Onvrijwillige donors
De mythe van Amerikaanse orgaanrovers
Al bijna tien jaar spookt er door de media een gruwelijk verhaal: in
Latijns-Amerika worden kinderen van hun nieren en hoornvliezen beroofd
ten bate van rijke Amerikanen. De bewijzen zijn dubieus, de gevolgen maar
al te reëel: in Guatemala werden toeristen van kinderroof beticht en gemolesteerd,
in Nederland daalt door de negatieve publiciteit het aanbod van donororganen.
De eerste beelden van de documentaire tonen een man met een vlasbaardje
die als in trance zijn hoofd van voor naar achter wiegt. De camera zoomt
in op zijn gezicht: zijn ogen missen irissen en pupillen. De volgende
scčne is binnen gedraaid. Een jonger familielid vraagt in het Spaans:
'Wat hebben ze verwijderd?'
De blinde antwoordt: 'M'n hoornvlies.'
De jongen trekt de oogleden van het rechteroog van elkaar. Over het troebel
witte weefsel verschijnt de titel van de documentaire: ORGAANMAFFIA.
De blinde heet Pedro Reggi en is 26 jaar oud. Hij woont in een dorpje
honderd kilometer van Buenos Aires. Zijn hoornvliezen, zegt de commentaarstem,
zijn gestolen tijdens zijn verblijf in de psychiatrische inrichting Montes
de Oca.
Orgaanmaffia is gemaakt door de Franse journaliste Marie-Monique
Robin. Robin is een van de invloedrijkste verbreiders van een schokkende
boodschap: in Latijns-Amerika worden organen van de armen gestolen ten
bate van de rijken. Vaak zijn de ontvangers koopkrachtige Amerikanen.
Robin verbreidt haar boodschap met succes. De laatste herhaling op de
Franse televisie, in januari 1995, trok meer dan drie miljoen kijkers.
In Nederland zond de EO haar film uit op 1 december 1993 en 7 januari
1995.
Robin heeft haar verhaal ook verkocht aan tijdschriften, waaronder Life
en het Nederlandse Panorama. In Life (oktober 1993) heeft
Robin Reggi 'het uitgemergelde gezicht van Christus', in Panorama
(nr. 50, 1993) treedt Reggi op als 'de jongen met het engelengezicht'
die 'ooit mooie bruine ogen [had], maar daar zijn nu nog slechts twee
gapende gaten.' Dat laatste is niet waar: Reggi's oogbollen zien er akelig
uit, maar van gapende gaten is geen sprake. Om dat vast te stellen hoef
je geen hoornvliesspecialist te zijn. En als je dat wel bent, zie je meer
onjuistheden.
Ik bekijk Orgaanmaffia met oogarts H. Völker-Dieben, bestuurslid
van de Hoornvlies Stichting Nederland en de Stichting Donorvoorlichting.
Zij twijfelt niet: 'Wat je ziet is aanwezig, maar troebel hoornvlies.
Het lijkt littekenweefsel van oude ontstekingen, voor zover op de videobeelden
te zien is. Om helemaal zeker te zijn, zou ik de ogen zelf met een spleetlamp
moeten onderzoeken.'
Diefstal van het hoornvlies zou inderdaad een oogkas zonder oogbol opleveren,
legt Völker uit. Wanneer een transplantatiearts bij een overleden donor
het hoornvlies verwijdert, neemt hij de hele oogbol eruit. Deze wordt
vervangen door een kunststofbolletje van gelijke grootte, waarna de oogleden
worden dichtgeplakt.
De observatie van Völker stemt overeen met medische gegevens die in Argentinië
bekend werden na het optreden van Reggi in een eerdere, Brits-Canadese
documentaire over orgaanhandel, The Body Parts Business: Reggi
werd geboren met staar in beide ogen en verloor zijn gezichtsvermogen
door oogkwalen. Zijn hoornvliezen zijn niet gestolen.
'Allemaal laster'
Op 25 november 1993 verscheen Reggi met zijn halfbroer Mario Barretto
in het Argentijnse televisieprogramma Hora Clave. Barretto vertelde
dat Pedro's blindheid het resultaat was van een infectie. Barretto zelf
had ooit het idee gekregen dat Pedro's hoornvliezen waren gestolen - vermoedelijk
onder invloed van geruchten en krantenberichten over orgaandiefstal. Het
relaas van Pedro Reggi is niet de enige omstreden episode uit Orgaanmaffia.
Even dubieus blijkt bij nader onderzoek het hartverscheurende hoogtepunt
van de documentaire, de ontmoeting met de tienjarige Jeison Cruz Vargas,
het fotogenieke blinde jongetje met de fluit dat ook verscheen op de voorpagina
van Panorama.
Robin ontmoet Jeison (in de documentaire Jenson genoemd) in het blindeninstituut
van de Colombiaanse hoofdstad Bogotá. Zijn moeder Luz vertelt dat ze Jeison
voor diarree naar het ziekenhuis bij een sloppenwijk bracht. Toen ze hem
weer zag, waren zijn ogen verwijderd. Het medische dossier is volgens
haar verbrand. 'Het is een ziekenhuis voor de armen. Daarom gebeuren er
zulke dingen. Het is het slechtste ziekenhuis dat er bestaat.' Jeisons
ogen komen minder scherp in beeld dan die van Pedro Reggi. Völker: 'Het
rechteroog lijkt inderdaad afwezig, het linker is aanwezig, maar de oogbol
is geatrofieerd, het is een schrompeloog.'
Volgens een verklaring van de Colombiaanse Ombudsman voor Gezondheid
en Sociale Zekerheid, van 4 februari 1994, is Jeison nooit aan zijn ogen
geopereerd. Toen hij vier maanden oud was, werd hij opgenomen in een ziekenhuis,
zwaar ondervoed en met een aantal ernstige aandoeningen, waaronder infectie
van de oogbol met Pseudomonas en ontsteking van het hoornvlies. Waarschijnlijk
uit armoede staakten zijn ouders de behandeling en brachten het kind naar
een kruidendokter. De ontsteking kostte hem zijn gezichtsvermogen.
Völker: 'Door die bacterie-infectie versmelt het weefsel, het wordt pappig.
Dat die infectie is vastgesteld, wijst er overigens op dat het geen slecht
ziekenhuis was, ze hebben hun best moeten doen om die Pseudomonasbacterie
te isoleren.'
De twist over de ogen van Jeison bereikte een hoogtepunt nadat Robin
in mei 1995 voor haar documentaire de Prix Albert Londres in ontvangst
mocht nemen, de hoogste Franse journalistieke onderscheiding. Om voor
eens en altijd vast te stellen hoe Jeison zijn gezichtvermogen heeft verloren,
lieten de Colombiaanse overheid en het ziekenhuis waar hij behandeld is
hem overvliegen naar Parijs, waar drie gerenommeerde Franse artsen hem
onderzochten. Een van hen, de oogarts Gilles Renard, bevestigde in een
interview met France-Soir (12 augustus 1995) dat Jeisons hoornvliezen
niet gestolen zijn. Ook houdt hij een tropische infectieziekte verantwoordelijk
voor de blindheid.
Is Orgaanmaffia een onbetrouwbare documentaire? Allemaal laster,
vindt Marie-Monique Robin, die tussen twee filmsessies in het buitenland
door even Parijs aandoet. Volgens haar hebben de broer van Pedro, de moeder
van Jeison en andere getuigen en autoriteiten hun beschuldigingen ingetrokken
onder druk van de United States Information Agency.
De USIA, een overheidsinstelling die anti-Amerikaanse propaganda bestrijdt,
geeft sinds 1988 rapporten uit die systematisch onthullingen over orgaanroof
ontkrachten. Oorspronkelijk was dit een reactie op koudeoorlogretoriek
uit de koker van de KGB, die de Amerikanen graag de moord op Zuid-Amerikaanse
kinderen aanwreef. De KGB verdween, de verhalen over orgaanroof niet.
Nog steeds heeft de USIA een medewerker die de portefeuille 'orgaanroof'
beheert, Todd Leventhal. In Robins relaas is hij de hoofdschuldige. 'Het
is net een thriller,' zegt ze herhaaldelijk.
Robin heeft zelf de Colombiaanse overheid gevraagd de originele papieren
over Jeisons ziekenhuisopname over te leggen, zegt ze, en ze vertrouwt
erop dat ze dat niet kunnen. En de hoornvliezen van Pedro Reggi? Die zijn
gestolen, dat kan ik navragen bij Sylvie Deplus, een oogarts die verbonden
is aan de FIDH (Fédération International des Droits de l'Homme) en met
Robin heeft samengewerkt. Nu heeft Deplus al eens verklaard dat ze haar
reserves heeft over bepaalde delen van Robins reportage (France-Soir,
7 januari 1995). Mijn fax beantwoordt ze met een kort briefje dat vooral
morele steun uitspreekt voor de 'moedige' arbeid van Robin. Maar hoe zit
het nu toch met die hoornvliezen van Pedro Reggi? Tja, elk medisch geval
is voor meerderlei uitleg vatbaar, aldus dokter Deplus. 'De verklaringen
die in de documentaire worden gegeven, zijn dus geen zekerheden...'.
Hans en Grietje
Berichten over geroofde organen kwamen voor het eerst in de wereldpers
in 1987. Op 2 januari van dat jaar meldde een Hondurese krant dat gehandicapte
kinderen aan de VS werden verkocht als bron van 'reserveonderdelen'. Dertien
van deze kinderen waren ontdekt in vier casas de engordes ('vetmesterijen'
- echo's van Hans en Grietje), aldus Leonardo Villeda Bermudez, leidinggevend
ambtenaar van een nationale welzijnsorganisatie. Al op 3 januari herriep
hij zijn beweringen: hij had slechts onbevestigde veronderstellingen van
maatschappelijk werkers herhaald.
Deze gang van zaken herhaalde zich met berichten uit Guatemala en Paraguay:
alarmistische, maar ongefundeerde verhalen, die direct weer worden ingetrokken.
Helaas heeft slecht nieuws meer kans om gehoord te worden dan goed nieuws:
vaak haalden de aanvankelijke onthullingen wel de pers, maar de daaropvolgende
ontkenningen niet. Zo publiceerden in 1987 en 1988 Trouw en de
Volkskrant versies van het griezelverhaal zonder follow-up over de
ontkenning. In dezelfde jaren werden de verhalen ook dankbaar opgepikt
en verbreid door sovjetmedia, die in deze periode ook het gerucht verspreidden
dat het aidsvirus een kunstmatige schepping was, per ongeluk ontsnapt
uit een Amerikaans laboratorium voor biologische oorlogvoering. Ook het
Europees Parlement heeft zich tweemaal uitgesproken tegen orgaanroof,
de laatste keer in september 1993, toen een resolutie werd aangenomen
tegen handel in organen, gebaseerd op een rapport van europarlementariër
Leon Schwartzenberg. In dit rapport beschrijft de voormalige Franse minister
van Volksgezondheid de medische, ethische en sociale consequenties van
het tekort aan donororganen en benadrukt hij het bestaan van een orgaanmaffia
die niet terugschrikt voor moord.
Nu ontkent niemand dat in sommige landen (zoals Brazilië, India en Egypte)
mensen uit armoede hun nieren te koop aanbieden: in die zin is orgaanhandel
een realiteit. Dat ook de Hans-en-Grietjevariant bestaat, wordt minder
algemeen aangenomen. Critici snoert Schwartzenberg echter de mond met:
'Een dergelijke handel ontkennen is vergelijkbaar met het bestaan ontkennen
van de ovens en de gaskamers in de laatste oorlog.'
Schwartzenberg betrok zijn informatie over orgaanroof voor een belangrijk
deel uit een artikel van de Franse communiste Maďté Pinero in Le Monde
Diplomatique (augustus 1992; in Nederland verscheen het een maand
later in Mensenrechten-Magazine). Pinero voert hierin een aantal
zaken op die stuk voor stuk door de verantwoordelijke autoriteiten zijn
bestreden, waaronder, alweer, de Hondurese vetmesterijen uit 1987.
Het idee dat cynische handelaars letterlijk het vlees van kinderen uit
de Derde Wereld verkopen, roept sterke gevoelens van afschuw en medeleven
op. Dat maakt de discussie niet eenvoudiger. Schwartzenberg diskwalificeert
skeptici door hen te vergelijken met Holocaustontkenners - niet het gunstigste
uitgangspunt voor een gesprek.
Zakgeld
Transplantatiedeskundigen ontkennen niet dat orgaanroof mogelijk is.
Maar betrouwbare zaken kennen ze niet, en veel onthullingen zijn te fantastisch
om waar te zijn. Dat er een grootscheepse, georganiseerde handel bestaat,
beheerst door een maffia, willen zij niet aannemen. Hoe onzeker het bestaan
van orgaanroof is, wordt nog eens onderstreept door het meest recente
schandaal. 'NIERDIEFSTAL', stond er in enorme letters op het omslag van
Panorama (23 maart 1995). 'Deze foto's bewijzen het! De chirurgen-maffia
bestaat. Rijke buitenlandse opdrachtgevers.' Maar de foto's van rijen
Indiase mannen en vrouwen met een fors litteken op hun zij bewijzen slechts
dat in India opvallend veel meer inwoners een nier missen dan in rijkere
landen. Volgens de reportage - overgenomen van het Duitse Stern
- zijn de geportretteerden arme dorpsbewoners uit Bangalore die van hun
nieren zijn beroofd onder het mom van een medisch onderzoek voor een baan.
Een specialist, een huisarts en twee bemiddelaars zijn gearresteerd. In
maart hadden zich tachtig slachtoffers gemeld bij de politie van Bangalore.
Maar slechts een zeer klein deel daarvan, aldus de commissaris, is mogelijk
bedrogen door de artsen; de overigen hebben vermoedelijk een nier verkocht
en hopen op deze manier een hogere vergoeding te ontvangen.
Bewijzen blijven dus schaars. Maar niet iedereen heeft bewijzen nodig.
Stan Meuwesse, directeur van Defence for Children International, een organisatie
die actie voert tegen kinderarbeid, -slavernij, -prostitutie en andere
vormen van kindermisbruik, is er ondanks het gebrek aan harde feiten van
overtuigd dat orgaanroof bestaat. Er is zoveel onvoorstelbaar kinderleed
dat niet betwist wordt, dat ook dit wel waar moet zijn, redeneert hij.
Wie zou geloven dat Pakistaanse jongetjes van een jaar of zes gedwongen
als kamelenjockey werken in de Arabische Emiraten? Toch is dat laatste
aangetoond.
Maar, zegt Meuwesse met nadruk: een 'samenhangend, betrouwbaar, duidelijk
rapport' over geroofde hoornvliezen en nieren heeft hij nooit gezien,
het blijft bij verhalen die met enige regelmaat terugkeren en die overigens
iedereen in de kinderrechtenwereld overtuigen.
Een van die terugkerende verhalen wordt in Orgaanmaffia verteld
door Hector Ramirez, lid van een parlementaire commissie die in Mexico
illegale orgaanhandel onderzocht. Ramirez kent het geval van een jongetje
dat ontvoerd werd op de markt in de wijk Extapalapa en twee maanden later
weer op dezelfde plaats opdook, met een litteken op zijn rug en een nier
minder. Ramirez: 'Zijn moeder heeft hem medisch laten onderzoeken, en
dat bevestigde het vermoeden. Toen hij bij zijn familie terugkwam, had
hij 2.000 dollar bij zich. Ik heb bij zijn moeder geďnformeerd, maar ze
liet niets los. Ze was erg bang. En met dat geld kan ze voor hem zorgen.'
Een schimmig verhaal: geen namen, geen foto's, geen documenten. Het geval
is niet opgenomen in het officiële rapport van Ramirez. De documentairemakers
slagen er in Mexico niet in een slachtoffer of een getuige te spreken
te krijgen. Het is ook wel erg onwaarschijnlijk: welk belang hebben gewetenloze
misdadigers erbij om een belangrijke ooggetuige niet te laten verdwijnen,
maar weer af te leveren op de plaats van het misdrijf - en met 2.000 dollar
zakgeld? In andere takken van misdaad is een dergelijk altruďsme nooit
waargenomen.
Lynchpartij
Als dit verhaal overtuigt, is het minder door zijn realisme dan door
zijn moraal. Het brengt plastisch een boodschap tot uitdrukking die zowel
arme Mexicanen als mensenrechtenactivisten aanspreekt: Amerikanen denken
dat ze in ruil voor geld alles kunnen doen met de inwoners van Latijns-Amerika.
Het heeft er alles van dat Ramirez een moderne sage ofwel een broodje
aap vertelt: een verhaal dat telkens in nieuwe gedaanten opduikt, maar
toevallig altijd kort geleden bij de verteller om de hoek is gebeurd.
Zulke irreële verhalen kunnen zeer reële gevolgen hebben. Zoals een sociologisch
adagium luidt: wanneer mensen een situatie als werkelijk ervaren, zullen
de gevolgen van die situatie werkelijk zíjn. Dit bleek op dramatische
wijze in Guatemala op 8 maart 1994.
De Amerikaanse toeriste Melissa Larson zit een glas ananassap te drinken
op de markt van het plaatsje Santa Lucía Cotzumalguapa, als dorpsbewoners
haar uitmaken voor kinderdief. Larson wordt gearresteerd en door de autoriteiten
het dorp uit gesmokkeld om haar te beschermen tegen de volkswoede. Als
de dorpelingen haar niet meer in haar cel vinden, koelen ze hun woede
op haar beschermers: ze branden het politiebureau plat en steken tien
auto's in brand. Er zijn vijfhonderd man oproerpolitie, versterkt met
soldaten en pantserwagens, nodig om de gemoederen tot bedaren te brengen.
Larson komt na negentien dagen cel met de schrik vrij.
Minder gelukkig is op 29 maart 1994 een andere toeriste, de 51-jarige
June Weinstock, die naar San Cristóbal Verapaz is gekomen om het Paasfeest
mee te maken. Bewoners van het stadje zien hoe ze op de markt kinderen
fotografeert en een jongetje over zijn bol aait. Een vrouw die in het
gedrang haar achtjarige zoontje uit het oog is verloren, kijkt argwanend
naar Weinstock. Misschien heeft de gringa hem in haar koffer, grapt een
ijsverkoper.
Weinstock wordt het middelpunt van een groeiende oploop: er is een Amerikaanse
kinderdief in de stad! Ook zij moet door de politie worden beschermd,
terwijl een duizendkoppige menigte het politiebureau belegert. Na vijf
uur wordt ze naar buiten gesleept en afgetuigd met machetes, stokken en
stenen. Weinstock raakt in coma en belandt in het ziekenhuis met acht
steekwonden, een schedelfractuur en twee gebroken armen. Het zoekgeraakte
jongetje is dan al lang ongedeerd teruggevonden.
Deze incidenten hadden niet kunnen voorvallen zonder de geruchten die
eraan vooraf gingen. Langharige buitenlanders zouden op kinderen loeren.
Een straatjochie dat blind ronddwaalde, bleek van zijn hoornvliezen te
zijn beroofd; in zijn zakken waren dollarbiljetten gepropt. Zei men. Er
waren acht baby's gevonden zonder hart. Bij een van hen was een biljet
van honderd dollar in de gapende wond gestoken, met een briefje: 'Thanks
for your cooperation.' Graffitti waarschuwden Amerikanen dat ze niet welkom
waren: 'GRINGO CHILD STEALERS GO HOME.' De hysterie werd aangewakkerd
door een artikel in Prensa Libre, de grootste krant van Guatemala,
dat in de vorm van een reclamefolder de orgaanhandel in beeld bracht.
Als in de supermarkt zijn tien nuttige organen uitgestald, met de prijzen
die ze zouden opbrengen in de Verenigde Staten. Aan het hart hangt het
prijskaartje '$ 100.000', een nier zou 65.000 dollar doen, een hoornvlies
gaat op de zwarte markt weg voor slechts 2.500 dollar.
Kinderexodus
Waar komen die verhalen vandaan? Worden ze geďnspireerd door reële misdaden?
Daar bestaan nauwelijks onaangevochten aanwijzingen voor. Is het dan allemaal
linkse propaganda, verbreid door leugenachtige journalisten, zoals de
US Information Agency suggereert? Het laatste rapport van de USIA over
The Child Organ Trafficking Rumor (december 1994) hakt minder hard
in op 'sovjetmantelorganisaties' en bevat veel nuttige gegevens, maar
het verklaart nog steeds weinig.
Alle partijen - maar vooral degenen die in een orgaanmaffia geloven -
onderschatten het vermogen van de bevolking om als reactie op reële omstandigheden
en spanningen onofficiële verklaringen in omloop te brengen; geruchten
dus. De uitvoerigste studie naar deze geruchten is verricht door de Parijse
folkloriste Véronique Campion-Vincent, die is gespecialiseerd in de studie
van geruchten en moderne sagen. Zij werkt aan een boek over het orgaanroofgerucht,
dat ze nu al jaren volgt. Propaganda alleen is het niet, aldus Campion-Vincent.
De verhalen zijn ontstaan in Latijns-Amerikaanse steden, niet in een Russisch
ministerie van voor de omwenteling. Volgens Campion-Vincent is het gerucht
de irreële synthese van twee reële gevolgen van de armoede in Latijns-Amerika:
adoptie en orgaanhandel.
Kinderen uit Latijns-Amerika zijn gewild op de adoptiemarkt. Ten tijde
van de aanvallen op toeristen werden in Guatemala gemiddeld twintig kinderen
per week geadopteerd, waarvan de helft door Amerikanen. Aan de vraag van
Europese en Amerikaanse echtparen naar adoptiekinderen wordt niet alleen
op legale wijze voldaan. Documenten worden vervalst, moeders verkopen
hun baby's en het komt zelfs voor dat kinderen gekidnapt worden. Regelmatig
worden clandestiene pleeghuizen ontdekt. Landgenoten bezien die kinderexodus
met gemengde gevoelens: welke toekomst gaan ze tegemoet? En horen ze niet
eigenlijk in hun eigen land?
Ook het verkopen van delen van het eigen lichaam behoort zoals gezegd
tot de werkelijkheid van derdewereldlanden. Geruchten over orgaanroof,
aldus Campion-Vincent, verbinden de twee fenomenen: ook bij adopties gaat
het in werkelijkheid om handel in organen.
Verhalen over blanke moordenaars die het voorzien hebben op lichaamsdelen
van arme Zuid-Amerikanen sluiten bovendien naadloos aan bij een inheemse
traditie die al bestond voor adoptie en orgaantransplantatie verschijnselen
van betekenis werden. De traditionele sagenwereld kent een groot aantal
blanke monsters, zoals de pistaco van de Peruaanse indianen, een nachtelijke
moordenaar die menselijk vet verzamelt en dat verkoopt aan fabrieken (om
de machines mee te smeren) of aan farmaceutische bedrijven (als basis
voor geneesmiddelen). De monsters zijn met hun tijd mee gegaan en jagen
tegenwoordig op hoornvliezen en nieren.
Angst voor snijgrage artsen leeft niet alleen onder de golfplaten van
Zuid-Amerikaanse krottenwijken, maar ook achter het dubbele glas van Nederlandse
doorzonwoningen. Al staat hier alles op een lager pitje, ook in Nederland
gonst het van de geruchten over gestolen lichaamsdelen. In 1990 dook het
verhaal op over een zakenman of toerist, die in Brazilië (Tunesië, Turkije)
door kidnappers verdoofd wordt en als hij weer bij bewustzijn komt, een
nier mist.
Sinds 1992 doet een variant de ronde met een kind in de hoofdrol. De
laatste die me het verhaal vertelde was Stan Meuwesse van Defence for
Children International, met het commentaar: 'Soms hoor je ook in Nederland
verhalen waarvan je niet weet wat je ervan moet denken.' Een gezin is
een dag uit in EuroDisney bij Parijs, waar een van de kinderen zoekraakt.
Enige tijd later wordt het jongetje teruggevonden op een bankje, witjes
en versuft, en met een groot litteken op de plaats waar een nier uit zijn
lichaam is verwijderd.
Identieke verhalen doken al op twee weken na de opening van EuroDisney
in 1992. Ze jagen niet alleen Nederlandse ouders de stuipen op het lijf:
ook Duitse, Zwitserse, Oostenrijkse en Zweedse ouders vrezen voor de veiligheid
van hun kind in het Parijse pretpark. Namen van slachtoffers zijn nergens
bekend, EuroDisney ontkent dat het ooit gebeurd is, de Centrale Recherche
Informatiedienst weet ook van niets - een zuiver broodje aap. Ook de Parijse
nierenrovers leveren hun slachtoffers netjes af op de plek van het misdrijf,
maar in tegenstelling tot hun Mexicaanse collega's geven ze hen nooit
een paar duizend dollar zakgeld mee.
Goede Tijden...
'Je kunt natuurlijk mensen ontvoeren, verdoven en van een nier beroven,
maar daar moet je ook een ontvanger voor hebben. En die moet passen qua
bloedgroep, qua weefselgroep, er moet een kruisproef gedaan worden...
En weet je wel of meneer X die je van de straat geroofd hebt een goede
nierdonor is? Had hij geen nierziekte, geen cystenieren, geen HIV? Je
moet daar zo'n geweldige organisatie voor hebben dat zich dat niet loont.'
Guido G. Persijn ergert zich aan alle indianenverhalen over transplantaties.
Persijn is medisch directeur van Eurotransplant, die instelling die bemiddelt
bij de toewijzing van donororganen en de uitwisseling van organen coördineert
in de Benelux, Duitsland en Oostenrijk. Om het schaarse aanbod optimaal
te gebruiken, selecteert Eurotransplant telkens de best passende ontvanger
van de wachtlijst. Die wachtlijsten worden langer en het aantal beschikbare
organen neemt af. In 1993 werden nog 426 transplantaties met een nier
van een overledene uitgevoerd, in 1994 maar 387. In dezelfde jaren groeide
de wachtlijst van 1518 tot 1644 nierpatiënten. Ook de landen waarmee Eurotransplant
samenwerkt (met uitzondering van België) noteerden de afgelopen jaren
minder donaties en transplantaties.
Vanwaar die plotselinge daling? Hardmaken kan hij het niet, maar Persijn
heeft sterke vermoedens over de rol die negatieve publiciteit hierbij
speelt. Zoals de Duitse berichtgeving over hersendood. Wanneer de hersenfuncties
definitief zijn uitgevallen is iemand 'hersendood'. In feite is hij dan
overleden. Voor transplantatie is het echter noodzakelijk om de hersendode
donor kunstmatig te blijven beademen, totdat de organen kunnen worden
uitgenomen. Persijn: 'In Duitsland weigerden achter elkaar tien van de
twaalf nabestaanden hun toestemming voor het uitnemen van organen bij
de overledene. Ze verwezen daarbij naar de evangelische en katholieke
bisschoppen die op televisie gezegd hebben dat hersendood een alibi is
van transplantatiechirurgen om hun werk te kunnen doen.'
Zelfs soapseries zoals Medisch Centrum West en Goede Tijden
Slechte Tijden kunnen een funeste invloed hebben. Toen in december
1993 misdadige artsen aasden op de organen van GTST's populaire
dokter Simon, die weerloos in coma lag, vertaalde zich dat in weigeringen
van nabestaanden die over orgaandonatie werden benaderd. Persijn: 'Je
hoort de zotste verhalen. In september 1994 stond er op de voorpagina
van Bild: 3.000 kinderen gekidnapt in Zuid-Amerika. Die zouden
allemaal naar Italië gaan. Wat moet je met zesduizend nieren van kinderen?
Die kun je niet eens gebruiken.'
Dezelfde drieduizend kinderen komen voor in het rapport van Schwartzenberg,
'dat van geen kant deugt.' Persijn spant zich in om ook op Europees niveau
klaarheid te scheppen over het waarheidsgehalte van verhalen over orgaandiefstal.
In maart heeft hij in een adviesorgaan van de Raad van Europa, het Select
Committee of Experts on Organisational Aspects of Organ Transplantation,
aangedrongen op onderzoek naar orgaanhandel en -roof. 'Er moet een boven
alle partijen staande commissie komen van specialisten, wijze vrouwen
en mannen, om die zaak te onderzoeken.'
De angsten die transplantatie oproept zitten diep, bevestigt mevrouw
R.A. van Netten, directeur van de Stichting Donorvoorlichting. Ook
zij maakt zich zorgen over negatieve publiciteit. 'Misschien geloven mensen
die verhalen niet echt, maar ze reageren er heel emotioneel op. Ze gebruiken
programma's zoals die documentaire over de orgaanmaffia als bevestiging
van hun eigen angstgevoelens.'
Als gast in RTL-4's 5 Uurshow zag Van Netten zich onder andere
geconfronteerd met een man die geen donorcodicil droeg, 'omdat ze dan
de stoppen er eerder uittrekken.' Van Netten: 'Zo iemand verwoordt de
gevoelens van een heleboel mensen. Ze gebruiken die programma's als excuus,
dan zijn ze er vanaf. En hoe meer mensen zo reageren, hoe groter het tekort
aan organen wordt, en hoe meer je malafide praktijken krijgt. Schaarste
werkt dat in de hand.'
De Bloedkaros
Parijs, mei 1750. Het gist in de stad, omdat de politie onder de
ogen van de bevolking op straat kinderen arresteert en met onbekende
bestemming wegvoert in gesloten koetsen. Het volk verzet zich -
er ontstaan opstootjes. De gerechtsdienaar Labbé wordt op heterdaad
betrapt als hij een kind van elf grijpt. De jongen wordt bevrijd
door de menigte en Labbé moet rennen voor zijn leven. Hij vlucht
een huis in en kruipt onder een bed, maar ze slepen hem eruit. Wachters
schieten toe, ontzetten Labbé en brengen hem naar de woning van
een commissaris. Het volk belegert zijn toevluchtsoord en eist de
uitlevering van de kinderdief.
De afloop van het verhaal is na te lezen in het ooggetuigeverslag
van de commissaris. De deur wordt opengebroken. Er vallen schoten
over en weer. De woedende menigte ontrukt Labbé aan zijn bewakers
en maakt hem af met stokslagen en stenen.
De Parijzenaars vergissen zich niet: inderdaad pakken ordebewakers
links en rechts jongens op, die zonder vorm van proces in de gevangenis
worden gesmeten. Ze doen dat om de vagebonden van de straat te vegen,
maar omdat ze een beloning ontvangen per opgepakt kind zijn ze niet
kieskeurig: ook kinderen die daar door leeftijd, gedrag of sociale
status niet voor in aanmerking komen, lopen kans in de handen van
de politie te vallen. Iedereen kan dus met eigen ogen waarnemen
hoe mannen kinderen meenemen in geblindeerde koetsen. Wat kan daarvan
het doel zijn?
Zo'n onduidelijke situatie is ideaal voor het ontstaan van geruchten,
en die doen al snel de ronde. De kinderen worden opengesneden, zegt
men, en bloeden leeg in een bad, omdat een zieke prins - of, volgens
anderen, een prinses, of zelfs de koning zelf - moet baden in kinderbloed,
het zuiverste bloed dat er is.
Dit verhaal is niet ontstaan in Parijs, anno 1750. Het werd al
verteld over keizer Constantijn, die zo'n geneeskrachtig bloedbad
echter weigerde en als beloning voor zijn rechtschapenheid door
God werd genezen.
In Parijs was een van de doelwitten van het gerucht de toenmalige
koning Lodewijk XV, die op grond van deze gruweldaden werd vergeleken
met Herodes, de moordenaar van de onnozele kinderen. Dat men Lodewijk
als de dader aanwees, openbaart volgens de Franse historici Arlette
Farge en Jacques Revel, die een boek schreven over deze affaire
(Logiques de la foule, 1988), de haat van het volk tegen een koning
die van een weldoener is veranderd in een Herodes.
Ook in het 18de-eeuwse Antwerpen was het gerucht bekend. Ouders
maakten daar hun kinderen bang met de 'bloedkaros': een prachtige
koets, getrokken door vier paarden. In de koets zit een rijke dame,
die kinderen die laat buiten spelen lokt met snoep en de belofte
dat ze op haar kasteel met haar dochter mogen spelen - maar als
ze hen niet kan lokken, sleurt ze hen naar binnen. In haar kasteel
worden hun grote tenen afgehakt en bloeden ze leeg in een bad voor
een koning die aan een ernstige ziekte lijdt en alleen kan worden
genezen met het bloed van kinderen onder de zeven.
Parijse kinderen die hun bloed moeten geven voor een ziek lid van
het koninklijk huis vinden hun exacte pendant in kinderen uit de
Derde Wereld die van hun organen worden beroofd voor bewoners van
rijke landen - in wezen is het gerucht in twee en een halve eeuw
niets veranderd. Er bestond zelfs een transplantatievariant, die
in 1768 in Lyon tot onlusten leidde. Iedere dag werd daar een kind
ontvoerd omdat een verminkte prins een nieuwe arm nodig had. Chirurgijns
probeerden er telkens weer een nieuwe arm aan te zetten, maar elke
keer mislukte de operatie.
|
Literatuur (selectie)
Bernaerts, José, Kinderen te koop. Onze wereld,
juli 1988, pp. 18-25.
Brunvand, Jan Harold, The vanishing hitchhiker. Urban legends and their
meanings. Londen, 1983.
Brunvand, Jan Harold, The baby train and other lusty urban legends.
New York / Londen, 1993.
Burger, Peter, De wraak van de kangoeroe. Sagen uit het moderne leven.
Amsterdam, 1992.
Campion-Vincent, Véronique, The baby-parts story: a new latin american
legend. Western folklore 49 (jan. 1990), pp. 9-25.
Caro, Frank de, The body parts panic and the Peruvian pistaco tradition.
FOAFtale News 36 (jan. 1995), pp. 1-2.
Farge, Arlette en Jaques Revel, Logiques de la foule. L'affaire des
enlčvements d'enfants Paris 1750. [z.p.], [kop.] 1988.
Frankel, Mark, e.a.: Too good to be true. Newsweek, 26 juni 1995.
Gleick, Elizabeth, Rumor and rage. People, 25 april 1994.
Klintberg, Bengt af, Den stulna njuren. Sägner och rykten i vĺr tid.
[z.p.], 1994.
Leventhal, Todd, The child organ trafficking rumor: a modern 'urban
legend. United States Information Agency, [Washington], december 1994.
Leventhal, Todd, The illegal transportation and sale of human organs:
reality or myth? Lezing voor International Association of Chiefs of
Police, Gent, 25 april 1995.
Peeters, Frans, Berichtje te goed om níet waar te zijn. Het Parool,
4 november 1988.
Shonder, John A., Organ theft rumors in Guatemala. Some personal observations.
FOAFtale News 35 (oktober 1994), pp. 1-4.
Toselli, Paolo, La famosa invasione delle vipere volanti e altre leggende
metropolitane dell'Italia d'oggi Milaan, 1994.
Dit is artikel verscheen eerder in Wetenschap, Cultuur en
Samenleving, april 1995. Met dank aan Véronique Campion-Vincent.
Peter Burger is auteur van De wraak van de kangoeroe (zie
bovenstaande literatuuropgave), en van De gebraden baby. Sagen en geruchten
uit het moderne leven, Prometheus 1995. In 2000 verschijnt van zijn
hand Het nummerbord van de duivel.
HOMEPAGE
SKEPSIS
|