Twijfel aan de Maas
Het tiende Europese Skeptische Congres
Kennis
steunt op waarschijnlijkheid en niet op zekerheid, zo luidt het credo
van skeptici. In september kwamen beroepstwijfelaars uit de hele wereld
bijeen in Maastricht. Alles moet bewezen! Verder zijn ze doodnormaal.
Waarschijnlijk.
Alan, een schoolhoofd uit Noord-Londen, maakt tijdens een vrijwillige
stadswandeling de voor de hand liggende grap: 'Ik betwijfel iedere keer
of de opgegeven locaties in de folders wel kloppen, maar heb de informatie
nooit nagetrokken. 'I guess I'm not a very good skeptic'.
Het skeptische mensentype bestaat niet, althans niet wanneer je
afgaat op uiterlijke kenmerken van de bezoekers van het 10de Europese
Skeptische Congres, georganiseerd door de Stichting Skepsis.
Skeptic Magazine neemt in het colofon een vast tekstblok
op, 'What is a skeptic?', zodat kandidaat-bekeerlingen meteen weten waar
ze aan toe zijn. Skepticisme is geen cynisme; skeptici verzetten zich
niet tegen iedere verandering van de status quo. De skepticus ontkent
niet bij voorbaat dat een bewering waar zou kunnen zijn, hij wil alleen
eerst bewijzen zien; 'Skeptics are from Missouri - the "show me"
state.' Skepticisme is een methode, geen stellingname, en conclusies over
de aard van de verschijnselen zijn altijd voorlopig. De skepsis navigeert
tussen het totale relativisme ('we weten niets' - dit soort pyrronisme
is logisch tegenstrijdig, maar op deze paradoxen zullen we niet ingaan)
en goedgelovigheid door.
Kopgooi-energie
De skepticus zal dus wel weer niet bestaan, maar rond de lectuurtafels
is toch een kalme saamhorigheid voelbaar. Hier hoeft niemand zijn Missouritrekjes
te verdedigen. Er zijn afleveringen te koop van Skeptic en van
Skeptical Inquirer, en een encyclopedie over paranormale en occulte
fenomenen - honderden pagina's debunkery voor de liefhebbers.
De vergevingsgezinde gelaatstrekken van de Dalai Lama prijken op de omslag
van Dalai Lama : Fall eines Gottkönigs, waarin wordt betoogd
dat de geschiedenis van het lamaïsme is doortrokken van geweld en onderdrukking.
Volgens de auteur blonk het Tibetaans boeddhisme vanouds uit in demonengeloof
en vrouwvijandigheid, en wanneer je goed naar de lama luistert hoor je
nogal wat gemeenplaatsen en uitspraken van 'verdacht rechtse signatuur'.
Michael Shermers prachtige maar helaas nog onvertaalde Why do People
Believe Weird Things is prominent aanwezig. Ik krijg een mooie kleurenfoto
van Shermer, hoofdredacteur van Skeptic Magazine. 'The master
himself,' zegt verkoper Lee Traynor, die heeft geraden wat ik dacht.
Halverwege de jaren '70 werd, in het kielzog van de beroemde Gauquelinaffaire
(een Franse psycholoog construeerde een correlatie tussen geboortedata
en -tijden van topsporters en de positie van de planeet Mars, het 'Marseffect'),
het Committee for the Scientific Investigation of Claims of the Paranormal
(CSICOP) opgericht, geleid door filosofieprofessor (thans emeritus) Paul
Kurtz. In het tijdschrift van CSICOP, de Skeptical Inquirer,
worden maand na maand bijgelovige koppen gesneld en misverstanden opgehelderd.
Het vuurdansen wordt ontmythologiseerd door uit te rekenen hoeveel tijd
vuur nodig heeft om een haastig passerende voet te beschadigen en paranormale
bijzonderheden worden ontmanteld aan de hand van hardvochtige statistiek.
De wiskundige Underwood Dudley stelt in de Skeptical Inquirer
van September 1998 (22.5) een experiment voor dat je eigenlijk niet eens
meer hoeft uit te voeren om er iets mee te bewijzen. Je geeft aan een
groepje mensen de opdracht een munt op te gooien, waarbij wordt afgesproken
dat de kopgooiers steeds mogen blijven staan. Na één worp is ongeveer
de helft over, en na twee worpenstaat er nog pakweg een kwart. Je hebt
een kans van ongeveer 5 tegen 2 (iets preciezer: 0,72) dat er uiteindelijk
precies één persoon overblijft die zonder uitzondering koppen heeft geworpen.
Als je met een zaal van over de duizend personen begonnen bent, heeft
die ene persoon rond tien maal achter elkaar kop gegooid en die moet dan
wel heel sterk in zijn skeptische schoenen staan, wil hij zichzelf niet
voor een geniale werper houden. Volgens Dudley zal hij vermoedelijk interviews
aan de media geven, waarbij hij zijn trainingsmethode toelicht en uitspraken
doet van het type: 'Ja, vlak voor de laatste worp was ik gespannen, heel
erg gespannen zelfs, maar ik voelde de kopgooi-energie gewoon door mijn
aderen stromen, en toen het muntje in de lucht hing was ik volslagen kalm.'
Het is niet zo dat skeptici ongeacht het onderwerp de alles-moet-plat-methode
toepassen. Ze zouden dan geen gewetensvolle skeptici meer zijn. Zo kregen
hypnose, leugendetectors en vitamine C tot op heden vrijspraak wegens
gebrek aan bewijs. Van de abonnees (van het Amerikaanse blad Skeptical
Inquirer) gelooft 16,37 procent in God, zal Kurtz later vertellen.
Er is geen noodzakelijk conflict tussen religie en skepsis, maar de overgrote
meerderheid van de skeptici is wel degelijk atheïst en vrijdenker.
Aardige Mengele
De Brit Wayne Spencer gooit zaterdagochtend met zijn lezing 'Skepticism
in the Twenty First Century' de knuppel in het hoenderhok met de stelling
dat het voor skeptici geen zin heeft om voor de televisie te verschijnen.
Uit onderzoek zou zijn gebleken dat kijkers in hoge mate informatieresistent
zijn, en omdat skeptici het van televisieonvriendelijk argumenteren moeten
hebben is het nuttige effect nihil. Ze kunnen maar beter boeken schrijven,
aldus Spencer. Vaak zijn sceptici te populistisch; ze moeten nauw samenwerken
met academici, en resultaten van degelijk onderzoek wijd en zijd bekend
maken (we herinneren de lezer maar even aan initiatieven als de Simonyi-leerstoel
in Engeland, bezet door Richard Dawkins, die gericht is op het begrijpelijk
maken van wetenschappelijke resultaten en het verminderen van de weerstand
tegen de wetenschap). Skeptici moeten een brede blik hebben: ze zouden
alle nationale en sociale mythen ('de vrije
wereld', 'de vrije markt', allerlei vormen van nationale 'grootheid')
aan een onderzoek moeten onderwerpen, en verder moeten ze hun tegenstanders
met respect behandelen, in de geest van Spinoza - niet belachelijk maken,
maar proberen te begrijpen.
Skeptici hebben zo hun eigen vooroordelen, en ze kunnen op basis
daarvan de neiging ontwikkelen om paranormale 'gelovigen' voor idioten
te verslijten. Dat is niet terecht; hun tegenstanders kunnen ook denken,
maar ze denken, naar skeptische maatstaven, niet kritisch genoeg (en,
zouden we eraan kunnen toevoegen, ze hebben andere temperamenten, dus
andere doelen dan skeptici; recent onderzoek suggereert dat personen met
grotere prefrontale lobben meer kans hebben om religieus te worden; dit
zou gefundenes Fressen zijn voor de consequente materialisten onder ons,
maar het is vermoedelijk niet wat de oude mystici bedoelen met de 'wijsheid
van het lichaam'). Skeptici moeten hun tegenstanders niet medicaliseren;
'extra-ordinary beliefs do not require extra-ordinary causes', waarschuwt
Spencer. Vijandige benaderingen kunnen de halsstarrigheid van pseudo-wetenschappers
versterken, en dat is niet het doel dat we willen bereiken met de skepsis.
De Belgische
filosoof Van Bendegem kiest voor een tamelijk provocerende invalshoek.
Hij erkent dat er meerdere 'logica's' bestaan, maar hij maakt wel duidelijk
dat zijn positie verre van postmodern is; wanneer hij moet kiezen tussen
Richard Rorty en Susan Haack, kiest hij voor Haack (auteur van het hogelijk
geprezen Evidence and Inquiry, Towards Reconstruction in Epistemology).
Skeptici blijven volgens Van Bendegem na een debat vaak gefrustreerd achter
omdat ze geen greep krijgen op de gladde pseudo-argumentatie van hun opponenten.
Maar wanneer de onvrede wordt geventileerd met een meta-opmerking ('uw
argumenten kloppen niet, omdat ...' ) neemt de verwarring alleen nog toe.
Van Bendegem stelt voor om drogredenen met drogredenen te vergelden. X
claimt dat God bestaat, omdat er geen bewijs tegen bestaat, maar zijn
tegenstander, de skepticus, betaalt met gelijke munt terug: UFO's, toverheksen,
Beëlzebub bestaan, omdat er geen doorslaggevende tegenbewijzen voorhanden
zijn. Beide redeneringen zijn ondeugdelijk. Je kunt nooit iets aantonen
louter en alleen met een gebrek aan tegenbewijzen. Toch zit X klem, omdat
hij met zijn eigen logica wordt bestreden. De geruchtmakende Sokalaffaire
(zie Skepter, december 1998) was een schitterend voorbeeld van
bestrijding-met-eigen-middelen. Iemand uit het publiek roept dat deze
valsspelerij uiteindelijk tot problemen zal leiden, waarop van Bendegem
antwoordt dat hij zich daarvan terdege bewust is. Het kan geen kwaad zo
nu en dan af te dalen naar het niveau van de tegenstander, zo lijkt hij
te suggereren, en dagvoorzitter Joop Doorman schiet hem te hulp door te
herinneren aan Aristoteles, die in zijn Ethika Nicomacheia heeft
beweerd dat er in de moraal geen strikte regels bestaan. Wel herinnert
Van Bendegem aan de hem zeer sympathieke conversatieregels van
H.P Grice, die heeft bedacht dat de 'ideale debater' informatief is, uitspreekt
wat volgens hemzelf waar is, met relevante informatie komt en altijd zo
duidelijk en helder mogelijk is. Wie zou hier tegen kunnen zijn?
Mogens Winther, leraar astronomie uit Denemarken (in het curriculum
van de middelbare scholen daar zijn er vier uren per week gereserveerd
voor astronomie - een verstandig volk, die Denen) beschrijft hoe astrologen
en astronomen in conflict raakten toen een volkssterrenwacht, om uit de
financiële nood te raken, het voornemen had om de steenrijke en succesvolle
astroloog Ole Gilber cursussen te laten verzorgen in zakenastrologie (het
selecteren van sollicitanten op basis van horoscoopgegevens). Men stuurde
Gilber de anonieme geboortegegevens van dokter Mengele op, die Gilber
ervan overtuigden dat '16 maart 1911' een vergevingsgezind persoon was
met weinig vijanden, iemand die goed met mensen kon werken. Gilber bleek
een slecht verliezer. Hij beweerde dat hij meer informatie nodig had,
men stuurde hem de precieze gegevens van een Amerikaanse seriemoordenaar
(vergelijkbaar resultaat) en de kranten stonden wekenlang vol. Winther
liet foto's zien die zijn leerlingen in het schoolobservatorium gemaakt
hebben (een hele mooie van de Andromeda Galaksen M31, op een
afstand van 2,2 millionen lysår) en hij besluit met een grafiek
waaruit blijkt dat de gevreesde zonsverduistering ditmaal gepaard ging
met stijgende beurskoersen.
Grote crisis
In de lunchpauze zijn er geen broodjes, dus zwerven de skeptici
uit over Maastricht. Ze halen aan het Vrijthof herinneringen op aan het
Wereldcongres in Heidelberg, vorig jaar, en ze zijn te laat terug voor
de volgende spreker, de Italiaanse psycholoog Massimo Polidoro, die aantoont
hoe je 'telekinese' kunt verklaren aan de hand van statische elektriciteit
en die vervolgens laat zien dat hij het lepeltje-molesteren van Uri Geller
ook beheerst. Dr. Christopher French beweert dat goede skeptici zeldzaamheidswaarde
hebben. Hijzelf komt zo vaak op de televisie dat zijn familie denkt dat
hij dood is wanneer hij twee dagen niet voor de camera's is verschenen.
'Je zou je haast gaan verhuren onder het motto "You name it, I doubt
it." Je tegenstanders heten meestal Zelda,' zegt hij, 'en professoren
astronomie staan altijd aan jouw kant.' Skeptici hebben het nadeel dat
ze koud en afstandelijk lijken, terwijl pseudo-wetenschappers graag de
rol van warme en ontvankelijke persoonlijkheden spelen. De boodschap van
de skeptici is domweg niet comfortabel: ze formuleren inzichten als 'de
dood is het moment waarop biochemie in chemie verandert', en de mensen
willen zo graag leuke dingen horen. Het probleem met tv-optredens is,
dat de bewijsvoering vaak anekdotisch en lichtverteerbaar moet blijven,
maar hij verzet zich tegens Spencers visie - hoe dan ook is het uitdragen
van een kritische boodschap voor de televisie zinvol. Skeptici, zegt French,
komen vaak over als arrogante 'ik-weet-alles'-types; ze zouden duidelijk
moeten maken dat ze niet zozeer de ervaringen, maar de interpretaties
bestrijden (ik herinner hier aan Susan Blackmores prachtige werk op het
gebied van de bijna-doodervaringen, die zij minutieus ontleedt op basis
van bevindingen van modern breinonderzoek - een schoolvoorbeeld van een
zinvolle kritische benadering; zie hiervoor ook de bundel Encounters
with the Paranormal, geredigeerd door Kendrick Frazier, hoogtepunten
uit vele jaargangen Skeptical Inquirer).
Halverwege de zaterdagmiddag springt Paul
Kurtz overeind om spontaan zijn zorg uit te spreken over de toekomst van
de skepsis. Vijfennegentig procent van de Amerikaanse televisieprogramma's
vertoont volgens hem een paranormale voorkeur. Er is sprake van een major
crisis.
Michael Heap behoort tot het soort saaie sprekers dat toch een boeiend
verhaal vertelt, in dit geval over hypnose, niet op te vatten als een
geestesgesteldheid, maar als gedrag dat mensen onder sommige omstandigheden
nu eenmaal vertonen. Zijn verhaal over de wijze waarop Mr. Nixon - zogenaamd
na een hypnotische groepssessie - zijn meubilair seksueel te lijf gaat
is kostelijk, te meer daar Heap geen enkele moeite doet het verhaal 'leuker'
te maken - de pure feiten zijn van een hilarische kwaliteit. De term 'trance'
wordt veel gebruikt, maar die heeft weinig of geen verklarende waarde;
mensen zijn al bereid om te gaan hallucineren wanneer je hen gewone lucht
laat inademen met de naam 'hypnotisch gas'.
Prof. dr. Peter van Koppen verklaart waarom getuigen liegen en onbetrouwbaar
zijn. Toeschouwers bij de doodslag op Meindert Tjoelker neigden ertoe
van alles niet gezien te hebben, uit angst te worden geconfronteerd met
de vraag waarom ze niet ingegrepen hadden. Therapeuten denken soms te
snel aan seksueel misbruik; patiënten herinneren zich eerst niets, worden
aangemoedigd door de belangstelling en aandacht van de therapeut, en 'herinneren'
zich vervolgens steeds meer (ook de oude Freud werd naar verluidt wel
door dit verschijnsel geplaagd). Bij Jolanda uit Epe was er inderdaad
sprake van enig seksueel misbruik, maar de verhalen werden overdreven.
Patiënten deinzen er niet voor terug om de meest onwaarschijnlijke feiten
te verzinnen, en rechtbanken zijn ook niet altijd even sterk in het beoordelen
van waarschijnlijkheden.
Mark O'Leary bespreekt het overdreven Britse wantrouwen rond genetisch
gemanipuleerd voedsel. Engelse kranten komen bij voorkeur met koppen als
MUTANT CROPS COULD KILL YOU, een typisch voorbeeld van wat O'Leary 'Britse
gebalanceerdheid' noemt. Er bestaat in Albion een traditie in het wantrouwen
van multinationals; mensen geloven de overheid niet erg, waar nog bij
komt dat veel verhalen over genetica wortelen in het equivalent van de
Nederlandse komkommertijd, het 'silly season'; hier zou, meent O'Leary,
een schone taak voor skeptici kunnen liggen. Zijn boodschap is, dat veel
GM-praktijken niet erg verschillen van traditionele kweekpraktijken, maar
hierover zijn de meningen in de zaal verdeeld. In de wandelgangen wordt
er, naar aanleiding van O'Leary's verhaal, fanatiek gediscussieerd over
de firma Monsanto en de roemruchte, maar nog niet geproduceerde terminator
seeds (die de boer verplichten om ieder jaar opnieuw genetisch gemanipuleerd
zaad te kopen; in de Herald Tribune stond deze week dat Monsanto
stopt met deze ontwikkeling, tenzij misschien 'voor eigen gebruik').
Het is tijd geworden om aan boord te gaan, de Maas op, in zuidelijke
richting. Er is nog geen moonlight, maar wel twee magnifieke
bijzonnen. Ik realiseer me dat ik nog nooit met zoveel skeptici op een
boot heb gezeten, al weet ik dat niet helemaal zeker. Op het benedendek
wordt vlees geserveerd, op het bovendek vis. Mijn Britse disgenoten kijken
niet naar buiten, maar bespreken de onwaarschijnlijke gladheid van Tony
Blair en de zegeningen van de astrologie.
Amerikaanse Mozes
'Skepticisme is het instrument van de rede tegen het georganiseerde
irrationalisme' schrijft Stephen J. Gould in het voorwoord van Shermers
boek. Op zondag krijgen we de laatste zware dosis georganiseerd wantrouwen
toegediend. De Duitse architect Gerd Aldinger - hij spreekt nog slechter
Engels dan Nederlandse politici - bevestigt het vermoeden dat voor fengshui,
'een astrologie van de environment,' geen deugdelijk bewijs bestaat, en
dat de fengshuiboeken voornamelijk foto's tonen die in ieder normaal architectuurboek
hadden kunnen staan. Aldinger doet zijn best om zijn gehoor duidelijk
te maken wat Qi betekent - het is niet materieel, het is er wel en het
is er niet, je kunt het eigenlijk niet meten (dit zou onze Dr. Boerhaave
vervelend hebben gevonden). Toch bellen Amerikaanse projectontwikkelaars
die in Hong Kong een gebouw willen neerzetten zuchtend de lokale sjamaan.
De huidige populariteit van fengshui zegt volgens Aldinger wel iets over
de Zeitgeist; het verschijnsel lijkt onschuldig, maar het kan fungeren
als transportmiddel van een hoop andere occulte flauwekul.
Daarna maakt Jacques Theodor, een in Monaco wonende Belg, korte
metten met achtereenvolgens de morfopsychologie (de ook voor hoger opgeleiden
verleidelijke leer die een causale relatie veronderstelt tussen gelaatstrekken
en karakter) en de grafologie als selectiemethode: hoe ver mogen je schrijfletters
achterover leunen voordat je onverbiddelijk als 'emotioneel geremd' wordt
geboekstaafd? En wat betreft andere occulte methoden, zoals numerologie,
tarot en astrologie: Hoe zou het zijn om als sollicitant te moeten vernemen
dat er na onderzoek sprake blijkt te zijn van een 'zodiakale incompatibiliteit'
tussen werkgever en aspirant-werknemer?
Henri Broch presenteert de resultaten van zijn college zetetica,
een methode die studenten wil aanleren verschijnselen kritisch en analytisch
te benaderen. 'Zich vergissen is menselijk', luidt het zetetisch devies,
'maar zich voortdurend vergissen niet.' En het poëtische motto van zijn
cursus luidt: 'het recht te dromen wordt beschermd door de plicht tot
waakzaamheid.'
Paul Kurtz mag het congres besluiten. Hij houdt niet zijn voorbereide
lezing, maar posteert zich als een docent voor zijn toehoorders en vraagt
hen spontaan te reageren op de combinatie wetenschap-religie. De aanwezigen
zijn het er wel over eens dat religie niet verboden is - 'bijgeloof is
het geloof van de anderen' - maar er wordt ook op gewezen dat wanneer
de claims betrekking hebben op verifieerbare gegevens, het de wetenschap
vrij staat om zich met deze 'overschrijdingen' te bemoeien. Er is iets
ontroerends aan Kurtz, zoals hij daar staat en ons met brede maar breekbare
armgebaren uitnodigt om mee te denken: een Mozes van de East Coast die
zelf het beloofde land van een kritisch denkende mensheid niet meer zal
binnentrekken.
Ted de Hoog is freelance journalist. Een versie van dit artikel verscheen
op 6 oktober in de Groene Amsterdammer.
HOMEPAGE SKEPSIS
|