1 Inleiding tot de magie
Als antropoloog heb ik tweeënhalf jaar onderzoek
gedaan in het zuiden van Tanzania. Verder heb ik onderzoek verricht in
het Surinaamse binnenland, sinds het begin van de jaren 1960 tot vorig
jaar, in perioden uiteenlopend van bijna twee jaar tot een maand. De plaats
van onderzoek was Oost-Suriname, het gebied waar nu al vier jaar strijd
wordt geleverd tegen de centrale regering. Daar wonen de Ndyuka Bosnegers,
zoals ze zichzelf noemen (in de literatuur heten ze ook Marrons).
Laat ik u, om de sfeer te tekenen, wat van mijn ervaringen
daar vertellen. Mijn buren en mijn dorpsgenoten in Suriname dachten dat
sommige mensen zich af en toe 's nachts door de lucht bewogen met de bedoeling
lieden aan wie zij een hekel hadden bloed af te nemen. Dit geloof in vampiers
is ook bekend uit delen van Europa. Ook in Tanzania kwam een soortgelijk
geloof voor, namelijk dat mensen zich met hoge snelheid door de lucht
konden verplaatsen, in de gedaante van een vuurbol. Zo zou men in een
uur van het zuiden van Tanzania naar Johannesburg kunnen gaan (afstand
gelijk aan die van Amsterdam tot Istanbul). Daar haalde men dan kwade
'medicijnen,' die werden gebruikt om de dorpsgenoten te schaden.
In het dorpje van Suriname waar ik onderzoek deed, waren
nogal wat volwassenen die de mening koesterden dat zij bezeten waren door
een geest of godheid. Dit verschijnsel is kwantitatief belangrijk. Na
veel getel ben ik tot de conclusie gekomen dat circa 40%, meest vrouwen,
van een bevolking van enige duizenden, meende medium te zijn van een bovennatuurlijk
wezen.
Anderen weer dansten blootsvoets minuten lang in een
flink opgestookt houtvuur (niet alleen 'vuurlopen,' dat wil zeggen een
paar stappen doen over gloeiende houtskool). Ook gebeurde het dat men
met blote voeten flessen aan diggelen trapte. De flessen stonden in een
bak nabij een heiligdommetje in het dorp. U moet zich voorstellen dat
op een bepaald ogenblik een paar oude heren plotseling in die bak sprongen
en die flessen met blote voeten kapot stampten.
Medici die ik vroeg hoe dit mogelijk was, zeiden dat
de plaatselijke bevolking dikke eeltlagen had onder de voeten. Als ik
dan vermeldde dat genoemde oude heren tot hun knieën in die glasbak
gingen, en dat niettemin er maar één zich verwondde, namelijk
dat hij een sneetje net onder de knie opliep, verdween de behoefte van
mijn medische zegslieden om het verschijnsel nader te analyseren. Van
de oude man met dat sneetje onder zijn knie werd achteraf gezegd dat hij
gewaarschuwd was omdat hij zich niet voldoende voorbereid had.
Ik geloof niet in vliegen door de lucht, laat staan in
vuurbolvorm, het dansen in vuur en glas heb ik zelf gezien, maar ik kan
er niets verstandigs over zeggen. Niettemin is er over het geloof in hekserij
heel wat te zeggen. Ik heb in zowel Tanzania als Suriname kennis gemaakt
met het hekserijgeloof en hekserijvervolgingen. Als antropoloog ben ik
geïnteresseerd in vragen zoals: welke vorm krijgt het hekserijgeloof
en welke activiteiten zijn ermee verbonden? En vooral, wat leert ons dat
over de samenleving waarin het zich afspeelt? Wat leert het ons vooral
over de verborgen spanningen in een maatschappij?
Eerst neem ik u mee naar het Europa van de 17de eeuw.
Ik wil u voorstellen aan iemand die eigenlijk postuum erevoorzitter van
de Stichting Skepsis zou moeten zijn, namelijk Balthasar Bekker.
2 Niet alleen bij primitieven
Driehonderd jaar geleden, in 1680 om precies te zijn,
kwam het in Zweden tot een uitbarsting van geweld tegen personen die ervan
verdacht werden met de duivel te heulen, de zogeheten heksen van Mora
(een klein plaatsje in Zweden). De duivel stelde men zich voor als een
grote bok die kon vliegen. Samen met andere beesten transporteerde hij
Zweedse vrouwen, maar ook mannen, naar Blåkulla, de duivelswei genaamd.
Daar vermaakte eenieder zich kostelijk. Bij deze orgie behoorde in de
verbeelding van de Zweden van die dagen ook een feestmaal, waar spek en
een soort brinta werd gegeten (wij kunnen ons heden ten dage nog wel wufter
vermaak voorstellen). Er werd obsceen gedanst waarna seksuele omgang met
de duivel (in een apart kamertje, want de duivel was toch nog wel een
beetje keurig) het werk bekroonde.
Na afloop van dit nachtelijk feest werden de niet zo
brave burgers en burgeressen weer teruggevlogen. De feestgangers waren
dan een gevaar geworden voor de gewone mensen. Ze zorgden ervoor dat het
vee geen melk gaf en dat mensen, vooral kinderen, ziek werden of dood
gingen. Deze fantastische verhaaltjes bleven niet zonder gevolgen. Mensen
die van nachtelijke luchtreizen werden verdacht, kregen een aframmeling
of werden gemarteld of zelfs ter dood gebracht. Vele tientallen werden
door de autoriteiten gearresteerd. In totaal kwamen zo'n 80 mensen op
de brandstapel terecht of werden opgehangen. Na een paar jaar keerde de
rust weer terug in dit deel van Zweden.
In Nederland schreef Balthasar Bekker in 1691 het boek
De Betoverde Weereld waarin hij dit volksgeloof belachelijk maakte.
Zo stelde hij in dat boek de vraag waarom de duivel zo'n duidelijke voorkeur
toonde voor oude vrouwtjes, want veel van de luchtreizigers behoorden
namelijk tot die leeftijdsgroep en sekse. Bekker vond dit een merkwaardige
voorkeur. De duivelswei met zijn orgie beeldde hij ook af als een ridicuul
gebeuren. Balthasar Bekker behoorde tot een skeptische minderheid in het
Europa van zijn tijd. Nog een eeuw later werden er in Zwitserland van
hekserij verdachte personen op de brandstapel gebracht.
De luchtreizigers, waar hier sprake van was, noemen antropologen
'heksen'. Onder 'hekserij' verstaan antropologen meestal de ziekelijke
behoefte, die aan sommige medemensen wordt toegedicht, om anderen te doden
of te kwetsen of hun bezit te vernielen. Dit moet worden onderscheiden
van 'toverij'. Bij toverij denken we eerder aan kwaadaardige en bovennatuurlijke
acties die als iets incidenteels worden beschouwd, bijvoorbeeld een wraakneming.
Bij toverij wordt ook vaak gedacht dat de magische daad uitgevoerd wordt
door een specialist, de tovenaar dus, die dan in opdracht van iemand anders
werkt.
Het geloof in hekserij bestaat of bestond vrijwel overal
ter wereld. Europa tussen ruwweg 1500 en 1700 was ervan vergeven. Sommige
gebieden in Europa werden wel in het bijzonder getroffen: een streek ten
noorden van Londen (1550-1600), Schotland, Baskenland maar ook grote delen
van Duitsland, waar de heksenwaan lang gebleven is. Van het zuidwesten
van Duitsland is bekend dat in sommige stadjes enkele duizenden personen
in een tijdsverloop van slechts enkele jaren hun weg naar de brandstapel
vonden. Vaak waren oude vrouwen de slachtoffers. Eigenlijk gaan onze gedachten
bij het woord heks uit naar een vrouw, maar elders is dat niet zo.
Niet de fantastische vertellingen zijn interessant voor
antropologen maar vragen naar het waarom van hekserijvervolging: waarom
op de ene plaats wél en op de andere niet; waarom niet in de Middeleeuwen
maar vooral in het begin van de moderne tijd, dus tussen 1500 en 1700?
Waarom oude vrouwen en andere zwakke groepen in de samenleving? Wat leren
ons die hekserijvervolgingen over een samenleving?
De beantwoording van deze vragen kunnen we niet alleen
aan historici overlaten, denken antropologen. Historici moeten vaak, bijna
altijd, gebruik maken van documenten die opgesteld zijn door rechtbanken.
De verklaringen in die documenten zijn vaak door afpersing verkregen.
Zelden kan een historicus de mensen zelf vragen wat zij ervan dachten.
Antropologen doen meestal hun werk in bestaande, eigentijdse samenlevingen.
Antropologen zijn dan niet langer afhankelijk van de nauwkeurigheid van
klerken en de uitgebreidheid van archieven. Ze hebben het voordeel
soms blijkt dit een illusie te zijn dat je de mensen zelf kunt
ondervragen. Antropologen kunnen het hekserijgeloof optekenen uit de mond
van mensen die erin geloven. Ze kunnen hekserijvervolgingen meemaken,
de slachtoffers tellen en op die wijze vaststellen om welke personen en
welke sekse het gaat. Zo blijkt bijvoorbeeld dat er nogal wat maatschappijen
zijn waar mannen eerder dan vrouwen worden beschuldigd; waar de typische
heks een rijke man is, vaak een ondernemer of handelaar die begint met
een nieuw initiatief.
3 Heksenjagers in Tanzania
Grote delen van Centraal-Afrika kennen de heksenjager
en zijn team. Het is een op de heksenjacht gespecialiseerde eenheid. Ze
trekken als een schoonmaakploeg door het land, overal hun diensten aanbiedend.
Hele dorpen worden dan uitgekamd. De gang van zaken is de volgende: als
de onrust over het hekserijgevaar flink gestegen is, zoekt een comité
van ouderen contact met zo'n magische schoonmaakploeg. Die reist dan naar
het uitnodigende dorp, meestal betekent dat een flinke wandeling van 30
km of meer, en na een goede nachtrust en een flink maal gaan ze de volgende
dag aan de slag.
In het dorp in Tanzania waar ik twee jaar gewoond heb,
leek in het begin alles anders. Als ik probeerde het onderwerp hekserij
aan de orde te stellen werd er beleefd gelachen: 'Nee, onze voorouders
geloofden zulk soort dingen. Wij niet meer.' Maar nauwelijks was de piek
in het landbouwseizoen voorbij, toen de mensen dus wat meer tijd kregen,
of daar kwamen de eerste verdenkingen los. Een van mijn buren, een man,
werd verdacht van nachtelijke vluchten naar Johannesburg in Zuid-Afrika,
en van pogingen om met daar gekochte medicijnen anderen ziek te maken.
Na allerlei geruchten en verdachtmakingen, volgde een
tweetal dorpsvergaderingen. De eerste was betrekkelijk onschuldig. Velen
kregen de gelegenheid een toespraak te houden waarbij de heksen veroordeeld
werden, maar alles in zeer algemene termen. Namen werden niet genoemd.
Bij de tweede vergadering zag het er allemaal minder onschuldig uit. Al
vrij snel werd een aantal personen genoemd. Een man in het bijzonder werd
verketterd. Hij bleek niet op de dorpsvergadering aanwezig, dus stuurden
de leiders een boodschapper die de arme man kwam vertellen dat hij zich
moest verantwoorden. Bedremmeld verscheen de ongelukkige. Nadat iedereen
hem eens flink had uitgescholden, spraken de leiders van de vergadering
(oude mannen) de banvloek over hem uit: 'Ga met de zon.' En inderdaad,
tegen het eind van de middag zag ik de man met vrouw en kinderen, belast
en bepakt met hun schamele bezittingen, op weg naar een neef die 30 km
verder woonde. Dat familielid zal met deze onwelkome gasten, die diep
in de nacht bij hem arriveerden, ook niet zo blij zijn geweest.
Deze verbanning loste echter niets op. Een paar dagen
later gonsde het dorp weer van allerlei geruchten. Toen werd besloten
een heksenjager het dorp eens een goede beurt te laten geven. Er werd
een schoonmaakgroep afgehuurd: tien of vijftien vrouwen, het voetvolk,
liever gezegd de mediums die, eenmaal in trance geraakt, de wapens van
de heksen zouden moeten opsporen. De leiding lag in handen van een vijftal
mannen, waarvan een in het bijzonder veel te vertellen had. Ik zal hem
de 'commandant' noemen. De vier anderen waren zijn assistenten. Een van
hen zou je de 'dominee' kunnen noemen. De commandant van de groep gaf
op een gegeven ogenblik het sein. Daarna begon het zingen en bidden, de
mediums brachten zichzelf in trance en vervolgens schoten ze dan weg.
De bevolking met de commandant er achteraan. Hele boerderijen werden dan
uitgekamd. De mediums klommen tegen de strooien daken op en zochten tussen
het gras naar gevaarlijke bovennatuurlijke wapens, vaak koeiehoorns of
kleine onooglijke flesjes. De slachtoffers kregen een openbare berisping
en daar bleef het bij. Het bestuur zat tenslotte dichtbij.
In het dorp in Tanzania pakten de heksenjagers mensen
op die zich onpopulair hadden gemaakt in de ogen van de gemeenschap. De
rijke boeren bleven buiten schot, maar werden wel verdacht gemaakt. Het
liefst zou men die ontmaskerd hebben, maar die beschikten over teveel
kennissen in het bestuursapparaat. Het bestuur was toch al niet dol op
die vliegende teams van heksenjagers. Men zou zeker in actie gekomen zijn
als hun contacten, hun zakenvrienden onder de boerenbevolking, zouden
worden aangepakt.
4 Suriname
In de samenleving van de Bosnegers van Oost-Suriname
leek het hekserijgeloof verbluffend veel op het Europese, dat wil dus
zeggen dat vooral de zwakkeren in de samenleving de zondebok zijn, en
dat vooral oude vrouwen worden beschuldigd. Het laatste is een controleerbaar
empirisch feit.
De angst voor hekserij is groot in de samenleving van
Bosnegers. Hoe weten we dat? In de eerste plaats behoort hekserij behoort
tot de dagelijkse gespreksstof. Als mensen voor gezelligheid of om andere
redenen bijeen zijn raakt het gesprek al gauw op wat heksen allemaal niet
voor lelijks kunnen doen. Verder worden veel mensen van hekserij beschuldigd.
Ten slotte, Bosnegers hebben zelfs speciale organisaties ontwikkeld om
hekserij goed te kunnen aanpakken. Ik heb er twee in actie gezien en over
beide zal ik hier iets vertellen.
4.1 Kanttekeningen vooraf
Voor ik hier dieper op inga wil ik bij wijze van waarschuwing
het common sense karakter van deze samenleving benadrukken. Deze
mensen zijn weliswaar de hele tijd met die hekserij bezig, maar niettemin
gaan landbouw, visserij en jacht gewoon door. De vrouwen vergeten niet
om hun grondjes op tijd te beplanten, te wieden als het nodig is, en te
oogsten.
Een tweede belangrijk punt is dat de Bosnegers geen naïeve
oerwoudbewoners zijn. Er is bijna geen volwassen man die niet minstens
enkele jaren in een stedelijke omgeving heeft doorgebracht, in Paramaribo
of zelfs in Nederland, en hetzelfde geldt voor veel vrouwen. Men kent
dus een andere samenleving met andere normen uit eigen ervaring en weet
daar ook zijn weg te vinden. Wie hiervan niet op de hoogte is, kan deze
bevolking gemakkelijk voor 'exotisch' houden. Het zijn echter trekarbeiders,
en hun vaders en grootvaders waren dat ook. Rond 1900 werkten praktisch
alle Bosnegers in de goudindustrie in Frans Guyana en waren kosmopolitischer
dan de gemiddelde Nederlander van die dagen.
Een derde waarschuwing luidt dat het geestelijk klimaat
vaak ook heel kritisch en nuchter kan zijn. Mijn buurman placht regelmatig
mijn vragen naar verschijnselen die zich hadden voorgedaan te becommentariëren
met de wedervraag: 'En jij gelooft daarin?' En daarna kwam er dan een
uiteenzetting waaruit bleek dat hij het flauwekul vond. Hij stak zijn
mening niet onder stoelen of banken en zo waren er meer in het dorp. Bij
gesprekken kon de conversatie snel omslaan van griezelige verdachtmakingen
naar kritisch en nuchter commentaar op dagelijkse gebeurtenissen.
4.2 Twee aspecten: wanneer en wie?
Een eerste interessant aspect van hekserijgeloof is:
wanneer doet het zich voor? Wanneer bereiken hekserijvervolgingen hun
climax? In bepaalde tijden is de vrees veel sterker, en er zijn pieken
te zien. In het Surinaamse binnenland was dat rond de eeuwwisseling, tussen
1890 en 1900, en opnieuw tussen 1972 en 1978. De laatste heb ik zelf meegemaakt.
Beide perioden kenden grote sociaal-economische veranderingen, met name
drastische welvaartsstijging van althans een bepaald deel van de bevolking.
Omstreeks de eeuwwisseling vond er ook zo'n hausse plaats, toen onder
invloed van de goudindustrie in Frans Guyana. Men denkt misschien dat
het binnenland van Suriname heel primitief was en dat het geen geldeconomie
kende, maar dat is onjuist. De Bosnegers waren werkzaam als transporteurs,
ze hadden feitelijk het monopolie op het vervoer van vracht en personen
naar het binnenland, per korjaal over rivieren met stroomversnellingen.
Ze hadden daarmee een jaarinkomen van enige duizenden guldens, aanzienlijk
meer dan de toenmalige elite van de Nederlandse arbeiders, de diamantarbeiders.
Daglonen van zeven tot tien gulden waren geen uitzondering. Het effect
was dat hierdoor de verschillen in welvaart eerder groter dan kleiner
werden. Vroeger, in de 19de eeuw, bestond hekserij ook, maar bleef dit
verschijnsel beperkt tot enkele notoire gevallen.
Juist deze tijd, tussen 1890 en 1900, is de tijd dat
de historici onder de Bosnegers zeggen dat de heksen toen werkelijk begonnen
op te staan. Overal doken ze op. In Europa deed zich iets vergelijkbaars
voor. Heksenvervolgingen in ons werelddeel kunnen vaak gekoppeld worden
aan belangrijke sociaal-economische verschuivingen. Een Brits historicus
heeft erop gewezen dat het gebied ten noorden van Londen tussen 1550 en
1600 ook een economische hausse kende (Macfarlane, 1970). Het was een
landbouwgebied en het leverde, tegen profijtelijke prijzen, voedsel voor
Londen dat toen zeer snel groeide. In dit graafschap ontwikkelde zich
in die jaren een nieuwe elite van agrarische ondernemers.
Nabij Londen waren het boeren, in Suriname rond de eeuwwisseling
waren het booteigenaren. Ik denk dat als men de tijden van de hekserijvervolgingen
in Europa nagaat, men zal vinden dat die niet komen als iedereen het beroerd
heeft, maar juist in tijden van plotselinge abrupte welvaart. Welvaart
is meer verstorend dan armoede. Armoede brengt de mensen bijeen, welvaart
rukt een maatschappij uit elkaar. De welvaart komt de maatschappij via
bepaalde sectoren binnen. Die sectoren weten zich in te kapselen, banden
worden verbroken en er ontstaan spanningen. Ik meen dat we een verklaring
van de samenhang tussen welvaartsstijging en hekserij in die richting
moeten zoeken. Hekserijgeloof kan interessante inzichten bieden in transformaties
van een maatschappij.
Een tweede vraag over hekserij is: wie zijn de slachtoffers?
Wie beschuldigt wie van hekserij? Zulke beschuldigingen zijn altijd selectief.
In sommige maatschappijen zijn vooral de rijken het slachtoffer van beschuldigingen
en vervolgingen, vaak mannen, kleine ondernemertjes, personen met enig
politiek gezag. In andere samenlevingen zijn het juist de armen. In Europa,
bijvoorbeeld bij de grote hekserijvervolgingen van 1600, waren meer dan
80% van de slachtoffers die op de brandstapel terechtkwamen, oude vrouwen.
Bij de Bosnegers is het niet veel anders. Bestudering van wie beschuldigt
en wie de beschuldigingen incasseert, kan ons iets leren over de machtsverhoudingen
in een maatschappij.
4.3 De organisatie van de heksenvervolging voor 1972
Een volgend punt van studie is de organisatie van de
heksenvervolgingen. In Suriname zal ik twee organisaties bespreken van
Bosnegers. Beide heb ik persoonlijk meegemaakt.
De eerste anti-hekserijorganisatie was eigenlijk een
soort van inheemse kerk, dus niet verbonden met missie of zending, maar
eerder een concurrent van christelijke kerkgenootschappen. De organisatie
was in 1890 gesticht in een tijd dat de verhoudingen in het binnenland
op hun kop gezet werden door de vondst van belangrijke goudvelden. Deze
organisatie werd in 1972 door een religieuze revolutie weggevaagd, daarover
later meer.
Ik bofte want het dorp waar ik in 1961 mijn intrek nam,
was tevens het hoofdkwartier van deze organisatie voor de bestrijding
van heksen. Een soort Vaticaan dus maar dan nogal gespecialiseerd. Het
uitroeien van heksen lieten zij aan hun godheid over, de Grote Vader geheten
(Thoden en Van de Wetering, 1988). Het was niet de zaak van de gewone
burger om uit te maken of buurman een heks was, nee die moest dat overlaten
aan de godheid. Op zichzelf was dit geen gek idee. Het voorkwam dus allerlei
wilde beschuldigingen of erger. Maar na de dood kwam men in actie.
Er moest een rapport opgesteld worden over de morele
kwaliteiten van de overledene. Het stoffelijk overschot werd op een brancard
gelegd, en deze werd door twee dragers het dorp rond gedragen. Tegelijkertijd
trok een comité van ouderen mee en stelde vragen. Het idee was
dat de geest van de overledene via bewegingen van de brancard antwoord
gaf. Op deze wijze stelde men de morele statuur van de dode vast. De belangrijkste
vraag was of het een heks was, want dat was het allerergste. Mogelijk
was het slechts een zondaar geweest, iemand met vergeeflijke fouten. En
ten slotte, het laatste dat men zich afvroeg, was of het misschien dan
toch een respectabel burger was geweest. De sfeer tijdens dit vragenstellen
riep bij mij associaties op met derdegraads politieverhoren, voorzover
ik die uit films ken. De geest van de overledene werd op onvriendelijke
en barse wijze toegesproken.
Tijdens mijn eerste veldwerk, dat 18 maanden duurde,
was ik aanwezig bij 30 van dit type onderzoekingen. Er waren toen 24 heksen,
3 zondaars en 3 fatsoenlijke mensen. In de jaren die volgden kon ik nog
vele malen dit dorp bezoeken en gegevens over heksen verzamelen, waarbij
bleek dat die eerste periode nogal atypisch was geweest. Het bleek ten
slotte dat 'slechts' 49 van de paar honderd overledenen als heks kon worden
gekenmerkt. Dat geeft toch een aardige indicatie van de angst voor heksen.
Mijn materiaal bood inzicht in de kwestie welke sekse
vooral beschuldigd werd en om wat voor soort mensen het ging. De heksen
waren in hoofdzaak vrouwen. Beschuldigingen aan het adres van mannen waren
zeldzaam en betroffen vaak patiënten. Dus in het algemeen: de zwakkeren
in de samenleving werden beschuldigd want vrouwen waren financieel afhankelijk
van hun mannen en patiënten van hun familie. Antropologen noemen
dit een hiërarchisch hekserijpatroon.
Interessant is ook na te gaan wie de vermeende slachtoffers
van heksen waren. Bij het dodenrapport hoorde namelijk ook een verslag
van de schade die was toegebracht. Welke personen had de overledene, voor
die helft van de gevallen waarbij het om een heks ging, schade willen
berokkenen of doden? Dikwijls bleek dat de slachtoffers vooral in de naaste
omgeving van deze slechte mens gezocht moeten worden. Een grootmoeder
die zowel haar dochter als haar kleinkinderen probeerde te treffen, was
een vast schrikbeeld. Kennelijk leven in zulke nauw samenwonende en samenwerkende
groepen veel spanningen die niet op normale wijze aan de oppervlakte kunnen
komen. Driekwart van de vermeende beheksingen vond plaats tussen naaste
verwanten.
Als was vastgesteld dat een overledene heks was geweest,
kwam er een hele machinerie in werking. De maatregelen waren vrij drastisch.
De bezittingen van de heks werden geconfisqueerd en deze zogeheten 'gadu
lai' werden naar een sacrale stortplaats in het bos gebracht. Het lijk
van de heks werd naar een 'dodenakker' gebracht en bleef daar onbegraven
achter.
Nogmaals, lang niet iedereen gelooft alles wat daar gebeurt.
In deze maatschappij valt regelmatig kritisch commentaar te horen. Mijn
vrijdenkende buurman, die ik al eerder noemde, heeft me verteld dat zijn
eigen moeder, die al twintig jaar tevoren was overleden, veroordeeld was
als heks. Hij geloofde daar helemaal niet in maar werd gewoon gedwongen
door de omgeving. Anders zouden ze me beschuldigd hebben als medeplichtige,
zei hij. We zien hier dus het verschijnsel dat mensen beschuldigingen
uiten, of ermee instemmen, om zichzelf te beschermen.
Zo'n organisatie voor de opsporing van heksen is een
politieke organisatie. Ze gaat als elke organisatie haar eigen koers volgen.
Naast de zwakkeren worden ook politieke concurrenten beschuldigd, die
in het geheel niet tot de zwakkeren behoren. Waarom? Omdat men ze kan
uitschakelen met een beschuldiging of op zijn minst schade kan toebrengen.
Antropologen zien beschuldigingen van hekserij als indicator voor sociale
spanningen, maar door het zojuist geschetste politieke mechanisme wordt
het beeld vertekend. Niettemin kan analyse van de groep van vermeende
slachtoffers van de heksen de weggedrukte conflictstof weer zichtbaar
maken.
4.4 De godsdienstige revolutie van 1972
In 1972 stond er onder de Bosnegers van het binnenland
van Suriname een profeet op, Akalali (1924-1983) geheten. Deze zei dat
hij een goddelijke missie gekregen had. Het moest allemaal anders, meende
hij. De Grote Vader moest met pensioen gestuurd. In veel opzichten had
Hij gefaald. Akalali wees met name de postume straffen aan als iets bijzonder
schandelijks. Hij vermeldde hoe nog onlangs iemand een bosvarken geschoten
had, en in de buik van het beest de ring had gevonden van zijn overleden
moeder die van hekserij beschuldigd was en op de dodenakker was achtergelaten.
Zijn argumentatie was een soort milieuargument: de dodenakker, met zijn
heksenlijken, besmette het water, de grond en zelfs de beesten.
Akalali zei dat de doden gewoon begraven moesten worden,
en de erfenissen mochten niet langer geconfisqueerd worden. Algemeen was
men het hiermee eens. Goede bezittingen laten wegrotten in het bos zag
men niet meer als zinvol. Akalali ging verder. Het hekserijgevaar nam
namelijk eerder toe dan dat het afnam. Daar was iedereen het toch over
eens? Waarom wachten met een veroordeling tot mensen dood waren? Nu moet
gezegd worden dat deze gewoonte waarschijnlijk is ontstaan onder druk
van de overheid. In het begin van de 19de eeuw was het wel gebruik dat
heksen ter dood werden gebracht. Maar het koloniale gezag ging dit tegen,
en met kennelijk succes, iets wat mijns inziens te prijzen valt.
Akalali stampte in korte tijd een anti-hekserijorganisatie
uit de grond zoals Suriname die nog niet eerder gekend had. Vóór
Akalali was de heersende opvatting dat men niet goed kon zien wie wél
en wie niet heks was, althans niet voordat de Grote Vader de heksen uit
het leven wegnam. Akalali meende dat hijzelf kundig genoeg was om te zien
wie tot de heksen behoorde. Hij onderzocht het grootste deel van de bevolking
van het binnenland op hekserij. Dat ging aldus. De profeet nam in een
bepaald dorp plaats op een stoel, geflankeerd door een paar van zijn favoriete
vrouwen (hij had dertien vrouwen). Hij keek dan met doordringende ogen
naar de dorpelingen die een voor een voor zijn troon werden gevoerd. Hij
meende dat hij dan als met 'röntgenogen' dwars door de mensen heen
kon kijken. De suggestie van 'röntgenvisie' werd nog versterkt doordat
assistenten de armen van de onderzoeksobjecten optilden, net als bij een
heus röntgenonderzoek.
Ik stond vlak achter Akalali toe te kijken, en wat ik
als antropoloog zag, was interessant genoeg. Wie er enigszins welvarend
uitzag, ontsprong de dans. Trekarbeiders die uit Paramaribo teruggekomen
waren, verschenen voor de profeet met transistorradio en andere duidelijke
tekenen van welvaart. De paar mensen die in Nederland waren geweest, hadden
hun geelrode tas van de Tax Free Shop van Schiphol meegenomen, om goed
te laten merken dat ze niet van de straat waren. Die lieden werden zonder
meer door de profeet goedgekeurd. Hij zwaaide ze al weg voor ze goed en
wel voor hem stonden. Na vijf minuten had ik het al in de gaten: wie er
welvarend uitzag liep weinig kans beschuldigd te worden. De uitzonderingen
waren twee of drie lastpakken met wie de profeet kennelijk een appeltje
te schillen had.
Degenen die het minder goed verging waren de oude vrouwen,
in het bijzonder zieke oude vrouwen. Die werden eruit gehaald en die moesten
ergens apart, binnen een omheining gaan staan wachten, in de zon. Een
paar uur in de tropische zon staan is bijzonder onaangenaam, speciaal
als iedereen naar je staat te kijken. Twee dagen daarna vond dan de reinigingsplechtigheid
plaats. Dit zogeheten 'roosteren' was een milde vorm van 'verbranding'
en verliep als volgt. Er werd een soort vlag boven het hoofd van de slachtoffers
gehouden, een stok met een lap eraan die in een mengsel van kerosine en
benzine was gedrenkt. Op het cruciale moment van de reiniging trad de
profeet naar voren en stak met zijn aansteker de vlag aan die dan met
een grote steekvlam ontbrandde. Dan dwarrelden er brandende en verkoolde
stukjes doek naar beneden toe. De toegestroomde bevolking keek dan toe
hoe die vielen. Als die op de blote rug terecht kwamen van de arme 'heks'
die eronder zat, dan was dat een extra teken dat het om een zwaar geval
ging. Was er daarentegen een licht windje, dat het roet wegvoerde, dan
was het een lichter geval, maar toch nog verkeerd natuurlijk.
Het patroon was eigenlijk hetzelfde als bij de voorgaande
organisatie. Alleen werden nu levenden beschuldigd en die levenden kregen
daarna een aparte positie. Ze mochten daarna niet meer lastig gevallen
worden hetgeen overigens toch gebeurde. De algemene richting was weer:
rijk beschuldigt arm. De initiatiefnemers van de twee grote hekserijgolven
bij de Bosnegers, zowel in 1890 als in de jaren '70 waren de betrekkelijk
rijke mannen van tussen de 20 en 50 jaar oud. Ook het aspect dat men meende
dat de naaste verwanten het meest van de heksen te lijden hadden gehad
kwam in deze tweede golf weer naar voren. Akalali en zijn staf stelden
vast wie 'slachtoffer' van de heksen waren geweest op basis van de dorpsroddel.
5 De Duivel in Zweden
Ik heb nu twee punten van de hekserijvervolgingen besproken,
namelijk de tijd waarop ze optreden en de sociale positie van de slachtoffers.
Antropologen zijn nog in een derde punt geïnteresseerd, namelijk
in het beeld dat men zich van de duivel vormt. In de taal van het hekserij-idioom
verraden zich vaak de problemen waar de samenleving mee worstelt. Ik zal
dit laten zien aan de hand van de Zweedse heksenvervolgingen.
De plaatsen die genoemd worden bij de eerste 'hekserijpaniek'
van 1668 tot 1671 liggen in Dalarna, langs het Siljan- en Orsameer of,
zoals in het geval van Elfdalen en Oxberg, langs de Österdalalven,
een rivier die in de noordpunt van het Siljanmeer uitmondt bij het plaatsje
Mora. Het moet in de 17de eeuw in economisch opzicht een marginaal gebied
zijn geweest. De rivieren en meren lagen in een gebied dat vrijwel geheel
overdekt was met naaldhout. Langs de rivieren trof men wat kleine boerenbedrijven
aan. Maar op nog geen 50 kilometer ten zuidwesten van het Siljanmeer ligt
de mijnstad Falun, bekend vanwege zijn kopermijn. Zweden was in de 17de
eeuw een land dat vrijwel voortdurend oorlog voerde, voornamelijk met
Duitsland. Die oorlog werd betaald uit de verkoop van koper. Het koper
was trouwens ook nodig voor de vervaardiging van kanonnen. Het meeste
koper kwam uit de mijn van Falun. Falun was in die dagen een plaatsje
van 5000 inwoners waarvan er ongeveer 1000 in de mijn werkten. Falun was
de motor van de Zweedse oorlogsindustrie. Buitenlandse handelshuizen hadden
hier hun vertegenwoordigers. Zo hadden Amsterdamse bankiers hier vestigingen
die de verzekering en de verhandeling van al dat koper behartigden. Falun
moet een merkwaardig Fremdkörper zijn geweest in deze afgelegen streek
van Zweden. Een centrum van mijnbouw met internationale contacten in een
streek die economisch marginaal was; een arm landbouwgebied, dun bevolkt
en met een groot vrouwenoverschot door de voortdurende oorlogen die Zweden
voerde. Ik meen dat de onrust in Midden-Zweden, en de hekserijvervolgingen
die hieruit voortkwamen, gerelateerd moeten worden aan het contrast tussen
Falun en de omliggende streek, een contrast dat de plaatselijke bevolking
heel wel als zeer schrijnend ervaren kan hebben.
In de voorstellingswereld die uit Balthasar Bekkers boek
naar voren komt, zijn veel traditionele beelden opgenomen die ook al in
de 16de eeuw konden worden opgetekend: de duivelswei, de luchtreizen,
de inversie van een christelijk ritueel met zijn inwijding en doop. Alleen
in Bekkers weergave van het uitstapje naar Blåkulla vinden we een
beschrijving van de duivel:
Na te hebben geroepen: Antesser (naam van de duivel),
kom voer ons na Bloklula kan de prins der duisternis in vele gedaanten
verschijnen 'maar het wel het meest met enen grauwen rok, roden broek
en blauwen koussen; hebben de enen roden baard, hogen hoed, met veel kakelbonte
linten rondom en langen linten aan den broek. Die voert hen door de lucht
(...).
En ook is het volgende stuk uit de bekentenissen van
de heksen interessant. Het is weer Bekkers weergave:
En om te weten wat besonder groot vermaak sy daar
genieten dat hen kan bewegen so pleghtelijk God en den Hemel af te staan;
sy konnen hier veel beter doen. Want merkt toch eens hoe heerlijk hen
de Duivel daar onthaalt. De spyse welke daar gegeten word is koolsop met
spek, haver-pap, boter, melk en kaas. Niets anders ja, maar die sal buiten
twijfel beter zijn dan sy het zelf in hun huisen hadden. Hoort wat se
seggen: dat dit somtijds wel, en somtijd qualik smaakt. 't Vermaak dat
daar op volgt is mogelijk so veel te groter. Ja, want na de maaltijd werd
er gedanst, met vrouwelijke vloeken en sweeren (...).
Al dit voedsel wordt aangesleept door speciaal voor dit
doel aangewezen beesten, 'wechdragers' genoemd, katten of raven worden
als voorbeeld genoemd, die op roof uitgaan. Over de tonelen die zich op
Blåkulla afspelen schrijft Bekker geamuseerd:
Die van Elfdalen hebben bekend (weten deze menschen
wel wat sy bekennen?) dat de Duivel self voor haar op de harp speelt.
Daarna gaat hy, met die hem meest gevallen in de kamer (een teken dat
er toch enige eerbaarheid op den Duivel is) hebbende met haar al daar
vleeschelijke gemeenschap: welk sy ook Alle bekennen met hem gehad te
hebben. Dat mist nooit, het is er altyd bij: de Duivel moet te lydig [geil,
schr.] op oude besjes (want sodanige waren 't meest) verslingerd zijn.
Het beeld van de heks is hier getekend als een mengfiguur,
een 'grauwen rok,' een boerenkiel dus, maar broek en hoed op bonte wijze
versierd. Dit was vermoedelijk hoe de boeren het leidinggevend personeel
van de kopermijn zagen en de kooplieden die zich daar hadden gevestigd.
Een afgunstige toon klinkt door in de beschrijving van het voedsel. Het
vermaak dat zich in de huizen van de kooplieden van Falun zou afspelen
stelde men zich voor als orgieën. Het lijkt erop dat men aangetrokken
en afgestoten wordt door deze plaats van rijkdom.
Literatuur
Alan Macfarlane, 1970, Witchcraft in Tudor and Stuart
England. Routledge and Kegan Paul, London.
H.U.E. Thoden van Velzen en W. van Wetering, 1988, The Great Father
and the Danger. Foris, Dordrecht; tweede druk verschenen bij Kon.
Inst. Taal- en Volkenkunde, Leiden, 1991.