Een wonder of een total loss
De hype rond het hoogbegaafde kind
Ons land kent een uitgebreide lobby voor de hoogbegaafde medemens.
Hoogbegaafdheid geeft allerlei problemen, zo wordt ons verzekerd. Of leidt
al die overdreven aandacht juist tot problemen?
Dat Martin een bijzonder kind is, was van meet af aan duidelijk.
Al in de wieg spreidde hij een tomeloze energie ten toon. Later koppelde
Martin dat aan een niet te stuiten drang tot slopen: hup, daar klom-ie
weer uit zijn box - op zoek naar apparaten, stopcontacten, planten en
poezen. En dan dat babbelen van Martin. Net als dat lopen: zo vroeg al,
en gelijk ook zo goed. Maar helaas, luisteren, ho maar. 'Martin gaat altijd
z'n eigen gang,' zeiden z'n ouders. Met zekere trots. Want ze hadden zelf
de diagnose al gesteld: hun Martin was hoogbegaafd. Zo'n twee jaar lang
kreeg iedere bezoeker dit te horen. Toen werd Martin, geheel in de lijn
der verwachtingen, getest. Z'n intellectuele vermogens bleken niet bovenmodaal.
De teleurstelling was groot; plotseling werd de waarde van testen ter
discussie gesteld.
Was de conclusie 'hoogbegaafd' vergezocht of voorbarig? Ach. Martins
ouders zijn de afgelopen jaren, net als de rest van Nederland, bedolven
onder de televisieprogramma's en tijdschrift- en krantenartikelen over
hoogbegaafdheid. Een steeds terugkerende boodschap is dat het hoogbegaafde
kind 'anders is dan anderen zonder dat precies duidelijk is wat er aan
de hand is'. Tja, dat idee heeft iedere ouder van z'n kind. En ook allerlei
'andere, typische kenmerken' zijn helemaal niet typisch. Zo somt het septembernummer
van de haardvriend van de moderne opvoeder, Santé Kids, onder andere
op dat een hoogbegaafd kind al heel vroeg belangstellend om zich heen
kijkt, vreselijk nieuwsgierig is, een vroege prater is, voortdurend vragen
stelt, eigenwijs is en een rijke fantasie heeft.
Nou, nou
Verder is het zeker niet ongebruikelijk dat een hoogbegaafde zich
al in een vroeg stadium ontpopt tot een druktemakertje. In het dit jaar
verschenen boek Intelligente kinderen doceert Hans de Vries - volgens
de achterflap gespecialiseerd in de pedagogische begeleiding van het hoogbegaafde
kind - bijvoorbeeld dat 'het eerste en misschien wel opvallendste punt'
is dat het intelligente kind zo intens leeft. 'Zijn leven staat bol van
dramatiek, het is vaak alles of niets, in wielrennerstermen: de dood of
de gladiolen.'
Misschien dat daar de eerste vier jaar niks van te merken is, maar
het komt zeker bovendrijven zodra de eerste bezoekjes aan de basisschool
worden afgelegd. Dan openbaren zich namelijk de eerste pijntjes. Dat komt
omdat hoogbegaafden op de basisschool niet uitgedaagd worden, ze vervelen
zich. De reactie komt grofweg neer op het volgende: onderpresteren, in
combinatie met ofwel dwarsliggen en druk doen ofwel wegkwijnen en verpieteren.
Het is dus eigenlijk heel begrijpelijk dat de ouders van Martin
veronderstelden dat hun temperamentvolle zoon hoogbegaafd is. Ze wisten:
aan de enige, ogenschijnlijk harde maatstaf die circuleert - vóór de basisschool
kunnen lezen - voldeed Martin niet. Maar geen nood: dat hoeft niet op
níét-hoogbegaafdheid te duiden. Want vroeg kunnen lezen is beslist geen
dwingende, algemene regel, melden handleidingen zoals die van De Vries:
'Niet álle slimme kinderen zijn er vroeg bij.'
Altijd fluitend
Bestaat hoogbegaafdheid niet - is dat wat we beweren? Sommige kinderen
en volwassenen zijn evident slimmer dan de rest. En als de doctrine dicteert
dat degenen met een intelligentiequotiënt hoger dan 130 hoogbegaafd genoemd
mogen worden, dan gaan we daar (bij gebrek aan betere, minder omstreden
meetinstrumenten dan IQ-testen) in mee.
Volgens het IQ-130-criterium - dat, althans een variant daarop, gehanteerd
wordt door Mensa, de vereniging voor volwassen hoogbegaafden - is 2%,
misschien 3% van de bevolking hoogbegaafd. Professor Franz Mönks, directeur
van het Nijmeegse Centrum voor Begaafdheidsonderzoek, noemt een veel hoger
percentage in potentie hoogbegaafd. Hij gaat weliswaar ook uit van een
intellectuele toplaag van twee, drie procent - maar (hoog)begaafdheid
is volgens hem niet alleen een kwestie van een hoog IQ: creativiteit en
motivatie zijn net zo belangrijk. De IQ-lat komt dan wat lager te liggen,
en het percentage hoogbegaafden benadert dan de tien tot vijftien. Daarmee
heb je zo'n beetje iedereen die boven de middelmaat uitkomt te pakken.
Dat lijkt ons toch iets te veel van het kaliber 'geen gezeik, allemaal
rijk'.
Evenmin beweren we dat hoogbegaafdheid géén bron kan zijn van allerhande
ontwikkelingsproblemen. Nee, we zijn alleen maar verbaasd over het gebrek
aan relativering, over de hoeveelheid mensen die denkt dat ze zelf of
hun nageslacht tot de categorie miskend talent behoort, en over de toon
waarop de lobby voortdurend aandacht voor de zaak eist. Neem de opmerking
van de (ook in hoogbegaafdenkringen omstreden) activiste Edith van Schaik,
twee jaar geleden opgetekend door De Telegraaf 'De geestelijke
onderdrukking van hoogbegaafden moet een halt toegeroepen worden'. Of
deze, afkomstig uit de inleiding van het recente boek van De Vries: 'Met
name in Nederland is een anti-beweging actief, in bepaalde wetenschapskringen
en in de media'.
Dat laatste is zeker niet waar. We namen pakweg vijftig recente artikelen
door. De toonzetting, vrijwel geen stuk uitgezonderd: meelevend. De invalshoek:
wat is het erg hoogbegaafd te zijn, wat een verveling op school, daar
moeten wel problemen van komen, graag meer aandacht voor hoogbegaafden.
Zo goed als geen woord over de zegeningen van de hoogbegaafde. En die
zijn toch aanzienlijk - tel uit uw winst: nooit meer tot op het tandvlees
hoeven om iets te begrijpen. Terwijl anderen nog lopen te sukkelen met
iets triviaals, alle tijd om fluitend iets anders, iets mooiers, iets
hogers onder de knie te krijgen. Oké, misschien biedt het onderwijs daarvoor
niet altijd voldoende gelegenheid, maar buiten schooltijd blijft toch
tijd genoeg over om die nooit aflatende honger naar kennis te bevredigen?
Patiëntenvereniging
'Niets let je een boek te pakken, een televisietoestel of wat dan ook,
uit elkaar te halen - om eens rustig te bekijken hoe het eruit ziet, proberen
te begrijpen hoe het werkt. En dat doen sommige kinderen,' zegt psycholoog
Karel Soudijn, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Brabant. Soudijn
houdt zich niet expliciet bezig met hoogbegaafden, maar het is hem eigenlijk
ook een raadsel waarom hoogbegaafdheid synoniem is met kommer en kwel.
Hij wijst op het in 1922 gestarte onderzoek van de Amerikaanse psycholoog
Lewis Terman dat als doel had de levensloop van twee groepen met elkaar
te vergelijken: een groep mensen die volgens de normen hoogbegaafd zijn
en een groep mensen met laag IQ. Degenen die met meer intellectuele vermogens
zijn behept, blijken zowel op het persoonlijke als het maatschappelijke
vlak succesvoller.
Mönks twijfelt aan de methodiek van Termans onderzoek en daarmee aan
de uitkomst, maar hij erkent dat ook in Nederland maar een minderheid
van de hoogbegaafden zich problematisch ontwikkelt. Uit onderzoeken blijkt
dat het om zo'n 20-30% gaat. Uitgaande van die toplaag van twee, drie
procent betekent dat dat onaangepastheid, labiliteit, sociaal isolement
- en wat maar het gevolg moge zijn van hoogbegaafdheid - bij slechts vier
tot negen op de duizend mensen speelt. (Dat sluit ook beter aan bij de
ervaringen van onderwijzend personeel. Zo zegt een docente van een basisschool
in de Amsterdamse Pijp dat ze al die jaren dat ze voor de klas staat misschien
een paar slimme probleemkinderen aan zich voorbij heeft zien trekken:
'Het komt eigenlijk nauwelijks voor.')
Waarom dan toch steeds die nadruk op problemen? Vervelend voor diegenen
die eronder gebukt gaan, daar niet van, maar toch een tamelijk marginaal
verschijnsel. 'Omdat,' verklaart Dirk Rietveld, een van de woordvoerders
van de Nederlandse tak van Mensa, de internationale vereniging voor volwassen
hoogbegaafden, 'problemen nu eenmaal meer nieuwswaarde hebben dan goed
nieuws.' Maar hij moet toegeven dat de vereniging ook zelf een bepalende
rol speelt in de beeldvorming. Een journalist op zoek naar een erkend
hoogbegaafde gesprekspartner, klopt al snel aan bij Mensa. En het is 'waarschijnlijk
niet onjuist' om te stellen dat de 1550 leden van Mensa Nederland geen
representatieve dwarsdoorsnede van Neerlands intellectuele elite vormen:
'Als je geen problemen hebt met je hoogbegaafdheid, zul je je waarschijnlijk
niet zo snel bij Mensa aansluiten.' (En da's toch een beetje tragisch:
Mensa werd vijftig jaar geleden opgericht met het idee een reservoir te
kweken van mensen die, gebruikmakend van hun vernuft, zouden bijdragen
aan het oplossen van de wereldproblemen. En nu neigt de Nederlandse afdeling
naar een soort patiëntenvereniging. Dat blijkt trouwens ook uit de studie
onder ruim vijftig Mensaleden die de Nijmeegse onderzoeker J. Derksen
de afgelopen zomer presenteerde. Met de meesten van hen was het niet best
gesteld.)
Poedelprijs
'Mensen herkennen de problematiek die in artikelen over hoogbegaafden
wordt aangestipt,' zegt Rietveld, 'ineens valt alles op z'n plaats.' De
behoefte om te reageren, om uit te vogelen of allerlei levensklachten
misschien voortvloeien uit hoogbegaafdheid is dan ook groot. Nog geen
drie weken na verschijning van een artikel in het oktobernummer van Marie-Claire
(kop: Hoogbegaafdheid is een ramp), zegt Rietveld, zijn er bij Mensa ruim
vierhonderd reacties binnen. Allemaal verzoeken om meer informatie, maar
vooral aanvragen voor de thuistest - de horde die genomen moet worden
alvorens een gooi te mogen doen naar het examen dat aan het Mensalidmaatschap
verbonden is. Absolute topper was een artikel in 1988 in De Telegraaf.
Dat leverde 'duizenden reacties' op. En zo gaat 't na elke publicatie,
blijkt uit Rietvelds woorden. Steeds een propvolle postbus. Daarnaast
adverteert Mensa zelf wekelijks in één of meer dagbladen en tijdschriften.
De tekst: 'Hoogbegaafd? Veel mensen onderschatten hun capaciteiten. Vraag
onze thuistest aan.' Goed voor zo'n twee-, driehonderd aanvragen per keer.
Indrukwekkende getallen, zeker. Maar het zou ons niet verbazen als hierbij
het soort ramptoerisme waar huisartsen zo vertrouwd mee zijn een rol van
betekenis speelt: dinsdagavond voetschimmel op de buis, woensdagmorgen
een wachtkamer vol mensen die jeuk aan de grote teen hebben en nu voetschimmel
vermoeden. Hoeveel reflectanten zijn volgens Mensanormen uiteindelijk
hoogbegaafd? Rietveld heeft er geen idee van. Sinds 1988, toen de publiciteitsgolf
op gang kwam, is het aantal leden gegroeid met elfhonderd. 'Maar da's
niet helemaal een zuivere graadmeter - je zou in je berekening natuurlijk
ook het verloop moeten meenemen. Hoe groot dat is, weet ik niet.'
Duidelijk is dat het in elk geval gaat om een bescheiden deel van het
totale aantal. Rietveld moet dat beamen. Ergo, het overgrote deel van
de volwassenen bij wie de gedachte heeft postgevat dat ze lijden aan die
rampzalige aandoening die hoogbegaafdheid heet, zijn bij Mensa aan het
verkeerde adres.
De ramptoeristen onder hen zullen op zoek moeten naar een andere verklaring
voor hun 'anders dan anderen zijn'. Hoewel, er zullen inmiddels toch wel
de nodige beunhazen in de hoogbegaafdenadvisering zijn opgestaan? Rietveld
zegt van niet. Mönks van wel, hij waarschuwt er zelfs voor. En een andere
bekende hoogbegaafdenspecialist, de hoogleraar Pieter Span, repte twee
jaar geleden al in de Volkskrant van 'handopleggers' die hoogbegaafdheid
behandelen.
Voor vermeend hoogbegaafde kinderen ziet de situatie er gunstiger uit.
Hun ouders kunnen zich aanmelden bij Pharos. Harde selectiecriteria legt
deze organisatie niet aan, iedereen die de typische maar o zo vage hoogbegaafdenproblematiek
bij z'n kind herkent kan aanschuiven. Pharos groeit als kool, meldt Reika
van Pelt, die op het moment dat we bellen het telefonisch spreekuur van
de vereniging waarneemt.
Ons vermoeden is dat ook hier geldt dat een aanzienlijk deel van deze
aanwas op ramptoerisme terug te voeren is. Waarom? Vrijwel ieder kind
valt tegenwoordig onder de categorie bewust gepland. De meeste ouders
houden het bovendien op een of twee nakomelingen. Tel dat op bij de natuurlijke
neiging van ouders hun kind als zeer speciaal te beschouwen, en wat krijgen
we dan? Het Dik-Tromcomplex: het is een bijzonder kind, en dat is-ie.
De verwachtingen zijn hoog gespannen. Maar wat een tegenvaller als op
de peuterspeelzaal of de basisschool blijkt dat het kind lastig is of
anderszins sociaal niet erg vaardig! Of als z'n prestaties, althans naar
het oordeel van de ouders, ondermaats zijn! Hoogbegaafd dan misschien?
Zou een aardige poedelprijs zijn. Ouders als van Martin - uit het begin
van dit verhaal - en velen met hen bellen gauw Pharos.
Het kind moet natuurlijk wel - maar ook dit naar het oordeel van de ouders
- een enigszins snuggere indruk maken. Menig opvoeder houdt de ontwikkeling
van z'n Dik Trom dan ook nauwlettend in de gaten. Oh jee, hij is al drie
en heeft nog geen belangstelling voor lezen! We gaan toch niet echt beleven
dat we een intellectueel schoenmaatje 42 hebben? Snel, actie! Zijn er
misschien educatieve programma's te bekomen om de peuter te leren lezen
en schrijven?
We verzinnen dit niet. In het recente proefschrift van de aan het Ministerie
van Onderwijs verbonden ambtenaar F. de Vijlder staat dat ouders - vooral
de hoger opgeleide, trouwens - dit geregeld vragen aan organisatoren van
programma's voor kinderen met achterstanden. Laat u dus geen oor aannaaien:
moderne ouders pushen hun kinderen wel degelijk.
Aanval op onderwijs
De pijlen van Mensa en Pharos zijn steevast gericht op alle lagen van
het onderwijs. Ze voelen zich gesterkt door de macht van het getal, door
het overweldigende aantal adhesiebetuigingen aan hun adres. Meer aandacht
voor hoogbegaafden en hun problemen, roepen ze. En met hen de Dr. Binet
Stichting, de stichting Facta, de stichting Talent Support, de Psychologische
Adviespraktijk Begaafden, het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek en tal
van platforms, begeleidingsdiensten en andere organisaties. De hoogbegaafdenlobby
is zeer omvangrijk. En succesvol. Van de Nederlandse bevolking antwoordt
37% 'nee' op de vraag of het onderwijs voldoende rekening houdt met hoogbegaafden
(zo blijkt uit Opinies over onderwijs, een uit 1993 daterend rapport
van het Sociaal en Cultureel Planbureau). Je mag hopen dat eenzelfde percentage
überhaupt op de hoogte is van de zaken waar het onderwijs aandacht aan
besteedt.
Het onderwijzend personeel heeft ondertussen wel andere, ernstiger problemen
aan het hoofd. Elsevier van 13 april jongstleden (over 'tien jaar
basisschool, lang leve de Nederlandse middelmaat'; belangrijk thema: hoe
moet 't nu toch met dat handjevol slimmeriken) maakt bijna terloops gewag
van het feit dat 20% van de kinderen de basisschool 'semi-analfabeet'
verlaat. Daarbij valt het aantal kinderen (rond de 0,5%) dat op school
vanwege bovenmatige intellectuele vermogens 'denklui' dreigt te worden,
in het niet.
Bovendien is voor die groep een vangnet gespannen: de zo-even genoemde
belangenorganisaties bieden hulp en opvang, bijvoorbeeld in de vorm van
weekendcursussen (Facta) summerschools (Talent Support), gespreksgroepen
(Dr. Binet Stichting) en gezelligheid (Mensa). Daarnaast zijn en worden
er allerlei initiatieven ontplooid om binnen het onderwijs tot differentiatie
te komen. Steeds meer vwo-scholen, meldt Span in een recent nummer van
Desiderius, het huisorgaan van de Erasmus Universiteit Rotterdam,
bieden een pluspakket aan, dat 'hoogbegaafden de gelegenheid biedt hun
energie kwijt te kunnen en de grenzen van hun vermogens af te tasten'.
Dat is ook wat specialisten als Mönks en Span steeds hebben bepleit:
extra faciliteiten voor hoogbegaafden, maar geen aparte klassen. Ook Pharos
zegt dat de meest wenselijke situatie te vinden. Allemaal blij, zou je
zeggen. Niks hoor. Nog steeds hameren de nodige ouders erop dat hoogbegaafden
bij elkaar gezet moeten worden. De aanval op het onderwijs gaat gewoon
door.
Ongezien een tien
Zo'n tien jaar nu mogen hoogbegaafden en hun vertegenwoordigers in de
media verzuchten dat 'dat 't gelukkig niet langer not done is voor
hoogbegaafden op de bres te springen'. Dat klopt. In plaats daarvan echter
dreigen allerlei nieuwe taboes te ontstaan. Zo is het not done
om het aloude standpunt te verdedigen dat hoogbegaafden, gegeven hun capaciteiten,
het best zullen redden - wat in 70-80% van de gevallen, ondanks het vermaledijde
Nederlandse onderwijssysteem, inderdaad zo blijkt te zijn. Zo is het bijna
not done om te zeggen dat het terecht is dat het onderwijs zich
vooral concentreert op de wat zwakkere broeders, mede omdat dat er voor
degenen die als gevolg daarvan 'denklui' dreigen te worden buiten school
voldoende mogelijkheden zijn om zulks te voorkomen. En het is al helemaal
not done om skeptische geluiden te laten horen over de groei van
het aantal hoogbegaafden. De hoogbegaafdenlobby bewijst de groep mensen
die als gevolg van hun hoogbegaafdheid werkelijk verstrikt dreigen te
raken, geen beste dienst.
Een kennis komt op bezoek - in het dagelijks leven docent natuurkunde
aan een scholengemeenschap in een sjiek dorp van de Randstad. Een paar
jaar geleden, vertelt hij, was dyslexie erg populair als verklaring voor
'onderprestaties'. Veel ouders hebben inmiddels bij de psychiater een
certificaat voor hun kind weten te bemachtigen dat aantoont dat de spruit
dyslectisch is. 'Ter compensatie krijgen de leerlingen onder andere een
kwartier extra voor een repetitie. Begrijp me goed: dyslexie bestaat.
Maar van de nodige leerlingen achter wier naam ik 'dyslectisch' heb gezet,
weet ik dat het onzin is. Het probleem is veeleer dat het vwo te hoog
voor ze gegrepen is. Probeer dat maar eens hun ouders te vertellen. Afradertje,
je wordt gekgebeld. Ik had gisteravond nog een boze ouder aan de lijn
- ik zou te weinig rekening gehouden hebben met de handicap van hun zoon.
Heb ik tegen gezegd: ik geef 'm de volgende keer ongezien een tien. U
wilt een genie, u krijgt een genie!'
Andrea Hijmans en Harry van den Tweel zijn free-lance
journalisten. Dit artikel verscheen eerder in Publiek Domein, november/december
1996.
HOMEPAGE
SKEPSIS
|