|
Trauma of dissociatie
Interview met Harald Merckelbach
Mishandeling op jeugdige leeftijd
kan later leiden tot dissociatie, zo luidt de communis opinio. De Maastrichtse
hoogleraar Merckelbach denkt echter dat oorzaak en gevolg ingewikkelder
in elkaar grijpen.
Wat zijn de gevolgen van jeugdtrauma's zoals incest of zware fysieke mishandeling?
Naar die vraag is veel onderzoek gedaan. En we weten zo langzamerhand
vrij precies het antwoord. Het gevolg op lange termijn is een heel bepaald
soort psychiatrische klachten dat 'dissociatie' wordt genoemd. 'Dissociatie'
betekent zoiets als 'afsplitsing'. Bij dissociatie splitst een stukje
van het bewustzijn zich af, met als gevolg dat je bijvoorbeeld stukken
van je geheugen kwijt bent. In het ergste geval kan het leiden tot een
ernstige psychiatrische ziekte, de meervoudige persoonlijkheidsstoornis.
Het verband tussen
jeugdtrauma's en dissociatie is de afgelopen jaren zo vaak gevonden dat
hierover geen twijfel meer mogelijk is. Steeds weer scoren mensen die
vertellen dat zij als kind misbruikt of mishandeld zijn, hoger op een
psychologische test waarmee dissociatie wordt gemeten. Mochten er nog
mensen bestaan die denken dat wetenschappen als de psychologie en de psychiatrie
weinig voorstellen, dan blijkt uit deze bevindingen het tegendeel. Hier
is sprake van een keihard wetenschappelijk verband over een belangrijke
kwestie.
Of toch niet? Harald
Merckelbach, hoogleraar experimentele psychologie in Maastricht, vraagt
zich af of we eigenlijk wel zo zeker weten dat jeugdtrauma's leiden tot
dissociatie. Misschien is er sprake van een omgekeerd verband, zo vermoedt
hij. Mensen die hoog scoren op een dissociatietest blijken mensen te zijn
die beschikken over een rijke fantasie en die vaak twijfelen aan de betrouwbaarheid
van hun eigen geheugen. Wie twijfelt aan de betrouwbaarheid van zijn geheugen,
is gemakkelijk te beïnvloeden met suggestieve vragen. Mensen die veel
fantasie hebben en die gemakkelijk beïnvloed kunnen worden, hebben vaker
de neiging om positief te antwoorden op vragen die duidelijk in een bepaalde
richting gaan, bijvoorbeeld vragen over jeugdtrauma's, vooral als die
vragen nogal vaag geformuleerd zijn zoals 'Was er in uw gezin vroeger
iemand die u haatte?'
Als Merckelbach gelijk
heeft, dan is het dus helemaal niet zo zeker dat jeugdtrauma's leiden
tot dissociatie. Maar dan zou het wel eens omgekeerd kunnen zijn: dissociatie
leidt tot jeugdtrauma's, of beter gezegd: wie hoog scoort op een dissociatietest,
is vaker geneigd om vragenlijsten over jeugdtrauma's zo in te vullen dat
het lijkt alsof er een traumatische jeugd is geweest.
Tot dusver hebben
Merckelbach en zijn medewerkers hierover alleen gepubliceerd in de Amerikaanse
psychologische vakliteratuur. Binnenkort zal hij hierover samen met de
rechtspsycholoog Hans Crombag publiceren in het Nederlandse vaktijdschrift
De Psycholoog.
Merckelbach schreef
eerder samen met Crombag een boek, Hervonden herinneringen en andere
misverstanden (1996), over een enigszins vergelijkbare omkering. Dat
betrof een boek over 'hervonden' herinneringen. Soms ontdekken mensen
in psychotherapie iets dat ze nooit eerder hebben geweten, namelijk dat
ze als klein kind seksueel zijn misbruikt. Dat seksuele misbruik zou dan
verklaren waarom ze later problemen kregen en dus in psychotherapie moesten.
Merckelbach en Crombag betoogden dat het waarschijnlijk in veel gevallen
omgekeerd ligt: niet het misbruik is de oorzaak van het in therapie moeten,
maar de therapie leidt tot het creëren van nieuwe herinneringen aan seksueel
misbruik. De herinneringen aan het misbruik zijn pseudo-herinneringen
die het gevolg zijn van suggestie door de therapeut. Ik bezocht Merckelbach
op zijn werkkamer in Maastricht.
I: Professor Merckelbach,
u vraagt zich af of het verband tussen trauma en dissociatie niet precies
omgekeerd ligt. Dissociatie leidt tot hogere scores op vragenlijsten
over jeugdtrauma's. Of, om het eens heel plat te zeggen, mensen die
hoog scoren op dissociatietests, zijn mensen die de neiging hebben om
allerlei jeugdtrauma's te verzinnen?
M: Nee, zo plat
kun je dat niet zeggen. Ik zeg: het is een mogelijkheid die serieus
onderzocht moet worden.
I: Zou het niet
allebei waar kunnen zijn? Dus: trauma leidt tot dissociatie, maar ook:
dissociatie leidt tot trauma in de zin van: wie hoger scoort op vragenlijsten
over dissociatie, heeft de neiging om ook andere vragenlijsten, bijvoorbeeld
over jeugdtrauma's, hoger in te vullen?
M: Ja. Dat zou
best kunnen. Misschien zijn er twee groepen. Enerzijds een groep van
ernstig getraumatiseerden die aan hun afschuwelijke werkelijkheid proberen
te ontsnappen met dissociatie. En anderzijds mensen die heel creatief
zijn en veel fantasie hebben, veel acteertalent, en die langs die weg
tot hoge dissociatiescores komen en veel jeugdtrauma's rapporteren.
M: Ik heb mij afgevraagd
hoe je zou kunnen nagaan welke route waarschijnlijker is. Ik heb onlangs
een traumavragenlijst voorgelegd aan collega's en gevraagd: welke vragen
zijn vager en welke vragen zijn meer specifiek? Daar bestaat behoorlijke
overeenstemming over. Vervolgens heb ik gekeken naar het verband met
dissociatie, en dan blijkt dat het verband tussen trauma en dissociatie
het sterkst is bij die vaag geformuleerde vragen. Dat pas natuurlijk
goed in mijn model.
Kijk, we hebben
te maken met een psychiatrie die dogmatisch gelooft dat dissociatieve
stoornissen altijd veroorzaakt worden door traumatische jeugdgebeurtenissen.
Dat geloof berust vooral op statistische verbanden tussen trauma en
dissociatie. En wat men daarbij over het hoofd ziet, zijn een aantal
dingen die daarmee niet kloppen. Twee voorbeelden. Een onderzoek naar
holocaustslachtoffers, dus mensen die zonder enige twijfel zwaar getraumatiseerd
waren. Die mensen scoorden niet hoger op een dissociatietest. Dat is
raar. Tweede voorbeeld: een studie naar psychiatrische patiënten waarbij
een duidelijk verband werd gevonden tussen dissociatie en jeugdtrauma's,
tenminste als die jeugdtrauma's gemeten werden met een vragenlijst die
de patiënten zelf moesten invullen. Maar als je de hoeveelheid jeugdtrauma's
liet vaststellen door buitenstaanders die de uitvoerige dossiers van
die patiënten hadden bestudeerd, dan was er helemaal geen verband meer.
Dan was er zelfs een licht negatief verband tussen dissociatie en jeugdtrauma's.
Dat is heel merkwaardig.
I: Bent u ooit
in onderzoek iets tegengekomen waarvan u dacht: dat pleit tegen mijn
idee?
M: Er bestaan een
paar studies waarbij mensen die een trauma hebben ondergaan, daarna
zijn gevolgd, en dan zie je inderdaad een lichte stijging van de hoeveelheid
dissociatieve klachten. Dus dan weet je zeker dat er eerst een trauma
was en pas daarna een toename van de dissociatie. Maar dan gaat het
om trauma's zoals het meemaken van een aardbeving. Dat is niet te vergelijken
met het soort jeugdtrauma's waar we het hier over hebben, dingen als
incest, zware lichamelijke mishandeling, dingen die zich in het verborgene
hebben afgespeeld. Dus die studies over bijvoorbeeld zo'n aardbeving
zeggen niet zo veel. Neen, ik ben nooit iets tegengekomen dat echt tegen
mijn idee pleit.
I: Hebben de aanhangers
van het gangbare model trauma leidt tot dissociatie al
gereageerd op uw nieuwe idee?
M: Neen. Het is
wel zo dat als je artikelen hierover aanbiedt voor publicatie, dat je
dan vaak extra streng beoordeeld wordt. Of men zegt: dat wisten we toch
al?
I: Bent u niet
bang dat de verkeerde mensen gebruik gaan maken van uw idee? Dat een
incestpleger tegen de rechter zegt: professor Merckelbach heeft bewezen
dat het helemaal niet zeker is dat incest leidt tot latere psychiatrische
klachten?
M: Dat zeggen die
incestplegers ook wel zonder mij. Maar als het gaat om de rechtszaal,
dan wil ik daar een andere kanttekening bij plaatsen. Stel, je hebt
een rechtszaak met een vrouw die zegt dat zij het slachtoffer is van
incest, dan komen getuige-deskundigen nogal eens aanzetten met de hoge
dissociatiescore van zo'n vrouw als extra aanwijzing dat ze vroeger
inderdaad echt misbruikt is. En die redenering is dus veel te snel.
Dat is het belang van mijn idee voor de rechtszaal.
I: Is uw idee nieuw?
M: Als mogelijkheid
is het wel eens terloops geopperd. Niemand heeft ooit eerder geprobeerd
om het serieus te onderzoeken.
I: Vindt u het
leuk om al die eerdere traumaonderzoekers onderuit te halen?
M: Neen. Het is
oprechte nieuwsgierigheid naar: hoe zit dat nou? Want soms vind je inderdaad
hele sterke verbanden tussen trauma en dissociatie, bijvoorbeeld bij
psychiatrische patiënten die zichzelf verwonden. Ik wil weten hoe dat
daar zit. En als er een werkelijk goed onderzoek komt dat aantoont dat
er eerst trauma is en daarna dissociatie, dan zal ik ook direct toegeven
dat ik blijkbaar een verkeerd idee heb gehad.
Han
Israëls is publicist. Hij schreef onder meer De Weense kwakzalver:
Honderd jaar Freud en de freudianen (Bert Bakker, 1999).
|