|
De
fysica en het wonderbaarlijke
De feilbaarheid
van het brein

De fysicus Gerard 't Hooft is hoogleraar
in Utrecht en won in 1999 de Nobelprijs.
Meldingen van ervaringen die op paranormale
verschijnselen duiden lijken frequenter te zijn dan men zou verwachten
als deze op zuivere toevalligheden zouden berusten. Veel mensen hebben
slechts op oppervlakkige wijze kennisgenomen van de natuurwetten zoals
deze in de loop van de 20ste eeuw zijn ontrafeld, en menen dat deze nog
voldoende ruimte zouden bieden voor verschijnselen die nu nog niet begrepen
worden, zodat we deze 'paranormaal' noemen. Op het eerste gezicht klinkt
dit niet eens onredelijk; populaire uiteenzettingen over de moderne natuurkunde
bieden verscheidene uitgangspunten die men zou kunnen hanteren.De eerste
categorie van uitgangspunten wordt geleverd door de beschrijvingen van
de moderne theorieën zelf. Zo wordt de kwantummechanica beheerst door
de zogenaamde Onzekerheidsrelatie van Heisenberg. Deze houdt in dat combinaties
van uitspraken over de kleinste bouwstenen van de natuur niet gelijktijdig
nauwkeurig geldig kunnen zijn. Wanneer de plaats waar een deeltje vertoeft
bijvoorbeeld zeer nauwkeurig wordt bepaald, dan houdt dit automatisch
in dat de impuls (massa maal snelheid) onnavolgbaar zal fluctueren. Men
zou zich kunnen voorstellen dat deze fluctuaties wellicht (mede) langs
'paranormale' weg kunnen zijn beïnvloed. Voorts wordt er van de moderne
veldentheorieën gezegd dat deze toelaten dat deeltjes 'terugreizen in
de tijd'. Wat dit precies betekent kunnen de meesten niet bevatten, maar
kan het niet ook inhouden dat toekomstvoorspellingen tot de mogelijkheden
behoren?
Ogenschijnlijke barsten
Als theoretisch fysicus moet ik met kracht stellen dat
dit slechts ogenschijnlijk barsten zijn in ons theoretisch bouwwerk, en
dat hier geen theorieën voor het paranormale uit te halen zijn. De kwantummechanica
bestaat uit twee elementen: een strikt mathematisch element, waarmee met
ongelofelijke precisie de evolutie en tevens andere eigenschappen van
een systeem kunnen worden beschreven, gebruik makend van de zogeheten
'golffunctie'. Het tweede element is statistische willekeur. De uitkomst
van de eerstgenoemde berekeningen bepalen een kansverdeling voor de uitkomst
van een experiment, en de theorie ontleent haar kracht aan de constatering
dat de natuur zich uiterst strikt aan deze kansverdelingen houdt. Als
de kansverdelingen door paranormale verschijnselen te beïnvloeden zouden
zijn, zou dit als een schending van de theoretische voorspelling moeten
worden opgevat, die te toetsen moet zijn. Hiervoor zou het noodzakelijk
zijn de wiskundige vergelijkingen voor de golffuncties te herzien, en
juist dit soort herzieningen wordt door de theorie uitgesloten. We noemen
dit het 'causaliteitsbeginsel', en het blijkt een uiterst betrouwbare
pijler voor alle theoretische fysica.
Dit geldt dus ook voor de veldentheorie voor de elementaire
deeltjes. Dat deeltjes terug zouden reizen in de tijd is in feite een
illusie. In werkelijkheid gaan we uit van bouwstenen die we 'deeltjes'
en 'antideeltjes' noemen. Beide typen bewegen zich op normale wijze voort
in de tijd, maar als men ingewikkelde processen doorrekent blijkt dat
dikwijls een deeltje en een antideeltje gelijktijdig ergens kunnen ontstaan
('creatie') of tezamen verdwijnen ('annihilatie'). In een ruimte-tijd
diagram kan dit de indruk wekken dat een deeltje teruggaat in de tijd,
als in werkelijkheid gewoon het bijbehorende antideeltje optreedt. In
plaats van een schending van het causaliteitsbeginsel in te houden, is
het bestaan van antideeltjes die dit soort reacties kunnen aangaan juist
een van de gevolgen van de eis dat de theorie strikt moet voldoen aan
strenge causaliteitseisen.
De tweede categorie van uitgangspunten voor verklaringen
van paranormale verschijnselen wordt verkregen uit de vele onopgeloste
problemen in de moderne wetenschap. Weer zijn het de gepopulariseerde
versies van de natuurwetenschappen waar men dikwijls inspiratie uit put.
Het is immers nog onbekend hoe de wetten van de gravitatie met de kwantummechanica
moeten worden verenigd, en is het niet zo dat je hier te maken krijgt
met 'gekromde ruimte en tijd', met 'wormgaten' en is het niet juist die
notoir moeilijke kwantummechanica die hier problemen oplevert? Ook is
het niet bekend waaruit het grootste gedeelte van de materie in het heelal
bestaat. Ligt het dan niet voor de hand dat men aanneemt dat hier nog
wel ruimte is voor iets paranormaals?
Het is slechts ogenschijnlijk een zwakte van de moderne
wetenschap dat men de onopgeloste problemen zo breed tentoonspreidt. Iedereen
mag van ons weten dat ons werk nog niet af is. Dat amateurfysici hier
een uitdaging in zien die ze niet kunnen laten liggen is begrijpelijk,
maar het is zelden of nooit dat de niet-experts op deze braakliggende
terreinen enig effect kunnen sorteren. Men moet wel weten dat de enige
natuurverschijnselen waarvoor onze huidige kennis essentiële vragen onbeantwoord
laat, slechts kunnen worden opgewekt in gedachte-experimenten onder omstandigheden
die zo extreem zijn dat geen enkel experiment tot op heden hierover uitsluitsel
kon geven. Dit zijn dus verschijnselen in extreem sterke veldconfiguraties,
of waar deeltjes elkaar extreem dicht benaderen met absurd hoge waarden
voor hun bewegingsenergie. Dit zijn omstandigheden die in de verste verte
niet kunnen optreden bijvoorbeeld binnen de menselijke hersenen. Ook is
het denkbaar dat er verschijnselen bestaan die zo zwak zijn dat geen enkele
deeltjesdetector deze heeft kunnen registreren (interacties met 'donkere
materie uit het heelal', bijvoorbeeld). Maar dan mag men ook niet verwachten
dat hersenweefsel zulke verschijnselen kan detecteren, en nog minder dat
dit soort interacties gebruikt kan worden voor het uitwisselen van informatie.
Absolute nulpunt
De mogelijkheden voor een fysische verklaring van paranormale
verschijnselen worden er niet beter op wanneer men de bevindingen van
de moderne biologie in de beschouwing betrekt. De evolutietheorie laat
overduidelijk zien dat zowel plantaardige als dierlijke organismen al
hun verworvenheden via hun genen op het nageslacht overbrengen, en dat
ze daarbij dankbaar gebruik maken van alle natuurverschijnselen die voldoende
regelmatig zijn om te gebruiken. Hun leefwijzen en gedragingen zijn hiermee
te verklaren. Nu is het zo dat de wetten van de optica en de akoestiek
bijvoorbeeld, aan allerlei beperkingen onderhevig zijn, en bijgevolg zijn
er voor het gebruik daarvan aanpassing en ervaring nodig, welke door trial
and error worden bereikt. Dat we levende wezens nooit zien 'oefenen' met
een of andere paranormale kracht is opmerkelijk, en moeilijk te rijmen
met de gedachte dat het foutloos omgaan met een zo ongrijpbaar 'natuurverschijnsel'
mogelijk zou zijn. Een paranormaal begaafde 'weet' dat hij of zij iets
'ziet', maar hoe kan men dit weten? Hier zit een ongerijmdheid in de gebruikelijke
beweringen die niet strookt met de algemene ervaringen omtrent onze leerprocessen.
Niettemin is er een vrij aanzienlijk aantal mensen dat
meent een of meerdere van de volgende ervaringen te hebben doorgemaakt,
al of niet bij herhaling:
Het hebben van een voorgevoel, of als een bewuste
beleving, of in de vorm van een voorspellende droom. Een verklaring zou
het teruggaan in de tijd (causaliteitsschending) vereisen.
Helderziendheid betreffende bijzondere gebeurtenissen
in het verleden, of ergens ver weg. Verklaring vereist een nog onbekende
vorm van informatieoverdracht.
Een bijna-dood-ervaring. Een vergelijkbare categorie
is het 'buiten het lichaam treden van de 'ziel'. Dit soort verschijnselen
verlangen het bestaan van zoiets als een 'ziel' los van het lichaam.
Meer iets voor de medici en biologen, maar uiteindelijk verlangt ook dit
verschijnsel 'nieuwe' fysica.
Ontmoetingen met, of waarnemingen van buitenaardse
wezens (zoals UFO's). Hier wordt het bestaan van buitenaardse beschavingen
verlangd die de aarde via ruimtevaart kunnen bereiken. Ruimtereizen van
het type dat hiervoor nodig zou zijn, zijn ook uiterst onwaarschijnlijk
uit fysisch oogpunt; men tart bijna alle bekende behoudswetten (energie,
lichtsnelheid als grens, etc.)
Talrijke andere bizarre verschijnselen, zoals communicatie
met dieren, planten of dingen. Vereiste fysica: biologisch onaanvaardbare
'menselijke' eigenschappen van deze schepsels, of andere evidente schendingen
van natuurwetten. Men kan natuurlijk trachten vol te houden dat menselijke
hersenen bij lichaamstemperatuur meer kunnen detecteren dan gespecialiseerde
deeltjesdetectoren die uit duizenden tonnen gezuiverd materiaal bestaan
(zeer zuiver water of zeer zuiver gallium), of meer dan paraboolspiegels
met afmetingen van honderden meters, of meer dan detectoren die zijn gekoeld
tot een fractie van een graad boven het absolute nulpunt, of die buiten
onze troebelmakende dampkring zijn gebracht, of beide.
Falend geheugen
Als echter een ervaren fysicus gevraagd wordt naar de
meest acceptabele verklaring van de genoemde verschijnselen te zoeken,
zal deze beginnen met het zoeken naar de meest geloofwaardige scenario's.
We beginnen met de mogelijkheden op een rijtje te zetten:
1. Er bestaan fysische verschijnselen die nog volstrekt niet begrepen
worden door fysici, en die inhouden dat informatie 'langs paranormale
weg' kan worden doorgegeven.
Aan wat voor verschijnselen moeten we nu denken? Het Standaardmodel
voor de elementaire deeltjes laat uitsluitend informatiedragers zien die
al lang in gebruik zijn: het lineaire spectrum van de elektromagnetische
straling. Neutrino's kunnen niet door gewone weefsels worden uitgezonden
of gedetecteerd, en gravitatiegolven zijn veel te zwak. Eventuele afwijkingen
van dit Standaardmodel zijn zo zwak dat ze tot op heden onopgemerkt zijn
gebleven in alle natuurkundige experimenten. In deze experimenten moeten
over het algemeen kolossale hoeveelheden speciaal geprepareerd materiaal
worden gebruikt, want de regel is simpel: hoe groter een detector, hoe
gevoeliger deze kan zijn. Deze natuurwet wordt door de amateurs dikwijls
volledig over het hoofd gezien, maar kan goed gebruikt worden als argument
om paranormale informatieoverdracht via de hersenen tot het rijk der fabelen
te verwijzen. Een tweede wet die men hiervoor gebruiken kan is dat de
gevoeligheid van detectoren ook van de temperatuur afhangt; koelen tot
zo dicht mogelijk bij het absolute nulpunt maakt vele soorten detectoren
zeer veel gevoeliger. In de deeltjesfysica en de astronomie zijn de apparaten
heel groot, en (op de kritieke plaatsen) heel koud.
Maar er zijn andere redenen waarom een fysische verklaring
onmogelijk is vol te houden: men verlangt signalen die terug kunnen gaan
in de tijd, signalen die enorme afstanden kunnen overbruggen, signalen
die door onwaarschijnlijke bronnen zoals personen die in grote moeilijkheden
verkeren, etc., worden uitgezonden, en ten slotte - heel essentieel -
het coderen en decoderen moet vlekkeloos verlopen, terwijl in ieder radio-
en televisietoestel voor deze stappen uitgebreide en toegewijde elektronica
onontbeerlijk is. Kortom, al deze aspecten maken de genoemde verschijnselen
volledig onkarakteristiek voor de fysica. In de ogen van de fysicus klinken
daarom de verklaringen in termen van de deeltjesfysica, de kwantummechanica
of de (algemene) relativiteitstheorie (of beide tegelijk) absurd.
2. Alle genoemde verschijnselen berusten op zuivere toevalligheden.
We moeten de gerapporteerde verschijnselen analyseren
in het licht van de wetten van de statistiek. Door toevallige samenloop
van omstandigheden kunnen zich uiteraard bijzondere voorvallen voordoen,
en als men deze op een rijtje zet krijgt men een vertekend beeld over
vermeende wetmatigheden. Ook in de 'gewone' fysica en in de astronomie
stuit men dikwijls op onwaarschijnlijke eenmalige waarnemingen, maar hier
verkeren we in de gelukkige omstandigheid dat men, bij voldoende interesse,
zorgvuldiger en langduriger kan gaan experimenteren en/of observeren.
De waarnemingen kan men dan beter statistisch verwerken; praktisch altijd
leert men dan dat de allereerste 'vreemde' waarneming aan toevalsfactoren
moet worden toegeschreven.
Vele 'skeptici' zijn geneigd zich aan deze strohalm vast
te klampen. Niettemin lijkt het net iets te gemakkelijk om alles wat gerapporteerd
wordt op deze wijze af te schrijven. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken
dat de gerapporteerde verschijnselen te talrijk zijn, zodat we naar andere
factoren zullen moeten zoeken.
3. De mensen die claims maken op paranormale waarnemingen en begaafdheden
zijn leugenaars en charlatans.
Ook deze 'verklaring' wordt veel aangevoerd door skeptici,
en er zullen ongetwijfeld voorbeelden van verschijnselen zijn die tot
deze categorie behoren. De bekende graancirkels mag men tot het prototype
rekenen. Het mag bekend zijn dat deze door grappenmakers zijn geproduceerd.
Niettemin is ook dit een wat te gemakkelijke manier om ons vraagstuk terzijde
te schuiven. We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat er ook veel
goedbedoelde en serieuze meldingen zijn, en daarom zoeken we nog even
verder.
4. We hebben hier te maken met een delicaat psychologisch verschijnsel.
Mensen 'willen' het onmogelijke, zoals contact met overleden
dierbaren, vermiste kinderen of geliefden. Zij 'willen' ook verschrikkelijk
graag dat oppermachtige buitenaardse beschavingen of goddelijke machten
de onbillijke fouten en flagrante onrechtmatigheden in onze samenleving
corrigeren. Daar hebben ze best wel een klein onschuldig leugentje voor
over dat maar al te graag wordt vergeten. Hun verbeelding en gevoel voor
rechtmatigheid hebben de onvolmaaktheden van de werkelijkheid eventjes
gecorrigeerd, zonder dat men zich dit werkelijk bewust is. In hun onderbewustzijn
speelt zich een gevecht af tussen hun gevoel voor rechtvaardigheid enerzijds,
en trouw aan de waarheid anderzijds. Het is een kort gevecht. De rechtvaardigheid
wint. Om dan ook nog het zelfrespect te herstellen wordt de oorspronkelijke
herinnering aan de echte waarheid krachtig onderdrukt. Toegegeven: schrijver
dezes is fysicus en geen psycholoog, dus mijn weergave van de psychische
gesteldheid van de paranormale belever zal onnauwkeurig zijn, maar het
gaat om de grote lijnen van dit betoog. Tot slot echter is er een extremere
variant van deze gedachtegang:
5. Mensen kunnen door hun eigen hersenen bedrogen worden.
Deze theorie berust op mijn overtuiging dat menselijke
hersenen niet wezenlijk anders functioneren dan een gewone computer. Grote
hoeveelheden geheugencellen zijn met elkaar verbonden via een netwerk
van neuronen. Het geheel werkt als een (buitengewoon efficiënt) geheugen
en informatieverwerkende eenheid, zoals een computer dat ook is. Stelt
u zich voor dat in een computer een nieuw bestand wordt opgeslagen. De
datum behorende bij dit bestand wordt ook geregistreerd. Echter, een goed
programmeur is in staat deze datum achteraf te vervangen door een vroegere
datum. De computer zal vanaf dat moment het bestand behandelen alsof dit
er al veel langer in heeft gestaan. De 'herinneringen' van de computer
kunnen dus door speciale omstandigheden gesaboteerd worden, dat wil zeggen
vervangen door andere. Ditzelfde nu - en nog veel meer - kan bij mensen
ook gebeuren. Men kan een belevenis hebben die een of andere schok teweegbrengt,
en dan ineens kan men zich met 'absolute zekerheid' herinneren dat men
deze belevenis een week eerder al gedroomd heeft. Maar hoe zeker kan men
hiervan zijn? Hoe weet men dat de hersenen geen schakelfout hebben gemaakt?
Sterker nog, soms kunnen de hersenen er 'belang' bij hebben een dergelijke
schakelfout te maken, zoals ik bij het vorige punt opperde. Ons geheugen
is allerminst onfeilbaar, en naar mijn overtuiging is er een belangrijke
klasse van vermeende verschijnselen die hiertoe zijn terug te voeren.
De hersenen kunnen herinneringen fabriceren die niets met de werkelijkheid
van doen hebben. Voor het individu dat hiervan het slachtoffer is, is
het onmogelijk de herinnering van echte herinneringen te onderscheiden.
Laat ons nu nogmaals de rapportages beschouwen. Waarin
verschillen deze rapportages en in welke opzichten komen ze overeen?
De beweringen verschillen radicaal van elkaar zodra
men de fysische aard van het signaal beschrijft. Nu eens gaat het terug
in de tijd, dan weer is het afkomstig van een UFO, dan weer van een overledene,
of van een object dat ter hand werd genomen. Als optie nr. 1 juist zou
zijn zouden we met even zovele, totaal verschillende fysische verklaringen
moeten komen als er verschijnselen zijn.
De effecten hebben met elkaar gemeen dat ze heel
dikwijls direct geassocieerd zijn met heftige emoties. Paragnosten worden
bij voorkeur geraadpleegd wanneer iemand ten einde raad is, overmand door
verdriet. Dit is een zeer sterke aanwijzing in de richting van verklaringen
4 en 5. Wanneer heftige emoties in het spel zijn is men immers nauwelijks
geïnteresseerd in de echte werkelijkheid, die te gruwelijk is om te accepteren,
dus dan verkiest men de gerechtigheid die door de paragnost wordt geboden.
Of onze hersenen zelf trekken een register open dat in feite zeer functioneel
is: de werkelijkheid wordt geblokkeerd en vervangen door prettigere gedachten.
Evolutiebiologen zullen er weinig moeite mee hebben te verklaren hoe en
waarom onze hersenen dit soort 'schakelfouten' kunnen realiseren.
Wetenschappers worden er nogal eens van beschuldigd dat
zij weigeren paranormale verschijnselen met 'wetenschappelijke openheid'
tegemoet te treden. Het zou echter niet van openheid getuigen als we niet
zouden proberen gerapporteerde verschijnselen in logische zin in te passen
in een grote reeks van reeds vastgestelde natuurverschijnselen en -wetten.
De wetten van de fysica, de biologie en de psychologie wijzen alle onomstotelijk
in de richting van de verreweg aannemelijkste verklaring, namelijk dat
alle paranormale verschijnselen tussen de oren van mensen plaatsvinden,
en niet daarbuiten.
© Stichting Skepsis. Het is niet toegestaan artikelen
uit Skepter op andere websites over te nemen.
HOMEPAGE
SKEPSIS

DE
NIEUWSTE SKEPTER
|