Ze komen op geheime plaatsen bijeen om baby's en kleine
kinderen te offeren. Ze slurpen het bloed van hun slachtoffers en verorberen
hun vlees. Ze vereren het geslachtsorgaan van hun priester en houden
perverse orgieën waarbij volwassenen met hun eigen kinderen copuleren.
Incest, babyoffers en kannibalisme: dat waren de gruweldaden waarvan
de eerste christenen werden verdacht. Het was geen toeval dat zij later
dezelfde aantijgingen gebruikten in hun strijd tegen joden en ketterse
sekten. De joden werden beschuldigd van rituele moord op christenkinderen,
terwijl men aannam dat de ketters zich vooral te buiten gingen aan orgieën.
De angst voor demonische invloeden nam in de loop der
eeuwen sterk toe, zodat de ketters er ook van werden beschuldigd dat
zij de duivel en zijn trawanten dienden. Gregorius IX beschreef in een
pauselijke bul uit 1233 welke bestialiteiten zich tijdens de nachtelijke
rituelen afspeelden. Naar verluidt gaf Satan acte de présence in de
vorm van een reusachtige zwarte kat die zich onder de staart liet kussen.
De paus verkreeg deze informatie van de fanatieke Konrad von Marburg,
die hij twee jaar eerder in Duitsland als inquisiteur had aangesteld.
De Duitse bisschoppen zagen echter weinig heil in zijn onderzoeksmethoden,
waarvan ook enkele hooggeplaatsten het slachtoffer werden. Gelukkig
werd Konrad al spoedig vermoord.
Op water en brood
Een van de meest hardnekkige ketterse sekten waren de
Waldenzen. Zij werden omstreeks 1173 gesticht door Petrus Waldus, een
rijke koopman uit Lyon. Hij baseerde zich op een tekst in Mattheüs (19:21):
'Indien ge volmaakt wilt zijn, verkoop dan al wat ge bezit en geef het
aan de armen...' Waldus volgde deze raad op en begon de armoede te prediken.
Toen de aartsbisschop daar een stokje voor wilde steken, deed hij een
beroep op de Heilige Stoel. Maar de paus liet zich niet vermurwen, zodat
Waldus zich gedwongen zag hem de rug toe te keren. Zijn aanhangers vermenigvuldigden
zich ook buiten Frankrijk en presenteerden zich met enig recht als de
ware christenen: ze verworpen de liederlijke levenswijze van de geestelijkheid
zonder de gevestigde dogma's in twijfel te trekken.
De Waldenzen werden dringend opgeroepen zich vrijwillig
te melden en al hun medeplichtigen aan te geven. In 1252 gaf paus Innocentius
IV zijn inquisiteurs toestemming om vermeende ketters door middel van
ingenieuze martelwerktuigen tot een bekentenis te dwingen. Ketters die
slechts met moeite berouw toonden, werden levenslang in een kerker opgesloten
waar ze 'op het water van droefheid en het brood van ellende' vergiffenis
van God konden verkrijgen. Lichtere gevallen kregen een 'alternatieve'
straf opgelegd. Zij moesten zich bijvoorbeeld regelmatig in alle kerken
van de stad laten afranselen of ze moesten tien lange pelgrimstochten
voltooien. Verstokte ketters werden overgeleverd aan de wereldlijke
autoriteiten om te worden verbrand.
Aan het begin van de 14de eeuw werd zelfs de invloedrijke
orde der Tempeliers als een duivelse sekte ontmaskerd. Dat was te danken
aan de hebzucht van Philips IV de Goede, die zich de bezittingen van
de orde toeëigende. De gearresteerde Tempeliers bekenden onder meer
dat zij regelmatig op het crucifix spuwden en een geheimzinnige kat
vereerden, maar er waren ook velen die de brandstapel prefereerden.
Onder druk van Philips zag paus Clemens zich gedwongen de orde te ontbinden
(Cohn, 1975).
Kunstpenis
Vooral in de westelijke Alpen (het gebied tussen Lyon
en Bern) waren veel ketters te vinden, die in de 14de eeuw hevig werden
vervolgd. In dezelfde streek moesten ook de joden het massaal ontgelden.
Zij werden ervan verdacht de pest te verspreiden door een giftig poeder
in de waterbronnen te strooien. Uiteindelijk ontdekte men hier rond
1400 een nog veel ernstiger bedreiging: de heksen. Zij vormden een satanische
samenzwering die tegen de christelijke gemeenschap was gericht. De heksen
hadden een verbond met Satan gesloten, die hun occulte vermogens verschafte
waarmee ze hun naasten schade konden berokkenen. 's Nachts vlogen zij
zonder dat iemand het merkte naar hun heksensabbat, waar zij naakt dansten,
met de duivel copuleerden en ongedoopt kindervlees aten.
De egyptologe Margaret Murray publiceerde in 1921 en
1933 twee invloedrijke boeken waarin zij betoogde dat de heksensabbat
in werkelijkheid een oude vruchtbaarheidscultus was die al eeuwen lang
een ondergronds bestaan had geleid. De aanhangers aanbaden niet de duivel
maar de gehoornde god Dianus (of Janus), een ceremoniële rol die door
hun voorgangers werd vervuld. Om deze theorie een schijn van geloofwaardigheid
te geven, maakte Murray zeer selectief gebruik van haar bronnen. Zo
vertelde ze bijvoorbeeld over een heks die bekende te paard naar de
nachtelijke bijeenkomsten te reizen, zonder daarbij te vermelden dat
dit paard kon vliegen.
Murray's ideeën werden onder meer overgenomen door Martin
Koomen (1973) in zijn boek Het ijzige zaad van de duivel. Om
te kunnen verklaren waarom de duivel zo koud aanvoelde en een onbeperkte
potentie had, veronderstelt Koomen dat de priester gebruik maakte van
een kunstpenis die water kon spuiten. Een theologische verklaring ligt
evenwel meer voor de hand: de duivel was koud omdat hij geen bloed had.
Er is geen enkele concrete aanwijzing dat de vermeende heksen werkelijk
bijeen kwamen. Niemand heeft ze ooit tijdens hun sabbat kunnen betrappen.
Het lijkt ook onwaarschijnlijk dat talloze middeleeuwers een georganiseerde
heidense religie aanhingen die pas in de 15de eeuw door de autoriteiten
werd ontdekt. Moderne historici hechten daarom geen waarde aan het werk
van Murray.
Nachtelijke vluchten
Het geloof in diabolische heksen kwam niet voort uit
de ongeletterde bevolking, maar ontstond doordat deskundige autoriteiten
geleidelijk een aantal elementen samenvoegden. Ten eerste waren er de
geschriften en geruchten over geheime groepen die in ondergrondse schuilplaatsen
offers brachten, complotten beraamden, bacchanalen aanrichtten en orgieën
hielden. Ten tweede was er een wijdverbreid volksgeloof in vrouwen die
's nachts door het luchtruim vlogen onder aanvoering van een heidense
godin, die onder vele namen bekend stond (Diana, Holda, Perchta, et
cetera). Uit 15de-eeuwse bekentenissen blijkt dat er waarschijnlijk
vrouwen waren die geloofden dat ze hadden deelgenomen aan zulke nachtelijke
reizen (Ginzburg, 1989). De kerk had deze extatische ervaringen aanvankelijk
beschouwd als een illusie, maar ze kwamen nu goed van pas om te verklaren
hoe de heksen in staat waren in korte tijd grote afstanden te overbruggen
als ze naar hun sabbat gingen.
Een derde element was de opkomst van de rituele magie.
In 13de-eeuwse boeken werd beschreven hoe je geesten of demonen kunt
oproepen. Deze konden de magiër onder meer helpen om een vrouw te verleiden,
een verborgen schat op te sporen of de toekomst te voorspellen. Hoewel
de demonen niet werden aanbeden maar gecommandeerd in de naam van God,
veroordeelden theologen de magiërs als ketters die in de greep van Satan
waren. Ook allerlei populaire vormen van tovenarij en het volksgeloof
in vrouwen met kwade krachten werd geleidelijk onder dezelfde noemer
geplaatst. Magie, ketterij en heidendom werden omgesmeed tot een satanische
heksensekte.
Sommige historici hebben aangenomen dat de eerste heksenprocessen
al in 1335 in Toulouse plaatsvonden en een uitvloeisel waren van de
strijd tegen de Katharen in Zuid- Frankrijk. De Katharen waren dualisten
die geloofden dat de materiële wereld door een kwade god of duivel was
geschapen (een stelling die nog steeds te verdedigen valt). Ze verwierpen
de sacramenten, beschouwden Christus als een reddende engel die een
schijnlichaam had aangenomen, en hadden een afkeer van menselijke voortplanting
omdat ze geen nieuwe zielen gevangen wilden zetten. Hoewel de Katharen
ernaar streefden hun ziel uit de boze wereld bevrijden, werden ze vaak
als duivelaanbidders en abortusplegers beschouwd. De theorie dat ze
door de inquisitie tot heksen werden omgevormd, was gebaseerd op een
14de-eeuws document dat in 1829 werd aangehaald in een boek van de Franse
auteur Lamothe-Langon. Inmiddels is echter duidelijk geworden dat deze
Fransman een ervaren vervalser was (Cohn, 1975).
Toverkollen
Paus Innocentius VIII gaf in 1484 het sein tot een grootscheepse
heksenvervolging, die meer dan twee eeuwen zou duren. Zijn bul werd
twee jaar later opgenomen in de Malleus Maleficarum
(Heksenhamer, zie ook
Skepter, herfst 2005),
het eerste handboek voor heksenjagers, dat dank zij de uitvinding van
de boekdrukkunst een ruime verspreiding vond. De ketterjacht werd geleidelijk
vervangen door de heksenjacht, waaraan in de 16de eeuw ook de protestanten
volop begonnen deel te nemen. De heksen werden nog wreder behandeld
dan de ketters: ze kregen meestal geen kans om aan de brandstapel te
ontkomen.
De aangeklaagden waren dikwijls oudere, alleenstaande
vrouwen die voor hun levensonderhoud deels afhankelijk waren van hun
buurtgenoten. Ze zagen er wat angstaanjagend uit, gedroegen zich afwijkend
en waren geneigd voor zichzelf op te komen door hun buren uit te schelden
of te bedreigen. Als je zo'n kwaadaardig mens een kan melk weigerde
en vervolgens getroffen werd door een storm die je oogst ruïneerde,
door impotentie of door een sterfgeval in je familie, dan lag het voor
de hand om dit onfortuin aan de kwade krachten van de toverkol toe te
schrijven. Ook vroedvrouwen en beoefenaars van de volksgeneeskunst werden
vaak van zwarte magie verdacht.
Op het platteland was het geloof in toverkrachten al
eeuwenlang wijdverbreid en er werden soms ook daadwerkelijk magische
hulpmiddelen aangewend om het eigen lot ten koste van anderen te verbeteren.
Het was echter niet eenvoudig om iemand voor zulke praktijken te laten
boeten omdat het strafproces aanvankelijk accusatoir was. Dit betekende
dat men zelf als aanklager naar voren moest treden met overtuigend bewijsmateriaal.
Als de aangeklaagde niet bekende of als de bewijzen ontoereikend waren,
kon de rechter zijn toevlucht nemen tot een godsoordeel. Zo kon hij
opdracht geven de verdachte geboeid in het water te gooien. Indien zij
zonk (voordat ze aan een touw weer werd opgehaald), was haar onschuld
bewezen en werd de aanklager bestraft. Aangeklaagden konden zich ook
verdedigen door met hulp van een aantal eedhelpers te zweren dat ze
onschuldig waren. Het was dus riskant om iemand op grond van vage vermoedens
te beschuldigen!
Martelingen
Door de invoering van de inquisitoire rechtspraak, die
in de 16de eeuw overal in Europa werd toegepast, werd het veel gemakkelijker
om vermeende heksen of andere devianten te elimineren (Levack, 1987).
Verdachten konden worden aangegeven bij de wereldlijke autoriteiten,
die dan zelf een onderzoek instelden. De beklaagden werden veroordeeld
als twee ooggetuigen hun misdaad hadden gezien of als zij zelf bekenden.
In gevallen van hekserij waren er doorgaans geen ooggetuigen, magische
attributen werden zelden gevonden en men kon vaak niet eens vaststellen
of er inderdaad een misdaad was gepleegd. Daarom maakte men intensief
gebruik van martelingen om een bekentenis los te krijgen.
De martelingen waren aanvankelijk aan regels gebonden.
Het was verboden om verdachten meer dan eens naar de martelkamer te
brengen, er mochten geen suggestieve vragen worden gesteld, een bekentenis
moest buiten de martelkamer worden herhaald en de feiten die aan het
licht kwamen moesten worden geverifieerd. Deze regels werden echter
al spoedig niet meer in acht genomen omdat men niet het risico wilde
lopen een heks op vrije voeten te laten. Heksen werden extra hard aangepakt
om hun toverkracht te breken en hen aan de greep van de demonen te ontworstelen.
De rechters gingen er voor de zekerheid van uit dat alle aangeklaagden
schuldig waren en namen aan dat God de onschuldigen de nodige kracht
zou geven om de martelingen te doorstaan.
De rechters waren niet in de eerste plaats geïnteresseerd
in het kwaad dat de heksen hun buren hadden aangedaan, maar in hun connecties
met de duivel. Ze gebruikten standaardvragenlijsten om de heksen te
laten bekennen dat ze op bezemstelen naar hun bijeenkomsten vlogen,
waar ze hulde brachten aan de duivel, aan orgieën deelnamen, de sacramenten
ontheiligden en uit kindervet toverzalf vervaardigden. Zo werden de
aangeklaagde vrouwen tijdens het onderzoek tot leden van een duivelse
sekte gebombardeerd. Ze werden ook aangespoord om medeplichtigen te
identificeren, waardoor soms een kettingreactie op gang kwam die tientallen
slachtoffers eiste. Zulke panische heksenjachten, die vooral in Duitsland
voorkwamen, eindigden pas wanneer men begon te beseffen dat er steeds
meer mensen werden aangeklaagd die niet beantwoordden aan het stereotype
beeld van een heks.
Psychisch gestoord
Er waren heksen die bekentenissen hebben afgelegd zonder
dat ze gemarteld werden. Volgens sommige wetenschappers rapporteerden
zij hallucinaties die waren opgewekt door psychotrope substanties in
de zalf waarmee ze zich insmeerden. Er zijn recepten bekend waarin onder
meer giftige nachtschaden zitten verwerkt. In de oudste recepten, die
uit de 15de eeuw dateren, zijn zulke stoffen echter niet te vinden.
Deze bevatten alleen kindervlees, vleermuisbloed, spinnenkoppen en andere
bizarre ingrediënten. Bovendien vertelden de heksen aanvankelijk dat
ze niet hun lichaam maar hun bezemsteel insmeerden. Ook indien ze de
zalf wel op hun lichaam aangebrachten, was dat vermoedelijk niet erg
effectief. Daar komt bij dat bijna niemand ooit heeft gezien dat een
heks zich met zalf insmeerde.
In psychiatrische kringen heeft men dikwijls verondersteld
dat veel heksen psychisch gestoord waren. Misschien meenden ze naar
de sabbat te zijn gevlogen omdat ze schizofreen waren. De bekende MPS-therapeut
Colin Ross sprak onlangs het vermoeden uit dat de aangeklaagden dikwijls
een zogenoemde borderline persoonlijkheidsstoornis hadden en als kind
seksueel misbruikt waren. We kunnen er echter zelden zeker van zijn
dat een bekentenis inderdaad vrijwillig is afgelegd (Spanos, 1978).
Verdachten mochten 'vrijwillig' bekennen nadat men hun de beschikbare
martelwerktuigen had getoond. In de Heksenhamer wordt bovendien
geadviseerd ze voor te spiegelen dat ze niet ter dood zullen worden
gebracht als ze al hun zonden opbiechten. Veel heksen zouden er achteraf
gezien verstandig aan hebben gedaan als ze meteen alles hadden toegegeven,
want dan zou hun veel leed bespaard zijn gebleven.
Engeland vormde een gunstige uitzondering omdat het
martelen van heksen daar niet was toegestaan, al werden ze wel met lange
naalden overal in hun lichaam geprikt om een ongevoelige plek op te
sporen, het zogenaamde duivelsteken. Er zijn in totaal niet meer dan
vijfduizend Engelse heksen aangeklaagd, waarvan minder dan de helft
werd opgehangen. Zij vlogen gewoonlijk niet op bezemstelen en aten ook
geen kindervlees, maar bekenden alleen dat ze hun buren kwaad hadden
gedaan, dikwijls met hulp van een demonisch huisdier. Ook deze bekentenissen
kunnen niet als geheel vrijwillig worden beschouwd: de aangeklaagden
werden langdurig geïsoleerd en door de autoriteiten onder grote druk
gezet, ze mochten soms niet slapen, er werden valse beloften gedaan
en suggestieve vragen gesteld. Niettemin lijkt het aannemelijk dat sommige
aangeklaagden er van overtuigd raakten dat ze werkelijk heksen waren
die over kwade krachten beschikten.
De heksenjacht kwam pas tegen het einde van de 17de
eeuw tot bedaren toen het intellectuele klimaat veranderde. Er ontstond
een mechanistisch wereldbeeld waarin veel minder plaats was voor dogma's
en demonen. In de rechtspraak begon men hogere eisen te stellen aan
het bewijsmateriaal en er kwam steeds meer weerstand tegen de martelkamer.
De dood van een koe of een andere tegenslag was niet langer toereikend
om iemand voor hekserij te kunnen aanklagen.
Literatuur
Beukers, Herman (2000). Triomf van de
maan: geschiedenis van de moderne hekserij.
(boekbespreking)
Cohn, Norman (1975). Europe's inner demons. London: Pimlico,
1993.
Ginzburg, Carlo (1989). Extasen: een ontcijfering van de heksensabbat.
Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1993.
Levack, Brian P. (1987). The Witch-hunt in early modern Europe.
London: Longman, 1993.
Russell, Jeffrey B. (1980). A history of witchcraft. London:
Thames and Hudson.
Spanos, Nicholas P. (1978). Witchcraft in histories of psychiatry:
a critical analysis and an alternative conceptualization. Psychological
Bulletin, 85(2), p.417-439.
Aanvulling: gedeelte uit het artikel "Voor de
Glorie van God" uit Skepter 18(1), voorjaar 2005.
Corrupte bende
De Romeinse keizer Constantijn gaf het christendom in 324 een bevoorrechte
status. Alle gelden die men eerder aan heidense tempels besteedde, werden
overgeheveld naar de christenen. De tempels werden regelmatig aangevallen
door groepen militante monniken. Uiteindelijk werden alle heidense beelden
en altaren in 407 officieel verboden. Stark stelt dat monotheïstische
godsdiensten van nature intolerant zijn. Gelovigen die menen dat ze
de enige ware God aanbidden en precies weten wat deze God verlangt,
nemen aanstoot aan andere religies. Wanneer zulke gelovigen kunnen beschikken
over de macht van de staat, zetten ze alle middelen in om devianten
tot zwijgen te brengen. Dit kan volgens Stark het beste worden voorkomen
door vrije concurrentie, met als lichtend voorbeeld de VS, waar 1500
religieuze firmas hebben geleerd om hoffelijk met elkaar om te
gaan.
Katholieke geestelijken kregen dank zij Constantijn
veel status, macht, privileges en rijkdom. Daardoor waren er onder de
elite velen die een geestelijk ambt ambieerden, zonder dat ze een religieuze
motivatie hadden. Door middel van goede connecties en omkoperij konden
ze bisschop worden of een andere goedbetaalde positie binnen de kerk
verwerven. De religieuze ambten werden vaak binnen families doorgegeven.
Ook verscheidene pausen waren familie van een voorganger.
De kerkelijke machthebbers hadden weinig reden om een
vroom leven te leiden. Ze hoefden geen rekening te houden met de wensen
van de gelovigen, want daar was hun positie niet van afhankelijk. Eeuwenlang
was het in de kerk een corrupte bende. Verscheidene pausen werden vermoord
en soms vermoordden ze elkaar. Over hun levens kunnen liederlijke verhalen
worden verteld. Zo had paus Johannes XII (955-965) een harem van jonge
vrouwen tot zijn beschikking. Hij liet een kardinaal castreren, wijdde
een tienjarige jongen tot bisschop en riep heidense goden aan tijdens
het gokken. Parochiepriesters liepen de kantjes ervan af. Ze kwamen
dronken naar de mis en hadden onwettige kinderen.
Hoewel de middeleeuwse maatschappij was doortrokken van
religieuze symbolen, rituelen en retoriek, kwamen gewone mensen vrijwel niet in
de kerk, alleen bij speciale gelegenheden. Velen hadden hun eigen, ongeorganiseerde
geloof in hogere machten en krachten, die vaak niet christelijk waren.
Buiten de steden waren er aanvankelijk bijna geen kerken. Pas in de
late middeleeuwen stichtte men dorpskerken, die echter dikwijls zonder
pastoor zaten. Priesters waren meestal niet of nauwelijk opgeleid.
Nadat de katholieke kerk de sterke arm van het Romeinse
rijk was kwijtgeraakt, ondernam men tot in de 11de eeuw weinig tegen
ketterijen. Die waren er nog wel, maar vormden geen bedreiging. Strikte
en afwijkende geloofsovertuigingen vonden vaak een uitweg in kloosterordes,
die als een soort sekten fungeerden. Ascetische heiligen, waaronder
30 procent vrouwen, kwamen gewoonlijk uit de hoogste kringen. Monniken
bedreven missiewerk onder de barbaarse volkeren in het noorden, maar
ze richtten zich daarbij vooral op de heersende elite. Gebieden werden
gekerstend door het vorstenhuis te bekeren. Het geloof van de massa
was van minder belang.
De kruistochten tegen de Turken, die de pelgrimages
naar het Heilige Land belemmerden en Constantinopel bedreigden, werden
vanaf 1095 in het leven geroepen door enkele vrome pausen die de geloofsijver
probeerden te bevorderen. Duizenden monniken gaven de pauselijke boodschap
door en begonnen te prediken over het kwaad van het ongeloof. Daarbij
kwam ook de clerus onder vuur te liggen. Er waren hervormers die verkondigden
dat de sacramenten geen waarde hadden wanneer ze door een immorele priester
werden verstrekt. De kerkelijke machthebbers kregen het steeds drukker
met het bestrijden van ketters.
Joden moesten zich aan allerlei beperkingen houden,
maar werden van oudsher getolereerd, mede door de theologische doctrine
dat de Wederkomst van Christus zal worden ingeluid met de bekering der
joden. De kruisvaarders hadden echter geen goede reden om de vijanden
van Christus zo ver van huis te zoeken en rekenden onderweg ook met
joden af. In 1096 werden er in het Rijnland zo'n 5000 joden gedood.
De plaatselijke bisschoppen probeerden hen in verscheidene plaatsen
te beschermen, maar dat lukte niet altijd. In het gebied langs de Rijn
van Keulen, Mainz, Worms, Spier en Straatsburg tot in Zwitserland
werden joden geregeld aangevallen.
Ten tijde van de grote pestepidemie, halverwege de 14de
eeuw, kwam uit Spanje het gerucht dat joden de waterbronnen hadden vergiftigd.
Dit leidde tot wraakacties die begonnen in de buurt van het Meer van
Genève en die zich langs de Rijn tot in Keulen verbreidden. In
minstens zeven Duitse steden pleegden joodse gemeenschappen massaal
zelfmoord. In Spanje vonden zulke excessen niet plaats doordat kerk
en staat voldoende macht hadden om ze te voorkomen. Het Rijnland bestond
daarentegen uit talloze autonome rijkjes die werden geregeerd door prinsen
of prinsbisschoppen. In dit gebied waren eeuwenlang ook veel ketters
actief, waaronder katharen, waldenzen, broeders van de vrije geest en
hussieten.
Heksen
langs de Rijn
De toenemende religieuze conflicten versterkten de intolerantie ten
opzichte van magische praktijken, die onder het volk populair waren
gebleven. Men gebruikte onder meer amuletten, bezweringsformules en
toverdrankjes om de gezondheid, het weer, de vruchtbaarheid en het eigen
fortuin te beïnvloeden. Het was ook niet ongewoon om een vervloeking
uit te spreken of te dreigen met een beheksing. De kerk hechtte lange
tijd geen betekenis aan het bijgeloof. In de 15de eeuw waren er echter
universitaire theologen die tot andere conclusies kwamen. Zij geloofden
dat magie vaak werkte (toverdrankjes waren inderdaad te prefereren boven
de reguliere geneeskunst), maar aangezien dat niet aan God kon worden
toegeschreven, moest de duivel erachter zitten.
'De daden van heksen zijn zodanig dat ze niet verricht
kunnen worden zonder de hulp van duivels', betoogden de dominicaanse
inquisiteurs Heinrich Kramer en prof. Jakob Sprenger in Malleus
maleficarum (1487, zie ook
Skepter, herfst 2005,),
een populair handboek voor heksenjagers. De duivel heeft op
zijn beurt de assistentie van de heksen nodig, zodat beiden een verbond
smeden. Een jonge heks uit de omgeving van Bazel had Kramer verteld
hoe zij trouw zwoer aan de duivel en toverzalf en soep maakte van ongedoopt
kindervlees. In het laatste deel gaf de inquisiteur aanwijzingen voor
het opsporen en verhoren van heksen. Hij wist uit ervaring dat de duivel
er soms voor zorgde dat ze ondanks de folteringen niks bekenden.
Tussen 1450 en 1750 werden er in Europa van Finland
tot Spanje naar schatting zon 60.000 heksen geëxecuteerd,
waaronder dertig procent mannen. De aangeklaagden hadden doorgaans een
slechte reputatie en leefden geïsoleerd. Het waren onder meer oudere
vrouwen, die soms magische diensten aanboden, maar ruzie kregen met
een buurvrouw. De heksenprocessen bereikten hun hoogtepunt tussen 1550
en 1650, toen katholieken en protestanten in Duitsland om de macht streden.
Heksen werden door beide partijen hard aangepakt. Minstens de helft
van alle slachtoffers viel in het beruchte gebied langs de Rijn, waar
lokale functionarissen regelmatig hele groepen duivelaanbidders oprolden.
Hoewel de Spaanse inquisitie een slechte naam heeft,
waren de kerkelijke rechtbanken in Spanje en Italië opvallend mild.
Beschuldigingen van hekserij leidden daar meestal niet tot een proces
en slechts zeer weinigen kregen de doodstraf. Zo liet de inquisitie
in Aragon tussen 1540 en 1640 niet meer dan 12 heksen executeren. In
1549 was er in Barcelona een plaatselijke inquisiteur die instemde met
de verbranding van zeven heksen. Zijn superieuren lieten de zaak echter
meteen onderzoeken door de inquisiteur Francisco Vaca. Hij concludeerde
dat de aanklachten belachelijk waren. De Spaanse inquisiteurs hechtten
al spoedig geen waarde meer aan afgedwongen bekentenissen en traden
ook hard op tegen illegale heksenjagers. Mensen die zich aan magische
praktijken hadden bezondigd, werden gezien als onwetenden, die zonder
het zelf te beseffen demonische krachten hadden opgeroepen. Er was dan
weinig voor nodig om hen weer met de kerk te verzoenen.
Rodney Stark (2003) geeft een kort overzicht van de
heksenvervolgingen in verschillende landen. Zijn conclusie is dat de
ze vooral optraden ten tijde van ernstige religieuze conflicten en in
gebieden waar het centrale gezag weinig invloed had. De meerderheid
van de slachtoffers had weinig vrienden of familieleden die hun dood
betreurden. In plaatsen waar een heksenjacht uit de hand liep, zodat
ook gerespecteerde burgers voor hun leven moesten vrezen, werd de jacht
vaak definitief gestaakt. Ook het einde van de Dertigjarige Oorlog tussen
protestanten en katholieken (Vrede van Münster in 1648) had een
kalmerende invloed, evenals het ontstaan van sterkere en meer gecentraliseerde
staten die martelpraktijken aan banden legden.
De jezuïet professor Friedrich von Spee, publiceerde
in 1631 een invloedrijk boek waarin hij de bewijsvoering bij heksenprocessen
onderuit haalde. Stark gelooft niet dat het einde van de heksenvervolgingen
te danken was aan de opkomst van het wetenschappelijke denken. Zo bezocht
de filosoof Henry More, een goede vriend van Newton, regelmatig heksenprocessen,
en de befaamde scheikundige Robert Boyle moedigde de jacht op heksen
aan.
Rodney Stark (2003). For the Glory of God: How Monotheism led to
Reformations, Science, Witch-Hunts, and the End of Slavery. Princeton
University Press.
Rob Nanninga is hoofdredacteur
van Skepter.
© Stichting Skepsis. Het is niet toegestaan artikelen uit Skepter
op andere websites over te nemen.
HOMEPAGE
SKEPSIS

DE
NIEUWSTE SKEPTER