*

Auteur: Rob Nanninga
Bron: Parariteiten (Utrecht: Het Spectrum, 1988), p. 77-84.

 

Twee stoelenproeven van Tenhaeff en Croiset
plus drie politiezaken

De paragnost Gerard Croiset werd zeer bekend door de stoelenproeven die hij samen met prof. Tenhaeff in binnen- en buitenland demonstreerde. Een succesvol voorbeeld vond plaats op 3 juni 1953. Daarbij was ook de Duitse parapsycholoog professor Hans Bender aanwezig, die zeer onder de indruk raakte. Croiset bekeek 's middags de plattegrond van een zaal in Pirmasens, waar hij die avond zou optreden. Hij koos stoel 73 en deed een aantal uitspraken over de persoon die er, naar hij voorspelde, op zou gaan zitten.

Tenhaeff beschreef de proef in zijn boek De Voorschouw (p. 109-111). Hieronder volgt een samenvatting die is aangevuld met het commentaar van Piet Hein Hoebens (1985).

1. Croiset: Ik zie een dame, ongeveer 30 jaar oud of iets jonger. Zij draagt vaak een vest uit angorawol gemaakt. Ze heeft een witte blouse aan.
Tenhaeff: De dame zat niet op de aangegeven stoel, maar twee stoelen verder. Zij was 32 jaar oud en droeg een witte blouse. Zij had die dag even op het punt gestaan haar vest van angorawol aan te trekken.

Hoebens: Croiset wees de dame, juffrouw B., vermoedelijk aan omdat zij beter aan de beschrijving voldeed dan de persoon op de juiste stoel. Zij kon evenwel niet bevestigen dat ze vaak een vest van angorawol droeg.

2. Croiset: Bij deze dame zie ik een man die mij aan een filmacteur herinnert. Vele jaren geleden heeft deze acteur met Martha Eggert in de film Der Privésekretar gespeeld. Hij lijkt ook een beetje op Churchill.
Tenhaeff: Deze beschrijving bracht de dame in verband met haar chef, een opgewekt pyknisch type.

Hoebens: Aanvankelijk wist de vrouw niet op wie de beschrijving van de filmacteur (een zekere Georg) betrekking had. Daar kwam ze pas na afloop achter tijdens een gesprek met Croiset.

3. Croiset: Woont deze dame in de buurt van een rood gebouw? Dit gebouw heeft hoge zuilen. Ik zie ook hoge trappen. Komt deze dame veel in dit gebouw? Ik krijg de indruk dat zich voor dit gebouw een heg bevindt. Het maakt een vervallen indruk op mij.
Tenhaeff: Twee dagen geleden bevond de vrouw zich, bij gelegenheid van een begrafenis, in een kapel met zuilen (zonder heg en in goede staat). Zij herinnerde zich toen dat ze tien jaar eerder ook in de kapel had gezeten. Ze verkeerde destijds in ongerustheid over een vriend die zich als militair in Rusland bevond. De vorige dag had zij van hem een brief ontvangen. Ze had zich zeer geërgerd aan zijn verhulde toenaderingspoging.

Hoebens: De trap en de zuilen van het gebouw kunnen niet erg hoog worden genoemd, het is vermoedelijk niet rood, en B. kwam er hoogst zelden. Zij herinnerde zich het gebouw pas de volgende dag. Aan de brief had zij zich niet geërgerd.

4. Croiset: Heeft deze dame een emotie gehad in een delicatessenzaak? Heeft zij daar een mand met fruit gekocht of heeft ze daar naar gekeken? Mij valt een doos met dadels op.
Tenhaeff: Tegenover de apotheek waar zij werkt, bevindt zich een delicatessenzaak, waar veel fruit uitgestald ligt. Een doos met dadels kan zij zich niet herinneren.

Hoebens: Het feit dat B. een delicatessenzaak kende, sluit nauwelijks aan bij Croisets uitspraken. Tenhaeff vermeldde niet dat de winkel volgens Croiset witte tegels had. Vermoedelijk was deze indruk onjuist.

5. Croiset: Heeft zij kort geleden iets gelezen over Opper-Silezië of heeft zij een gesprek over Opper-Silezië gehad?
Tenhaeff: Het boek Biographie der Landschaft Schlesien ligt sedert drie dagen op haar tafel. Dit houdt verband met een bezoek van bekenden, die in Silezië wonen.

Hoebens: Silezië was destijds dikwijls in het nieuws, maar de vrouw ontkende erover gelezen of gesproken te hebben. Haar bezoek bleek niet uit Silezië te komen, maar uit de Mark Brandenburg. Het boek was getiteld Schwarzer Adler unterm Silbermond. Tenhaeff noemde alleen de ondertitel.

6. Croiset: Had zij een lichte infectie aan haar rechterteen?
Tenhaeff: Kort geleden heeft zij aan beide voeten een kleine infectie gehad.


Hoebens: De vrouw herinnerde zich een onbeduidend wondje aan haar linkervoet, maar geen infectie.

7. Croiset: Ik zie een vlieger die niet opgaat. Dat heeft iets te maken met een man van 28 à 32 jaar, grijs kostuum, donkerblond haar. Hij draagt een pullover. Deze man heeft een plan gemaakt. Maar door toedoen van de dame is het niet in vervulling gegaan.
Tenhaeff: De leeftijd en de haarkleur passen bij de man van wie B. een brief ontving. Hij wilde een relatie met haar aanknopen, maar zij stemde niet toe.

Hoebens: Croiset zei in werkelijkheid dat het plan niet in vervulling ging omdat de dame 'ertussen kwam'. Kennelijk meende hij dat het plan zonder haar toedoen gerealiseerd zou zijn.

8. Croiset: Ik zie het symbool van het alziend oog – een oog in een driehoek.
Tenhaeff: Uit het gesprek met de vrouw bleek dat zij intelligent en waakzaam was.

Hoebens: Commentaar is overbodig.

9. Croiset: Ik zie een groene sigarettendoos. De dame trekt er haar neus voor op.
Tenhaeff: De jongeman heeft haar vroeger een geelgroene sigarettendoos cadeau gegeven. Op grond van het voorstel, dat hij haar in zijn brief deed, trekt zij haar neus voor hem op.

Hoebens: Croiset had gezegd dat de dame de doos niet mooi vond en er daarom haar neus voor ophaalde. Zij ontkende aanvankelijk ooit in het bezit te zijn geweest van een sigarettendoos. Pas later herinnerde zij zich een gele sigarettendoos, die zij van haar voormalige vriend had gekregen. Ze snapte echter niet waarom zij er volgens Croiset haar neus voor ophaalde.

Tenhaeff was van mening dat de resultaten van de stoelenproeven onmogelijk aan het toeval konden worden toegeschreven:

Men moet 'gestalte-blind' zijn om het feit te miskennen dat wij hier met configuraties (structuursamenhangen) te doen hebben die onmogelijk op elke willekeurige persoon van toepassing kunnen zijn en zonder meer hun oorsprong vinden in de paragnostische begaafdheid van de proefpersoon. (Tenhaeff 1979, p. 114),

De zinvolle samenhang die Tenhaeff bespeurde, is inderdaad niet op elke willekeurige persoon van toepassing. Hij realiseerde zich echter niet dat deze samenhang niet besloten lag in de uitspraken van Croiset, maar in de wijze waarop diens woorden later werden geïnterpreteerd. Naar de letter genomen klopte er niets van. De vrouw in Pirmasens zat niet op stoel 73, droeg niet geregeld een angoravest, kende aanvankelijk niemand die op Georg of Churchill leek, woonde niet in de buurt van het door Croiset beschreven gebouw, enzovoort.


Een transoceanische proef

In 1969 voerden Tenhaeff en Croiset in samenwerking met de Amerikaanse parapsycholoog Jule Eisenbud een 'transoceanische' stoelenproef uit. Daarbij beschreef Croiset twee doelwitpersonen die Eisenbud later in Denver door middel van een toevalsprocedure uit een groep van 25 mensen koos. (Het hadden er 24 moeten zijn, wat aanleiding gaf tot verwarring over de identiteit van de juiste doelwitpersonen.) Het feit dat Croiset niet in Denver aanwezig kon zijn, hield volgens Tenhaeff 'een zeker risico' in. Hij schreef:

Tal van malen ben ik er getuige van geweest dat een doelwitpersoon zich aanvankelijk een bepaalde gebeurtenis uit zijn verleden niet herinnerde. Was Croiset bij de verifiëring aanwezig, dan gaf hij soms aanvullende gegevens, die de doelwitpersoon aanleiding gaven de juistheid van het gegeven te erkennen. (Tenhaeff 1979, p. 143)

Tenhaeffs veronderstelling dat de afwezigheid van Croiset de kans op succes verkleinde, was hoogst waarschijnlijk juist. Hij scheen niet te beseffen dat het tevens de betrouwbaarheid van het experiment vergrootte. Croiset had namelijk de neiging om de doelwitpersoon na afloop suggestieve vragen te stellen, waardoor deze nieuwe verbanden ontdekte. Uit Tenhaeffs geschriften wordt niet duidelijk dat de geciteerde bekentenissen van de doelwitpersoon dikwijls pas geruime tijd na afloop van het experiment werden gedaan. De aanvankelijke missers werden later met vereende krachten als treffers geïdentificeerd.

Ondanks de afwezigheid van Croiset was de Denvertest volgens Tenhaeff een groot succes, maar Piet Hein Hoebens (1986) plaatste daarbij de nodige vraagtekens. Hij ontdekte dat ook Eisenbud (1973) een verslag van de gebeurtenissen had gepubliceerd, dat Tenhaeff nergens noemde. Beide verslagen bleken op belangrijke punten van elkaar af te wijken. Tenhaeff had een aantal mislukte voorspellingen weggelaten, terwijl hij de treffers aandikte.

Een voorbeeld: volgens Tenhaeff (1978, p. 171) vroeg Croiset: 'Heeft deze heer groene sokken waarin een gaatje zit?' Hij gaf als commentaar: 'De heer T. draagt op de bijeenkomst groene sokken; in de hiel van een van deze sokken blijkt een gat te zitten.' Volgens Eisenbud had Croiset echter gevraagd of de doelwitpersoon de vorige avond groene sokken had gedragen. Deze ontkende dit. Pas later herinnerde hij zich enige tijd voor de bijeenkomst groene sokken te hebben gedragen op zijn werk. Een van deze sokken had, naar hij meende, een gat in de hiel. Deze uitspraak is uiteraard veel minder opmerkelijk dan Tenhaeffs versie.

Eisenbud liet de genodigden aan het eind van de avond opschrijven in welke mate de uitspraken van Croiset op hen van toepassing waren: 0 = klopt niet, 1 = klopt misschien, 2 = klopt waarschijnlijk, 3 = klopt zeer goed. De doelwitpersonen gaven de dertig uitspraken aanvankelijk in totaal slechts 25 punten. Maar op een tweede formulier dat zij later opstuurden, vulden zij een totaal van 66 punten in. Dat was nadat zij wisten dat ze de vermoedelijke doelwitpersonen waren. We zouden hieruit kunnen afleiden dat degenen die geloven dat de uitspraken van een paragnost voor hen bedoeld zijn, veel moeite doen om deze op zichzelf te betrekken.

Bij vrijwel alle stoelenproeven wisten de deelnemers wie de doelwitpersonen waren. Het hoeft daarom geen verbazing te wekken dat Croisets uitspraken doorgaans beter bij hen schenen te passen dan bij de overige deelnemers. Wie zichzelf slechts als een toeschouwer beschouwt, zal zich namelijk niet zo sterk geroepen voelen om een uitspraak voor zich op te eisen. Een stoelenproef heeft alleen waarde wanneer de identiteit van de doelwitpersoon pas wordt onthuld nadat alle aanwezigen hun reacties hebben gegeven. Ook de onderzoeker die hen ondervraagt, mag niet weten wie de gekozen doelwitpersoon is. Bovendien is het raadzaam om de paragnostische uitspraken die op de betreffende stoelenproef betrekking hebben te vermengen met uitspraken die op een andere proef betrekking hebben.

Uiteraard kan de paragnost alleen een treffer scoren wanneer een uitspraak opmerkelijk goed past bij de gekozen doelwitpersoon. Tenhaeff hield zich daar niet aan. Volgens hem hadden de uitspraken van Croiset soms betrekking op iemand die niet als doelwitpersoon was gekozen. Hij noemde dat 'verschuivingen'. Een voorbeeld:

Heeft hij geprobeerd met een pen een koperen buis, die verstopt was, open te breken?
Commentaar: Dit gegeven bleek betrekking te hebben op mejuffrouw R.S., die vlak achter de heer M. (de doelwitpersoon) was gezeten. Achteraf is gebleken dat zij haar handtas een ogenblik op de stoel heeft geplaatst toen de heer M. nog niet aanwezig was. Thuis had zij getracht met een pen de plastic buis van een luchtververser te reinigen. In de buis zat groen alg dat aan geoxydeerd koper deed denken. (Tenhaeff 1979, p. 144)

De handtas zou nooit tot corpus delicti zijn uitgeroepen wanneer M. zich had kunnen herkennen in de uitspraak van Croiset. Tenhaeff ging pas op zoek naar een verschuiving toen de uitspraak niet bleek te passen. Daarmee gaf hij Croiset een extra kans op succes. In plaats van een verschuiving kunnen we beter spreken van een verschuiver: W.H.C. Tenhaeff.

Ten slotte dienen we niet uit het oog te verliezen dat Tenhaeff van de meeste stoelenproeven geen verslag uitbracht. De resultaten waarvan hij melding maakte, waren vermoedelijk de hoogtepunten uit meer dan twintig jaar onderzoek. Het is opmerkelijk dat hij in deze grote hoeveelheid materiaal geen betere voorbeelden van Croisets vermeende gaven wist te vinden.


Croiset als paranormale detective

Op 21 februari 1951 werd in Utrecht de zevenjarige Appie Verbeek vermist. Op 24 februari belde Appies onderwijzeres met Croiset. Hij vertelde dat Appie vermoedelijk verdronken was en zag onder andere een marechausseekazerne en een schietbaan. Op 1 maart liet hij Tenhaeff weten dat het kind verdronken was in het water bij het fort de Bilt. Vier dagen later werd Appie opgehaald uit de Biltse Grift nabij de Museumbrug achter de R.K.-begraafplaats. Deze locatie lag dicht bij de marechausseekazerne, die zich op het terrein van het fort de Bilt bevindt (Tenhaeff 1957, p. 125).

Deze geschiedenis wordt een stuk minder wonderbaarlijk wanneer we weten dat Appie Verbeek in de Gildstraat woonde op minder dan duizend meter afstand van het fort De Bilt (Hoebens 1982a). Bovendien kende Appies onderwijzeres Croiset goed en had zij ook al op 22 februari contact met hem gehad. Toen meende Croiset nog dat er geen reden was voor ongerustheid. Twee dagen later was hij van mening veranderd en noemde een bekende locatie in de nabijheid van Appies huis. De veronderstelling dat Appie verdronken was, ligt tamelijk voor de hand (het was Croisets standaardverklaring). De plaats waar het jongetje uiteindelijk werd gevonden, lag halverwege de Gildstraat en de kazerne.

Op een internationaal parapsychologisch congres dat in 1953 in Utrecht plaatsvond, vertelde Tenhaeff hoe Croiset had meegewerkt aan het oplossen van de moord op een politieman in de gemeente Woerden. Toen Croiset het nieuws in de krant las, moest hij plotseling denken aan een winkel in Utrecht waar toneelbenodigdheden werden verkocht. In de etalage van deze winkel stond een nagemaakt middeleeuws harnas. Bovendien kreeg Croiset de indruk dat de schuldige vroeger een unifiprm had gedragen. Tien dagen later gingen Tenhaeff en Croiset naar het gerechtsgebouw in Utrecht, waar zich enkele voorwerpen bevonden die aan de neergeschoten agent hadden toebehoord. Bij deze gelegenheid vertelde Croiset dat de dader een visliefhebber was en ook zag hij een viskaar. Het feit dat zowel het harnas als de viskaar van metaal waren gemaakt, bracht hem tot de conclusie dat de dader een metaalbewerker moest zijn. Pas daarna vertelde de rechter-commissaris dat er inmiddels een verdachte was gearresteerd die inderdaad metaalbewerker was, een visboot bezat en vroeger een uniform had gedragen.

Later onthulde Tenhaeff (1957, p. 151) dat de verdachte ten onrechte bleek te zijn gearresteerd. Desondanks beschouwde hij Croisets uitspraken in parapsychologisch opzicht als geslaagd. Hij schreef: 'Het vermoeden ligt voor de hand dat hij (Croiset) een indruk heeft gekregen van een toekomstige misgreep van de zijde der politie.' Piet Hein Hoebens (1982a) ontdekte een simpeler verklaring: een aantal dagen voordat Croiset het gerechtshof bezocht, stond in De Telegraaf te lezen dat er twee verdachten waren gearresteerd. Een van hen was een metaalbewerker en de andere was politieagent geweest. Zelfs van hun voorliefde voor vissen werd melding gemaakt. Vermoedelijk was Croiset in dit geval dus eerder een goeie krantenlezer dan een goeie paragnost!

In september 1980 publiceerde Tenhaeff in het tijdschrift Esotera een zeer overtuigend voorbeeld van Croisets paranormale detectivewerk. Op 15 november 1979 had politiecommandant Eekhof een bezoek gebracht aan Croiset om diens hulp in te roepen bij het opsporen van een pyromaan die.in de omgeving van Woudrichem actief was. De paragnost vertelde dat de gezochte man soms een uniform droeg, in een flat woonde en iets te maken had met speelgoedvliegtuigen. Eekhof was geschokt, want hij herkende in deze beschrijving een lid van zijn eigen politiecorps, dat in zijn vrije tijd modelvliegtuigjes bouwde. Later bleek dit inderdaad de pyromaan te zijn. Volgens Tenhaeff bevestigde Eekhof alle genoemde feiten in een verklaring die hij officieel ondertekende. Opnieuw bleek Tenhaeffs verhaal van zeer twijfelachtige waarde. Hoebens (1982b) sprak met Eekhof, die hem de volgende informatie gaf:

  • Eekhof had Croiset niet in 1979, maar in maart 1977 gesproken. De pyromaan werd pas ruim twee jaar later gearresteerd.
  • Croiset had niet gesproken over een uniform.
  • Croiset had geen modelvliegtuigjes gezien, maar echte vliegtuigen.
  • De brandstichtende politieman woonde niet in een flat.
  • Croiset identificeerde de pyromaan op een foto die Eekhof hem liet zien, maar deze verdachte bleek niet de dader te zijn.
  • De verdenking viel pas later op de politieman en dat was niet aan Croiset te danken.
  • Eekhof legde nooit een officiële verklaring af.

Hoebens vroeg Tenhaeff telefonisch om commentaar, maar deze schreeuwde slechts enkele verwensingen en gooide de hoorn op de haak. De bandopname van Croiset bewees dat Eekhof gelijk had.

Literatuur
Eisenbud, Jules (1973). A transatlantic experiment in precognition with Gerard Croiset. Journal of the American Society for Psychical Research 67, p. 1-25.
Hoebens, Piet Hein (1982a). Mystery men from Holland. Zetetic Scholar 9, p. 21-32.
Hoebens, Piet Hein (1982b). Croiset and Professor Tenhaeff: discrepancies in claims of clairvoyance. In Frazier, Science confronts the paranormal (1986), p. 133-141.
Hoebens, Piet Hein (1985). Abschied von Pirmasens. Zeitschrift für Parapsychologie und Grensgebiete der Psychologie 26, p. 4-28.
Hoebens, Piet Hein (1986). Comparisons of reports of the Denver chair test: a critical examination of the methods of W.H.C. Tenhaeff. Journal of the Society for Psychical Research 53, p. 311-324.
Tenhaeff, W.H.C. (1957). Beschouwingen over het gebruik van paragnosten. Utrecht: Bijleveld.
Tenhaeff, W.H.C. (1978). Ontmoetingen met paragnosten. Utrecht: Bijleveld.
Tenhaeff, W.H.C. (1979). De voorschouw. Den Haag: Leopold.

Aanvullende literatuur
Hoebens, Piet Hein (1981/1988). De professor en de paragnost. Skepter 1(3/4).
Boerenkamp, H.G. (1988/2007). Helderziendheid bekeken. Utrecht: Stichting Skepsis.



Rob Nanninga is hoofdredacteur van Skepsis.
© Stichting Skepsis. Het is niet toegestaan artikelen uit Skepter op andere websites over te nemen.



 

HOMEPAGE SKEPSIS



DE NIEUWSTE SKEPTER