*
|
Excentrieke
levens
Zie hier, het niet verbazingwekkende resultaat van slechts vier sessies reïncarnatietherapie (1), afkomstig van een vierenveertigjarige vrouw. Overigens een herinnering aan een voorgaand leven waarvan de vrouw overtuigd is dat het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dusdanig traumatiserend was dat deze herinnering nu nog klachten veroorzaakt. Wat haar klachten zijn, is niet duidelijk, maar een vermoeden van reuma en/of paniekaanvallen lijkt op zijn plaats. De kern van reïncarnatietherapie ligt in het geloof dat je verleden je heden in de weg kan zitten. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat verleden te interpreteren in termen van levens die een zekere traumatische wending hebben genomen. Lijkt één vorig leven al voldoende om de huidige problematiek te verklaren, de praktijk laat zien dat het daarbij niet blijft. Sommige patiënten zijn in staat om meer dan honderd voorgaande levens te rapporteren. Aantallen die sterk overeenkomen met de enorme hoeveelheden alterpersoonlijkheden die bij sommige DID-patiënten worden gevonden. In het algemeen geldt dat de gerapporteerde voorgaande levens vol gruwelijkheden zitten (zie Gomperts, 1996). Moord, verhanging, zelfdoding, brandstapels, onthoofding, vliegtuigcrashes, vergassing, alles lijkt mogelijk. Voorts is het zo dat er, naast alle gruwelijkheden, ook een zekere heroïek verscholen ligt in deze voorgaande levens. Men was, kort door de bocht genomen, nooit een onbeduidend persoon, maar eerder een hoge officier in dienst van een strijdvaardig veldheer of iemand in de hofhouding van een vooraanstaand gezagdrager. De dood die volgde, wordt dan ook gekenmerkt door dapperheid (`Voor het vaderland') en vaker nog door onrechtvaardigheid (`Ik was onschuldig'). Sporadisch worden doodgewone voorgaande levens gerapporteerd waarin, zo moge duidelijk zijn, de dood natuurlijker van aard was. Reïncarnatietherapie lijkt, ondanks het gebruik van hypnose (2), een onschuldige therapie (3). Er kunnen immers, in tegenstelling tot reguliere therapeutische of forensische hypnose, geen juridische stappen ondernomen worden op basis van hetgeen aan herinneringen gevonden wordt. Indien aangenomen wordt dat voorgaande levens niet bestaan, dan komen dit soort herinneringen het dichtst in de buurt van een pseudo-herinnering. Dat maakt deze populatie bij uitstek geschikt voor psychologisch onderzoek.
Op dit moment spelen dissociatieve ervaringen een grote rol in de discussie over het waarheidsgehalte van zelfgerapporteerde trauma's. Het blijkt dat deze zelfrapportages, zowel in klinische als non-klinische populaties, hand in hand gaan met verhoogde dissociatieve ervaringen. Het is de interpretatie van deze bevinding die voor problemen zorgt. De meest voor de hand liggende interpretatie luidt dat er een causale relatie bestaat tussen trauma en dissociatie: dissociatie is een coping-strategie om de jeugdtrauma's te kunnen hanteren (Putnam et al., 1996). Critici, daarentegen, beweren dat deze causale interpretatie niet zomaar aangenomen kan worden aangezien dissociatieve symptomen sterk overlappen met bijvoorbeeld fantasierijkheid (4) (Merckelbach et al., 2002). Deze laatste auteurs suggereren verder dat onder bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld een suggestief interview of hypnose) dissociatieve ervaringen en aanverwante zaken juist leiden tot het aandikken of creëren van zelfgerapporteerde jeugdtrauma's.
Ook herinneringen aan voorgaande levens zijn goed bruikbaar voor onderzoek en daarmee zijn we terug bij het onderwerp van dit artikel. Vooralsnog lijken personen die voorgaande levens rapporteren hoofdzakelijk aandacht te hebben gekregen van parapsychologen die de reïncarnatie-hypothese willen bevestigen. Toch is er ook enige aandacht geweest voor de psychologische aspecten. Zo rapporteerde de psycholoog en parapsycholoog Haraldsson (2000) een studie waarin Sri Lankaanse kinderen die voorgaande levens claimden een verhoogd niveau van dissociatieve ervaringen lieten zien. Een eerdere studie van zijn hand (Haraldsson, 1995) toonde al aan dat deze kinderen niet verhoogd suggestibel waren of de neiging tot confabuleren vertoonden. Deze laatste bevindingen worden trouwens door de parapsycholoog en reïncarnatieonderzoeker Ian Stevenson aangehaald als ondersteuning voor zijn verhaal: voorgaande levens kunnen dus niet worden aangepraat, maar zijn waar gebeurd! Jammer genoeg had Haraldsson geen meetinstrumenten gebruikt die fantasierijkheid maten. Het onderzoek van Spanos en collega's (1991) laat daar een lichtje over schijnen. In een aantal elegante studies brachten zij studenten onder hypnose en lieten ze hen teruggaan naar voorgaande levens. De uitkomst: het vinden van voorgaande levens werd grotendeels bepaald door de suggesties van de hypnotiseur en het voorstellingsvermogen (lees: de mate van fantasierijkheid) van de student, maar niet door de aanwezigheid van eventuele psychopathologie. Het daadwerkelijk geloven in voorgaande levens bleek overigens doorslaggevender. Helaas hebben deze auteurs nou net weer niet gekeken naar dissociatieve ervaringen als voorspeller voor het vinden van voorgaande levens. Toch kun je uit bovenstaande studies de conclusie trekken dat paranormale verschijnselen, zoals UFO-ontvoeringen of voorgaande levens, een verband lijken te hebben met fantasierijkheid en dissociatieve ervaringen. Nooit is echter gekeken naar hoe fantasierijkheid en dissociatieve ervaringen zich verhouden binnen een groep mensen met allerlei klachten, maar vooral voorgaande levens. Tijd om dat eens te doen.
Via enkele reïncarnatietherapeuten zijn wij (6) in contact gekomen met 43 cliënten, waarvan 15 mannen. Deze cliënten waren zeer bereidwillig om enkele vragenlijsten in te vullen. Er werd ze onder meer gevraagd in hoeverre ze in reïncarnatie geloofden, of ze zelf voorgaande levens hadden gevonden en of deze naar hun overtuiging daadwerkelijk hadden plaatsgevonden. Verder vulden ze nog twee vragenlijsten in die fantasierijkheid en dissociatieve ervaringen maten. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers was 43,6 jaar en ze hadden er gemiddeld 12,4 reïncarnatiesessies opzitten ten tijde van deelname. Meer dan de helft (58%) was er zeer van overtuigd dat voorgaande levens konden bestaan. Met uitzondering van één cliënt hadden alle andere deelnemers op zijn minst vijf of meer levens gevonden. Een enkeling maakte melding van meer dan 50 voorgaande levens. Veertig procent was ervan overtuigd dat de gevonden voorgaande levens waarheidsgetrouw waren. De gerapporteerde voorgaande levens waren in 88% van de gevallen onprettig en werden als traumatisch ervaren. Ongeveer de helft van de deelnemers achtte het meer dan waarschijnlijk dat hun traumatische verleden hun huidige klachten of problemen veroorzaakte. Als er gekeken werd naar de inhoud van de gerapporteerde voorgaande levens, dan zag men ongeveer hetzelfde als wat Gomperts' werk al eerder liet zien: gewoonlijk veel gruwelijkheden, maar hierover later meer. Hun scores op de andere vragenlijsten waren eveneens noemenswaardig. Allereerst vonden we dat deze mensen behoorlijk hoog scoorden op de vragenlijst die fantasierijkheid meet. Zo scoorden ze even hoog als patiënten met een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Deze vergelijking klinkt misschien zorgwekkend, maar is dat niet. Vooral niet als je ziet dat ook roleplayers, acteurs die erg ver gaan in hun rollenspel, ongeveer even hoog scoren. In tegenstelling tot de verwachting bleken de deelnemers gemiddelde scores te behalen op de vragenlijst die dissociatieve ervaringen meet. Hun UFO-collega's scoorden daarop toch beduidend hoger. Op basis van wat Ross en Joshi (1992; p. 360) meldden over paranormale ervaringen, hadden we anders verwacht. Zij suggereerden namelijk dat `paranormal experiences (i.e., past lives) are dissociative in nature and linked to childhood trauma and other dissociative clusters'. Overigens is het wel zo dat de twee vragenlijsten exact dezelfde, zij het een beduidend zwakkere relatie tot elkaar hadden dan uit eerdere onderzoeken naar voren kwam: scoor je hoog op de ene vragenlijst, dan scoor je ook hoog op de andere vragenlijst. Er werd meer gevonden. Spanos en collega's lieten de rapportages van UFO-ontvoeringen scoren op de mate van excentriciteit en vonden dat deze, zoals eerder vermeld, samenhing met indirecte maten van fantasierijkheid. Dit bracht ons ertoe hetzelfde te doen. Aan onze deelnemers was immers gevraagd een korte beschrijving te geven van hun gevonden voorgaande levens. Bovendien werd deze keer een harde maat van fantasierijkheid gebruikt. Op verzoek hebben een aantal collega's de mate van excentriciteit van de gerapporteerde voorgaande levens vastgesteld en werd gekeken wat er gebeurde als die vergeleken werden met de mate van fantasierijkheid van de desbetreffende cliënt. Het zal u niet verbazen dat er inderdaad een vergelijkbaar verband werd gevonden. Dit kan het beste geïllustreerd worden aan de hand van een tweetal voorbeelden, van respectievelijk een fantasierijke en een fantasiearme cliënt. Het eerste verhaal is beduidend excentrieker dan het tweede:
Goed, we weten nu dus dat mensen die met behulp van reïncarnatietherapie hun huidige problematiek proberen op te lossen over het algemeen zeer fantasierijk zijn en dat de mate van fantasierijkheid de inhoud van deze voorgaande levens kleurt. Wederom, denk aan de UFO-studies, worden er niet meer dissociatieve ervaringen gerapporteerd vergeleken met mensen die geen herinneringen aan voorgaande levens hebben. Deze uitkomsten komen enigszins overeen met de alternatieve interpretatie van de relatie tussen zelfgerapporteerd trauma en dissociatie die Merckelbach en collega's geven. Zij stelden immers dat fantasierijkheid, naast dissociatieve ervaringen, bijdraagt aan onwaarschijnlijke herinneringen met een aversief karakter. De verleiding is groot om, op basis van het bovenstaande, herinneringen aan voorgaande levens af te doen als een prototypisch eindproduct van therapeutisch gefröbel in de marge: een hervonden herinnering. Maar zover durf ik niet te gaan. Bremner heeft een aantal dingen beweerd die niet allemaal steek houden (zie de boekbespreking van Marko Jelicic, Skepter, maart 2003), maar met een van zijn beweringen dient absoluut rekening te worden gehouden. De mogelijkheid bestaat altijd dat vage herinneringen via allerlei goedbedoelde reconstructies resulteren in, om een voorbeeld te noemen, traumatische herinneringen aan voorgaande levens. Gelukkig zijn herinneringen aan voorgaande levens binnenkort weer onderwerp van studie.
Referenties
Robert Horselenberg is assistent in opleiding aan de Universiteit van Maastricht en houdt zich bezig met onderzoek naar individuele verschillen in relatie tot valse herinneringen. |