Wedergeboorte in Nederland
Parapsychologisch reïncarnatieonderzoek
De
parapsycholoog Titus Rivas onderzocht verscheidene Nederlandse gevallen
van vermeende herinneringen aan vorige levens. Aanvankelijk was hij kritisch,
maar in de loop der jaren zag hij steeds meer bewijzen.
Titus Rivas begon zijn onderzoekswerk in 1986, toen hij samen met zijn
broer de Stichting voor Wetenschappelijk Reïncarnatieonderzoek opzette.
De broers haalden hun inspiratie uit het werk van Ian Stevenson. Deze
Amerikaanse psychiater en parapsycholoog publiceerde vanaf de jaren '60
diverse boeken en artikelen over jonge kinderen die zich naar het scheen
feiten uit een vorig leven herinnerden. Aanvankelijk deden de gevallen
zich allemaal voor in culturen waar het geloof in reïncarnatie algemeen
gangbaar is. Men zou dus kunnen veronderstellen dat de kinderverhalen
werden aangewakkerd en beïnvloed door het geloof van hun omgeving. Een
andere mogelijkheid is echter dat westerse kinderen evenveel te vertellen
hebben, maar dat hun herinneringen worden onderdrukt omdat ze meestal
niet serieus worden genomen. Daarin schijnt geleidelijk verandering te
komen nu reïncarnatie ook in westerse landen door steeds meer mensen als
een reële mogelijkheid wordt gezien.
In het eerste hoofdstuk van zijn recente 'monografie' geeft Rivas (2000)
samenvattingen van enkele vermeende reïncarnatiegevallen die eerder door
Stevenson en anderen werden beschreven. Wie zich over deze gevallen een
oordeel wil vormen, kan echter beter de oorspronkelijke bronnen (en de
kritiek daarop) lezen. Rivas beschrijft onder meer een atypisch geval
van xenoglossie dat door Stevenson werd gerapporteerd. Het betrof een
Indiase vrouw, Uttara Huddar, die op tweeëndertigjarige leeftijd vloeiend
archaïsch Bengaals begon te spreken. Ze veranderde daarbij in Sharada,
een Bengaalse vrouw die in de 19de eeuw zou hebben geleefd. Volgens Rivas
staat het vast dat ze in haar huidige leven nooit Bengaals had geleerd.
Wel had ze een vader die de Bengalen idealiseerde, en dat deed ze zelf
ook.
Stevenson (1984) biedt wat meer details. De eerste keer dat Uttara in
Sharada veranderde, verbleef ze in een ziekenhuis waar ze werd behandeld
voor psychische problemen. Het was bekend dat ze een bijzonder grote belangstelling
had voor de Bengalen. Ze las veel vertaalde Bengaalse romans en volgde
ook enkele lessen om Bengaals te leren lezen. Een professor in de Bengaalse
taal, die door Stevenson werd geraadpleegd, raakte niet van haar talent
onder de indruk. Volgens deze deskundige beheerste ze het Bengaals niet
zo goed en had ze een onnatuurlijk accent, alsof ze de taal pas na haar
kindertijd had geleerd. Het was bovendien geen archaïsch Bengaals uit
de 19de eeuw. Hoewel Stevenson niet kon vaststellen dat de vrouw ooit
met Bengalen had gesproken, was dat niet geheel uitgesloten, want in de
stad Nagpur waar ze het grootste deel van haar leven doorbracht, woonden
ongeveer tienduizend Bengalen.
Rivas vermeldt dat sommigen kritiek hebben geleverd op het werk van Stevenson.
'Met name de Indiase socioloog C.T.K. Chari heeft meermalen geprobeerd
Stevensons conclusie dat reïncarnatie een aannemelijke hypothese voor
dit soort gevallen is, te weerleggen. Dit hangt waarschijnlijk samen met
een rationalistische stroming in India en Pakistan die het volk wil bevrijden
van bijgelovige opvattingen.' Een merkwaardige bewering omdat Chari een
bekende parapsycholoog is. Hij is ook filosoof en hindoe, maar geen socioloog.
In de Encyclopedia of Parapsychology and Psychical Research van
Berger & Berger (1991) staat: 'He is one of the leading philosophers
of parapsychology both in his country and in the world'.
De vergissing komt misschien voort uit het feit dat Rivas alle kritiek
op het reïncarnatieonderzoek toeschrijft aan een dogmatisch en fundamentalistisch
geloof in het materialistische wereldbeeld. Het heeft volgens hem weinig
zin om met critici in discussie te gaan: 'ze zijn nu eenmaal niet voor
rede vatbaar en zelfs verre van rationeel, ook al zullen ze jou
juist van hetzelfde beschuldigen'. Hij besteedt daarom geen aandacht aan
hun argumenten. Wel noemt hij een relevant onderzoek dat een deel van
de kritiek schijnt te ontkrachten, al gaat hij daar niet verder op in.
Dit onderzoek werd uitgevoerd door Stevenson in samenwerking met de Nederlandse
parapsycholoog Sybo Schouten (1998). Het was een nieuwe analyse van alle
goed onderzochte gevallen uit India en Sri Lanka waarbij Stevenson had
vastgesteld hoeveel juiste en onjuiste uitspraken het betreffende kind
had gedaan.
Een groot probleem is dat de onderzoeker doorgaans pas op het toneel
verschijnt nadat de ouders zelf hebben geprobeerd de uitspraken van hun
kind te verifiëren. Meestal hadden ze al uitgebreid contact gehad met
de familie waarin het voorgaande leven zich zou hebben afgespeeld (opvallend
vaak een rijkere familie). Beide families waren het er over eens geworden
dat het kind de reïncarnatie van een overledene was. Het kan voor onderzoekers
dan moeilijk worden om de oorspronkelijke feiten te onderscheiden van
latere toevoegingen, verdraaiingen, herinterpretaties en verzinsels. Gelukkig
beschikte Stevenson over 21 gevallen waarbij de uitspraken van het kind
schriftelijk waren vastgelegd voordat ze werden nagetrokken. Deze 21 gevallen
werden vergeleken met 82 andere gevallen waarbij de uitspraken van het
kind pas later werden genoteerd. Men kon verwachten dat de kinderen in
de eerste groep meer fouten maakten dan de kinderen in de tweede groep,
maar tot verrassing van Schouten boden de gegevens van Stevenson geen
ondersteuning voor deze hypothese. In beide groepen was ongeveer driekwart
van de uitspraken juist.
Speurtocht in het archief
Hoe is het gesteld met de wedergeboortes in Nederland? Leveren die vergelijkbare
resultaten op? Rivas beschrijft eerst een paar gevallen die hem uiteindelijk
niet konden overtuigen. Een aardig voorbeeld is het verhaal over de dertienjarige
Maya, al ging het daarbij niet om vermeende reïncarnatie-ervaringen maar
om een geestverschijning. Maya had in 1987 regelmatig contact met de geest
van een meisje dat aan het begin van de 19de eeuw op de Manenburg in Utrecht
zou hebben gewoond. De Manenburg was een 16de-eeuws bolwerk dat haar al
eerder was opgevallen toen ze van school naar huis fietste. Aanvankelijk
wou het overleden meisje haar naam niet zeggen. Ze gaf alleen alle letters
die daarin voorkwamen. Hieruit stelde Maya na lang puzzelen de vreemde
naam Temmigje Rijkse samen. Dat bleek te kloppen en het meisje noemde
nu ook de namen van haar ouders, Rijk Rijkse en Cornelia van Wierst, en
van de dienstmeid Cornelia Nana Hoeflaar. Ze vertelde dat ze als kind
in een gracht was verdronken. Volgens Maya zag ze eruit als een blond
meisje van een jaar of tien.
Een kennis van Rivas bezocht in 1987 het Utrechtse Gemeentearchief, waar
hij na lang zoeken een Rijk Rijkse vond die in 1793 met Cornelia van Wierst
was getrouwd. Een jaar later ontdekte Rivas de hele familie Rijkse in
de Index op het Volkstellingsregister van 1825, waarin de namen alfabetisch
stonden gerangschikt. Alle familieleden woonden in een huis op de Manenburg
en een dochter heette Femmigje. Ook Cornelia Maria Hoeflaar woonde er.
Dat leek dus aardig te kloppen, al was Femmigje destijds 27 jaar en dus
niet jong gestorven. Bovendien bleek Cornelia Hoeflaar geen dienstmeid
maar een eenjarig kind te zijn.
Er was nog een ander probleem. Maya was zelf ook naar het Gemeentearchief
geweest om haar ervaringen te verifiëren, nog voordat de onderzoekers
dit deden. Ze vertelde dat ze een archivaris had gevraagd of hij kon zoeken
naar een Temmigje en Jan Rijkse die rond 1830 op de Manenburg hadden gewoond.
Volgens Maya vond hij de namen in een oud boek over de Manenburg, maar
zo'n boek is bij het archief niet bekend. Rivas vroeg zich af in hoeverre
het mogelijk is om na te gaan wie er vroeger op de Manenburg woonden,
zonder van te voren een naam te kennen. Een archivaris vertelde hem dat
dit heel gemakkelijk is wanneer je de omnummeringslijsten in de studiezaal
raadpleegt. Uiteindelijk ging Rivas in 1995 zelf nog een keer naar het
Gemeentearchief om het Volkstellingsregister met eigen ogen te bekijken.
Hij ontdekte toen dat de naam Femmigje was geschreven met een zwierige
'F' waaraan een streepje ontbrak, zodat het leek alsof er Temmigje stond
een naam die niet bestaat.. De tweede voornaam van Cornelia Hoeflaar
was eveneens moeilijk te ontcijferen en leek op Nana in plaats van Maria.
Het werd duidelijk dat Maya de namen van de overledenen naar alle waarschijnlijkheid
uit het Volkstellingsregister had gehaald. Een knappe prestatie voor een
meisje van dertien. Haar schoolprestaties hadden er echter onder te lijden,
vooral toen ze hevige ruzie kreeg met Temmigje. Ze viel meermaals flauw
en deed zelfs een voorzichtige poging tot zelfdoding. Het probleem werd
uiteindelijk opgelost door een hindoepriester die Temmigje voorgoed naar
de andere wereld stuurde.
Geloof de kinderen
De Stichting voor Wetenschappelijk Reïncarnatieonderzoek (die overigens
nooit officieel werd opgericht) onderzocht meerdere Nederlandse gevallen
van vermeende reïncarnatie, maar de resultaten vielen tegen. De groep
viel in 1989 uiteen en alleen Titus Rivas bleef actief als reïncarnatieonderzoeker.
In 1993 voltooide hij zijn doctoraalscriptie over de 'Filosofische grondslagen
van empirisch onderzoek naar persoonlijke onsterfelijkheid.'. Ook publiceerde
hij er artikelen over in Spiegel der Parapsychologie, Tijdschrift
voor Parapsychologie en in Prana. Nieuwe inspiratie vond hij
in het boek Athanasia van Bernhard Bolzano (17811848), een Boheemse
wiskundige, wijsgeer en theoloog. Deze toonde naar zijn oordeel met overtuigende,
rationele argumenten aan dat de persoonlijke ziel onsterfelijk moet zijn.
In 1996 richtte Rivas opnieuw een stichting op die hij Athanasia noemde.
Deze stichting doet niet alleen reïncarnatieonderzoek, maar ook onderzoek
naar de wereld tussen geboorte en dood, en naar de evolutie van de persoonlijke
ziel. Ditmaal vanuit de vaste overtuiging dat deze ziel onsterfelijk is.
Het
reïncarnatieonderzoek is voor Titus Rivas heel wat meer dan een hobby.
Hij beschouwt het als 'een van de belangrijkste vormen van wetenschappelijk
onderzoek die überhaupt denkbaar zijn'. Er zijn volgens hem 'weinig takken
van wetenschap die zo sterk maatschappelijk relevant zijn...'. Het gaat
ons immers allemaal persoonlijk aan, want het heeft te maken met de onsterfelijkheid
van onze ziel, de zin van ons aardse leven en de mogelijkheden om ons
in volgende levens verder te ontwikkelen. Op dit terrein heeft de gewone
wetenschap ons erg weinig te bieden. Rivas is echter optimistisch over
de toekomst. Als de wetenschap zich op een integere manier blijft ontwikkelen,
dan zal het reïncarnatieonderzoek op menige universiteit een plaats krijgen.
Aan het slot van het tweede hoofdstuk schrijft de auteur dat het bewijsmateriaal
inmiddels zo sterk is geworden (dank zij het werk van Stevenson) dat reïncarnatie
volledig acceptabel is als werkhypothese. Dit betekent in de praktijk
dat 'onverifieerbaarheid op zich nog geen voldoende argument hoeft te
zijn om een geval af te doen als zuiver (onbewuste) fantasie. Je zult
daartoe per geval eerst aannemelijk moeten maken dat de fantasiehypothese
van toepassing is.' Neem het volgende voorbeeld:
'Geval 5: Een meisje van vier had repeteerdromen over een vorig leven.
Zij woonde in een huis en moest daar weg om te emigreren. Ze herbeleefde
haar vertrek met een luxe vrachtschip, en ook haar dood terwijl het schip
vergaat. (Bron: het meisje in kwestie, inmiddels volwassen vrouw.)'
Hierbij kunnen we ons ten eerste afvragen in hoeverre de herinneringen
van de vrouw (aan dromen die ze als kleuter had) betrouwbaar waren, maar
daar gaat Rivas aan voorbij. Volgens hem kunnen we het onverifieerbare
verhaal niet simpelweg afdoen als fantasie 'vanwege de leeftijd van de
persoon in kwestie'. Hij wil daarmee zeggen dat kleuters niet spontaan
zulke vreemde en enge dingen dromen of verzinnen. Naar zijn oordeel mogen
we de belevenissen van een kind niet toeschrijven aan fantasie of zelfbedrog
zolang we daar geen goede een specifieke reden voor kunnen aanwijzen.
We zouden bijvoorbeeld eerst aannemelijk moeten maken dat het kind er
emotioneel baat bij heeft. 'Maar als je ziet dat een kind zich zonder
duidelijke aanleiding identificeert met een negatief vorig leven, is fantasie
in ieder geval geen plausibele hypothese meer', meent de auteur. Hij kan
zich niet voorstellen dat er normale kinderen bestaan die fantaseren dat
ze al een keer gestorven zijn. Daarom beschouwt hij reïncarnatie in zulke
gevallen als de meest plausibele verklaring.
Als motto voor zijn boek koos Rivas een bekend Romeins gezegde: 'Uit
de mond der kinderen hoort men de waarheid.' Deze spreuk werd eerder populair
onder bestrijders van satanisch ritueel misbruik, waaronder de Amerikaanse
organisatie 'Believe the children'. Als een kleuter vertelt dat hij heeft
gezien hoe mensen in zwarte gewaden baby's offerden en kinderen martelden,
dan mogen we daar volgens hen niet aan twijfelen.
Paasbrand
Een van de weinige gevallen die enigszins geverifieerd kon worden, betrof
een peuter die over een brand had gedroomd. Rivas hoorde het verhaal ongeveer
vijftien jaar later van de moeder. Het begon ermee dat de driejarige Christina
niet in haar eentje naar de zolder durfde om een teddybeer op te halen
die ze had laten liggen. Toen ze drieënhalf was, droomde ze dat ze als
ongeveer elfjarig meisje in een ander huis woonde dat in brand vloog.
Eerst zat ze aan tafel bij andere ouders, die heel streng waren. Het was
Pasen, maar omdat de kinderen ruzie maakten, stuurde moeder ze allemaal
voor straf naar boven. Een van haar broertjes had een kamertje op de verdieping
onder haar. Hij ging daar met lucifers spelen waarbij een matras in brand
vloog. Het vuur greep zo snel om zich heen dat de kinderen niet meer naar
beneden konden. Zij stond boven op een balkon en zag haar vader en moeder
radeloos aan de overkant van de weg staan. Er was een hele massa mensen
en de brandweer riep dat ze naar beneden moest springen in 'zo'n ding'.
Een of twee zusjes waagden de sprong, maar zij durfde niet, evenals haar
broertje. Ze ging weer naar binnen en stikte. Daarna kwam ze in de hemel
waar ze haar toekomstige ouders mocht kiezen uit drie mogelijke ouderparen.
De hele droom beslaat anderhalve pagina vol met gedetailleerde beschrijvingen.
Het lijkt mij niet aannemelijk dat de peuter zich echt zoveel van de droom
kon herinneren en dat de moeder dit allemaal nauwkeurig heeft onthouden.
Ik vraag me ook af hoe het gedroomde meisje kon weten wat haar broertje
een verdieping lager uitspookte. Hannie, de moeder van Christina, bracht
de droom in verband met een brand in Arnhem die haar zeer had aangegrepen.
Toen Christina vijftien was, gingen ze een keer samen naar Arnhem om te
winkelen. Bij deze gelegenheid nam Hannie haar dochter mee naar het huis
waar de brand had plaatsgevonden. Christina herkende het meteen. Helaas
kon ze dit niet meer persoonlijk bevestigen omdat ze inmiddels was overleden.
Rivas spoorde de brand op waarover Hannie had gesproken. Die vond plaats
in 1973, zes jaar voor de geboorte van Christina toen Hannie achttien
was. Het verslag in de krant bevatte enkele elementen die overeen kwamen
met de gerapporteerde droom. Het was inderdaad Pasen en er waren meerdere
kinderen bij betrokken (10). De overige details zijn echter geheel of
gedeeltelijk onjuist. De brand ontstond 's morgens toen twee of drie kinderen
met vuur speelden in een speelvertrek op dezelfde etage als de woonkamer.
Drie meisjes sliepen op dat moment boven. Ook de half-invalide vader sliep
nog en twee kinderen speelden buiten op straat. Iedereen kon zich in veiligheid
stellen behalve de drie meisjes die boven waren. Zij waren negen, vijftien
en zeventien jaar oud. Een voorbijganger probeerde hulp te bieden. Hij
zag de meisjes boven aan de brandende trap staan en schreeuwde dat ze
moesten springen, maar ze durfden geen van allen en liepen terug naar
hun kamer. Vanwege de enorme vuurzee kon de brandweer de slaapkamer niet
meer tijdig bereiken. De meisjes werden half verkoold in een hoek van
de kamer teruggevonden, waar ze vermoedelijk waren gestikt.
Ondanks alle fouten komt Rivas tot de conclusie dat het verhaal van Christina
in grote lijnen overeenkomt met de historische brand in Arnhem. Hij schrijf:
'De incorrecte of ongeverifieerde uitspraken wijken niet heel sterk af
van de gebeurtenissen. Zo heeft Christina het over ruzie en over strenge
ouders, twee dingen die op zich heel goed denkbaar zijn voor een groot
gezin in een "achterbuurt" als het Spijkerkwartier.' Hannie
kan het verhaal over de droom niet recentelijk hebben verzonnen, want
er zijn getuigen die er al veel eerder over hadden gehoord. De enige 'sceptische
hypothese' die de auteur kan bedenken, veronderstelt dat Hannie het verhaal
heeft verzonnen 'als verwerkingsmechanisme in verband met het schokkende
drama uit 1973'. Ook zonder verwerkingsmechanisme kan ik me echter gemakkelijk
voorstellen dat ze de droom van haar dochtertje heeft ingekleurd met haar
eigen herinneringen. Daarbij is het misschien nog relevant te weten dat
ze zelf ook een soort visioenen had gehad die volgens haar aansloten bij
de droom van haar dochtertje.
Rivas houdt er een merkwaardige logica op na. Zo schrijft hij: 'De leeftijd
waarop Christina haar droom zou hebben gekregen, komt overeen met de gemiddelde
leeftijd waarop kinderen over mogelijke vorige levens praten. Het lijkt
dan ook te toevallig dat Hannie haar juist rond die leeftijd wijsgemaakt
zou hebben dat ze een droom zou hebben gehad over de brand in Arnhem,
terwijl ze die feitelijk nooit zou hebben gehad.' Ook de 'zolderfobie'
van Christina wijst er volgens Rivas op dat we werkelijk met een vorig
leven te maken hebben, want de kinderen waarover Stevenson schreef hadden
eveneens vaak last van bepaalde fobieën. Op soortgelijke wijze zou je
kunnen beweren: 'Mijn kind heeft slaapproblemen. Kinderen die seksueel
misbruikt zijn, hebben ook vaak slaapproblemen. Dus is mijn kind waarschijnlijk
misbruikt.' Feitelijk was er niet eens sprake van een fobie, want het
is heel normaal als een driejarige peuter niet alleen naar de zolder durft.
Samen met haar moeder durfde ze wel en toen ze iets ouder was, durfde
ze het ook alleen.
Rivas beweert dat er de laatste jaren een 'regelrechte doorbraak' is
gekomen in zijn reïncarnatieonderzoek doordat hij enkele gevallen vond
die qua structuur overeenkwamen met de spontane gevallen die eerder door
Stevenson en anderen werden gerapporteerd. Parapsychologisch gezien zijn
ze echter oninteressant omdat ze geen verifieerbare elementen bevatten.
Zo was er de tweejarige Kees die volgens zijn moeder voortdurend kraaide:
'Mijn hartje deed het niet meer, toen ging ik groeien in de buik en toen
deed het hartje het weer!' Bijna twee jaar later vertelde hij dat 'he-mannen'
hem op een slachtveld hadden doodgeschoten. Hij heette toen Armand, maar
was eigenlijk gewoon Kees. Rond zijn zevende begon Kees te vertellen over
zijn verblijf bij 'Onze Lieve Heer', waar een engel hem naar toe had gebracht.
Hij had daar een mooi plekje bij een waterval en aan de bomen groeiden
de heerlijkste vruchten, 'lekkerder dan alle marsjes en snoepjes bij elkaar'.
Kees mocht kiezen of hij in zijn volgende leven een man of een vrouw wou
worden. Maar hij had helemaal geen zin om naar een nieuwe moeder te gaan,
zodat ze hem 'op een liefdevolle manier' naar beneden moesten duwen.
Rivas vermoedt dat veel ouders zulke kinderverhalen voor buitenstaanders
verzwijgen, zodat 'er een sterke onder-rapportage plaatsvindt van Nederlandse
Cases of the Reincarnation Type'.
Holocaustherinneringen
Nu joodse overlevenden van de Holocaust schaars zijn geworden, komen
er geleidelijk meer herinneringen los aan kampervaringen in een voorgaand
leven. De Amerikaanse rabbijn Yonassan Gershom schreef er twee populaire
boeken over, waarvan de eerste in het Nederlands is vertaald (Gershom
1998). Hoewel Rivas niet alle beschreven gevallen even overtuigend vindt,
zijn er naar zijn oordeel enkele die 'sterk wijzen op authentieke herinneringen
aan een vorig leven tijdens de holocaust'. Tot zijn verrassing vond hij
een Nederlands geval dat 'nog sterkere aanwijzingen' bood en dat
hij beschouwt als 'een van de meest intrigerende westerse gevallen van
waarschijnlijk reële herinneringen aan vorige levens die tot nu toe onderzocht
zijn'. Dit geval wordt in 22 pagina's uitvoerig door Rivas uit de doeken
gedaan.
Hij hoorde het verhaal in 1997 van Leora, een joodse fotografe uit de
VS die in Amsterdam woont. Zeven jaar voordat haar dochtertje Shai werd
geboren had ze een droom over een betonnen ruimte waarin een grote stapel
lijken lag. Daarna kwam ze buiten een ongeveer negentienjarig meisje tegen
waarmee ze telepathisch communiceerde. Het meisje wees haar een huis aan
en zei: 'Daar zal ik geboren worden.' Het leek op het huis waar Leora
later ging wonen, al was dat destijds nog niet gebouwd. Enkele weken voor
haar bevalling droomde Leora opnieuw over het meisje. Ze zag een aantal
mensen achter een tafel die van het meisje wilden weten of ze er zeker
van was dat ze de juiste ouders had gekozen. Bij haar geboorte had Shai
dezelfde donkere ogen en haren als het meisje in de droom, zodat Leora
meteen wist dat zij het was.
Toen Shai drie jaar oud was, wees ze in de buurt een huis aan en beweerde
dat ze daar vroeger had gewoond. Het was Oude Schans 39 en volgens Shai
stonden er voor de oorlog kleine olifantjes in de vensterbank. Een half
jaar later onthulde ze haar vroegere naam, Sabina Olthof. Nog een jaar
later liet een vriendin van Leora een boek zien waarin een vooroorlogse
foto van de Oude Schans stond. Shai zei dat er rechts van de foto vrouwen
hadden gestaan die met opgerolde mouwen de was deden in een soort grote
badkuipen. Volgens de vriendin van Leora klopte dat precies, want ze had
eerder hetzelfde van haar opa gehoord. Bij een andere gelegenheid vertelde
Shai over jagers ('hunters') die achter joden aanzaten en die haar naar
Warschau ('Warsaw') deporteerden. Ze liet volgens Leora doorschemeren
dat ze in een gaskamer was gestorven en ze had het over 'puppies' die
werden verzameld op een plein. De 'hunters' pakten slangen en besproeiden
daarmee de 'puppies', die allemaal de lucht in vlogen.
Het Amsterdamse Gemeentearchief liet weten dat er voor zover bekend geen
familie Olthof op Oude Schans 39 heeft gewoond, zodat Rivas aanneemt dat
Shai zich in het huis heeft vergist. Helaas kon men in het hele archief
nergens een Sabine Olthof, Althof, Olthoff of Althoff vinden. De namen
komen ook niet voor op de lijst van Nederlands-joodse slachtoffers van
de holocaust. Daar komt bij dat Nederlandse joden in de oorlog niet naar
Warschau werden gedeporteerd. Rivas laat zich echter niet ontmoedigen.
De naam Warsaw moet volgens hem niet letterlijk worden opgevat en het
verhaal over de 'puppies' zou heel goed te maken kunnen hebben met medische
experimenten die op joodse kinderen werden uitgevoerd. Dit verklaart waarom
Shai zo graag kijkt naar tv-programma's over het werk van chirurgen en
waarom ze later patholoog-anatoom wil worden. Rivas herkent hierin een
verschijnsel dat uit de psychoanalytische literatuur bekend is: 'identificatie
met de agressor'. Hij vermoedt dat Shai in haar vorige leven door haar
hoofd is geschoten op de plek waar ze nu een moedervlek heeft, waarschijnlijk
toen ze 'al zieltogend op haar rug op de grond lag in de gaskamer'.
Nadat Shai gestorven was, kwam ze in een andere wereld waar verschillende
'dorpen' waren. Joden die door de 'jagers' waren gedood, werden opgevangen
in het dorp Kfar-El. Leora wist dat dit 'dorp van God' betekent. Shai
vertelde ook dat alle 'geestelijke wezens' uit het dorp Ha-Bina kwamen.
Rivas herkende hierin de term Binah, een van de hypostasen van God volgens
de kabbala. Hij plaatste een oproep in een Kabbalah Forum op Internet
en kreeg antwoord van een zekere 'Simon the Yid'. Deze bevestigde dat
er volgens de kabbala in de andere wereld steden en dorpen bestaan, zodat
Shai's verhaal heel goed kon kloppen. Ook Warsaw zou een stad in deze
andere wereld geweest kunnen zijn.
Machu Picchu
Hoewel het sommige lezers misschien wat begint te duizelen, kan ik het
hier niet bij laten. We moeten nog even doorzetten want Shai herinnerde
zich een tweede leven dat de climax vormt van Rivas' 'parapsychologische'
onderzoekswerk. Het begon ermee dat Shai op tweejarige leeftijd de keuken
binnen huppelde en zonder aanleiding zei: 'Banz used to say Macchu Picchu'.
Banz was een van haar poezen, maar Machu Picchu was een ceremonieel centrum
van de Inca's in Peru. Leora begreep niet hoe Shai iets over deze heilige
plaats kon weten. Bij een latere gelegenheid weigerde Shai een kledingstuk
over haar hoofd te trekken. Toen Leora vroeg waarom ze dat niet wou, beweerde
ze dat het kwam omdat ze in Machu Picchu was gewurgd. Haar moeder begon
er meer vragen over te stellen en kwam aan de weet dat ze zestig jaar
oud was toen ze in 1638 werd gewurgd.
Het is niet bekend hoe Machu Picchu oorspronkelijk werd
genoemd. Volgens historici was het in de 17de eeuw al verlaten. De ruïnes
hoog in het Andesgebergte werden pas in 1911 teruggevonden en vormen tegenwoordig
een van de belangrijkste toeristenattracties in Zuid-Amerika. Het lijkt
onwaarschijnlijk dat Shai er heeft gewoond. Daarom veronderstelt Rivas
dat ze de naam ergens heeft opgepikt (bijvoorbeeld van de tv) en vervolgens
heeft gebruikt als een geschikt label voor een leven elders in
Peru. Aan de juistheid van het jaartal 1638 twijfelt hij niet. Hij liet
een bevriende historicus nazoeken wat er destijds in Peru gebeurde. Volgens
een historische bron vonden in januari 1639 tien joden de dood op een
brandstapel in Lima. Het is echter bekend dat de Heilige Inquisitie in
Lima soms de worgpaal gebruikte en de lijken daarna verbrandde. Dat zou
Shai dus ook overkomen kunnen zijn.
Alles viel op z'n plaats nadat Rivas vernam dat Shai had gesproken over
een vrouw die 'Rilliyanta de la Salamon' [sic] heette en die in de andere
wereld dingen opschreef voor joden en christenen. Ze leefde in Rilliyanta
dat zich 'bevond in Macchu Picchu', wat wou zeggen dat Rilliyanta te maken
moest hebben met Shai's leven in Peru. De naam scheen echter niet helemaal
correct te zijn overgekomen 'rilliyanta' heeft geen betekenis en
het vrouwelijke lidwoord 'la' lijkt op een grammaticale blunder. Rivas
maakte er daarom 'Releyenta de la sabiduría de Salomón' van, dat je volgens
hem uit het Spaans zou kunnen vertalen als 'voorlezer van de wijsheid
van Salomon'. Het woord 'releyenta' kan worden afgeleid van het werkwoord
'releer'. Je zou dan eigenlijk de vorm 'releyente' verwachten, maar in
de zeventiende eeuw lagen zulke regels waarschijnlijk nog niet vast. Helaas
was het woord 'releyente' niet in Spaanse woordenboeken te vinden, maar
dat is volgens Rivas juist een voordeel: 'Het wil zeggen dat het absoluut
uitgesloten is dat Leora, laat staan Shai zelf, langs normale weg aan
dit woord is gekomen!' De auteur schijnt hierbij even te vergeten dat
hij het woord zelf creëerde. (Volgens een deskundige die ik raadpleegde
zou je 'releyenta' met enige fantasie als 'herlezing' of 'herinterpretatie'
kunnen vertalen, maar niet als 'voorlezer'.)
Wie is de geheimzinnige vrouw die Shai 'Rilliyanta
de la Salamon' noemde? Rivas herkende haar in de bekende Rider-variant
van de tarot. Daar wordt zij als Hogepriesteres afgebeeld met de Thora
op haar schoot en tussen twee zuilen die bij de ingang van de tempel van
Salomon stonden. Hiermee rijst de vraag: 'Hoe kan een Engelstalig meisje
van een jaar of drie een naam verzinnen die zo'n sterk verband vertoont
met het oeroude occulte symbool van de Hogepriesteres?' Dit 'kan geen
toeval zijn': 'Shai's verhaal wijst erop dat ze in de zeventiende
eeuw als joodse vrouw (of man?) die iets te maken had met kabbala in Lima
door de Heilige Inquisitie werd geëxecuteerd.'
Je vraagt je werkelijk af of Rivas nog bij zijn volle verstand is. Hoe
haalt hij het in zijn hoofd om zulke wilde speculaties te presenteren
als belangwekkend 'parapsychologisch onderzoek'? In het voorwoord van
zijn boek bedankt hij enkele Nederlandse collega-parapsychologen. Het
is niet te hopen dat zij dit werk als 'parapsychologisch' kwalificeren.
Meer
informatie is te vinden in een
discussie met
Titus Rivas over dit artikel.
Literatuur
Berger, Arthur S. & Joyce Berger (1991). The encyclopedia of parapsychology
and psychical research. New York: Paragon House.
Gershom, Yonassan (1998). Onverklaarbaar verdriet. Zeist: Indigo/Vrij
Geestesleven.
Rivas, Titus (2000). Parapsychologisch onderzoek naar reïncarnatie
en leven na de dood. Deventer: Uitgeverij Ankh-Hermes.
Stevenson, Ian. (1984). Unlearned language: new studies in xenoglossy.
Charlottesville: University Press of Virginia.
Stevenson, Ian & Sybo A. Schouten (1998). Does the socio-psychological
Hypothesis explain cases of the reincarnation type? The Journal of
Nervous and Mental Disease, 186, 8, 504-506.
|