|
Twee
stoelenproeven van Tenhaeff en Croiset De paragnost Gerard Croiset werd zeer bekend door de stoelenproeven die hij samen met prof. Tenhaeff in binnen- en buitenland demonstreerde. Een succesvol voorbeeld vond plaats op 3 juni 1953. Daarbij was ook de Duitse parapsycholoog professor Hans Bender aanwezig, die zeer onder de indruk raakte. Croiset bekeek 's middags de plattegrond van een zaal in Pirmasens, waar hij die avond zou optreden. Hij koos stoel 73 en deed een aantal uitspraken over de persoon die er, naar hij voorspelde, op zou gaan zitten. Tenhaeff beschreef de proef in zijn boek De Voorschouw (p. 109-111). Hieronder volgt een samenvatting die is aangevuld met het commentaar van Piet Hein Hoebens (1985). 1. Croiset: Ik zie een
dame, ongeveer 30 jaar oud of iets jonger. Zij draagt vaak een vest
uit angorawol gemaakt. Ze heeft een witte blouse aan. Hoebens: Croiset wees de dame, juffrouw B., vermoedelijk aan omdat zij beter aan de beschrijving voldeed dan de persoon op de juiste stoel. Zij kon evenwel niet bevestigen dat ze vaak een vest van angorawol droeg. 2. Croiset: Bij deze dame
zie ik een man die mij aan een filmacteur herinnert. Vele jaren geleden
heeft deze acteur met Martha Eggert in de film Der Privésekretar
gespeeld. Hij lijkt ook een beetje op Churchill. Hoebens: Aanvankelijk wist de vrouw niet
op wie de beschrijving van de filmacteur (een zekere Georg) betrekking
had. Daar kwam ze pas na afloop achter tijdens een gesprek met Croiset. 3. Croiset: Woont deze
dame in de buurt van een rood gebouw? Dit gebouw heeft hoge zuilen.
Ik zie ook hoge trappen. Komt deze dame veel in dit gebouw? Ik krijg
de indruk dat zich voor dit gebouw een heg bevindt. Het maakt een vervallen
indruk op mij. Hoebens: De trap en de zuilen van het gebouw
kunnen niet erg hoog worden genoemd, het is vermoedelijk niet rood,
en B. kwam er hoogst zelden. Zij herinnerde zich het gebouw pas de volgende
dag. Aan de brief had zij zich niet geërgerd. 4. Croiset: Heeft deze
dame een emotie gehad in een delicatessenzaak? Heeft zij daar een mand
met fruit gekocht of heeft ze daar naar gekeken? Mij valt een doos met
dadels op. Hoebens: Het feit dat B. een delicatessenzaak
kende, sluit nauwelijks aan bij Croisets uitspraken. Tenhaeff vermeldde
niet dat de winkel volgens Croiset witte tegels had. Vermoedelijk was
deze indruk onjuist. 5. Croiset: Heeft zij kort
geleden iets gelezen over Opper-Silezië of heeft zij een gesprek
over Opper-Silezië gehad? Hoebens: Silezië was destijds dikwijls
in het nieuws, maar de vrouw ontkende erover gelezen of gesproken te
hebben. Haar bezoek bleek niet uit Silezië te komen, maar uit de
Mark Brandenburg. Het boek was getiteld Schwarzer Adler unterm Silbermond.
Tenhaeff noemde alleen de ondertitel. 6. Croiset: Had zij een
lichte infectie aan haar rechterteen? 7. Croiset: Ik zie een
vlieger die niet opgaat. Dat heeft iets te maken met een man van 28
à 32 jaar, grijs kostuum, donkerblond haar. Hij draagt een pullover.
Deze man heeft een plan gemaakt. Maar door toedoen van de dame is het
niet in vervulling gegaan. Hoebens: Croiset zei in werkelijkheid dat
het plan niet in vervulling ging omdat de dame 'ertussen kwam'. Kennelijk
meende hij dat het plan zonder haar toedoen gerealiseerd zou zijn. 8. Croiset: Ik zie het
symbool van het alziend oog een oog in een driehoek. Hoebens: Commentaar is overbodig. 9. Croiset: Ik zie een
groene sigarettendoos. De dame trekt er haar neus voor op. Hoebens: Croiset had gezegd dat de dame
de doos niet mooi vond en er daarom haar neus voor ophaalde. Zij ontkende
aanvankelijk ooit in het bezit te zijn geweest van een sigarettendoos.
Pas later herinnerde zij zich een gele sigarettendoos, die zij van haar
voormalige vriend had gekregen. Ze snapte echter niet waarom zij er
volgens Croiset haar neus voor ophaalde. Tenhaeff was van mening dat de resultaten van de stoelenproeven onmogelijk aan het toeval konden worden toegeschreven:
De zinvolle samenhang die Tenhaeff bespeurde, is inderdaad niet op elke willekeurige persoon van toepassing. Hij realiseerde zich echter niet dat deze samenhang niet besloten lag in de uitspraken van Croiset, maar in de wijze waarop diens woorden later werden geïnterpreteerd. Naar de letter genomen klopte er niets van. De vrouw in Pirmasens zat niet op stoel 73, droeg niet geregeld een angoravest, kende aanvankelijk niemand die op Georg of Churchill leek, woonde niet in de buurt van het door Croiset beschreven gebouw, enzovoort.
Tenhaeffs veronderstelling dat de afwezigheid van Croiset de kans op succes verkleinde, was hoogst waarschijnlijk juist. Hij scheen niet te beseffen dat het tevens de betrouwbaarheid van het experiment vergrootte. Croiset had namelijk de neiging om de doelwitpersoon na afloop suggestieve vragen te stellen, waardoor deze nieuwe verbanden ontdekte. Uit Tenhaeffs geschriften wordt niet duidelijk dat de geciteerde bekentenissen van de doelwitpersoon dikwijls pas geruime tijd na afloop van het experiment werden gedaan. De aanvankelijke missers werden later met vereende krachten als treffers geïdentificeerd. Ondanks de afwezigheid van Croiset was de Denvertest volgens Tenhaeff een groot succes, maar Piet Hein Hoebens (1986) plaatste daarbij de nodige vraagtekens. Hij ontdekte dat ook Eisenbud (1973) een verslag van de gebeurtenissen had gepubliceerd, dat Tenhaeff nergens noemde. Beide verslagen bleken op belangrijke punten van elkaar af te wijken. Tenhaeff had een aantal mislukte voorspellingen weggelaten, terwijl hij de treffers aandikte. Een voorbeeld: volgens Tenhaeff (1978, p. 171) vroeg Croiset: 'Heeft deze heer groene sokken waarin een gaatje zit?' Hij gaf als commentaar: 'De heer T. draagt op de bijeenkomst groene sokken; in de hiel van een van deze sokken blijkt een gat te zitten.' Volgens Eisenbud had Croiset echter gevraagd of de doelwitpersoon de vorige avond groene sokken had gedragen. Deze ontkende dit. Pas later herinnerde hij zich enige tijd voor de bijeenkomst groene sokken te hebben gedragen op zijn werk. Een van deze sokken had, naar hij meende, een gat in de hiel. Deze uitspraak is uiteraard veel minder opmerkelijk dan Tenhaeffs versie. Eisenbud liet de genodigden aan het eind van de avond opschrijven in welke mate de uitspraken van Croiset op hen van toepassing waren: 0 = klopt niet, 1 = klopt misschien, 2 = klopt waarschijnlijk, 3 = klopt zeer goed. De doelwitpersonen gaven de dertig uitspraken aanvankelijk in totaal slechts 25 punten. Maar op een tweede formulier dat zij later opstuurden, vulden zij een totaal van 66 punten in. Dat was nadat zij wisten dat ze de vermoedelijke doelwitpersonen waren. We zouden hieruit kunnen afleiden dat degenen die geloven dat de uitspraken van een paragnost voor hen bedoeld zijn, veel moeite doen om deze op zichzelf te betrekken. Bij vrijwel alle stoelenproeven wisten de deelnemers wie de doelwitpersonen waren. Het hoeft daarom geen verbazing te wekken dat Croisets uitspraken doorgaans beter bij hen schenen te passen dan bij de overige deelnemers. Wie zichzelf slechts als een toeschouwer beschouwt, zal zich namelijk niet zo sterk geroepen voelen om een uitspraak voor zich op te eisen. Een stoelenproef heeft alleen waarde wanneer de identiteit van de doelwitpersoon pas wordt onthuld nadat alle aanwezigen hun reacties hebben gegeven. Ook de onderzoeker die hen ondervraagt, mag niet weten wie de gekozen doelwitpersoon is. Bovendien is het raadzaam om de paragnostische uitspraken die op de betreffende stoelenproef betrekking hebben te vermengen met uitspraken die op een andere proef betrekking hebben. Uiteraard kan de paragnost alleen een treffer scoren wanneer een uitspraak opmerkelijk goed past bij de gekozen doelwitpersoon. Tenhaeff hield zich daar niet aan. Volgens hem hadden de uitspraken van Croiset soms betrekking op iemand die niet als doelwitpersoon was gekozen. Hij noemde dat 'verschuivingen'. Een voorbeeld:
De handtas zou nooit tot corpus delicti zijn uitgeroepen wanneer M. zich had kunnen herkennen in de uitspraak van Croiset. Tenhaeff ging pas op zoek naar een verschuiving toen de uitspraak niet bleek te passen. Daarmee gaf hij Croiset een extra kans op succes. In plaats van een verschuiving kunnen we beter spreken van een verschuiver: W.H.C. Tenhaeff. Ten slotte dienen we niet uit het oog te verliezen dat
Tenhaeff van de meeste stoelenproeven geen verslag uitbracht. De resultaten
waarvan hij melding maakte, waren vermoedelijk de hoogtepunten uit meer
dan twintig jaar onderzoek. Het is opmerkelijk dat hij in deze grote hoeveelheid
materiaal geen betere voorbeelden van Croisets vermeende gaven wist te
vinden.
Op 21 februari 1951 werd in Utrecht de zevenjarige Appie Verbeek vermist. Op 24 februari belde Appies onderwijzeres met Croiset. Hij vertelde dat Appie vermoedelijk verdronken was en zag onder andere een marechausseekazerne en een schietbaan. Op 1 maart liet hij Tenhaeff weten dat het kind verdronken was in het water bij het fort de Bilt. Vier dagen later werd Appie opgehaald uit de Biltse Grift nabij de Museumbrug achter de R.K.-begraafplaats. Deze locatie lag dicht bij de marechausseekazerne, die zich op het terrein van het fort de Bilt bevindt (Tenhaeff 1957, p. 125). Deze geschiedenis wordt een stuk minder wonderbaarlijk wanneer we weten dat Appie Verbeek in de Gildstraat woonde op minder dan duizend meter afstand van het fort De Bilt (Hoebens 1982a). Bovendien kende Appies onderwijzeres Croiset goed en had zij ook al op 22 februari contact met hem gehad. Toen meende Croiset nog dat er geen reden was voor ongerustheid. Twee dagen later was hij van mening veranderd en noemde een bekende locatie in de nabijheid van Appies huis. De veronderstelling dat Appie verdronken was, ligt tamelijk voor de hand (het was Croisets standaardverklaring). De plaats waar het jongetje uiteindelijk werd gevonden, lag halverwege de Gildstraat en de kazerne. Op een internationaal parapsychologisch congres dat in 1953 in Utrecht plaatsvond, vertelde Tenhaeff hoe Croiset had meegewerkt aan het oplossen van de moord op een politieman in de gemeente Woerden. Toen Croiset het nieuws in de krant las, moest hij plotseling denken aan een winkel in Utrecht waar toneelbenodigdheden werden verkocht. In de etalage van deze winkel stond een nagemaakt middeleeuws harnas. Bovendien kreeg Croiset de indruk dat de schuldige vroeger een unifiprm had gedragen. Tien dagen later gingen Tenhaeff en Croiset naar het gerechtsgebouw in Utrecht, waar zich enkele voorwerpen bevonden die aan de neergeschoten agent hadden toebehoord. Bij deze gelegenheid vertelde Croiset dat de dader een visliefhebber was en ook zag hij een viskaar. Het feit dat zowel het harnas als de viskaar van metaal waren gemaakt, bracht hem tot de conclusie dat de dader een metaalbewerker moest zijn. Pas daarna vertelde de rechter-commissaris dat er inmiddels een verdachte was gearresteerd die inderdaad metaalbewerker was, een visboot bezat en vroeger een uniform had gedragen. Later onthulde Tenhaeff (1957, p. 151) dat de verdachte ten onrechte bleek te zijn gearresteerd. Desondanks beschouwde hij Croisets uitspraken in parapsychologisch opzicht als geslaagd. Hij schreef: 'Het vermoeden ligt voor de hand dat hij (Croiset) een indruk heeft gekregen van een toekomstige misgreep van de zijde der politie.' Piet Hein Hoebens (1982a) ontdekte een simpeler verklaring: een aantal dagen voordat Croiset het gerechtshof bezocht, stond in De Telegraaf te lezen dat er twee verdachten waren gearresteerd. Een van hen was een metaalbewerker en de andere was politieagent geweest. Zelfs van hun voorliefde voor vissen werd melding gemaakt. Vermoedelijk was Croiset in dit geval dus eerder een goeie krantenlezer dan een goeie paragnost! In september 1980 publiceerde Tenhaeff in het tijdschrift Esotera een zeer overtuigend voorbeeld van Croisets paranormale detectivewerk. Op 15 november 1979 had politiecommandant Eekhof een bezoek gebracht aan Croiset om diens hulp in te roepen bij het opsporen van een pyromaan die.in de omgeving van Woudrichem actief was. De paragnost vertelde dat de gezochte man soms een uniform droeg, in een flat woonde en iets te maken had met speelgoedvliegtuigen. Eekhof was geschokt, want hij herkende in deze beschrijving een lid van zijn eigen politiecorps, dat in zijn vrije tijd modelvliegtuigjes bouwde. Later bleek dit inderdaad de pyromaan te zijn. Volgens Tenhaeff bevestigde Eekhof alle genoemde feiten in een verklaring die hij officieel ondertekende. Opnieuw bleek Tenhaeffs verhaal van zeer twijfelachtige waarde. Hoebens (1982b) sprak met Eekhof, die hem de volgende informatie gaf:
Hoebens vroeg Tenhaeff telefonisch om commentaar, maar deze schreeuwde slechts enkele verwensingen en gooide de hoorn op de haak. De bandopname van Croiset bewees dat Eekhof gelijk had. Literatuur Aanvullende literatuur
|