Een
smørgåsbord van wijsheden
Een kritische kijk op het Houtsmullerdieet
door Gerard Innemée
Voormalig kankerpatiënt en omstreden internist Houtsmuller schreef
een chaotisch boek over de behandeling van kanker door dieet. Een herdruk
trok veel aandacht. Tijd voor een kritische beschouwing.
Dr. A.J. Houtsmuller genas ruim vijftien jaar geleden van uitgezaaide
huidkanker. [Later bleek dat dit verhaal niet klopte: zie het artikel Dagen met Houtsmuller in Skepter 12(3), september 1999.] Het is bekend dat melanoom een grillig beloop
kan hebben, en spontane genezingen komen sporadisch voor. Niettemin dichtte
Houtsmuller zijn genezing aan een speciaal dieet toe. In 1995 schreef
hij een boek, Niet-Toxische Tumortherapie: een aanvulling over
dit dieet. In 1997 verscheen een herziene versie onder de titel Het
Dr. Houtsmullerdieet. De omslag is geïllustreerd met een abstract
schilderij van de dokter zelf, de inhoud is bewerkt door de taalkundige
Marianne Lubrecht, zodat het hele boek in de derde persoon over Dr. Houtsmuller
spreekt. Het voorwoord van prof. dr. ir. D. Kromhout uit de eerste druk
is weggelaten. Naar aanleiding van deze uitgave werd Houtsmuller zelf
door tv-maker Martin Simek geïnterviewd, en dit programma werd verscheidene
malen herhaald. Daarnaast verschenen er diverse positieve artikelen.
Klakkeloos
In de eerste helft van de 20ste eeuw was tuberculose nog een ernstige,
levensbedreigende ziekte. Er was geen effectieve therapie voorhanden.
Verscheidene artsen, waaronder de Duitser Max B. Gerson (1881-1959) probeerden
tuberculosepatiënten te behandelen met een door henzelf bedacht dieet.
Gersons dieet, aanvankelijk gezien als middel tegen hoofdpijn, bestond
voornamelijk uit verse vruchten en groenten. Verboden waren specerijen,
vet, zout, gerookte en ingemaakte producten. Na de ontdekking van tuberculostatica,
specifieke medicijnen tegen tuberculose, verdween de dieettherapie voor
deze ziekte als sneeuw voor de zon.
Bij de strijd tegen kanker, een groep van eveneens ernstige levensbedreigende
ziekten, zien we dezelfde ideeën weer terugkomen. Dezelfde Gerson schreef
in 1958 A Cancer Therapy, waarin hij zijn antikankerdieet uiteenzette.
Naast bovenstaande aanbevelingen werden koffie, thee, alcohol, koek, roomijs,
witte bloem, suiker en paddestoelen verboden, en werden rauwe gemalen
kalfslever, pancreatine, zoutzuur, veel extra kalium en druppelklysma's
met koffie en wonderolie aanbevolen. Het idee erachter was dat de lever
'ontgiftigd' moest worden, dan kwam het met het de kanker vanzelf wel
in orde. Uit divers onderzoek is gebleken dat sommige patiënten overleden,
of althans vlugger dood gingen, doordat er een ernstige verstoring van
de natrium-kaliumhuishouding optrad. De Gersontherapie bestaat nog steeds
en wordt inmiddels als panacee voor allerlei kwalen aanbevolen.
Bij diëten
tegen kanker denkt men natuurlijk aan Moerman. De bekende kwakzalver Lodewijkx
kreeg onenigheid met de vereniging Amnestie (een Moerman-patiëntenvereniging),
en richtte toen in 1981 de 'Stichting Niet-toxische Geneeswijzen' op.
Lodewijkx hanteerde de Bijbel als leidraad. 'Het beste natuurvoedingsboek
dat ik ken,' zo kenschetste Lodewijkx dit werk. Houtsmuller borduurt op
hetzelfde patroon voort, maar de Bijbel komt niet in zijn indrukwekkende
lijst van geraadpleegde literatuur voor. Bij nauwkeurige beschouwing van
het boek blijkt hét Houtsmullerdieet niet te bestaan. De auteur somt een
klein dozijn diëten op, namelijk die van Gerson, Moerman, Wigmore (een
helderziende dame die tarwegras aanbeveelt), Bircher-Benner, Oshawa en
Kushi (macrobiotiek), Issels, Kelly, Gonzales en Breuss (een elektromonteur
die een zwak had voor groentesap met rechtsdraaiend melkzuur). Houtsmuller
neemt dan ook klakkeloos de diverse theorieën over. Zo schrijft hij: 'heel
gezond zijn pas ontkiemde zaden' zoals tarwekiemzaad en alfalfa (p.88),
'de zonne-energie die in rauwkost in hoge mate aanwezig is' (p.96, dat
is het idee van Bircher-Benner), en 'het Budwigpapje is ook voor gezonde
mensen zeer heilzaam' (p.31).
Gezwollen cellen
De belangrijkste theorie in het boek is echter die van de orthomoleculaire
voeding. Houtsmullers eerste boek werd dan ook gesubsidieerd door het
Adviesburo Orthomoleculaire Voeding. De orthomoleculaire geneeskunde is
bedacht door de Amerikaanse biochemicus Linus Carl Pauling (1901-1994).
Pauling pleitte in zijn boek Cancer and Vitamin C (1979) voor het
gebruik van hoge doses vitamine C ter voorkoming van kanker. Hij stierf
zelf aan prostaatkanker maar meende dat hij door veel vitamine C te slikken
de ziekte lang in toom gehouden had. De volgelingen van Pauling bevelen
alle andere vitamines ook aan, en zweren bovendien bij mineralen en sporenelementen.
De sporenelementen en mineralen die door de orthomoleculairen verhandeld
worden zijn synthetische producten, en het is de vraag of consumptie ervan
wel het beoogde effect heeft. Van sommige stoffen, onder meer vitamine
A en D, zijn bovendien in hoge dosering giftige effecten bekend. Hoge
doses vitamine C kunnen in permanente diarree resulteren. Een derde aspect
- naast dieetadviezen en orthomoleculair enthousiasme - van de methode-Houtsmuller
is het 'geven van kankerremmende stoffen zonder bijwerking'. Deze worden
opgesomd in bijlage 5, compleet met telefoonnummers waar men ze kan bestellen,
veelal een bepaalde apotheek in Helmond. Het gaat om 'Genistein' (genisteïne),
haaienkraakbeenpoeder, lycopeen, guercetine, DHEA, melatonine, flavopereirine
(ook flavoperirine en flavoperitine genoemd) en alstonine. Of deze preparaten
geen bijwerkingen hebben valt te betwisten. Ze zijn in elk geval regelmatig
verontreinigd. Sommige hebben een zwak hormonale werking. Het zou te ver
voeren ze allemaal te bespreken. Maar het haaienkraakbeen (zie Skepter, juni 1997) verdient enige aandacht.
De belangstelling voor haaienkraakbeen gaat terug op het boek Sharks
Don't Get Cancer (1992) van I. William Lane met Linda Comac. In kraakbeen
(ook haaienkraakbeen) zit een eiwit dat de aanmaak van nieuwe bloedvaatjes
remt. Dit gaf Lane het idee dat de tumorgroei geremd kan worden door inname
van haaienkraakbeen. De bloedvoorziening van de tumoren zou dan afgesneden
worden. Er is geen goed onderzoek dat hierover uitsluitsel heeft gegeven.
Haaien krijgen overigens wel degelijk kanker, en zelfs in hun kraakbeen!
(De vergelijking met de Moermantherapie dringt zich op: die is gebaseerd
op de foutieve gedachte dat 'gezonde' duiven geen kanker krijgen.) De
eiwitmoleculen in kwestie zijn te groot om de darmwand te passeren en
onveranderd in het lichaam te worden opgenomen. Vooral in de VS worden
allerlei soorten pillen, zetpillen en poeders met haaienkraakbeen verkocht.
Volgens Houtsmuller is er van de vele in Nederland verkrijgbare preparaten
maar één deugdelijk, Cartil. Tot tweemaal toe noemt hij telefoonnummer
van de Maarssense firma waar het te krijgen is.
Houtsmullers boek is een onvoorstelbaar grote opsomming van kankerremmende
of -stimulerende stoffen. De lezer kan er gemakkelijk door overdonderd
worden, en anders staat hij wel met de mond vol tanden bij de literatuuropgave.
Het lijkt allemaal erg wetenschappelijk. De wetenschap wordt echter duchtig
aangelengd met pseudo-wetenschap. Zo kun je uit een laboratoriumresultaat
niet meteen concluderen tot een bepaalde werkzaamheid in de mens. Eerst
zul je patiëntgebonden onderzoek moeten doen. Pas dan krijg je 'evidence
based medicine'. Het ene onderzoek is trouwens het andere niet. Artikelen
spreken elkaar tegen. Een kritisch oordeel is echt nodig. Dat brengt Houtsmuller
echter niet op.
Het boek bevat aanbevelingen van de Voedingsraad en het Koningin Wilhelmina
Fonds. Daarnaast staan er pertinente onwaarheden in en zogenaamde volkswijsheden.
Zo zouden zoetstoffen schadelijk zijn, de magnetron deugt ook al niet,
zelfs cafeïnevrije koffie moet het ontgelden, en dat yoghurt met linksdraaiend
melkzuur afgeraden wordt zal u niet verbazen.
Eigenlijk weet de auteur niet goed wat hij van de magnetron moet denken.
Op p. 54 zegt hij 'Door uw voedsel te bereiden in de magnetron bent u
sneller klaar en hebt u minder vet nodig.' Op p. 97 blijkt over het gebruik
van dit moderne keukengemak 'wisselend gedacht' te worden. De Kirlian-fotografie
zou aangetoond hebben dat 'moderne kooktechnieken' schadelijk zijn. Dan
luidt vraag 115 op p. 119 of verhitten door de magnetron schadelijk is.
'Inderdaad, wanneer het voedsel dat met de magnetron is verhit, microscopisch
wordt bekeken, wordt een ravage waargenomen alsof er een ontploffing heeft
plaatsgevonden. Cellen zijn sterk gezwollen of totaal uit elkaar gescheurd.
... Conclusie: gebruik geen magnetron.'
Losgeslagen van basisniveau
Het boek bevat een onafzienbare massa geleerdigheid zoals de mededeling
dat bèta-caroteen goed is in het vangen van het peroxy-radicaal en singlet-zuurstof,
of het feit dat choline methylgroepen kan afstaan aan homocysteïne, waardoor
methionine ontstaat, of dat liponzuur als co-enzym betrokken is bij de
oxidatieve decarboxylatie van alfa-ketoglutaarzuur waarbij acetyl-CoA
wordt gevormd. Jawel. Op p. 118 wordt met hetzelfde aplomb gesteld (in
verband met de superieure kwaliteit van het in rauwkost opgeslagen zonlicht):
'Bij koken vindt energietoevoer plaats (warmte), waardoor de optimale
energievorm van elektronen in hun basisniveau los wordt geslagen en bij
afkoelen in kwaliteit achteruitgaat.' De lezer vraagt zich dan af of de
auteur zelf wel weet waar hij het over heeft, en of hij misschien niet
los is geslagen van het vereiste basisniveau van natuur- en scheikunde.
Het voert te ver om in te gaan op alle tegenstrijdigheden in de medische
onderbouwing en de visies op het ontstaan van kanker (Houtsmuller somt
een dozijn theorieën op in zijn Bijlage 1). Honderden soorten kwaadaardige
gezwellen worden onder de naam 'kanker' samengevat, maar het is onduidelijk
of ze veel meer dan de naam gemeenschappelijk hebben. Een patiënt met
kanker grijpt vaak elke strohalm aan, en dat is begrijpelijk. Maar het
is niet aangetoond dat kanker met behulp van voeding of voedingssupplementen
kan worden genezen. Een wetenschappelijk bewezen relatie tussen voeding
en kanker is er wel, maar daarmee kan men alleen de kans op het krijgen
van bepaalde vormen van kanker verminderen. De Voedingsraad beveelt aan
veel groente en fruit te nuttigen, vezelrijk en gevarieerd te eten, voldoende
te bewegen, het goede gewicht aan te houden, matig te zijn met alcohol
en niet te roken. Deze richtlijnen gelden voor iedereen. Houtsmuller claimt
tussen de regels door dat zijn methode kanker kan genezen, maar hij noemt
zijn dieet toch ook een aanvulling (op een reguliere behandeling). Wie
zijn adviezen volgt is veel geld kwijt, en zal in verband met de talloze
dieetadviezen zijn stijl van leven drastisch moeten aanpassen. Wie van
patat houdt, zal bijvoorbeeld moeten afzien. Volgens p. 105 is dit kankerbevorderend
voedsel. Overigens zit in de aardappelen waar de patat van gemaakt wordt
wel veel vitamine C! Verder moet men vitaminen en mineralen in orthomoleculaire
dosering slikken (alleen al van vitamine C drie tot tien gram per dag)
en dan nog eens negen 'specifieke remmers van kwaadaardige celgroei',
goed voor 34 pillen per dag. Bij dit negental wordt ook 0,125 mg lanoline
genoemd. Dit medicijn (ook wel digoxine genoemd) wordt gegeven bij hartritmestoornissen
of hartzwakte. In een voetnoot wordt opgemerkt dat het uitsluitend gegeven
mag worden in overleg met de behandelend oncoloog en met toestemming van
de Inspectie.
Houtsmuller onderscheidt vier aspecten aan zijn behandeling. De eerste
drie (voeding, aanvullende vitaminen, mineralen enzovoorts, en kankerremmende
medicijnen zonder bijwerking) zijn hierboven besproken. Hij stelt echter
'bemoedigen en veiligheid bieden' voorop, mentale steun oftewel 'geestelijk
voedsel' dus. Reguliere artsen hebben daar weinig tijd voor. Hun gemiddelde
werkweek is 60 tot 80 uur, en dan nog moeten ze woekeren met hun tijd.
Sommige alternatieve artsen zijn daarom met hun reguliere werk gestopt,
om zo meer tijd voor elke afzonderlijke patiënt te hebben. Begeleiding
is uiteraard een belangrijk aspect. De patiënt voelt zich louter door
begrip en aandacht al beter. Als de 'reguliere' geneeskunde zich zorgen
maakt om de consumptie van alternatieve diensten, zou ze moeten nagaan
of ze op het punt van aandacht voor de patiënt wel de beste afweging heeft
gemaakt.
Literatuur
American Cancer Society, Alternative and Complementary Cancer Therapies:
Unproven methods, http://www.cancer.org/unprrpopu.html
Brochures van de Nederlandse Kankerbestrijding.
Lucas Reijnders, De vitaminecultus. De Balie, Amsterdam 1990.
Voorlichtingsbureau voor de Voeding. Een gezonde kijk op vitamines
en mineralen. Den Haag, 1997.
C. Moerman, Kanker kan genezen. Ankh-Hermes, Deventer,1978.
Stephen Barrett en William T. Jarvis (red.), The Health Robbers: A
Close look at Quackery in America. Prometheus, Buffalo, 1993.
Aanvullingen
Dagen met Houtsmuller in Skepter 12(3), 1999.
Genezen is het woord niet. Digitaal boekje uit 2001 met een hoofdstuk over Houtsmuller.
Gerard Innemée was toen hij dit artikel schreef, arts in opleiding tot internist. Het artikel kwam tot stand in overleg met de Medische Werkgroep van Skepsis.
© Stichting Skepsis. Het is niet toegestaan artikelen uit Skepter op andere websites over te nemen.
|