Hoop doet leven
De wankele argumenten voor reïncarnatie
Reïncarnatie is een geleerd woord voor opnieuw geboren worden. In het
Westen vindt ongeveer een kwart van de volwassenen wedergeboorte een aannemelijk
idee. Welke verschillende opvattingen zijn er eigenlijk over reïncarnatie,
wat zijn de argumenten en bezwaren, en wat voor bewijs is er eigenlijk?
Voor hindoes en boeddhisten is reïncarnatie een naar gevolg van zelfzucht,
waar men aan moet ontkomen, desnoods in stappen. Voor antroposofen en
theosofen is het juist iets fijns, een evolutie naar het hogere. Voor
boeddhisten is het 'ik' één van de vele illusies van deze wereld, voor
antroposofen is het juist de wezenskern die in vele levens naar ware goddelijke
vrijheid moet groeien. In genoemde visies speelt karma een rol, dat is
een soort schuld of lotsbestemming die voortvloeit uit alles wat je doet
op aarde, en die veroorzaakt dat je opnieuw geboren wordt, of beinvloedt
wat je in een volgend leven overkomt.
Veel van wat je gedaan of nagelaten hebt, kan lang na je dood doorwerken,
dat spreekt vanzelf. Bij reïncarnatie gaat het om meer, namelijk het voortbestaan
van de persoon in een nieuw lichaam of althans (in het boeddhisme) om
de koppeling van het opgebouwde karma aan een nieuw menselijk of dierlijk
leven. In het moderne westerse reïncarnatiegeloof is een element aanwezig
dat in de klassieke opvattingen ontbreekt, namelijk dat men zich onder
bepaalde omstandigheden zijn vorige bestaan zou kunnen herinneren. In
het moderne geloof ontbreekt ook een uiteindelijk doel van reïncarnatie.
Brein naar brein
In Oost en West is gepoogd reïncarnatie te beredeneren, in het Westen
deden dat de theosofen. De redeneringen van oosterse geleerden zijn voor
ons moeilijk te volgen door het verschil in cultuur, en daar ga ik verder
niet op in. De theosofische verdediging van wedergeboorte is nogal zwak.
Ze bestaat eruit dat men wensen (onrecht goedmaken, voldoende tijd van
leven hebben, niet naar de hel hoeven) als feiten voorstelt. In elk geval,
als ik die pleidooien voor reïncarnatie lees, kan ik niet nalaten te denken:
'Tja, ik kan me wel voorstellen dat je graag zou willen dat het zo was,
maar dat is toch geen bewijs dat het ook werkelijk zo is.' Een ander argument
dat men wel hoort is dat reïncarnatie verklaart dat kinderen zo snel kunnen
leren.
Algemene bezwaren tegen reïncarnatie zijn zo oud als de wereld. Het argument
van Tertullianus (3de eeuw): als reïncarnatie waar zou zijn, waarom zijn
baby's dan niet als oude mensen, namelijk wijs en ervaren, en tegelijkertijd
traag met leren? Het argument van Lucretius (1ste eeuw v.C.): alles wat
we weten zit in ons hoofd. Hoe kunnen de herinneringen van een stervende
in een ongeboren kind terecht komen, speciaal als die stervende dement
was?
Deze argumenten kunnen we tezamen het breinargument noemen. In een modern
jasje luidt het als volgt: alles wat we weten en kunnen, al onze herinneringen,
zitten in ons hoofd. De afzonderlijke herinneringen vormen samen een zeer
grote hoeveelheid informatie. Zelfs al zou een onstoffelijke ziel deze
herinneringen ook hebben, dan nog correspondeert met elke afzonderlijke
herinnering en elke vorm van gedrag een bepaalde toestand in de hersenen.
Stel dat reïncarnatie een feit zou zijn, en dat bovendien herinneringen
aan een vorig leven mogelijk zouden zijn. Dan zou ongeacht hoe het met
die onstoffelijke ziel gesteld was, een enorme hoeveelheid informatie
van het ene tastbare systeem (het brein van een stervende) overgedragen
moeten worden op een ander tastbaar systeem (het brein van een foetus),
mogelijk via een onstoffelijk tussenstadium. Toch is nooit in de hersenen
maar het geringste spoor gevonden van iets dat zo'n massaal gegevenstransport
zou kunnen verzorgen. Bovendien is om een tastbaar systeem in een andere
toestand te brengen, fysische energie nodig. En dan hebben we nog niet
eens gesproken over het wonderlijke vermogen van onstoffelijke zielen
om foetussen op te sporen en er zich in te nestelen. De slotsom lijkt
onontkoombaar: reïncarnatie met behoud van herinnering betekent dat er
een onzichtbare wereld bestaat die de tastbare wereld kan beïnvloeden
zonder sporen achter te laten. Modern reïncarnatiegeloof is geloof in
het occulte.
De opvatting dat elke mens de reïncarnatie is van een vorige mens wordt
onderuitgehaald door het bevolkingsargument: hoe kan de wereldbevolking
toenemen van een handjevol (een paar miljoen jaar geleden) tot 5 miljard
nu? Als je veronderstelt dat er zielen zijn van nog niet herboren overledenen,
moet je die nog optellen bij die 5 miljard.
Herinneringen
Het moderne reïncarnatiegeloof gaat uit van verhalen over vorige levens.
Nu kunnen we allemaal wel zeggen dat we droomden dat we priester van Poseidon
waren in Atlantis, maar als we ons beperken tot verhalen die nog een kans
maken op verificatie, dan zijn er drie soorten: verhalen die onder hypnose
of in trance verteld worden, verhalen van peuters die spontaan over een
vorig bestaan beginnen te babbelen (dit komt vooral voor in landen waar
velen wedergeboorte vanzelfsprekend vinden) en de uitlatingen van mensen
die een vreemde taal spreken die ze nooit geleerd hebben. Over hypnose
hangt een geheimzinnig waas, en doordat genezers het met kennelijk succes
gebruiken, krijgt het een wetenschappelijk tintje. Er is echter geen reden
om te denken dat hypnoseverhalen betrouwbaarder zijn dan legenden, sprookjes
en dromen. Pogingen tot controle achteraf hebben geen enkel hypnoseverhaal
opgeleverd dat alleen maar door echte herinneringen uit een vorig leven
verklaard kan worden.
Als iemand onder hypnose hoort dat hij of zij teruggaat naar een tijd
lang geleden, voor de geboorte, dan gaat zo iemand vaak in op een dergelijke
suggestie. Dit is met name het geval bij personen die een regressietherapeut
bezoeken (teruglopen in de tijd wordt 'regressie' genoemd). Onder hypnose
worden fantasie en herinnering sterk geprikkeld, en de herinnering wordt
niet meer geremd door twijfel aan de juistheid. De moeilijkheid is dan
ook te onderscheiden wat iemand onder hypnose zich van een vorig leven
herinnert, en wat van schijnbaar lang vervlogen flarden van boeken, films
en gesprekken.
Bij regressie naar de kindertijd, dus niet eens een vorig leven, komt
al veel fantasie om de hoek kijken. Onder hypnose kan men verhalen die
uit boeken komen in geuren en kleuren en met veel emotie vertellen, als
ging het om eigen ervaringen. Soms leent een hypnoseverhaal zich ervoor
om nauwkeurig te worden nagetrokken. Helaas, als er bronnen zijn waarmee
de juistheid van het verhaal kan worden aangetoond, is het weer moeilijk
om te bewijzen dat de betrokkene die bronnen niet onder ogen heeft gehad.
Als de gehypnotiseerde wordt gevraagd waar het verhaal vandaan komt, is
de bron vaak makkelijk te vinden. Als de gehypnotiseerde niet wil of kan
meewerken, is dat natrekken een hele klus. Proeven op dit gebied werden
al in de 19de eeuw gedaan.
Het geval Jane Evans (bekend van een Britse tv-documentaire) werd opgehelderd
door Melvin Harris, 30 jaar na de bewuste hypnosezittingen. Voor drie
van de meest gedetailleerde levens van Jane kon Harris de romans vinden
waaraan ze ontleend waren. Voor een van de andere vond hij in de oorspronkelijke
bandopnamen ernstige onjuistheden. Die waren in de uitzending maar weggelaten.
In 1986 was er op de Nederlandse tv een documentaire te zien over een
paar Australische dames die zich onder hypnose een vorig leven in Europa
herinnerden. Ze spraken Schots en Duits, en konden delen van hun vorige
leven ter plekke herkennen. Die documentaire kwam nogal geënsceneerd over.
De cameraman bleek telkens van tevoren te weten waar de dames heen zouden
gaan. Volgens een verhaal in Privé werden de kijkers zelfs gewoon
bedot.
Peutergebabbel
De Amerikaanse psychiater Ian Stevenson heeft zijn leven lang kinderen
bestudeerd die over een vorig bestaan konden vertellen. De gang van zaken
is in dat soort gevallen meestal als volgt. Het kind begint met een jaar
of twee, drie te vertellen over een vorig leven. Na geruime tijd volgen
pogingen van ouders of anderen om na te gaan wat er van klopt. Als Stevenson
ervan hoort, meestal via de krant, gaat hij er op af en ondervraagt de
betrokkenen. Hij probeert contact te houden, en later blijkt vaak dat
de herinneringen van het kind vervagen met het ouder worden.
Stevensons verslagen zijn indrukwekkend. Ze overdonderen de lezer met
een grote hoeveelheid details. Voor een kritische lezer mankeert er toch
wat aan. Stevenson komt pas ter plaatse als alle betrokkenen al overtuigd
zijn van de echtheid van het geval. Tijdens het onderzoek ondervraagt
hij binnen twee of drie dagen enige tientallen personen. Hoe kun je in
zo korte tijd er nu achter komen welke ingewikkelde reeks gebeurtenissen
zich weken tot jaren geleden heeft afgespeeld? In veel gevallen verlopen
de ondervragingen via tolken die, evenals Stevenson, geloven in reïncarnatie.
Hoeveel tactvolle kritische vragen worden er dan gesteld?
Stevenson onderzoekt wel of er nog andere verklaringen mogelijk zijn,
maar neemt alleen bot bedrog, helderziendheid en telepathie in aanmerking.
Pogingen tot bedrog is hij wel tegengekomen, maar meestal kan hij zoiets
uitsluiten. Wat met reïncarnatie verklaard kan worden, leent zich vaak
ook voor andere paranormale verklaringen. Daarom kan Stevenson paranormale
verklaringen niet uitsluiten. Zijn boeken en artikelen gaan dan ook over
'vermoedelijke reïncarnatie'. Hij beoordeelt gevallen telkens vanuit het
gezichtspunt: kan dit met reïncarnatie verklaard worden?
Stevenson lijkt nogal lichtgelovig te zijn: hij gelooft getuigen tenzij
ontwijfelbaar vastgesteld is dat ze erop los fantaseren. Hij schrijft:
'verscheidene zegslieden beweerden dat zij (mevrouw Chotkin, JWN) de neiging
had geschiedenissen uit haar duim te zuigen', en even verderop: 'ik accepteer
dus mevrouw Chotkins versie als betrouwbaar.' Dit vanwege het feit dat
mevrouw Chotkin volgens hem de meeste controleerbare feiten wel zo ongeveer
vertelde als Stevenson ze van anderen had gehoord. Getuigen op hun woord
geloven is heel begrijpelijk als je met patiënten of verdachten te maken
hebt, maar verkrijg je zo wel zekerheid?
Stevenson onderzoekt natuurlijke verklaringen niet ernstig genoeg. Zijn
die er dan? In de eerste plaats denk je dat zo'n peuter misschien iets
heeft opgevangen van gesprekken van volwassenen. Jaren later kan die bron
best vergeten zijn. In veel gevallen blijkt uit het verhaal van Stevenson
dat zo'n bron er best geweest kan zijn. De vorige levens van die peuters
eindigden vaak onder bijzondere omstandigheden. De overledene was rijk
of kwam op een bijzondere, vaak gewelddadige manier aan zijn eind, soms
beide. Zo'n verhaal met grote roddelwaarde kan gemakkelijk in wijde kring
bekend raken. Stevenson besteedt geen aandacht aan dit aspect. In elk
afzonderlijk geval beweert hij dat het zo onwaarschijnlijk is dat er juist
in dát geval een natuurlijke informatiebron is geweest. Maar als je naar
verklaringen voor zeldzame verschijnselen zoekt, mag je toch niet uitsluiten
dat ze zeldzame oorzaken hebben?
Een andere mogelijke verklaring is dat het verschijnsel ontstaat doordat
iedereen hoopt dat het waar is. Een familie treurt om een dierbare overledene,
en is blij als ze kunnen geloven dat hij of zij is weergekeerd. In deze
verklaring zou het kind maar wat praten, terwijl ouders en omstanders
blijven zoeken naar een geval dat er op lijkt (dit zou ook begrijpelijk
maken waarom gevallen met grote roddelwaarde zo vaak voorkomen). Met terugwerkende
kracht wordt het kind dan van alles in de mond gelegd. Als de treurende
familie er eenmaal overtuigd is dat ze in het kind het familielid hebben
teruggevonden, onderhoudt ze vaak hartelijke betrekkingen met het kind.
Uit Stevensons beschrijvingen krijg je de indruk dat het vaak de getroffen
familie is die contact zoekt. Helaas is Stevenson een beetje vaag op dat
punt. Een onderzoeker, David Barker, heeft meegewerkt aan een duplicatie
van Stevensons onderzoek. Barker denkt dat het om een maatschappelijk
verschijnsel gaat. Hoe gaat dat herkennen bijvoorbeeld? Het kind wordt
voorgesteld aan een vrouw met de woorden: 'kijk eens, dit is je vorige
moeder, herken je haar niet?' Het kind zegt iets van 'Uh, ja'. Later beweren
de omstanders dat het kind spontaan zijn moeder aanwees midden in een
menigte, en de moeder zelf heeft geen zin om daarover te gaan zeuren.
Kortom, Stevensons 'spontane' gevallen zijn zonder twijfel voer voor
zielkundigen, pedagogen en cultureel antropologen. Zij hebben echter alleen
bewijskracht voor lichtgelovigen. Zelfs al was reïncarnatie een feit,
dan nog zou Stevensons materiaal niet deugen als bewijs.
Oud-Egyptisch
Soms blijkt iemand een vreemde taal te kunnen spreken die hij of zij
nooit geleerd heeft. Dat gebeurt onder hypnose of in trance, en ook in
sommige van de gevallen die Stevenson onderzocht heeft. Het verschijnsel
wordt 'xenoglossie' genoemd. Helaas zijn degenen die beweren zo'n vreemde
taal te herkennen meestal niet erg vertrouwd met die taal. Een Pool kan
namaak-Slavisch aanzien voor het een of andere Zuid-Slavische dialect,
iemand die wat Frans heeft geleerd denkt al gauw dat hij of zij een Frans
dialect hoort. Bekend is het geval van Rosemary die Oud-Egyptisch zou
spreken. Daarvan zijn alleen de medeklinkers bekend, en degene die beweerde
het te herkennen in Rosemary's trance-klanken, was een amateur met een
woordenboek. Later werd dit geval afgekraakt door een echte egyptoloog,
maar het wordt nog steeds aangehaald in minder kritische literatuur.
Er zijn geen gevallen van xenoglossie bekend die een taalkundige konden
overtuigen. Integendeel, in de paar gevallen waar een taalkundige bij
is gehaald, bleek een eenvoudige verklaring mogelijk. Namaaktalen ontstaan
vaak door herhaling van klanken en klankpatronen met kleine variaties,
in echte talen zit een systeem. Daardoor kun je namaaktalen van echte
onderscheiden, zelfs als je de taal niet kent.
Xenoglossie onder hypnose geeft nog een probleem: de gehypnotiseerde
persoon kan best wel eens een paar flarden van de betrokken taal hebben
gelezen of gehoord. Met die flarden (en de algemeen bekende uitdrukkingen
voor ja, nee, weetniks, watte, kannieverstaan enzovoorts) kun je een conversatie
verrassend lang op gang houden. Als de onderzoeker dan bovendien elke
keer vragen vertaalt als de gehypnotiseerde het niet begrijpt, komt er
een natuurlijke kennisbron bij!
De al genoemde Australische dames vormen een goede illustratie: mogelijk
kan een kenner het verschil horen tussen echt Schots en fantasie-Schots,
maar kan een leek dat ook? Biedt de Australische samenleving geen gelegenheden
om met Schots kennis te maken? Het Duits van een van de andere dames was
heel pover, alhoewel het voor een Engelstalige heel wat geleken kan hebben.
Reïncarnatie houdt meestal in dat iets (de ziel, de persoonlijkheid,
het ik, de opgebouwde schuld) van de mens na diens dood voortbestaat en
opnieuw geboren wordt. Er zijn veel levensbeschouwingen waarin reïncarnatie
een plaats heeft. Het moderne westerse reïncarnatiegeloof steunt op vermeende
herinneringen aan een vorig leven. Daarom brengt het geloof aan een onzichtbare
werkelijkheid met zich mee, een werkelijkheid die diep ingrijpt in het
menselijk lichaam, en waar de natuurwetenschap niets van kan vinden. De
belangrijkste herinneringen aan vorige levens zijn de verhalen van mensen
die onder hypnose zijn, peuterverhalen over een vorig bestaan, en de vreemde
talen die sommige mensen kunnen spreken, alhowel ze die niet geleerd hebben.
Hypnoseverhalen hebben de betrouwbaarheid van dromen; ze zijn een mengeling
van fantasie en al dan niet begraven herinneringen. Voor zover hypnoseverhalen
goed gecontroleerd zijn en klopten, kon een natuurlijke bron gevonden
worden of althans niet uit worden gesloten. De kinderverhalen van Stevenson
ontstaan in een gelovige cultuur en worden gerapporteerd door een gelovige.
Stevensons onderzoek is niet onafhankelijk herhaald, en hij laat stelselmatig
na de zaak van een kritische kant te bekijken. Mogelijk ontstaat het verschijnsel
doordat mensen gebruik willen maken van de gelegenheid om hun geloof te
bevestigen. Vreemde talen die onder hypnose gesproken worden, worden gewoonlijk
'herkend' door personen die zo'n taal zelf niet goed kennen. Wanneer taalkundigen
er naar luisterden, bleek de vreemde taal te bestaan uit hetzij zinloos
gebrabbel, hetzij flarden van eerder opgepikte fragmenten.
Noot
Meer informatie is te vinden in het boekje Reïncarnatie,
dat is verschenen is de serie Skeptische Notities. Het kan worden besteld
door tien gulden over te maken op gironummer 568808, ten name van Stichting
Skepsis te Utrecht, o.v.v. 'SN1'.
HOMEPAGE
SKEPSIS
|