*
|
Mezen
bij de melkboer
Mezen die melkflessen openpikken, leren dat geholpen
door een mysterieus veld, aldus Rupert Sheldrake. Maar zonder dat kunnen
ze het ook wel leren. `Morfische resonantie helpt te verklaren waarom het flesopenen zich verspreidde en waarom het na de oorlog in Nederland zo snel weer opdook.' Dat schrijft Rupert Sheldrake in zijn boek The presence of the past uit 1988. Sheldrake bespreekt het fenomeen dat verschillende soorten mezen in het Verenigd Koninkrijk en onder meer in Nederland snel van elkaar leerden melkflessen open te maken. Hij gebruikt zijn `morfogenetische veldentheorie' om het opmerkelijke gedrag te verklaren. Via morfogenetische velden kan informatie worden opgeslagen en doorgegeven, zo heet het. Een gevolg van deze theorie is dat een kruiswoordpuzzel die 's ochtends in de krant staat, 's avonds makkelijker op te lossen is. Gedurende de dag hebben allerlei mensen zich het hoofd gebroken over de puzzel. De zo verworven informatie is opgeslagen in het alomvattende morfogenetische veld. Iemand die 's avonds begint te puzzelen put informatie uit het veld en lost de puzzel snel op. Een dergelijk mechanisme ligt volgens Sheldrake ook ten grondslag aan het leergedrag van mezen. Zijn verklaring gaat uit van de observatie dat het gedrag van de mezen die flessen openmaken in het verlengde ligt van het natuurlijke gedrag van de vogels, het openmaken van zaden. `Deze instinctieve motorpatronen, georganiseerd door morfische velden, leidden niet automatisch tot het gedrag van flessen openpikken. Dat gebeurde pas toen ze ingesloten werden in een gedragsveld van een hoger niveau, het flesopenerveld. Op zijn beurt werd dit veld alsmaar versterkt door de morfische resonantie-effecten van melkdrinkende mezen. Het veld maakte zo het ontdekken van het gedrag en het doorgeven ervan door imitatie steeds makkelijker.' Gedragsbiologen bieden zakelijkere verklaringen voor het openpulken van melkflessen door mezen. Sheldrakes uitleg kan dan ook op weinig academische bijval rekenen. Maar het wonderlijke gedrag van de mezen vraagt wel om uitleg. Mezen leren kennelijk van elkaar melkflessen open te peuteren. Terwijl flessen toch niet het meest voor de hand liggende onderdeel van het mezenmenu vormen. En dan verspreidt die gekke gewoonte zich ook nog eens snel over heel Engeland, terwijl ook mezen in Denemarken, Zweden en Nederland de truc kennen. Wat is er precies aan de hand?
In 1951 publiceren James Fisher en R.A. Hinde het artikel `The opening of milk bottles by birds'. Daarin presenteren de twee wetenschappers hun onderzoek naar de verspreiding van de gewoonte. De eerste melding van mezen die een melkfles openen stamt uit 1921 in de buurt van Southampton, aan de Engelse zuidkust. Fisher en Hinde verspreiden vragenlijsten en verzamelen zo'n tweehonderd waarnemingen onder leden van de British Trust for Ornithology en onder meer bij de lezers van de tijdschriften British Medical Journal en de Lancet. Nog tweehonderd waarnemingen komen binnen dankzij aandacht van kranten aan het onderzoek. Met deze gegevens kunnen Hinde en Fisher de geografische verspreiding van het melkflesopenen in de tijd volgen. In het begin van de jaren 1920 komt het vooral in Zuid-Engeland voor, in de jaren 1930 verspreidt het gedrag zich als een olievlek vanuit Londen en vanuit Newcastle, in het noorden. Vooral koolmezen, pimpelmezen en zwarte mezen maken zich schuldig aan het melkboertje pesten. Aan het eind van de jaren 1940 is het gedrag gemeengoed in heel Engeland in Schotland en Wales komt het minder voor.
Deze verspreiding is opmerkelijk. In de eerste plaats is het de vraag hoe de dieren erachter komen dat de melkflessen een bron van voedsel zijn. Bovendien leggen mezen geen grote afstanden af, `een verplaatsing van vijftien mijl is uitzonderlijk'. Dus, zeggen Hinde en Fisher, moeten ver uiteen liggende verspreidingscentra wel betekenen dat het openmaken van melkflessen door verschillende vogels op verschillende plaatsen is ontdekt. Het patroon van de verspreiding een aantal uitdijende kernen wijst er verder op dat soortgenoten het gedrag overnemen van de dieren die het ontdekken. Maar hoe? Nu wordt het ingewikkelder. Op het eerste gezicht lijkt het er namelijk op dat de mezen het gedrag overnemen door middel van imitatie. Een mees ziet een ervaren soortgenoot een fles openmaken en genieten van het veroverde voedsel. Door de handeling na te bootsen, verwerft de mees het begeerde voedsel. Maar imitatie is niet bepaald wijd verspreid in het dierenrijk. Het vergt namelijk nogal wat van de mentale capaciteiten van een dier. Een voorwaarde voor imitatie is namelijk dat de imitator het motief voor bepaald gedrag van een soortgenoot of een ander dier begrijpt. Het bekendste voorbeeld ervan is de Japanse makaak op het eiland Koshima die in de jaren 1950 uitvindt dat zoete aardappels een stuk lekkerder zijn als je eerst het zand er afspoelt in zee. Langzaam verspreidt die handeling zich door de hele apengemeenschap. En wel volgens sociale lijnen, het gebruik vindt zijn weg binnen families en groepen van leeftijdsgenoten. Een bewijs voor cultureel leren, aldus primatoloog Frans de Waal in zijn boek De aap en de sushimeester. Bij de mezen is geen sprake van cultureel leren en waarschijnlijk niet eens van imitatie. Om de overdracht van het handige gedrag te verklaren volstaan simpelere aannames. Om te beginnen zijn de motorische handelingen die de mezen moeten uitvoeren om een dop van een fles te krijgen niet zo vreemd als ze lijken. Mezen komen in de natuur geen melkflessen tegen, maar wel noten, zaden en takken. Met hun snavel aan objecten trekken en pikken is een normaal onderdeel van het gedragsrepertoire van de mees. Als een mees een melkfles open wil krijgen, zal dat dus lukken zonder bijzondere inspanningen. Imitatie is onnodig om het gedrag van de mezen te verklaren. Dat volgt uit het experiment van Sherry en Galef dat ze beschrijven in het artikel `Cultural transmission without imitation: milk bottle opening by birds' uit 1984. Zij brachten zestien Amerikaanse matkopmezen in contact met plastic koffiemelkkuipjes (zoals je die krijgt in horecagelegenheden). Vier van de vogels maakten het kuipje meteen open tijdens de eerste sessies. De resterende twaalf, minder initiatiefrijke dieren kregen een tweede kans. Zes van de acht dieren die een opengemaakt kuipje voorgeschoteld kregen óf zagen hoe het bakje opengemaakt werd door een soortgenoot, hadden de truc daarna zelf ook door. Vier controlevogels bleven zitten met dichte bakjes. De resultaten van Sherry en Galef verklaren grotendeels de snelle verspreiding van het gedrag. Een kwart van de vogels in hun experiment maakte de melkbakjes open zonder enige aanleiding. Het aangeboren, verkennende gedrag van de mezen zorgt ervoor dat de dieren een nieuwe voedselbron niet snel over het hoofd zien, zo lijkt het. Deze observatie verklaart het grote aantal verspreidingskernen waar Hinde en Fisher zich over verbazen. De overdracht van het gedrag van de ontdekkers naar de rest van de populatie vormt geen hoge drempel. Het kwartje valt al als de mezen een aangebroken melkfles vinden. De aanblik van een melkdrinkende soortgenoot is ook voldoende. Dit leidt overigens niet tot imitatie maar het stuurt waarschijnlijk slechts het normale voedselvergaargedrag naar een nieuwe plaats, de melkfles. Het gemak waarmee de mezen het gedrag aanleren verklaart waarschijnlijk ook het opmerkelijke verloop in Nederland, waar Sheldrake naar verwijst. Aan onze kant van het kanaal spelen koolmezen de hoofdrol. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren er praktisch geen melkflessen in omloop. Pas tegen 1947 en 1948 circuleerden er weer volop flessen. Koolmezen die voor de oorlog geleerd hadden de flessen open te maken, leefden toen niet meer. Dus de na-oorlogse verspreiding van het gedrag in Nederland moet wel te danken zijn aan meervoudige nieuwe `ontdekkingen' ervan. Grappig genoeg trekken Hinde en Fisher deze conclusies over Nederland samen met en dankzij de gegevens van L. Tinbergen. Terwijl ze in een addendum bij hun eerste artikel twee jaar eerder nog zeer correct vermelden dat de heren N. en L. Tinbergen uit Nederland hebben laten weten dat melkflesopenende mezen hen onbekend zijn. Maar van bekrompenheid zijn de Tinbergens niet te beschuldigen. In 1951 heeft L. Tinbergen via vragenlijsten in populaire natuurtijdschriften toch tientallen Nederlandse waarnemingen verzameld. Het mysterie van de verspreiding van de melkdrinkende mezen is dus helemaal geen mysterie. Mezen leren gewoon heel makkelijk om melkflessen open te maken. Dat wekt verwondering omdat melkflessen niet in de natuur voorkomen. De verspreiding pleit dan ook voor de nieuwsgierigheid en het aanpassingsvermogen van mezen, niet voor de morfogenetische velden van Rupert Sheldrake. Literatuur
|