|
De
wortels van irrationeel geloof

Samenvatting
Mensen zijn van oudsher geneigd tot antropomorfe verklaringen van de wereld.
Oorzaak en gevolg worden dan doelgerichte handelingen van supermensen
die niets menselijks vreemd is, soms goed en soms slecht zijn en die zich
uiteraard voornamelijk voor mensen interesseren. Deze wezens hebben altijd
bestaan en beloven eeuwig geluk, omdat anders de vraag naar de ultieme
oorzaak en het ultieme doel in de lucht blijft hangen. Deze wezens worden
gevreesd en bewonderd, en men kan ze maar beter te vriend houden en hun
hulp afsmeken. Ook ellende en onrecht krijgen zo een plaats, namelijk
als straf, ondoorgrondelijk raadsbesluit of iets dat uiteindelijk rechtgezet
zal worden. Daarom zal geloof in deze wezens nog wel lang bij ons blijven.
Ik wil het vandaag hebben over de vraag waarom de mensheid mythologische
en religieuze systemen heeft ontwikkeld en in allerlei rationele onzin
gelooft. Ik versta onder rationele onzin overtuigingen die strijdig zijn
met het wetenschappelijk wereldbeeld of die niet uit wetenschappelijke
theorieën (op basis van methodische observatie en experiment) afleidbaar
zijn, ofwel vanuit het rationele ervaringsdenken geen goede gronden hebben
om ze te geloven. Het gaat om dus om de historische genese van irrationele
geloofssystemen. Hoe zijn die in de wereld gekomen en waarom leven zij
nog verder.
We moeten vertrekken van de benepen positie van de primitieve mens. Ik
bedoel primitief dan niet als waardeoordeel, maar ik doel op de mens die
leefde voor het wetenschappelijk-technologisch tijdperk.
De primaire ervaring die de primitieve mens had, in een wereld die hem
ontredderde en overweldigde, waarin allerlei dingen gebeuren die hij niet
begreep en dus niet kon verklaren, was de ervaring van zijn eigen
pragmatisch handelen.
Met die ervaring van het eigen handelen bedoel ik het paradigma of het model
of verklaringsschema van het doelgericht handelen van hemzelf als actor. De
mens is een wezen met behoeften en emoties en hij ontwikkelt doelstellingen.
Hij gaat dan over tot trial and error, hij probeert, faalt en probeert
opnieuw, tot hij het gedrag kan selecteren dat efficiënt is om zijn
behoeften en emoties te bevredigen.
Die primaire ervaring is zowel de basis van de latere rationaliteit als, zoals we
zullen zien, van irrationele voorstellingssystemen.
Zij is de basis van de technische rationaliteit omdat
dat trial and error-proces
om doelstellingen te realiseren geleid heeft tot het ontdekken van
doelmatige acties en handelwijzen. Zo zijn bijvoorbeeld de Polynesiërs
er in geslaagd zijn te ontdekken dat ze hun kano's moesten stroomlijnen om
efficiënt door het water te klieven. We zien tegelijkertijd dat diezelfde
Polynesiër de regen verklaart als een bode van de goden die water naar
beneden kapt uit de wolken, een irrationele voorstelling dus.
Dat paradigma van een actor die een behoefte heeft en probeert
efficiënt handelen te vinden, en dat ook vindt, is dus de basis van
technologische rationaliteit maar ook van veel irrationaliteit.
In dat paradigma leert de primitieve mens oorzaak-gevolgrelaties te leggen en
verklaart hij fenomenen en gebeurtenissen in termen van oorzaak en gevolg.
Evenwel niet oorzaak en gevolg zoals wij dat nu begrijpen in het
natuurwetenschappelijke model, maar oorzaak en gevolg in de betekenis van
actie van actoren en hun effect.
Dat betekent dat de primitieve mens al wat gebeurt verklaart als gevolg van
acties van actoren die bepaalde intenties hebben en daartoe bepaalde
middelen aanwenden. Dat is de eerste primaire ervaringskennis waarover de
zogenaamd primitieve mens beschikt. Wat gebeurt er dan? De wereld zoals
die aan hem verschijnt is een massale veelheid van verpletterende indrukken,
fenomenen, gebeurtenissen die hem te boven gaan, waar hij cognitief en
pragmatisch geen greep op krijgt. En wat doet hij dan: op basis van dat
primitieve model van zijn eigen pragmatisch handelen (van actor
doelstellingen effecten) doet hij aan een schaalvergrotende
projectie. Hij gaat al die fenomenen en gebeurtenissen, die hij niet begrijpt
en niet kan controleren, verklaren door op een antropomorfe manier, dus naar
menselijk model, superactoren te ontwikkelen. Hij gaat de natuur
personifiëren door achter alle fenomenen en gebeurtenissen actoren te
zoeken. Maar actoren die gezien de grootschaligheid van wat zo'n indruk op
hem maakt, grotere actoren zijn dan hijzelf, superactoren aan wie hij dan
intenties en acties toeschrijft die de hele natuur vanuit dat geprojecteerde
antropomorfe model verklaren. Hierdoor ontstaan dan zijn
mythologieën. Op die manier ontstaan goden, halfgoden, geesten,
demonen, engelen, duivels, heiligen enzovoort, naar gelang de mythologie in
kwestie. In de latere evolutie doet de inventieve narratieve verbeelding dan de
rest. Zij legt tussen al die superactoren en hun intenties en acties allerlei
verbanden en samenhangen, tracht het beeld eenheid en volledigheid te
verlenen, probeert er eventuele contradicties uit weg te werken, maakt er hele
kosmogonische, theogonische en antropogonische vertellingen van.
Het voordeel van dit primitieve verklaringsschema heeft te maken met het
scheermes van Ockham: het eenvoud zoekende,
complexiteitsreducerende beginsel van de menselijke verklaring. Dat wil
zeggen dat men zoekt naar zo eenvoudig mogelijke paradigma's om er zoveel
mogelijk fenomenen mee te kunnen verklaren. Men zoekt een cognitive
mapping of the world, het cognitief in beeld brengen van de wereld. Een
zeer beperkt aantal schema's waarmee we maximaal vreemde fenomenen
kunnen verklaren. Op die manier zet de primitieve mens het onbekende om in
het bekende, het onvertrouwde in het vertrouwde, het verwarrende en
ontredderde en angstaanjagende in iets waar tegenover hij een
accomodatie-psychologie kan ontwikkelen, een werkelijkheid waarbij hij zich kan
neerleggen, waaraan hij zich kan aanpassen, waardoor hij niet meer
geparalyseerd wordt.
Daar komt dan, zoals gezegd, de schier onuitputtelijke rol van de verbeelding
bij, denk bijvoorbeeld aan het hindoeïsme met de Veda's, de
Ramayana, de Mahabaratha, om alle fenomenen die door dat
verklaringsschema opgeroepen worden, met elkaar in verbinding te brengen,
zo volledig mogelijk te maken, tegenstellingen er uit te verwijderen; om dus
die superactoren allerlei relaties te doen aangaan, allerlei rollen te doen
spelen. De rol van de verbeelding om het geheel te totaliseren, te ordenen, in
samenhang te brengen. Van daar de gedetailleerde uitwerkingen van
mythologische verhalen als ingewikkelde gehelen. Op die manier ontstaat
tegelijkertijd een begin van wat we nu moraal noemen.
Goede bedoelingen
Men past op die actoren een tweede paradigma toe dat de primitieve mens in
zijn primaire ervaring heeft: dat van goede en kwade bedoelingen. Dit is een
socio-affectief paradigma. Men kan ten aanzien van zijn medemens goed
willen, men kan kwaad willen, men kan hem willen bevorderen, men kan hem
willen schaden, men kan er sympathie voor hebben, men kan er antipathie
voor hebben, men kan er agressie tegen plegen of er vriendschap mee
onderhouden, en dat levert een primaire ervaring van goed en kwaad.
Welnu ook hier treedt weer die projectie op, ook dit wordt geprojecteerd op
die superactoren, zodanig dat men een tweedeling krijgt, een dualisme van
goede geesten of goede goden tegenover kwade geesten of kwade goden die
dan verantwoordelijk geacht worden voor goed en kwaad op de wereld en in
de eigen gemeenschap. Die superactoren doen goede en kwade dingen in de
wereld, afhankelijk van hun intenties. Op die manier ontstaat naast een
cognitieve mapping of the world een evaluatieve mapping met
enerzijds dingen die mensvriendelijk of mensbevordelijk zijn en die anderzijds
mensonvriendelijk, mensvijandig, mensschadelijk zijn. Op die manier krijgt
men een elementaire irrationele notie van wat wij later moraal zullen
noemen.
De basiservaring is dus de groepservaring van de normen die in hun
gemeenschap tot ontwikkeling komen inzake de relaties ten opzichte van de
medemens: weldoen, kwaaddoen, koesteren, afweer, sympathie, antipathie,
bewondering, walging, enz. Ook dit socio-affectieve paradigma wordt dus
schaalvergrotend op de superwezens en daardoor op de hele natuur en
kosmos geprojecteerd.
Van belang is dus goed voor ogen te houden dat al wat de primitieve mens
begint te ontwikkelen aan geloof in essentie eigenlijk te maken heeft met zijn
dubbele basiservaring. De ervaring van zijn eigen acties en de ervaring van
zijn eigen relaties ten opzichte van de groepsleden. Men kan psychologisch
het geheel van die mythologieën verklaren vanuit die twee paradigmata.
Greep op de gebeurtenissen
Wat er dan verder gebeurt met die geprojecteerde primaire ervaring is dat
men op die fenomenen die men verklaart vanuit superactoren weer greep
tracht te krijgen. Men probeert ze terug te brengen tot de primaire
pragmatische ervaring. De primitieve mens probeert, dat wat hem te boven
gaat en wat hij toeschrijft aan superactoren, toch weer onder zijn eigen
pragmatische controle te brengend door te proberen er invloed op uit te
oefenen door twee dingen: directe magie en indirecte magie.
Directe magie is een poging om door efficiënt gewaand (maar in de
praktijk inefficiënt) gedrag de fenomenen die men door superactoren
verklaart, toch zelf te beïnvloeden.
Indirecte magie zijn alle rituele handelingen die men laat plegen door
bemiddelende tussenpersonen (bijvoorbeeld sjamanen, priesters, extatische
figuren) om via die superactoren invloed uit te oefenen, om die superactoren
te vragen (bidden, smeken, gunstig stemmen, offers brengen) bepaalde
acties te ondernemen of bepaalde intenties te doen realiseren. Denk hierbij
aan bidden, offeren, bezweren, aanroepen, aanbidden, liturgie, enz.
Dat zijn (uiteraard slechts enkele) basismechanismen die verklaren hoe
mythologieën en religies ontstaan.
Waarvandaan en waartoe?
Daar komt nu een heel andere factor bij die te maken heeft met de aard van
het menselijk brein. Het menselijk brein zit zo ineen dat het niet in staat is
twee specifieke vragen niet te stellen, met andere woorden dat het
genoodzaakt is die twee vragen wel te stellen. Dat is ten eerste de
waarvandaan-vraag en ten tweede de waartoe-vraag.
Wat bedoel ik met de waarvandaan-vraag? Als alles een keten is van
acties van actoren en als de acties van de ene actor de acties van de andere
actor verklaren, waar komt alles dan initieel vandaan? Waar komen dan de
eerste actoren, of de eerste oeractor in de monotheïstische religies,
vandaan? Modern vertaald, als alles wat gebeurt het gevolg is van
antecedenten, waar komt dan het eerste antecedent vandaan? Denk aan
Aristoteles' schijnoplossing van de eerste onbewogen beweger. Dit
leidt dus tot een scheppingsgedachte. Als al wat is en gebeurt het gevolg is
van acties van superactoren, dan moet de totaliteit van wat is ook berusten op
de actie van een superwezen. Men introduceert dan een schepper, een
maker, een architect. Maar het menselijk brein loopt daarop te pletter, omdat
niemand (ook geen enkele moderne theoloog) kan antwoorden op de vraag
waar die oeractor dan vandaan komt, waar die God dan vandaan komt, waar
de Ouranos en Gaia uit de Griekse mythologie dan vandaan komen. Het
menselijk brein kan niet stoppen, het voert een regressus in infinitum
door. Als alles het gevolg is van acties, waar is dan de eerste actie en wat is
er dan vóór die eerste actie? Men gebruikt dan stoplappen van het menselijk
denken en vragen. Men stelt: de oeractor is eeuwig, heeft altijd bestaan, heeft
geen begin (en ook geen einde). Een stoplap waarvan men dan zegt dat het
een mysterie is. Maar toch stopt het menselijk brein niet, zo'n stoplap
bevredigt het menselijk brein niet, want je kunt altijd de vraag stellen: en wat
was er dan daarvoor? Je kunt dat in de moderne tijd vergelijken met de
relativiteitstheorie van Einstein, die is voor het menselijk brein niet bevattelijk,
niet aanvaardbaar, omdat als iemand zegt 'het heelal is eindig' het
brein niet kan nalaten te vragen wat er dan daarnaast is?
Dan is er de waartoe-vraag. Het paradigma van de actor die
doelstellingen heeft en iets wil realiseren, leidt er toe, omdat het menselijk
brein zo in elkaar zit, dat het zich noodzakelijk afvraagt; waartoe dient dat
dan? Nu is in het latere natuurwetenschappelijk rationele wereldbeeld, dat het
onze is, die vraag een metafysische nonsensvraag: waartoe dient het heelal?
Een vraag waar vanzelfsprekend geen antwoord op is. Maar het menselijk
brein kan blijkbaar niet nalaten die vraag te stellen binnen het paradigma van
actor en effect; als iets het gevolg is van een actie met een bedoeling, dan
moet al wat bestaat een plan hebben.
Op die manier ontstaat in mythologieën en religies de
finaliteitsgedachte, de vraag naar de teleologie. Men ontwikkelt de gedachte
dat alles evolueert naar een eindtoestand, naar een punt omega. Vandaar in
monotheïstische religies de gedachte van de heilsgeschiedenis. Een
toekomstige eeuwigheidsgedachte, die dan begrijpelijkerwijs euforisch wordt
ingevuld; een eindtoestand waarin alle onrechtvaardigheden en
ondraaglijkheden van het menselijke bestaan opgeheven zullen zijn.
Maar opnieuw loopt het brein zich te pletter. Want ook over die eindtoestand
(de Elysische velden, het paradijs van de islam of van het christendom, de
terugkeer van Jahweh) stelt het brein de vraag: als je dat zo invult, hoe moet
je dat punt omega dan denken, wat is er de concrete inhoud van? Men
ontwikkelt dan weer antropomorfe voorstellingen: rijstpap met gouden
lepeltjes eten. Behalve in volkse versies van de religies zijn die noties van die
eindtoestand denotatief in hoge mate leeg, maar connotatief rijk. Wat wil dat
zeggen? De denotatie van een begrip is het geheel van feiten waar het begrip
naar verwijst. Noties van paradijs en nabestaan hebben geen duidelijke feiten
waarnaar ze verwijzen. De moderne gelovige doet daar gewoon uiterst wazig
over en zegt zoiets als: er is iets maar ik weet niet precies wat, het zal
wel zalig zijn maar ik weet niet hoe en waarom.
De connotatie van een begrip bestaat uit de meetrillende bijgevoelens van het
begrip die te maken hebben met positieve emoties. Een Palestijnse
zelfmoordenaar kan nog groteske volkse antropomorfe ideeën
ontwikkelen over de houri's die hem in het paradijs zullen opwachten. Men
werkt dan nog met begrippen die men probeert antropomorf in te vullen met
aspecten van wat mensen binnen de aardse groep overkomt, maar dan op
een euforische basis. Maar voor vele gelovigen is die antropomorfe invulling
van paradijsvoorstellingen zo doorzichtig onnozel geworden dat zij wel het
begrip met zijn rijke connotaties behouden maar zonder enige definieerbare
denotatieve inhoud. Die waartoe-vraag blijft evenwel belangrijk voor het
voortleven van godsdiensten in onze tijd.
Het menselijk brein kan blijkbaar moeilijk buiten de waarvandaan- en
waartoevraag. De meesten van de aanwezigen hier hebben misschien door
mentale mechanismen, door conditionering geleerd om die vraag niet meer te
stellen, maar onderhuids blijft die vraag bij miljarden mensen altijd aanwezig:
omdat het brein nu eenmaal geen premisse heeft om een beginloos begin en
eindloos einde te denken en om een zinloze keten van antecedenten en
gevolgen te accepteren. Men wil alsmaar vanuit dat actormodel van de
primitieve mens in de kosmos intenties hebben en een plan naar een einddoel
toe.
Het menselijk gebrek
Nu kom ik tot een volgend punt: de existentiële basiservaring van
de mens, in zijn primitieve naakte situatie. Het zal vooral die existentiële
ervaring zijn die verklaart dat ook nu nog religies voortbestaan in competitie
met of naast het rationeel wetenschappelijk wereldbeeld. Waarom? Omdat
die existentiële basiservaring in wezen ook in de hoog ontwikkelde
maatschappij niet gewijzigd is, maar constant is gebleven.
In de eerste plaats is er de eindigheid en de gebrekkigheid van het menselijk
bestaan, de dood, ziekte, handicaps, kwetsbaarheid, vroegtijdig overlijden.
Die leiden tot een verpletterend effect van absurditeit. Men komt en gaat
weer, en zoekt daar een plan achter. Als er geen plan achter zit, wordt dat als
absurd ervaren. De eindigheid en gebrekkigheid van het bestaan geeft een
absurditeitservaring. En nu zit het menselijk brein bij miljarden blijkbaar weer
zo in elkaar dat het die absurditeit ondraaglijk en inacceptabel vindt, wat dan
weer aanleiding geeft tot nieuwe projecties, een projectie van een later en
beter leven waarin geen ziekte, geen dood, geen handicaps meer voorkomen
en dan botst dat brein weer op die grens van een oneindig, eeuwig,
gebrekloos, leedloos leven in het nabestaan dat opnieuw denotatief in hoge
mate leeg maar connotatief rijk geladen is.
De niet-religieuze en niet-mythologische mens is verplicht om de eindigheid
en de gebrekkigheid van het leven onder ogen te zien en het daarbij te laten
zitten. Leven met het besef van die eindigheid en gebrekkigheid is moeilijk en
zwaar. Het brein revolteert daar tegen. Die revolte, het permanent revolteren
tegen die eindigheid en gebrekkigheid, kan voor velen zinvol zijn op zichzelf.
Maar voor miljarden mensen in de wereld is die eindigheid en gebrekkigheid
onverteerbaar en zij ontwikkelen een notie van een oneindigheid van
gelukzalig nabestaan.
Willekeur en onrecht
Verwant daarmee is een tweede factor. De factor van de willekeur van ziekte,
gebrek, tegenslag, leed, mislukking, de ervaring van het feit dat alles wat je
ook onderneemt, in samenhang met de eindigheid en gebrekkigheid,
uiteindelijk schipbreuk leidt. De willekeur die daar in zit, stuit mensen tegen de
borst. Opnieuw speelt het menselijk brein daar een rol. Men kan maar moeilijk
nalaten de vraag te stellen naar de rechtvaardigheid van de kosmos. Dat is
een metafysische vraag waarop geen antwoord is en die dus rationeel
onzinnig is. Rechtvaardigheid slaat op het menselijk handelen en niet op de
kosmos. Maar men kan niet verhinderen dat mensen de vraag stellen:
Waarom moet mijn kind kanker krijgen en dat van mijn buren niet? Waarom
moet ik tegenslag ervaren en de ander niet? Met andere woorden, de
kosmische universele willekeur van menselijke frustraties, daar botst het
bewustzijn zo op, dat voorstellingen ontstaan over tegenslag, leed of ziekte,
als straf of wraak of boete of beproeving opgelegd door superactoren; ofwel
bij geluk of meevallers, de idee van gunst of beloning of genade van de goden.
Daar zit dus weer dat paradigma in van goede en kwade bedoelingen van de
goden.
Die willekeur is een probleem waar de rationele mens geen antwoord op
heeft. Er is geen antwoord op die metafysische vraag, dat is evident. Op de
vraag waarom mijn kind kanker krijgt en ik niet, is geen rationeel antwoord, er
is met andere woorden geen zinervaring. De irrationele mens zoekt er
derhalve een hoger 'plan', een 'bedoeling' achter. De eindigheid en
gebrekkigheid en willekeur van ziekte, tegenslag en onheil maken dat de
atheïstische mens, in tegenstelling tot de religieuze mens die zulke
projecties heeft, met het probleem van zingeving in zijn maag zit, omdat daar
namelijk geen zin aan te geven is. (Dat zou mij brengen bij de vraag hoe een
vrijzinnig humanist zinvolheidsvragen oplost, maar dat is een ander betoog.)
Het brein van de primitieve mens botst op die zinvraag, omdat hij niet kan
accepteren dat er dingen gebeuren die niet het gevolg zijn van een bedoeling
en niet in een bepaald plan kaderen. Vandaar ideeën van ziekte als
straf, wraak, beproeving of boete, tegenover het goede als gunst van de
goden, als geschenk, beloning of genade.
Hetzelfde geldt voor de willekeur van het levenslot van goeden en kwaden.
Franco mocht in welvaart en macht stokoud worden, Martin Luther King werd
jong vermoord. De willekeur van het lot van goeden en kwaden maakt dat hun
levenslot geen weerspiegeling is van het socio-affectieve paradigma van een
goed of een slecht mens. Dat is een derde factor; de willekeur in het lot van
goeden en kwaden. Iedereen stelt zich de vraag of dat rechtvaardig is en wie
die 'onrechtvaardigheid' niet kan verteren maakt weer projecties. Dat geeft
dan weer aanleiding tot de gedachte van een nabestaan waarin de goeden
beloond en de slechten gestraft zullen worden. Dus de knellende en pijnlijke
rechtvaardigheidsvraag aan de kosmos leidt tot ideeën over een
beloning of straf in het hiernamaals. Zelfs de grote wijsgeer van de
moderniteit, Immanuel Kant, was van mening dat de moraal niet kon
gefundeerd en verantwoord worden zonder het postulaat van een nabestaan
waarin goed en kwaad zullen beloond en gestraft worden.
Dat zijn dus al drie factoren die te maken hebben met de ervaring van de
eigen existentie als ondraaglijk. Mythologieën en religies zijn pijnstillers
en troostsystemen om mensen aan situaties waar ze geen antwoord op
hebben toch op een of andere manier te accommoderen.
Heilige huivering
Een andere factor is de ervaring van het zogenaamd heilige in de
betekenis die de mythologie-deskundige Rudolf Otto er aan gaf. Het 'heilige'
is dat wat ons in onze omgeving doet huiveren en tegelijkertijd fascineert
(tremendum et fascinans). Dat wil zeggen dat dingen door hun absolute
ongewoonheid, door hun grootsheid, door hun uitzonderlijkheid, door hun
als magisch gewaande uitstraling, perplex doen staan. De oude Egyptenaar
die de zon als een schip beschrijft dat een boog door de hemel doorvaart,
dat is een tremendum et fascinans dat de mens paralyseert. Als je
iets tegelijkertijd vreest en bewondert word je geparalyseerd, huiver je,
zoals de katholieke gelovigen in de kerk voor het tabernakel. Als iemand
dat tabernakel zou openbreken, de kelk nam en de hosties in één
hap zou doorslikken, dan zou dat de gelovige als het ware in een zware psychologische
crisis plaatsen. Dat heilige geldt ook voor mensen die door hun charisma
of hun rijke ervaring of verdienste of wijsheid in de stam een grote uitstraling
hebben en die tot sjamaan, tot priester, tot heiligen gemaakt worden. Denk
aan de reactie van Karol Wojtyla op moeder Teresa: de straling van een beeltenis
van haar vermocht een vrouw van een kwaadaardige tumor in haar buik te bevrijden.
Dat is het fenomeen van het heilige dat als psychologische wortel heeft dat de
primitieve mens die ervaring gebruikt om te geloven dat in dat heilige zich de
wereld van de bovennatuur (de superactoren) zich manifesteert en dat hij toch
op de ene of andere manier, ofwel direct zelf (de mystiek) ofwel via
bemiddelende tussenpersonen (sjamanen, clerus) toegang heeft tot de wereld
van die superactoren. Het heilige legt een verbinding tussen het ondraaglijk
bestaan en de beloften die verweven liggen in de geprojecteerde
bovenwereld.
De theodicee
Ik moet nog twee factoren noemen. De beperkte vermogens en zwakheden van
de mens. De primitieve mens in zijn existentiële situatie ervaart zich
zelf als slechts in zeer beperkte mate wijs, als maar over beperkte inzichten
beschikkend, met een beperkt begripsvermogen, een beperkte macht, een beperkte
doelmatigheid in zijn handelen, een beperkte goedheid en een beperkte schoonheid.
Onder al die beperkingen lijdt hij en hij kan ze moeilijk verteren. En dat
verklaart dan weer de compensatie door superactoren te creëren die
alwijs zijn, die almachtig zijn, die onverdeeld mooi zijn, die onverdeeld
goed zijn en die onverdeeld efficiënt zijn. Vandaar bijvoorbeeld in
het christendom de idee van de alwijze almachtige goede god. Daarnaast projecteert
men ook de kwalijke vermogens van de mens, zijn zwakheden. Men projecteert
dat dan dualistisch in duivels, in demonen, in kwade geesten.
Wat ik hier vertel, leunt dus aan bij wat Ludwig Feuerbach in 1841 in Das
Wesen des Christentums op het stuk van projectietheorie duidelijk
maakte. De mens ontwikkelt religies om troostconstellaties te creëren
voor de beperkingen en ondraaglijkheden van het feitelijk bestaan.
In het monotheïsme ontstaat dan, door de herleiding van de
superwezens tot één oppermachtige god en die projectie van
die almachtige, alwijze, algoede god, het probleem van de theodicee. Het
probleem van de vraag: hoe kan het dan zijn, als er een schepper is die alles
in elkaar heeft gestoken en die een heilsplan heeft, dat die ook het kwaad en
het leed geschapen heeft of het minstens duldt? En dat is een vertaling weer
van die vraag naar de rechtvaardigheid van de kosmos, waar geen enkele
religie een antwoord op heeft. Alle antwoorden die door christelijke theologen
gegeven zijn op de vraag van de theodicee zijn zwak (bijvoorbeeld: god
schiep de mens bewust vrij zodat hijzelf tussen goed en kwaad kan kiezen),
omdat men nu eenmaal voorbij ziet aan de aard van de projectie. Als je een
superwereld en een volmaakt wijs en goed superwezen maakt met een
heilsplan, dan is het natuurlijk onzin om dat superwezen eerst even een
vrijheid te late scheppen die miljarden mensen in vreselijke ellende en kwaad
laat creperen. Maar het blijft voor het brein van het overgrote deel van de
mensheid inacceptabel geen compensatie te creëren voor het
onaanvaardbaar en ondraaglijk leed en kwaad en voor al die vormen van
willekeur en onrechtvaardigheid.
De mythologische of religieuze mens, die op deze primaire existentiële
vragen antwoorden wil, duikt dus volledig in de irrationaliteit. Maar men moet
natuurlijk bedenken dat de atheïstische mens op de existentiële
vragen helemaal geen antwoord heeft en verplicht is om zonder antwoorden
te leren omgaan met de ondraaglijke kanten van het bestaan, wat tot
ingewikkelde problemen van zingeving leidt. Voor miljarden mensen is het
blijkbaar zo dat als ze die projecties van godsdienstige aard niet zouden
hebben, ze aan het leven zouden wanhopen en eraan geestelijk ten
onder gaan. Ze proberen te ontsnappen aan wat anders extreem relativisme
of nihilisme zou kunnen worden, ze ontlopen de mogelijkheid verpletterd te
worden door absurditeitsgevoel. De kern is dus de ondraaglijkheid van de
existentiële basiservaring van de mens.
Waarom nog religie?
Meteen is afsluitend het antwoord gegeven waarom religies vandaag in het
rationeel-wetenschappelijk tijdperk nog voortleven. De mythologische en
religieuze cognitieve mapping of the world werd in de 16de en 17de
eeuw geleidelijk verdrongen door het rationele wetenschappelijk model. Maar
de beginvragen die te maken hebben met de existentiële ervaring
blijven overeind: die ziekte, de dood, de onrechtvaardigheid, die willekeur in
het lot van goeden en slechten, enzovoort, dat blijft ongewijzigd als probleem
voortbestaan in de menselijke existentie.
We kunnen zeggen dat er fundamenteel twee menstypen zijn. De verpletterende
miljardenmeerderheid die de ondraaglijkheid van het bestaan inderdaad
ondraaglijk vindt en dus behoefte heeft aan die projecties, en een kleine
minderheid van rationele wezens die er in slaagt die ondraaglijkheid te
laten voor wat ze is en binnen die ondraaglijkheid voor zichzelf en de
medemensen toch iets aan subjectieve, tijdelijke, voorlopige zinvolheid
te realiseren.
Rede uitgesproken op het Skepsis Congres "Waarom geloven wij?"
te Utrecht op 8 november 2003.
Prof.
em. dr. H. Van den Enden was hoogleraar wijsbegeerte, ideologiestudie
en ethiek aan de Universiteit Gent.
|