|
Hahnemanns kaartenhuis
De vrijbijvendheid van het Similiaprincipe
Het gaat goed met de homeopathie. De status van vele homeopaten is het
alternatieve niveau van weleer inmiddels zichtbaar ontstegen. Advertenties
voor 'homeopathische' producten zijn doorgedrongen in gevestigde medische
bladen en het aantal artsen dat deze middelen wel eens voorschrijft blijft
stijgen. Sterker nog: wie anno 1991 categorisch volhoudt er niets in te
zien, laadt al gauw de verdenking op zich gevestigde belangen te verdedigen,
niet open te staan voor het nieuwe, of vastgebakken te zitten aan achterhaalde
paradigma's.
Hoe terecht is dit alles? Heel terecht, daarvan is iedere sympathisant
van deze alternatieve stroming overtuigd. De therapeutische resultaten
spreken voor zich en de vele genezen patiënten zijn even zovele getuigen
van het homeopathisch gelijk, zo stelt men. Het lijkt dan ook nauwelijks
meer reëel om het bestaansrecht van de homeopathie aan te vechten. Nu
valt inderdaad niet te ontkennen dat sommige patiënten er na het innemen
van als 'homeopathisch' aangeduide producten beter aan toe waren dan voordien.
Maar wat dat precies zegt over de waarde van de homeopathie als therapeutische
benadering, dat is niet zo evident als het lijkt. Ten dele komt dat door
de soms groteske misverstanden over wat homeopathie eigenlijk inhoudt
(niet: genezen met natuurlijke middelen of kruiden). Vele genezingen die
worden toegeschreven aan de homeopathie hebben daar in feite dan ook niets
mee van doen.
Een meer fundamentele reden is dat slechts weinigen beseffen wat het
betekent om te zeggen dat de homeopathie, een benadering die voorgeeft
zich op een wetmatigheid te baseren, werkt. Het wordt tijd dat daar verandering
in komt. Pas als vast staat aan welke eisen de homeopathie op grond van
haar eigen credo moet voldoen, kan het zin hebben om dankbare patiënten
ten tonele te voeren.
Werkt de homeopathie? 'Allicht,' zo zal iedere homeopaat u met de hand
op het hart verzekeren. En hij (m/v) vervolgt: 'Hoe vaak zie ik niet dat
patiënten genezen dankzij de voorgeschreven homeopathische middelen? Hoe
vaak treedt er niet een eclatante verbetering op, zelfs nadat de lijder
eerst jarenlang vergeefs, tegen hoge kosten en met aanzienlijke bijwerkingen,
is behandeld door reguliere artsen?!'
Vermoedelijk zal ook hij weten dat groepsgewijs vergelijkend onderzoek,
waarbij homeopathische middelen werden vergeleken met een placebo (fopmiddel),
nauwelijks steun heeft gegeven aan zijn opvattingen. Maar daar is de gemiddelde
homeopaat niet van onder de indruk. 'De homeopathie is een individuele
benadering, die je niet kan beoordelen in groepen en met statistische
methoden', verweert hij zich. 'Ook als er geen verschillen tussen groepen
zijn, dan nog kunnen individuele patiënten er best baat bij hebben gehad.
Ik weet wel dat er mensen zijn die vinden dat verbetering ná inname van
het middel nog niet hetzelfde is als verbetering dóór dat middel. Maar
dat geldt ook voor reguliere middelen. Als hoofdpijn een uur na inname
van een aspirientje is verdwenen, dan weet je toch ook niet zeker of dat
aan het aspirientje te danken is?!'
Hoofdpijn
Het klinkt plausibel. Soms verbeteren patiënten spectaculair na homeopathische
bemoeienis, zelfs als eindeloze interventies van reguliere snit niet het
beoogde resultaat opleverden. Ook moeten we toegeven dat sommige individuele
patiënten baat zouden kunnen hebben bij homeopathische middelen en anderen
niet. En dat je niet kunt weten of iemands hoofdpijn wellicht ook zonder
aspirientje zou zijn verdwenen, dat valt al evenmin tegen te spreken.
Toch valt er tegen deze apologie een hoop in te brengen. Het punt is daarbij
niet zozeer dat een en ander feitelijk onwaar is, als wel irrelevant.
Als het een groep patiënten die volgens de regels der homeopathische kunst
wordt behandeld gemiddeld niet beter vergaat dan een groep 'controlepatiënten',
dan mist deze benadering iedere praktische waarde.
Zelfs als het leven van sommige individuele patiënten dankzij de homeopathie
weer kleur kreeg, dan nog zou het ontbreken van een voorsprong op groepsniveau
betekenen dat de gebruikte middelen ongeveer even vaak een averechts effect
hadden. Als pogingen om bijvoorbeeld hoofdpijn te verzachten geen waarneembaar
effect hebben op groepsniveau, dan is er dus geen reden om met die pogingen
door te gaan. De tegenwerping dat wellicht individuele patiënten wél baat
hadden of zullen hebben bij die pogingen, verandert hier vooralsnog niets
aan, zelfs niet als deze tegenwerping feitelijk correct is.
Natuurlijk is het niet uitgesloten - en volgens homeopaten zelfs een
feit - dat hoofdpijnlijders die goed dan wel slecht op het homeopathisch
middel zullen reageren tijdig kunnen worden geïdentificeerd. In dat geval
kunnen we besluiten het middel alleen op de 'good responders' toe te (blijven)
passen. Maar als die strategie inderdaad mensen van hun hoofdpijn afhelpt
zónder even veel andere mensen juist van de wal in de sloot te helpen,
dan geldt opnieuw dat dit moet blijken als we een groep mensen die volgens
deze strategie zijn behandeld, vergelijken met een groep die niet of met
een placebo is behandeld. Pakt een dergelijke vergelijking niet uit in
het voordeel van het homeopathische middel, dan is er weinig reden het
te gebruiken, zélfs niet als individuele patiënten er baat bij zouden
hebben!
Kortom, homeopathische middelen hebben - net als reguliere middelen -
geen bestaansrecht als zij geen gunstig verschil tussen wel en niet behandelde
groepen patiënten kunnen bewerkstelligen.
Rituele bereiding
Kunnen deze middelen dat wel - en vrijwel al het methodologisch verantwoorde
onderzoek dat tot op heden is uitgevoerd pleit daar tegen - dan is de
zaak van de homeopathie echter nog lang niet veilig gesteld. Therapeutische
winst op groepsniveau mag dan noodzakelijk zijn om de zaak van de homeopathie
veilig te stellen, voldoende is het beslist niet.
Een voorbeeld. Stel dat enkele onderzoekers de waarde van de homeopathie
willen vaststellen bij kinderen die onrustig slapen, een wat uitgedroogde
indruk maken en periodiek tobben met koorts en diarree. Zij onderzoeken
eerst het kroost zorgvuldig en brengen de symptomen en andere eigenaardigheden
zo goed mogelijk in kaart. Vervolgens raadplegen zij de bijbel van de
homeopathie, Hahnemanns Organon, waarin zij als kern van zijn leer
het volgende advies aantreffen: 'Wähle, um sanft, schnell, gewisz und
dauerhaft zu heilen, in jedem Krankheitsfalle eine Arznei, welche ein
ähnliches Leiden für sich erregen kann, als sie heilen soll.' Enigszins
vrij vertaald: 'Wilt u een patiënt snel, zeker, blijvend en met een minimum
aan bijwerkingen genezen, kies als geneesmiddel dan altijd een stof die
dezelfde ellende kan veroorzaken als ze in dit geval moet genezen.'
Op grond van dit principe, bekend als de 'similiaregel' (Latijn: similis
= gelijk), kan nu systematisch worden gezocht naar een geschikt middel.
De homeopathische literatuur bevat daartoe lange lijsten met stoffen en
hun zogenoemde geneesmiddelbeelden: het geheel van symptomen die zij bij
gezonde personen zouden oproepen. Aan de hand daarvan blijkt dat het geneesmiddelbeeld
van kinabast ofwel China treffend overeenkomt met de kenmerken van de
kinderen. Kennelijk is China hier een zogenaamd 'similium' en derhalve
naar homeopathisch inzicht een goede keus.
Dat wil overigens niet zeggen dat kinabast een homeopathisch geneesmiddel
is. Er is geen enkel criterium om een stof of geneesmiddel homeopathisch
te noemen. Het enige dat homeopathisch kan zijn, is de manier waarop men
bij een patiënt tot de keuze van het middel komt. Maar in principe kan
iedere stof met enig onplezierig effect als homeopathisch geneesmiddel
worden ingezet. Spreken over homeopathische middelen is op z'n best onzorgvuldig
en meestal misleidend taalgebruik.
Als laatste stap rest nu de rituele bereiding van het eigenlijke middel.
Het blijkt dat van de geïndiceerde stof door verwrijving met alcohol eerst
een zogenaamde 'oertinctuur' moet worden gemaakt. Deze wordt vervolgens
tienvoudig verdund, waarna het mengsel zorgvuldig wordt geschud. Volgens
velen is het essentieel dat dit laatste met de hand geschiedt. Een weinig
van het resultaat wordt opnieuw tienvoudig verdund en liefst handmatig
geschud, waarna dezelfde bewerking nog tien maal plaatsvindt. 'China D12',
zo heet het resultaat op grond van de twaalfvoudige decimale verdunning.
Dit proces, waarvan het schudden een essentieel deel uitmaakt, staat
bekend als potentiëren of dynamiseren en zou 'de geneeskracht van de stof
losmaken'. Ter verklaring hoort men wel speculeren dat door deze bereiding
als het ware afdrukken van de stof in het oplosmiddel ontstaan; een verhaal
dat voor natuurkundigen uitsluitend amusementswaarde heeft.
Koortsachtige similia
De historische achtergrond van de similiaregel is bepaald ontnuchterend
en een kleine uitweiding waard. Hoewel er al vroeg in de geschiedenis
gebruiken bestonden die associaties met de huidige homeopathie oproepen,
blijft dit therapeutisch stelsel toch een geesteskind van de Duitse arts
Samuel Hahnemann (1755-1843). Hij werd daarbij onder meer geïnspireerd
door de Materia Medica van de Schotse medicus en chemicus William
Cullen. In dit werk behandelde laatstgenoemde de werking van kina tegen
wisselkoortsen en Hahnemann kreeg belangstelling voor de verklaring van
dit fenomeen. Hij diende zichzelf daarom dit middel toe en bespeurde vervolgens
diverse symptomen die hem te denken gaven: '(...) alle mir sonst beim
Wechselfieber gewõhnlichen Symptome erschienen nach einander.'
Nu moet gezegd worden dat 'koorts' in die tijd vaak meer stond voor wat
we nu aanduiden als een koortsig gevoel en opgewondenheid ('liefdeskoorts'!),
dan voor een verhoogde lichaamstemperatuur. Het gebruik van de thermometer
was bepaald nog geen gemeengoed en ook Hahnemann ging uitsluitend af op
zijn subjectieve ervaring. Bovendien getuigt zijn reactie op kina van
een persoonlijke overgevoeligheid of op suggestie, want andere mensen
reageren niet of geheel anders op deze stof en al helemaal niet met een
verhoogde lichaamstemperatuur.
Hoe dan ook, op grond van deze ene unieke ervaring formuleerde Hahnemann
zijn similiaregel, terwijl koorts sinds jaar en dag deel uitmaakt van
het geneesmiddelbeeld van kina. Wie zich met koorts bij een homeopaat
vervoegt loopt dan ook een goede kans een potentie van 'China' mee naar
huis te krijgen.
Stel nu, om terug te keren naar het klinisch experiment, dat de kinderen
die China D12 krijgen zienderogen verbeteren, terwijl degenen die ter
vergelijking in het geniep pure gemeentepils krijgen niet of nauwelijks
opknappen. Niet dat deze uitkomst waarschijnlijk is, maar het gaat nu
om de vraag wat het te betekenen heeft áls het zo zou lopen. Betekent
dit dat het advies van Hahnemann, om kwalen aan te pakken met stoffen
die bij gezonden overeenkomstige symptomen oproepen, een verrijking is
van de gezondheidszorg? Dat hangt ervan af.
Ten eerste maakt één zwaluw nog geen zomer. Als China het enige voorbeeld
zou zijn van een stof die, blijkens vergelijkend onderzoek en in extreme
verdunning, symptomen opheft die het zelf in grotere hoeveelheden veroorzaakt,
dan is de similiaregel kennelijk een farce. We kunnen dan noteren dat
China bij de genoemde klachten een bruikbaar geneesmiddel is, ons verwonderen
over het feit dat deze ene stof bij gezonden toevallig net zulke klachten
veroorzaakt als het verdund kan helpen bestrijden, en de homeopathie verder
links laten liggen. Pas als té veel kwalen té vaak kunnen worden genezen
met een similium om nog van toeval te kunnen spreken, kan (!) er reden
zijn om deze loot aan de alternatieve boom serieus te nemen. Alleen in
dat geval is het mogelijk dat de similiaregel helpt om voor willekeurige
zieken een passend therapeuticum te vinden.
Er is echter een tweede eis waaraan moet zijn voldaan voor het zover
is. Stel dat we de zieke kinderen uit het gedachte-experiment geen China
D12, maar bijvoorbeeld vlekkenwater D20, atropine D6 of LSD D30 zouden
geven. De symptomen die deze stoffen bij gezonden veroorzaken lijken van
geen kant op die van ons zieke kroost. Stel vervolgens dat de weldadige
uitwerking van de verstrekte middelen niet onderdoet voor die van China.
Wat is dan nog de waarde van de similiaregel? Wat heeft het dan nog voor
zin om te zoeken naar een similium; naar overeenkomst tussen geneesmiddelsymptomen
en ziektesymptomen? Wat heeft het dan in hemelsnaam voor zin om homeopathie
(Grieks: homoios = gelijkend) te bedrijven?
Veel te vaak wordt gedacht dat de homeopathie staat of valt met haar
eigen therapeutische resultaten. Wat het vallen betreft zit daar ook wel
iets in, maar staan kan de homeopathie alleen als stoffen die níét volgens
de similiaregel zijn gekozen, maar verder op dezelfde rituele wijze zijn
gepotentieerd, het opvallend slechter doen dan het ware similium. Hoe
zeer het de intuïtie ook tart, om de waarde van de homeopathie aannemelijk
te maken zullen homeopaten dus heel wat meer moeten doen dan patiënten
genezen: ze zullen moeten aantonen dat middelen die géén similium zijn
het aanzienlijk slechter doen.
Zon en maan
Stel nu eens dat de homeopathie aan alle nu geformuleerde eisen voldoet:
groepsgewijs vergelijkend onderzoek laat zien dat middelen die op geleide
van de similiaregel zijn gekozen het in overgrote meerderheid duidelijk
beter doen dan placebo, en ook beter dan middelen die op grond van toeval
zijn gekozen en dus geen similium zijn. Wil dat zeggen dat de homeopathie
werkt en misschien - kosten, bijwerkingen en de kwaliteiten van de concurrentie
spelen natuurlijk ook een rol - een plaatsje verdient in de gezondheidszorg?
In principe wel, maar het zal beslist niet gemakkelijk zijn om zo ver
te komen. Hoewel zowel similiaregel als geneesmiddelbeeld op het eerste
gezicht paradigmata van duidelijkheid en praktische bruikbaarheid lijken,
zijn ze in feite erg vaag en behept met voetangels en klemmen. Het valt
in de praktijk dan ook niet mee om bij een gegeven patiënt te komen tot
een eenduidige, beredeneerde keuze voor één bepaald middel. Bij allerlei
lichamelijk en geestelijk ongemak vallen vaak vele verschillende middelen
als serieuze homeopathische opties te verdedigen. Voor iemand die de waarde
van de homeopathie empirisch wil aantonen, is dit een ernstige handicap.
Immers, als bij ieder medisch probleem telkens een bonte verzameling stoffen
in aanmerking komt, dan is het nauwelijks verwonderlijk als men er achteraf
in slaagt om de toediening van een willekeurige stof als 'homeopathisch'
te duiden. Maar dat wil natuurlijk nog niet zeggen dat similiaregel en
geneesmiddelbeeld een uit praktisch oogpunt interessante rol hebben gespeeld
bij het vinden van die stof. Toch zal de homeopathie juist daar haar waarde
aan moeten ontlenen.
Wat is er zo vaag aan de similiaregel? Het venijn zit in het woordje
'ähnlich'. Men wordt geacht een stof te kiezen waarvan de uitwerking bij
gezonden lijkt op de symptomen en verdere kenmerken van de patiënt. Maar
gelijkenis is een rekbaar begrip. Of twee objecten of verschijnselen op
elkaar lijken, hangt grotendeels af van de gebruikte criteria en van de
manier van beschrijven. Een paar voorbeelden kunnen dit verduidelijken.
Lijkt de zon op de maan? Ja: beide zijn ronde hemellichamen die de aarde
verlichten. Neen: de zon is onnoemelijk veel heter, bevindt zich in een
andere aggregatietoestand, heeft een andere samenstelling en produceert
zelf energie. Lijkt de Sovjet-Unie op Cuba? Het is maar op welke klimatologische,
economische, sociale, politieke of culturele kenmerken men wenst te letten.
Gelijkenis is, evenals beauty, goeddeels 'in the eye of the beholder'.
Voor wie ze wil zien zijn gelijkenissen goedkoop en overal voorhanden;
hetzelfde geldt trouwens voor verschillen.
'Ganzheitsfassung'
Dergelijke spitsvondigheden zijn zeker ook relevant waar het gaat om
gelijkenissen tussen medische aandoeningen en effecten van stoffen. Opnieuw
een paar voorbeelden. Heel wat ouderen hebben last van 'supraventriculaire
tachycardieën'; een vorm van hartritmestoornissen waarbij de beide hartkamers
overdreven snel kloppen door een afwijkende functie van de hartboezems.
Bij deze patiënten wordt digitalis met succes gebruikt om het tempo van
de kamers wat te drukken. Nu wil het geval dat digitalis zelf weer de
oorzaak kan zijn van een ander soort hartritmestoornis, waarbij de kamers
voortijdig een extra slag maken zonder dat de schuld in de boezems ligt:
'ventriculaire extrasystolen'.
Lijken nu de symptomen die digitalis kan veroorzaken op de symptomen
van patiënten waarbij het wordt gebruikt? Ja: het zijn beide hartritmestoornissen.
Neen: in het ene geval gaat het om ventriculaire extrasystolen, in het
andere om supraventriculaire tachycardieën. Is digitalis volgens de similiaregel
in beginsel nu wel of niet een geschikt homeopathicum bij supra-ventriculaire
tachycardieën? En pleit het effect van digitalis nu wel of niet voor de
homeopathie? Wie het weet mag het zeggen.
Een tweede voorbeeld. Bij een longontsteking kunnen bepaalde antibiotica
het leven van de patiënt redden. Aan de andere kant verstoren zij in het
lichaam het natuurlijk evenwicht tussen enerzijds bacteriën die voor een
dergelijk antibioticum gevoelig zijn en anderzijds micro-organismen die
zich er weinig van aantrekken. Deze kunnen zich daardoor ongestoord vermenigvuldigen,
met als gevolg een serieuze kans op bijvoorbeeld hinderlijke keelinfecties
(Candida-faryngitis) of potentieel dodelijke darmproblemen (pseudo-membraneuze
colitis). Er is overeenkomst tussen de problemen die het middel kan veroorzaken
en genezen (telkens infecties), maar ook de verschillen zijn levensgroot.
Is het nu redelijk om genezing van de longontsteking door het antibioticum
een homeopathisch succes te noemen, of toch niet?
Ten-slotte een voorbeeld uit de oncologie. Bij patiënten met leukemie
(bloedkanker) wordt het normale beenmerg - de productieplaats van allerhande
nuttige bloedcellen - verdrongen door ongeremd voortwoekerende, maar nutteloze
kankercellen. Dit leidt tot een tekort aan rode bloedcellen (bloedarmoede,
bleek, moe), aan witte bloedcellen, waardoor infecties een kans krijgen,
en aan bloedplaatjes, waardoor gemakkelijker bloedingen ontstaan. Kortom,
de patiënt is moe en zwak, ziet bleek en heeft naast vele blauwe plekken
bijvoorbeeld een keelontsteking en wat koorts.
Nu wil het geval dat een groot deel van de beruchte chemotherapeutica
niet alleen de kankercellen uitroeit, maar bij zowel kankerpatiënten als
gezonde proefpersonen ook een deel van de normale bloedcellen elimineert,
de haren laat uitvallen en misselijkheid en diarree veroorzaakt. Het gevolg:
de leukemie geneest hopelijk, maar de patiënt is tijdelijk extra moe en
zwak, ziet nog bleker, klaagt minstens zo erg over keelpijn, koorts en
blauwe plekken en loopt bovendien van onder en van boven leeg. Is toediening
van chemotherapeutica bij leukemiepatiënten nu een treffend staaltje van
homeopathie of niet?
Voor de oppervlakkige waarnemer liggen de gelijkenissen tussen ziektebeeld
en geneesmiddelbeeld voor het opscheppen, maar voor wie dieper kijkt zijn
de verschillen duidelijk. De homeopathie geeft echter geen enkele beredeneerde
richtlijn over hoe diep we geacht worden te kijken. Het gevolg is dat
de eis van 'ähnlichkeit' verenigbaar is met een bijna grenzeloze vrijheid
bij de geneesmiddelkeus. Wie dat graag wil, zal tussen geneesmiddelbeeld
en ziektebeeld vrijwel ad libitum punten van overeenkomst of juist verschil
kunnen aanwijzen. Dat maakt niet alleen het concept van 'similium' een
wassen neus, maar leidt er ook toe dat we een eventueel therapeutisch
succes achteraf te vaak en te gemakkelijk kunnen uitboeken als 'homeopathisch'.
Dat dit nauwelijks pleit voor de praktische waarde van de homeopathie,
dat zal duidelijk zijn.
Hoe wankel gelijkenissen zijn als basis om het (enige) geschikte similium
bij een gegeven patiënt te vinden, blijkt uit de homeopathische praktijk.
De manier waarop de similiaregel wordt gehanteerd verschilt zowel van
patiënt tot patiënt als van homeopaat tot homeopaat. Zo maakt men in wisselende
en nogal willekeurige mate gebruik van objectieve en subjectieve tekenen,
modaliteiten, 'Leitsymptomen', merkwaardige of opvallende verschijnselen
en - het bloed kruipt waar het niet gaan kan - de reguliere indeling in
ziekten en syndromen. Bovendien nemen de preciezen geen genoegen met minder
dan 'Ganzheitsfassung', terwijl de rekkelijken al tevreden zijn met 'Symptomendeckerei'.
Of het ziektebeeld van een patiënt lijkt op een bepaald geneesmiddelbeeld
is kennelijk ook voor homeopaten vooral een kwestie van een natte vinger.
Sigaretten tegen kanker
Tot nu toe is het geneesmiddelbeeld onbesproken gebleven. Het lijkt een
relatief probleemloos gegeven, dat zonder al te veel moeite kan worden
achterhaald door toediening van een stof aan gezonden. Maar schijn bedriegt.
Anders dan menig homeopaat vermoedt, hangt het geneesmiddelbeeld niet
uitsluitend af van de eigenschappen van de onderzochte stof, maar tevens
van de willekeur van de onderzoeker. Daarbij zijn diverse factoren in
het spel. Om te beginnen zullen de gevonden symptomen van proefpersoon
tot proefpersoon verschillen. Een enkeling krijgt van kinabast wellicht
een wat gejaagd en koortsig gevoel of uiterlijk (overigens géén temperatuurverhoging),
maar de meeste mensen niet. Enkelen reageren op gluten met vettige diarree,
een opgezette buik vol winderigheid, bloedarmoede en vermagering, maar
dat is niet normaal. Velen krijgen van tabaksrook longkanker of een hartinfarct,
maar lang niet iedereen.
De vraag is nu hoe we bij de omschrijving van het geneesmiddelbeeld van
allerlei stoffen te werk moeten gaan: alleen de symptomen die bij alle
proefpersonen optreden? Alle symptomen die bij tenminste één proefpersoon
zijn opgetreden? Of alle symptomen die tenminste bij een bepaald percentage
der proefpersonen zijn opgetreden? Afhankelijk van het antwoord op deze
vragen ziet 'het' geneesmiddelbeeld er heel verschillend uit.
Verder valt te twisten over de vraag of álle verschijnselen in de observatieperiode
wel wat te maken hebben met de geteste stof. De homeopathische materia
medica puilt uit van meldingen over symptomen die zeker ook wel eens zónder
inname van een proefdosis optreden. Zo is waargenomen, en met dodelijke
ernst genoteerd, dat een proefpersoon, twee uur na inname van Chamomilla,
rilde toen hij in de koude lucht kwam; bij een ander kraakten de knieën
wel eens wat bij beweging! En wat te denken van een proefpersoon die,
vier uur na inname van Aconitum, ergens verwijten over maakte?
Deze voorbeelden staan niet alleen. Bij vele proefnemingen met uiteenlopende
middelen kregen proefpersonen wel eens honger, dorst, een loopneus, hoofd-
of kiespijn, werd een wind gelaten, kreeg men het een beetje warm of koud,
moest de proefpersoon aan het verleden of de toekomst denken, ging de
stemming voor- of achteruit of wilde men een frisse neus halen of doodgewoon
weer eens terug naar moeder de vrouw. De relatie van dergelijke grotendeels
subjectieve 'symptomen' met het onderzochte middel is natuurlijk uiterst
dubieus, en de beslissing ze op te nemen in het geneesmiddelbeeld wordt
beheerst door willekeur. Toch vormen ze (serieus!) de basis voor geneesmiddelbeelden
die door homeopaten nog altijd volop gebruikt worden.
Een volgende punt is dat veel stoffen (tabaksrook, cholesterol, DES,
cocaïne) op korte en lange termijn heel verschillende symptomen kunnen
oproepen. Hetzelfde geldt voor de periode waarin een stof wordt toegediend.
Krijgen kinderen tetracyclines, dan verkleuren hun tanden. Volwassenen
daarentegen houden een stralend witte lach. Krijgt een meisje als ongeboren
vrucht via haar moeder DES toegediend, dan heeft zij later een grotere
kans op onder meer vaginacarcinoom. Is een vrouw eenmaal volwassen, dan
ondergaat hoogstens haar ongeboren vrucht deze nadelen van haar DES-gebruik.
Voor softenon geldt iets dergelijks.
Toch geeft de homeopathische leer geen beredeneerde aanwijzingen voor
het moment en de duur van toediening of de observatieduur, waardoor allerlei
praktische vragen onbeantwoord blijven. Is het nu wel of niet orthodoxe
homeopathie om cholesterol D20 te gebruiken bij een hartinfarct? Tetracycline
D12 tegen grauwe tanden? Cocaïne D300 tegen uitputting en malaise? Sigaretten
D10 tegen longkanker?
Dit alles betekent dat 'het' geneesmiddelenbeeld niet zonder meer door
de feiten wordt gedicteerd. Hetzelfde geldt dan logischerwijs voor het
middel dat u meekrijgt van uw homeopaat. Het zal duidelijk zijn dat dit
niet alleen afbreuk doet aan de praktische waarde van de homeopathie,
maar het ook zo goed als onmogelijk maakt om te laten zien dat behandelen
volgens de similiaregel de prognose van een patiënt verbetert. Er is voorlopig
dan ook geen enkele reden om die regel, en daarmee de homeopathie, serieus
te nemen.
Een gapende kloof
In het licht van al deze overwegingen is het aardig eens te kijken naar
de courante commerciële 'homeopathische' producten die de weerstand zouden
verhogen en griep en verkoudheid moeten voorkomen dan wel genezen. Om
te beginnen is het zeer de vraag of 'verhogen van de weerstand' wel in
het homeopathisch gedachtegoed past. Alleen als er sprake is van een 'Leiden'
als bedoeld in de similiaregel (b.v. een gestoorde afweer), zou een stof
die bij gezonden de weerstand ondermijnt naar homeopathisch inzicht wellicht
bruikbaar zijn. Daarbij is het dan de vraag of het er toe doet hóé de
weerstand precies is gestoord - dat kan op vele verschillende manieren
- en of dat moet overeenkomen met de manier waarop de stof de weerstand
bij gezonde mensen ondermijnt.
Mensen krijgen gewoonlijk echter geen griep of verkoudheid omdat hun
weerstand in globale zin te 'laag' is en ongericht 'verhogen' van een
normale afweer is geen genezen van een 'Leiden'. Bovendien staan de bestanddelen
van de gewraakte middeltjes nu eenmaal niet bekend als effectieve afweerondermijners.
Daarvoor zou men beter een chemotherapeuticum uit de oncologie kunnen
potentiëren, of een van de stoffen die worden gebruikt om afstotingsreacties
na transplantaties te onderdrukken.
Voorts veroorzaken de gebruikte stoffen bij gezonden weinig of niets
dat maar in de verste verte lijkt op een griep of verkoudheid. Dus zelfs
als men door een dergelijk middel niet in een week, maar in slechts zes
dagen van een griep zou genezen, dan nog heeft dat niets met homeopathie
van doen.
In 1943 schreef dr. D.K. de Jongh aan het slot van zijn monumentale proefschrift
Critische beschouwingen over de homoeopathie. Ontstaan, ontwikkeling
en wezen van dit therapeutische stelsel (N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam. Tweede druk, 1943): 'De theorie der homoeopaten
bestaat uit een heterogeen complex van onhoudbare, onjuiste en onwaarschijnlijke
beweringen. Er gaapt een diepe kloof tusschen de theorie en de praktijk
der homoeopaten. De praktijk der homoeopaten is een conglomeraat van zeer
uiteenloopende handelingen, die niet onder een gemeenschappelijk reëel
gezichtspunt gebracht kunnen worden en waarvan de practische doeltreffendheid
als zeer onwaarschijnlijk moet worden aangemerkt. De homoeopathie, als
geheel bezien, is een mislukte poging om de therapie te doen verloopen
volgens een vast schema, gebaseerd op de oude similiagedachte (...). Het
ware, bezien vanuit objectief standpunt, beter, als de homoeopathie zou
verdwijnen van het geneeskundig toneel.'
Zijn visie, gebaseerd op minutieus literatuuronderzoek en gestroomlijnde
argumentatie, heeft nog niets aan actualiteit ingeboet. Alleen bij zijn
laatste opmerking twijfel ik. Eigenlijk zou het me namelijk niets verbazen
als een paar bezoeken aan de homeopaat de genezingskansen van bepaalde
patiënten zou verbeteren - óók bij groepsgewijs, vergelijkend, methodologisch
verantwoord onderzoek. De aandacht van de therapeut, de overgave aan iemand
'die ervoor geleerd heeft' en het dagelijkse ritueel rond de in te nemen
druppels of korreltjes zijn misschien te therapeutisch om te negeren.
Dat de similiaregel een onbruikbaar dwaallicht is en de homeopathische
middelen op zich onwerkzaam zijn, doet daar weinig aan af. Alleen om die
reden krijgt de homeopathie van mij het voordeel van de twijfel. Intellectueel
gezien blijft het intussen een aanfluiting.
HOMEPAGE
SKEPSIS
|