegevens ververst. Als iemand zich verplaatst gaat het verversen sneller. (Daarom houdt je batterij het langer uit als je je mobieltje gewoon op tafel laat liggen.) In beginsel zouden al deze gegevens bewaard kunnen blijven, maar ik begrijp uit de zinsnede

    Het blijkt, dat dit technisch wel mogelijk is, maar niet wordt toegepast. De providers hebben namelijk geen belang bij deze informatie.

    dat zulks niet gebeurt. Als het mobieltje gebruikt wordt om een gesprek te voeren, ‘weet’ het mobieltje meteen naar welk basisstation het moet. Mogelijk wordt dan het contact ingeleid met een verversing van de TA-gegevens. Hoe dan ook moet de paal voortdurend ‘weten’ waar het mobieltje is en wat de TA ervan is, want als iemand naar een mobieltje belt, moet de paal bekend zijn via welke het het gesprek gevoerd moet worden, en een gesprek voeren betekent dat het mobieltje een timeslot krijgt toegewezen, en het oproepsignaal moet verstuurd worden en daar zullen de TA-gegevens wel net zo nodig zijn als voor de rest van het gesprek. De TA-gegevens bij een gesprek worden kennelijk wel bewaard, dat maak ik op uit

    Alleen wanneer er een gesprek plaatsvindt, wordt de plaats van de gsm-paal, die het signaal verstuurt, gelokaliseerd.

    (spelfouten gecorrigeerd, kommafout laten staan).

    Let op de rare formulering: ‘de plaats … gelokaliseerd’ alsof voor het gesprek onbekend was waar de paal stond, of dat pas als het gesprek begint, het telefoonnetwerk naar de paal gaat zoeken. Hoe zou dat zoeken gaan? Wordt eventjes aan alle palen ter wereld gevraagd of het mobieltje misschien daar uithangt? En hoe zouden die palen dat dan weten? Kortom: de formulering verraadt dat er iemand aan het woord is die er de ballen verstand van heeft.

    Of je van een mobieltje dat aanstaat, maar geen gesprek voert de plaats (dus niet alleen de identiteit van de paal in kwestie maar ook de afstand op 550 m nauwkeurig) kunt weten en zo ja of deze gegevens bewaard worden is niet ter zake hier, want het gaat over een mobieltje waarmee een gesprek gevoerd is.

    Het citaat

    Pas in november 1999 is door het onderzoeksteam aan ons gevraagd een onderzoek te doen naar de vraag of het mogelijk is een mobiele telefoonverbinding op te bouwen tussen de A28 bij ‘t Harde en het basisstation in Deventer.

    geeft aan dat BTO alleen deze vraag kreeg, niet de vraag of een specifiek telefoontje zo kan hebben plaats gehad. Ik lees TJ 562 zo dat de auteurs maar een vaag idee hadden van de informatie die over telefoongesprekken bewaard wordt en alleen maar wisten dat je via de identiteit van de paal kunt weten dat het mobieltje daar in buurt was; daarom vroegen ze ook naar waar die paal met basisstation 14501 stond en niet naar de TA-gegevens. Let ook op de rare formulering ‘onderzoeken of op 23/9 paal 14501 zich in Deventer bevond’: de auteur maakt geen onderscheid tussen basisstation en paal, en houdt de mogelijkheid open dat KPN aan de sjouw gaat met palen en/of basisstations, of weet eigenlijk niet waar 14501 zich bevindt. Hier is in elk geval iemand aan het woord die niet beter weet dan dat de locatie van de paal de enig beschikbare informatie is, en die daar 100% zeker van wil zijn.

    Het Ars aequi artikel is er ook bijzonder vaag over. Veel juridische praat, maar niks over timing advance, alleen ‘Vanaf zogenaamde GSM-palen wordt namelijk constant gepeild waar elke mobiele telefoon zich bevindt.’ Uit de rest van het verhaal wordt de suggestie gewekt dat als je de gsm-paal kent, het duidelijk is dat de beller daar in de buurt was. Dat is ook de suggestie die uitgaat van opmerkingen als er staat dat er om de drie kilometer een paal staat. Dit in technisch opzicht vage stuk was misschien wel de inspiratie voor het team om eens te kijken waar basisstation 14501 eigenlijk stond.

    De zinsnede “al op 26 oktober door hemzelf, of minstens door zijn afdeling BTO” suggereert dat het onderzoeksteam en het BTO over dezelfde kennis beschikten. Ik suggereer dat ‘het onderzoeksteam’ nauwelijks iets wist van telefoongegevens (alleen de vaagpraat van het stuk in Ars aequi) en dat wat het BTO allemaal wist niet bekend was bij het team.

    Ik weet natuurlijk niet wat precies de vraag was die BTO kreeg. Ik kreeg vroeger ook wel eens wiskundige vragen van mensen die dachten dat ze het snapten, en als je dan doorvroeg ‘waarom wil je dat eigenlijk weten’, dan kwam er vaak uit dat het om heel wat anders ging. De vraagsteller had op volstrekt onkundige wijze het probleem gereduceerd tot iets waarvan hij meende dat de wiskundige er wat mee kon aanvangen. Collega’s van mij hadden dezelfde ervaring. Notoir waren trouwens socio- en psychologen die pas na vergaring van gegevens met de vraag kwamen hoe men daar statistische conclusies aan kon verbinden – waarna bleek dat het onderzoek verkeerd was opgezet.

    Bij ambtenaren gaat het uiteraard anders. Die vragen niet door. Als ze de vraag krijgen: ‘kun je mobiel telefoneren tussen de A28 en Deventer?’ dan zoeken ze dat uit (met als antwoord ‘nee, behalve bij speciale atmosferische omstandigheden’). Die komen niet op het idee om terug te schrijven ‘als we weten om welk telefoontje het gaat, kunnen we nagaan op de halve kilometer nauwkeurig hoever de beller van het basisstation was’. Dat is in dit geval ook geen antwoord want 25 km van Deventer is niet hetzelfde als ‘op de A28’.

    Het is natuurlijk best mogelijk dat BTO precies wist om welk telefoontje het ging, maar dan nog, als de vraagstelling in essentie luidde zoals hierboven gecursiveerd, is het goed mogelijk dat ze als echte ambtenaren alleen daarop antwoord hebben gegeven.

    Het team had moeten vragen: we willen zoveel mogelijk weten van de locatie van de beller met nummer … die via 14501 om 20:36 op 23/9/99 een gesprek voerde, en als het kan ook alle locaties van diezelfde beller op andere tijdstippen van datzelfde etmaal.

    In plaats daarvan stelden ze een andere vraag, die er toe leidde dat er tot in december met peilwagens werd rondgereden.

    Ik herhaal: als er iets misgaat, is de eerste verklaring altijd domheid etc. Aan het lijstje kan ik toevoegen ‘ambtenarij’, in de betekenis van hersenloos regeltjes volgen.

  45. Een paar kanttekeningen bij het voorafgaande:
    Het artikel over de telefoonpeiling bevat een onregelmatigheid: het wel of niet peilen wordt met het aanstaan van de voicemail in verband gebracht. Dat is een (tactische?) verhulling. Zolang de GSM aanstaat wordt deze uitgepeild, dit om de onmiddellijke oproepbaarheid van de GSM te garanderen. Het resultaat wordt bijgehouden in een speciaal register. Als er niets valt uit te peilen staat de GSM uit en wordt eventueel het nummer van de voicemailbox als alternatieve verbinding gebruikt.
    In TJ 962 (991122) staat:
    Met [BTO rechercheurs] het GSM verhaal doorgenomen.
    * Via Reinders vragen zijn een kaart met daarop de palen in Utrecht/Gelderland en Overijssel;
    * Via Reinders vragen zij of er op de 23ste storingen in de palen zijn geweest en wat de eventuele gevolgen mbt overschakeling waren;

    (De naam Reinders is foutief gespeeld en dient Rijnders te luiden, zijn naam staat open en bloot op rechtspraak.nl.)
    Op het in de laatste zinsnede aangehaalde onderzoek is nooit teruggekomen. Om dit onderzoek te kunnen doen, zijn de TA-gegevens nodig. Later kwam de storing aan paal 14801 boven water. Op basis van een gerichte vraag van de advocaat van Louwes.
    Blijft dus over: wel onderzoek, maar uitkomst verzwegen of wel onderzoek gevraagd, maar niet verkregen.
    In beide gevallen zou moeten volgen: bewijsmiddel ligt eruit.

    De rest van het verhaal hier: http://rechtiskrom.actieforum.com/t16-from-cell-2-cel-pun-intended

  46. André schreef:
    “ook is door een internist inmiddels vastgesteld dat het slachtoffer wel degelijk 7 perforaties in haar lichaam vertoonde.”
    Onzin. De internist (anoniem overigens) telde het aantal perforaties aan de inwendige organen op. Het team rond MdH heeft nog steeds niet door, dat je met één messteek meerdere organen kunt spietsen en het eerste aangeprikte orgaan daarbij twee perforaties oploopt.
    De zogenaamde internist vertelde zich ook nog eens, want zijn rekensommetje had acht moeten opleveren.

    http://www.deemzet.nl/5/3/1/links.htm

Reacties zijn gesloten.