*

Auteur: Rob Nanninga
Bron: Skepter 19(3), herfst 2006

 

Tekstkaders bij het artikel Evolutionair leiderschap: de goeroes van Herman Wijffels

Ken Wilbers Holargie


Ken Wilber (geb. 1949) wordt door velen beschouwd als een briljante filosoof, al is zijn roem nog niet in academische kringen doorgedrongen. Hij probeert de evolutie van het menselijk bewustzijn in een hiërarchisch schema te passen en oosterse mystiek met westerse psychologie te verenigen. Sinds 1977 schreef hij al meer dan twintig boeken, die in vele talen verschenen. Twee populaire titels zijn A Brief History of Everything (1996) en A Theory of Everything (2000).

Volgens Wilber is 'de drang tot zelfoverstijging ingebouwd in het weefsel van de Kosmos'. Deze Kosmos – die fysiosfeer, biosfeer, noösfeer en theosfeer omvat – bestaat uit holons, waaronder materiële, mentale en spirituele holons. Een holon is een geheel dat tegelijk een deel is van groter geheel, een hoger holon dat zijn voorgangers overstijgt en omvat, zoals een molecuul atomen omvat. Als menselijk bewustzijn, culturele waarden, sociale structuren en materiële hersenen evolueren, ontstaan er natuurlijke holarchieën met hiërarchische niveaus. Mensen kunnen hun bewustzijn stapsgewijs ontwikkelen van egocentrisch tot nondualistisch. Om de holonische aard van de werkelijkheid te kunnen inzien, moeten we minimaal het stadium van 'visioen-logica' bereiken, waarin we ons disidentificeren met ons denkvermogen. In de hoogste staat is er geen onderscheid meer tussen een waarneming en dat wat wordt waargenomen. Je kijkt dan niet meer naar de lucht, maar je bent de lucht. 'De ultieme objectieve waarheid is dat alle wezens volmaakte manifestaties zijn van Geest of Leegte – we zijn allemaal manifestaties van het ultieme Het, of Dharma. Wat de ultieme Waarheid is. Het ultieme Ik, het ultieme Wij, het ultieme Het – Boeddha, Sangha, Dharma.'

Wilber beweert dat hij een synthese biedt van wat vele wijsgeren, wetenschappers en mystici ons leren. Hij beroept zich op kennis die binnen vakgebieden algemeen aanvaard zou zijn, maar selecteert alleen wat hij kan gebruiken, overdrijft regelmatig en maakt een karikatuur van ideeën die hem niet bevallen. Wilber is wel goed op de hoogte van mystieke tradities. Hij gelooft dat die allemaal tot dezelfde ervaringen en inzichten leiden, al valt dat te betwijfelen. Het is ook de vraag in hoeverre een bewustzijnsniveau dat alle woorden en begrippen overstijgt de basis kan vormen van een alomvattend filosofisch systeem.

Wilbers kennis van de westerse psychologie reikt niet veel verder dan de dieptepsychologie van Freud en Jung en de ontwikkelingspsychologie van Piaget en Kohlberg. Ook zijn biologische kennis vertoont ernstige hiaten, ondanks het feit dat hij biochemie heeft gestudeerd. Zo schreef hij: 'Absoluut niemand gelooft meer in de algemeen aanvaarde, simpele, neodarwinistische verklaring van natuurlijke selectie. … Het vergt misschien wel honderd mutaties om een functionele vleugel uit een poot te vormen – een halve vleugel voldoet niet … met een halve vleugel word je gewoon opgevreten. De vleugel ontstaat alleen als deze honderd mutaties allemaal tegelijk optreden…' Critici wezen hem erop dat dit allerminst een gangbare opvatting is onder biologen. Wilber pareerde de kritiek pas jaren later door te beweren dat hij veel biologen kent en daarom weet dat ze er privé heel anders over denken dan in het openbaar. Hij verwees ook naar een boek van Michael Behe, een pleitbezorger van Intelligent Design.

De theosofische auteur en godsdienstpsycholoog Frank Visser, die Wilber in het Nederlands vertaalde en ook een boek over hem schreef, beheert een website waarop ruim 150 essays over Wilber te vinden zijn (www.integralworld.net). De meeste auteurs stonden open voor zijn gedachtegoed, maar geleidelijk verschenen er meer kritische analyses, waarin ongefundeerde beweringen en inconsistente redeneringen soms effectief onderuit werden gehaald. Helaas vond Wilber het zelden de moeite waard om hierop te reageren.

Op 8 juni 2006 maakte hij een uitzondering en verscheen er op zijn weblog een stuk waarin hij de critici de oren waste. Niet met argumenten maar met beledigende en kleinerende opmerkingen. 'Suck my dick', schreef Wilber. Hij wist dat zijn opponenten deze humor niet konden waarderen omdat zij zich nog in het inferieure 'groene' ontwikkelingsstadium bevonden. Dit was er ook de oorzaak van dat ze zijn werk niet begrepen. Het ging ze boven de pet en iedere discussie met hen was bij voorbaat zinloos. De sukkels liepen bovendien mijlenver achter op de ontwikkelingen door boeken uit het Wilber-4 tijdperk (1995-2001) te bekritiseren, terwijl de geniale denker al lang met de snelheid van zijn gedachten was weggevlogen, 'op zoek naar nog meer lekkers om met de lezers te delen'. Wilber noemde de critici 'first-tier fleas', vlooien die de sprong naar de hoger gelegen tweede kleurenreeks (van Spiral Dynamics) nog niet hadden gemaakt.

Het stuk bevestigde de indruk dat Wilber alleen gesteld is op bewonderaars en leidde tot verdere polarisatie. Ook Frank Visser keerde zich nu van hem af, maar daar ligt Wilber niet wakker van. Sinds een jonge zakenman hem in 1997 een miljoen schonk, stopt hij zijn energie liever in zijn Integral Institute, Integral University en Integral Community. Hij vermeldt dat al ruim 1000 'scholars' zich bij zijn netwerk hebben aangesloten. Wilbers 'integrale benadering' wordt op alle terreinen ingezet: kunst, politiek, ondernemerschap, onderwijs, persoonlijke ontwikkeling, geneeskunde, spiritualiteit, etc. Zijn instituut ontwikkelt ook seminars en nieuwe producten, zoals de Integral Life Practice Starter Kit, waarin je alles vindt wat je nodig hebt voor een integrale levensstijl. Wilbers mondelinge leringen zijn op dvd verkrijgbaar. Hij begint verdacht veel op een goeroe te lijken.

Spiral Dynamics & Don Beck


 

Spiral Dynamics komt voort uit een theorie over 'levels of existence' van de Amerikaanse psycholoog prof. Clare Graves (1914–1986). Zijn twee belangrijkste publicaties verschenen in 1970 en 1974 in een tijdschrift voor humanistische psychologie en een blad over futurologie. Volgens Graves kunnen er acht opeenvolgende bestaansniveaus worden onderscheiden, elk met kenmerkende waarden, wereldbeelden en levensstijlen. Op het eerste niveau proberen mensen slechts te overleven. Op het tweede niveau voelen ze zich veilig binnen een etnische stam. Op het derde niveau laten ze anderen naar hun pijpen dansen. Op het vierde niveau onderwerpen ze zich aan strikte regels en vaak aan religieuze dogma's. Op het vijfde niveau denken ze rationeel, pragmatisch en prestatiegericht en willen ze hun materiële behoeften bevredigen. Op het zesde niveau willen ze in harmonie komen met hun innerlijke zelf, met andere mensen en met de natuur.

De overgang naar de hogere niveaus kan worden beschouwd als een grote sprong in de menselijke ontwikkeling. Mensen gaan dan volgens Graves inzien hoe alles van elkaar afhankelijk is, hebben geen egoïstische verlangens meer, beconcurreren elkaar niet meer en zetten zich in om de wereld weer in evenwicht brengen. Er worden grenzen gesteld aan de groei van de bevolking en de economie. Belangrijke beslissingen worden genomen door degenen die de meeste kennis hebben. Er zal onder meer windenergie worden gebruikt en 'mogelijk zelfs fietsen en paarden voor korte trips'. Ook moderne technologie wordt aangewend, mits dat geen nadelen heeft. Het is mogelijk dat de maatschappij wat restrictiever en autoritairer zal worden wanneer dat nodig is. De mensen hebben minder materiële behoeften en gaan ook korter werker. Vooroordelen, bijgeloof, mysticisme, religieuze regels en angst voor de dood zullen geen rol meer spelen.

Hoewel de ideeën van Graves dieper gingen dan hierboven beschreven, hebben ze binnen de academische psychologie erg weinig sporen nagelaten. Er waren echter twee wetenschappers die erin geïnteresseerd raakten: Don Beck (die een Ph.D. in Speech bezat) en zijn collega Chris Cowan, die eerder bij Beck was afgestudeerd. In 1980 richtten zij samen een onderneming op om de theorie van Graves als organisatiedeskundigen in de praktijk te brengen. Hoe komt het dat een bepaald managementconcept in de ene organisatie succesvol is en in de andere flopt? Dat kan te maken hebben met de waardensystemen van de mensen die er werken. Beck en Cowan bouwden het systeem van Graves verder uit en publiceerden er in 1996 een boek over, met als titel hun nieuwe handelsmerk: Spiral Dynamics.

De levels van Graves werden gekleurde spiralen: beige, paars, rood, blauw, oranje, groen, geel en turkoois. Zo wordt het eenvoudig om mensen, groepen en culturen te typeren. Ken Wilber integreerde het model in zijn eigen 'theorie van alles' en betrok Beck ook bij zijn Integral Institute. Het vermogen om alles te integreren, is kenmerkend voor het gele niveau, dat tot de tweede kleurenreeks behoort. De 6 kleuren van de eerste reeks raken vaak met elkaar in conflict. Pas wanneer mensen tot de tweede reeks opstijgen, gaan ze begrijpen hoe alle kleuren een essentiële rol spelen en zetten ze zich in voor de evolutie van het geheel. Beck gebruikt de kleurenterminologie tegenwoordig om de wereldpolitiek te analyseren.

Andrew Cohen nam de Spiral Dynamics terminologie eveneens over en publiceerde er meermaals over in zijn blad. Hij gaf bovendien samen met Beck lezingen voor zakenlieden. Beck prees Cohen omdat deze zo open stond voor zijn ideeën en wou geen kwaad woord over hem horen: 'Ik werk al 30 jaar met deze ideeën en kan bedriegers en uitbuiters van een kilometer afstand waarnemen. En ik weet ook wanneer ik te maken heb met gezonde mensen en bewegingen.' Beck raadde de critici aan om wat positiefs te gaan doen voor het welzijn van de aarde.

Chris Cowan dacht daar anders over. Hij heeft al verscheidene jaren geen contact meer met zijn 'estranged ex-partner', want hij moest niets hebben van goeroes en mystici die Graves misbruikten om zichzelf en hun aanhang boven de rest van de mensheid te verheffen. Naar zijn oordeel legt men in integrale en spirituele kring veel te veel nadruk op het niveauverschil tussen de eerste en de tweede kleurenreeks. Ook wordt er een eigen invulling gegeven aan deze tweede reeks en spreekt men zelfs al over een derde. Wilber beweert dat hij zich op veel onderzoek baseert, maar dat is niet gepubliceerd. In een voetnoot verwijst hij naar de database van Graves, die hij waarschijnlijk nooit heeft bekeken. Er kunnen niet zulke stellige conclusies worden getrokken uit de testgegevens die Graves vooral in de jaren 1950 en 1960 verzamelde en waarvan hij later per ongeluk een groot deel weggooide toen hij zijn schuur opruimde. Cowan wijst erop dat het ook voor Graves nog hypothesen waren die nader onderzocht moesten worden.

Wilber meent te weten waar de weerstand van Cowan door veroorzaakt wordt: hij heeft evenals vele anderen last van de 'mean green meme', die de ontwikkeling naar het gele niveau in de weg staat. Volgens Cowan is dit echter een voorbeeld van Wilbers neiging om simplistische stereotypen te gebruiken. Hij heeft er inmiddels spijt van dat hij de twee kleurenreeksen heeft bedacht (in een kwartier tijd). In zijn laatste commentaar op Wilber, 'Of Pandits and Bandits', gooide hij alle remmen los.

 



Rob Nanninga is hoofdredacteur van Skepsis.
© Stichting Skepsis. Het is niet toegestaan artikelen uit Skepter op andere websites over te nemen.

HOMEPAGE SKEPSIS



DE NIEUWSTE SKEPTER

 

 



.