
URI GELLER
en andere kunstenmakers
(hoofdstuk uit het boek Parariteiten)
door Rob Nanninga
Uri Geller gaf in de jaren zeventig een nieuwe impuls aan het onderzoek
naar psychokinetische (PK) verschijnselen. Hij boog lepels, schijnbaar
zonder er enige kracht op uit te oefenen, bracht kapotte horloges weer
aan het lopen en liet kompasnaalden uitwijken. Dit alles demonstreerde
hij voor het oog van tientallen wetenschappers en honderden journalisten.
Ook trad hij op in talloze tv-shows over de gehele wereld, die een stroom
van reacties opleverden van mensen die thuis eveneens allerlei PK-verschijnselen
meenden te hebben waargenomen. In Engeland meldden zich zelfs verscheidene
kinderen die Geller konden imiteren. Gellers faam werd vooral gevestigd
door wetenschappers die beweerden dat hij hun parapsychologische tests
glansrijk had doorstaan.
De voornaamste tegenstander van Uri Geller was de
Amerikaanse goochelaar James Randi. Randi maakte duidelijk dat Gellers
prestaties niet opmerkelijker waren dan die van een handige goochelaar.
Bovendien toonde hij aan dat sommige parapsychologische experimenten zo
onzorgvuldig waren opgezet, dat de proefpersoon betrekkelijk eenvoudig
bedrog kan plegen. Randi's activiteiten droegen ertoe bij dat velen zich
gingen realiseren dat het onderzoek naar wondermensen speciale voorzorgsmaatregelen
vereist.
Gellers carrière
Uri Geller werd op 20 december 1946 in Tel
Aviv geboren. Volgens eigen zeggen ontdekte hij al jong zijn bijzondere
gaven. Hij kon de horloges van zijn klasgenoten op onverklaarbare wijze
vooruitzetten en buitenzintuiglijke waarneming stelde hem in staat hun
proefwerkantwoorden te lezen. Na zijn schooltijd moest Uri in militaire
dienst en werd hij opgeleid tot parachutist. In 1967 raakte hij gewond
tijdens Israëls zesdaagse oorlog met Egypte. Hij verliet het leger en
werkte korte tijd als groepsleider in een jeugdkamp. Daar leerde hij de
zeven jaar jongere Shipi Shtrang kennen, die zijn onafscheidelijke kameraad
en compagnon werd. Shipi moedigde Geller aan om voorstellingen te geven.
Samen ontwikkelden zij een paranormale show, waarmee ze vanaf 1970 overal
in het land succes boekten.
De zus van Shipi, Hanna, vertelde aan een
journalist dat zij had gezien hoe Geller intensief met haar broer oefende
in het geven van geheime tekens. Door middel van deze afgesproken tekens
(bepaalde handbewegingen) kon Shipi vanuit het publiek aan Geller doorgeven
wat er buiten diens gezichtsveld op een schoolbord werd geschreven. Verscheidene
kritische onderzoekers hebben met eigen ogen waargenomen dat Geller inderdaad
signalen van zijn medewerkers ontving.
Het was voor een belangrijk
deel aan de Amerikaanse medicus Andrija Puharich te danken dat Geller
internationale faam verwierf. Puharich was al lange tijd geïnteresseerd
in parapsychologische verschijnselen. Vooral 'wondermannen' die door de
gevestigde parapsychologen niet serieus werden genomen, hadden zijn belangstelling.
In de jaren vijftig werkte hij samen met de Nederlandse paragnost Peter
Hurkos, en later raakte hij eveneens overtuigd van de bijzondere gaven
van de Braziliaanse wonderchirurg Arigo, die naar verluidt met een roestig
keukenmes pijnloos operaties uitvoerde. Ook zag hij regelmatig UFO's en
via een medium in Poona had hij zelfs contact gekregen met de sturende
krachten van het universum, de zogenaamde Nine (Negen). Nadat Arigo in
1971 bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen, spoedde Puharich zich
naar Israël om een nieuwe wonderman te kunnen aanschouwen. Hij had al
het een en ander over Geller gehoord en raakte snel overtuigd van diens
mysterieuze krachten. In zijn boek Uri (1974) beschreef hij de
talloze wonderen die hij van nabij meemaakte.
Dank zij Geller kreeg Puharich nieuwe openbaringen
van buitenaardse intelligenties. Nadat hij Uri onder hypnose had gebracht,
hoorde hij een metalen stem die hem vertelde dat de aarde onder toezicht
stond van een soort gecomputeriseerde wezens, waaronder een zekere Rhombus
4D. De computers bleken Uri Geller te hebben uitgekozen om de mensheid
te redden en in het bijzonder om een nieuwe oorlog tussen Israël en Egypte
te voorkomen. Puharich kreeg de opdracht hem onvoorwaardelijk te steunen
in zijn belangrijke missie.
De Stem: 'Onze computers bestudeerden iedereen
op aarde. U werd opgemerkt door uw kundigheid, u was de ideale man voor
Andrija: 'Wat voor opdracht is dit?'
De Stem: 'Vraag dit niet. Het zal u bekendgemaakt
worden. Uri, wees bereid, wees wijs. Wees kalm. Er rust voor de komende
vijftig jaar een zeer, zeer zware taak op je schouders. Er is veel te
doen om het heelal te helpen. Het kosmisch brein zal je gezonden worden.
Andrija, ik zend Uri nu naar u terug. Doe alles wat hij zegt. Zorg voor
hem.'
De stem sprak verscheidene malen via Puharichs
cassetterecorder, die telkens door een onzichtbare hand in werking werd
gezet. Helaas verdwenen alle cassettes op raadselachtige wijze. Talloze
wonderbaarlijke gebeurtenissen overtuigden Puharich ervan dat de hogere
intelligenties zich werkelijk manifesteerden. Voorwerpen waren plotseling
verdwenen en werden op andere plaatsen teruggevonden, Uri kreeg een massagetoestel
dat niemand had besteld, Puharich zag vreemde lichtverschijnselen, hij
werd gevolgd door een geheimzinnige havik, onbekenden belden hem op, en
zijn horloge bleef voortdurend stilstaan. Het werd steeds moeilijker om
nog onderscheid te maken tussen verbeelding en werkelijkheid. Zo liet
Geller op een avond zijn revolver zien, maar de volgende dag kon hij zich
daar niets van herinneren. Hij beweerde dat zijn wapen al twee maanden
bij Shipi lag, die dat kon bevestigen. Uiteindelijk reisde Puharich in
overspannen toestand terug naar de Verenigde Staten 'om de boodschap van
Uri aan de wereld uit te dragen.'
Puharich besefte dat zijn collega's hem alleen
serieus zouden nemen wanneer Uri's wonderkrachten wetenschappelijk konden
worden aangetoond. Hij nam contact op met de ex-astronaut Edgar Mitchell,
die zeer geïnteresseerd was geraakt in het paranormale. Mitchell was bereid
om geld bijeen te brengen voor een officieel onderzoek. De parapsychologen
Russell Targ en Harold Puthoff van het Stanford Research Institute (SRI)
wilden zo'n onderzoek wel uitvoeren. Op 6 november 1972 reisde Geller
samen met de onafscheidelijke Shipi naar Amerika, waar hij logeerde in
het huis van Puharich. Deze nam snel weer contact op met de hogere intelligenties
om te vragen of Uri's krachten wetenschappelijk onderzocht mochten worden.
Het antwoord stelde hem hevig teleur:
Uri mag zich niet in een wetenschappelijk
onderzoek begeven. Wij zullen u spoedig zeggen waarom. Hij mag vriendschappelijk
omgang hebben met geleerden, meer niet. Uri zelf is het dikwijls niet
met ons eens, maar wij moeten het op deze manier doen. Gisteren, toen
u aan tafel zat, hebben wij uw hond laten verdwijnen – dat hebt u met
eigen ogen gezien. Ook dat had een reden.
De volgende dag probeerde Puharich Geller
ertoe te bewegen om opnieuw toestemming te vragen voor een onderzoek,
maar Uri gooide woedend een suikerpot naar zijn hoofd. Hij wenste zich
niet aan de wetenschap uit te leveren, omdat hij de vraag of zijn vermogens
echt waren het liefst onbeantwoord liet. Wel was hij bereid om Targ en
Puthoff informeel te ontmoeten. Deze ontmoeting verliep beter dan hij
had verwacht. De parapsychologen waren zeer onder de indruk van Uri's
verrichtingen. Zij probeerden hem over te halen om naar hun laboratorium
te komen. Puthoff verklaarde: 'De omstandigheden voor een experiment zijn
nergens zo gunstig als in het SRI.' En Targ voegde daar aan toe: 'We gaan
Uri immers niet vragen in het laboratorium dingen te doen die hij hier
vanavond niet heeft gedaan.' In de loop van de avond ontstond er volgens
Puharich 'een bijzondere sfeer van saamhorigheid en kameraadschap', die
ertoe leidde dat Geller zijn mening herzag. Targ en Puthoff mochten hun
onderzoek uitvoeren, dat zij later publiceerden in het gezaghebbende wetenschappelijke
tijdschrift Nature.
Puharich nam Geller
ook mee naar Engeland, waar hij contacten had met dr. Ted Bastin van de
Universiteit van Cambridge. Eind 1973 kreeg Geller grote bekendheid door
een optreden voor de BBC, waarbij John Taylor aanwezig was, een professor
in de toegepaste wiskunde, die wel vaker aan tv-uitzendingen meewerkte.
Twee vorken en een lepel bogen krom. Taylor was verbijsterd en had het
gevoel dat zijn hele wereldbeeld in één klap onderuit was gehaald. Hij
stortte zich meteen op het onderzoek naar de talloze kinderen die zich
als navolgers van Geller aanmeldden.
Professor David Bohm en professor John Hasted,
twee holistisch georiënteerde deskundigen op het gebied van de kwantummechanica,
raakten eveneens geïnteresseerd en nodigden Geller uit voor een aantal
informele experimenten aan het Birkbeck College in Londen. En opnieuw
deed hij iedereen versteld staan door onder andere een geigerteller in
beroering te brengen. Ook Hasted raakte na deze ervaring in de ban van
lepelbuigende kinderen, waarover hij in 1981 het boek The Metal-Benders publiceerde.
Het onderzoek naar Geller werd vooral ter
hand genomen door fysici die zich nog niet eerder op het terrein van de
parapsychologie hadden begeven. Zij voorzagen Geller van een wetenschappelijk
keurmerk, waarvan hij grif gebruik maakte door er voortdurend op te wijzen
dat zijn wonderdaden objectief vastgesteld waren door geleerden van formaat.
Een groot aantal van deze semi-wetenschappelijke experimenten en observaties
werd gebundeld onder de titel The Geller Papers (Panati 1976).
De gevestigde parapsychologen waren niet gelukkig
met deze situatie en stelden zich terughoudend op. Zij waren er niet van
overtuigd dat iedere wetenschapper zonder meer in staat moet worden geacht
om parapsychologisch onderzoek uit te voeren. Bovendien maakten Gellers
voortdurende successen hen wantrouwig. Zijn wonderen leken verdacht veel
op die van de talloze frauderende mediums uit de beginjaren van de parapsychologie.
De parapsychologen wilden niet het risico lopen opnieuw geassocieerd te
worden met dergelijke praktijken, want dat zou hun wetenschappelijke pretenties
ernstig kunnen schaden. Ze volgden het gebeuren daarom op afstand en hoopten
er het beste van.
De zogenaamde 'parafysici' waren nog niet
door schade en schande wijs geworden en verkondigden aan iedereen die
het horen wilde dat Geller superkrachten bezat. John Taylor liet via de Guardian weten: 'Het kernprobleem is nu niet langer de vraag
of het fenomeen (het Geller-effect) zich voortdoet, maar hóé het zich
voordoet. Het is een zeer belangrijk fenomeen dat ons nieuwe dingen over
de mens zal leren.'
De skeptici kwamen al spoedig tegen Geller
en zijn aanhang in het geweer. In de New Scientist en in Time verschenen kritische artikelen waarin Uri werd beticht van list en
bedrog. Beide tijdschriften hadden hem uitgenodigd voor een demonstratie,
maar bij de New Scientist kwam hij niet opdagen, terwijl hij
bij Time geen succes boekte. Dat laatste was waarschijnlijk te
danken aan de aanwezigheid van de goochelaar James Randi. Toen Randi later
aan de Amerikaanse tv-show van Johnny Carson meewerkte, boekte Geller
evenmin succes. Randi betoogde in zijn boek The Magic of Uri Geller (1975) dat Geller slechts goocheltrucs liet zien. Het sterkste bewijs
dat hij daarvoor leverde, waren zijn eigen demonstraties, waarmee hij Geller
evenaarde of zelfs overtrof. Zo wist hij een aantal gelovigen te ontnuchteren,
terwijl hij bij anderen twijfel zaaide.
Eind 1977 voerde Randi een gesprek met Gellers
ex-manager, Yasha Katz, die bekende dat hij zijn werkgever verscheidene
malen had geholpen bij het plegen van bedrog. Zo was hij de kamer van
een producer binnengeslopen om er achter te komen welke tekening Uri tijdens
een tv-uitzending moest raden. Ook zag hij verscheidene malen hoe Geller
van achter zijn rug voorwerpen omhoog gooide, zodat het leek alsof ze
uit het niets te voorschijn kwamen. Hoewel Katz verklaarde dat Geller
naar zijn mening niet uitsluitend trucs gebruikte, kon hij daarmee diens
reputatie niet redden. Al snel werd overal bekend dat GelIer definitief
was ontmaskerd, en vele jaren hoorde men niets meer van hem.
In 1986 maakte
hij een sterke come-back met het boek The Geller Effect. Het
werd geschreven door Guy Lyon Playfair, een lid van de Society for Psychical
Research. Hij nam Geller in bescherming tegen de critici, die hij consequent
heksenjagers en lasteraars noemde. Volgens Playfair had niemand ooit bewezen
dat Geller een bedrieger was. Degenen die beweerden dat ze hem bedrog
zagen plegen, konden zich best vergist hebben en bovendien spraken zij
wellicht niet altijd de waarheid. Dat laatste gold onder andere voor Yasha
Katz, die op aandrang van Geller bereid was om onder ede te verklaren
dat hij zijn voormalige werkgever nooit had geholpen bij het plegen van
bedrog. Volgens Katz waren zijn eerdere uitspraken te wijten aan een financieel
meningsverschil tussen hem en Geller, dat kennelijk inmiddels was opgelost.
Ook van Hanna Shtrang had Geller niets meer te duchten, want zij was met
hem getrouwd.
Het grootste deel van het boek werd in beslag
genomen door de verhalen die Playfair uit Gellers mond had opgetekend.
Uri beschreef onder meer zijn contacten met de Mexicaanse president, de
CIA en een aantal rijke zakenlui, en hij beweerde veel geld te verdienen
met het opsporen van goud en olie. In opdracht van een zekere heer D.,
'de president van een multinationaal bedrijf', reisde hij naar Brazilië
om goud te zoeken. Als we Geller mogen geloven, kreeg hij al voor zijn
vertrek een miljoen dollar uitbetaald! Over de resultaten van zijn goudjacht
had hij echter niets concreets te melden.
Geller had zijn aanpak duidelijk aangepast
aan de eisen van de jaren tachtig. Hij richtte zijn destructieve krachten
bij voorkeur op computerschijven en distantieerde zich van Puharichs UFO-religie:
'Ik moet toegeven dat ik het ook een beetje gênant vond. U mag niet vergeten
dat al dat fantasiemateriaal naar boven werd gehaald terwijl ik onder
hypnose was, en ik kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor wat mijn
verbeelding onder dergelijke omstandigheden voortbrengt.'
Als bewijs van zijn grote rijkdom liet Geller
zijn kapitale villa aan de Theems van alle zijden fotograferen voor het
tijdschrift Esotera (maart 1987). Hierin werden ook foto's afgedrukt van
zijn Mercedes, zijn zwembad, zijn jacht, zijn helikopter en zijn twee
kinderen. Op de vraag of hij inmiddels bereid was een overtuigend wetenschappelijk
bewijs te leveren voor zijn paranormale gaven antwoordde Geller: 'Op het
moment is er mij weinig aan gelegen het bewijs te leveren. Wat mij betreft
verloopt alles uitstekend.'
Hoe Geller zijn trucs kon uitvoeren
Er bestaan verschillende manieren om sleutels
en lepels schijnbaar psychokinetisch te verbuigen. De methode die Geller
meestal gebruikte, was volgens waarnemers erg simpel. Hij wachtte op een
moment waarop de toeschouwers even waren afgeleid. Dat gaf hem de gelegenheid
het voorwerp bliksemsnel te buigen door er druk op uit te oefenen. Zo
kun je een sleutel buigen door hem tegen de zijkant van je stoel te drukken
of hem door een opening in een andere sleutel steken, zodat je een bruikbare
hefboomwerking krijgt. Geller had alle tijd om een gunstige gelegenheid
af te wachten, want hij hoefde zijn trucs niet snel uit te voeren, zoals
dat van een goochelaar wordt verwacht. Alle mislukkingen kon hij bovendien
toeschrijven aan onvoorspelbare storende factoren, zoals vermoeidheid
en slechte vibraties.
Geller gebruikte allerlei methoden om de aandacht
van zijn toeschouwers in de verkeerde richting te sturen. Hij was veel
in beweging, praatte onophoudelijk, gaf voortdurend aanwijzingen en switchte
steeds van het ene experiment naar het andere. Meestal lagen er verschillende
testvoorwerpen in zijn buurt. Hij schiep zodoende een maximum aan chaos
om zich heen, waardoor anderen het spoor bijster raakten. Vaak beweerde
Geller dat water of metaal zijn krachten konden versterken om vervolgens
naar een wasbak of centrale verwarming te kunnen lopen. Zo onttrok hij
zich even aan de blik van de toeschouwers, wat hem de gelegenheid gaf
bedrog te plegen.
De psycholoog David Marks maakte deze manoeuvre
mee tijdens een persconferentie in Nieuw-Zeeland. Hij probeerde daar te
filmen hoe Uri een sleutel boog. Toen het buigen niet erg wou lukken,
vroeg Geller aan Marks of het verwarmingsrooster naast hem van metaal
was. Volgens Marks kon daarover nauwelijks twijfel bestaan en hij klopte
met zijn linkerhand even op het rooster, terwijl hij ondertussen bleef
doorfilmen. Geller nam daar geen genoegen mee en hij kreeg Marks zover
dat deze zijn camera weglegde om hard op het metaal te kunnen kloppen.
Precies op dat moment liep Uri snel naar hem toe en bracht de sleutel
in de buurt van het rooster. Marks begon meteen weer te filmen. Een nauwkeurige
analyse van zijn filmbeelden wees uit dat de sleutel al gebogen was voordat
Geller zijn bezweringsformule ('Buig, buig, buig') uitsprak. Kennelijk
had hij de sleutel gebogen, terwijl hij naar het rooster toeliep (Marks
en Kammann 1980).
Wanneer Geller er in slaagde een sleutel ongemerkt
te buigen, hield hij dat eerst nog enige tijd voor zijn publiek verborgen.
Hij legde de sleutel weg om zijn krachten op een andere te beproeven of
hij hield de sleutel zodanig vast dat de buiging niet zichtbaar was. Pas
wanneer de toeschouwers weer de indruk hadden dat zij precies konden zien
wat er gebeurde, begon Geller zachtjes over het metaal te wrijven. Hij
vertelde met toenemend enthousiasme dat hij het week voelde worden. Soms
liet hij iemand het uiteinde van een sleutel vasthouden en vroeg hem of
de sleutel naar zijn oordeel warmer werd. De meeste mensen beaamden dat
en inderdaad worden sleutels warmer als je ze in de hand houdt. Vervolgens
bracht Geller de buiging langzaam in beeld (bijvoorbeeld door het voorwerp
te draaien), terwijl hij uitriep: 'Kijk hij buigt!' Veel toeschouwers
ondergingen zo de suggestie dat zij het voorwerp spontaan hadden zien
buigen, want dat was wat zij verwachtten te zien.
Geller maakte waarschijnlijk ook gebruik van
voorgebogen lepels. Wanneer je een lepel in beide handen neemt en enige
malen snel heen en weer buigt, wordt de lepel zo slap dat hij al buigt
wanneer je hem bij het uiteinde van de steel vasthoudt. Geller pakte dergelijke
lepels met duim en wijsvinger bij het buigpunt op. Met zijn linkerhand
hield hij het uiteinde van de lepel vast, terwijl hij langzaam en ongemerkt
de steun die hij met zijn rechterhand gaf verminderde, zodat de lepel
spontaan vooroverboog. Er zijn nog meer manieren om deze truc uit te voeren,
maar goochelaars zoals James Randi zijn helaas niet bereid ál hun beroepsgeheimen
prijs te geven. [inmiddels zijn alle bijna geheimen op dvd verkrijgbaar - zie naschrift]
Sommigen beweerden dat zij Geller een voorwerp
hadden zien buigen zonder het aan te raken. In werkelijkheid hadden ze
dan slechts gezien dat hij het voorwerp niet hanteerde op het moment dat
de buiging volgens hen spontaan had plaatsgevonden. Ze realiseerden zich
niet dat hij het voorwerp al in een eerder stadium had kunnen buigen.
Vaak ontdekten journalisten allerlei verbogen voorwerpen pas nadat hij
met zijn medewerkers weer was vertrokken. Geller beweerde dat hij moeite
had om zijn krachten te richten. Daardoor was het voor de toeschouwers,
die van tevoren niet wisten wat er ging gebeuren, onmogelijk om hun aandacht
op de juiste plaats te richten.
Gellers grootste wonderen vonden altijd onverwachts
plaats. Zo meldden verscheidene journalisten dat er tijdens hun gesprek
met Geller plotseling een voorwerp uit de lucht was komen vallen. Michael
Brown beschrijft in zijn boek Psycho Kinese (1976) hoe
hij getuige was van een dergelijk voorval toen hij Geller bezocht in diens
New-Yorkse flat. Tijdens het gesprek klonk opeens een luide knal vanuit
een hoek van de kamer. Brown zag een houten schaakbord bewegen, liep er
naar toe en constateerde dat er een grote steen op was gevallen. Onder
excuses voor zijn scepsis liep hij naar een kast orn te kijken of zich
daarin misschien een medeplichtige verborgen hield, die de steen had kunnen
gooien. Ook controleerde hij of de deur van de flat nog steeds afgesloten
was. Brown vond echter niets dat op bedrog wees. Wel schreef hij: 'Nu
was Uri's secretaresse naar ons toe gekomen van haar bureau, dat in een
uitbouw van de kamer stond en vroeg wat er aan de hand was.' Aan de mogelijkheid
dat deze medewerkster van Geller de steen had geworpen, besteedde Brown
merkwaardig genoeg geen aandacht.
De meeste journalisten zouden in hun verslag de secretaresse niet
eens hebben genoemd. Zij lieten schijnbaar irrelevante details achterwege
en maakten een ordelijk verhaal van de chaotische stroom van gebeurtenissen
waarvan ze getuige waren geweest. De lezers kregen daardoor de indruk
dat bedrog uitgesloten was. Fotografen deden hetzelfde door middel van
fotoreeksen. De foto's toonden Geller in verschillende stadia van het
buigproces en gaven de indruk dat hij de hele tijd recht voor de lens
was blijven staan. Dat was in werkelijkheid niet het geval. Zelfs Geller
liet weten dat het hem zeer frustreerde, dat de meest overtuigende wonderen
altijd plaatsvonden als de camera verkeerd stond gericht of de filmrol
vervangen moest worden.
Ooggetuigenverslagen van mensen die een goochelact
hebben gezien, zijn doorgaans verre van accuraat, omdat de details waarin
het geheim van een truc verscholen ligt, over het hoofd worden gezien.
Een aardig voorbeeld daarvan vormde het optreden van een pseudo-paragnost
in een tv-show van Ruud ter Weyden. De paragnost liet het aanwezige publiek
korte boodschappen op uitgedeelde velletjes papier schrijven. De briefjes
werden dichtgevouwen in een doos verzameld. Na een muzikaal intermezzo
pakte de paragnost met een bovenmaatse pincet een briefje uit de doos
en hield het tegen zijn voorhoofd. Vervolgens vertelde hij wat er op het
ongeopende briefje stond en we zagen het verbaasde gezicht van de dame
van wie de boodschap afkomstig was. Dit herhaalde zich enige malen, waarbij
Ruud ter Weyden telkens controleerde of de tekst op de briefjes inderdaad
overeenkwam met de uitspraken van de paragnost. Dat bleek steeds het geval.
De presentator verzekerde de kijkers ervan dat de paragnost de briefjes
beslist niet van tevoren had kunnen inzien, omdat hij tijdens het muzikale
intermezzo naar achteren was gelopen.
Was hier een wonder gebeurd? Neen, het volgende
scenario geeft een simpele verklaring voor deze stokoude truc. De paragnost
nam een van de briefjes stiekem mee naar achteren en las wat erop stond.
(Wellicht kreeg hij het briefje achter de schermen van een medewerker
die tijdens de inzameling in het publiek zat.) De aldus verkregen informatie
onthulde hij nadat hij met zijn pincet het eerste nog dichtgevouwen briefje
uit de doos had gepakt. Schijnbaar om zichzelf te controleren, vouwde
hij dit briefje open en verkreeg zo de informatie die hij in zijn volgende
poging kon onthullen. Het briefje dat Ruud ter Weyden mocht voorlezen,
was niet het briefje dat de paragnost zojuist uit de doos had gepakt.
Dat briefje overhandigde hij pas bij de volgende poging, zodat hij steeds
een briefje voorlag op de toeschouwers.
Ik sprak verschillende mensen die dit tv-programma
hadden gezien. Geen van hen had opgemerkt dat de paragnost de briefjes
zelf openvouwde. Wel herinnerden ze zich goed dat hij ze met een groot
pincet had vastgehouden. Dat gaf hun de suggestie dat hij ze in het geheel
niet had aangeraakt. Bovendien werd het openvouwen van de briefjes nauwelijks
in beeld gebracht. Dit voorbeeld illustreert hoe een goochelaar de toeschouwers
voor de gek kan houden wanneer die niet weten waarop ze moeten letten.
Wanneer iemand zijn wonderbaarlijke ervaringen
met Uri GelIer beschrijft, kunnen we er meestal niet achter komen wat
er werkelijk is gebeurd, omdat bepaalde essentiële details in het verhaal
ontbreken. Soms is het echter mogelijk om tussen de regels door te lezen
hoe Geller het 'm lapte. Dat is bijvoorbeeld het geval in het verslag
van de Israëlische parapsycholoog H. C. Berendt (1986). Berendt had een
klein doosje meegenomen dat hij met sellotape stevig had dichtgeplakt.
Hij gaf het aan Geller, die probeerde te raden wat erin zat. Het grootste
deel van het experiment werd met een cassetterecorder opgenomen, zodat
we weten wat er werd gezegd.
Voordat Geller iets over de inhoud van het
doosje had verteld, zei hij: 'Chaim, ik zal je vertellen wat ik te weten
kom. Mag ik het doosje na afloop openmaken?' De parapsycholoog willigde
dit verzoek onmiddellijk in. Geller gaf hem vervolgens de opdracht een
rechthoek te tekenen en zich daarin het verborgen voorwerp voor te stellen.
Nadat Berendt dit had gedaan, vertelde Geller dat hij iets voelde wat
zacht en wit was (dat waren de watten waarin het voorwerp lag). Veel meer
informatie kon hij nog niet geven. Daarom gaf hij Berendt de opdracht
een driedimensionale tekening van het doosje te maken. Ten slotte vroeg
hij om het notitieblok en maakte na enkele minder geslaagde aanzetten
een accurate tekening van het verborgen voorwerp. Hij vermoedde dat het
een fossiel zou kunnen zijn en dat was inderdaad het geval.
'Mag ik het nu openmaken?' vroeg Geller enthousiast.
Berendt knikte en Geller begon meteen verwoed aan het sellotape te trekken.
Berendt vergeleek hem met een klein kind dat zijn kerstcadeau niet open
kan krijgen. De laatste strook sellotape trok Uri met zoveel geweld los
dat het kartonnen doosje kapotscheurde. Bij het zien van de inhoud gaf
hij een vreugdeschreeuw en na afloop verklaarde hij vol trots een dergelijk
kunststukje nog niet eerder te hebben uitgehaald.
Tijdens het experiment had Berendt het gevoel
alsof hij naar het ongecompliceerde en emotionele gedrag van een kind
zat te kijken. Dat gaf hem de indruk dat hij de situatie geheel in de
hand had. Vermoedelijk waren de rollen in werkelijkheid omgedraaid. Niet
Geller, maar Berendt was degene die zich naïef gedroeg. Gellers gedrag
was zonder twijfel veel geraffineerder dan hij deed voorkomen. Niet voor
niets vroeg hij tweemaal of hij het doosje mocht openmaken om het ten
slotte kapot te scheuren. We mogen aannemen dat hij er een gat in maakte
op het moment dat Berendts aandacht even was afgeleid. In eerste instantie
voelde hij alleen watten en daarom gaf hij Berendt een tweede tekenopdracht.
Terwijl de parapsycholoog een kubus tekende en zich daarin het fossiel
voorstelde, had Geller alle gelegenheid met zijn vinger de inhoud van
het doosje te verkennen.
Het ware meesterschap van Geller was erin
gelegen dat hij een situatie wist te creëren waarin Berendt er niet toe
kwam om het doosje te inspecteren voordat het werd opengemaakt. Toen Geller
vroeg 'Mag ik het nu openmaken?' zag Berendt hem popelen van ongeduld
en gunde hem de beloning die hij reeds eerder had toegezegd. Geller speelde
met overtuiging de rol van het gretige kind. Dat bood hem de kans alle
sporen van braak uit te wissen door het doosje kapot te maken. Deze interpretatie
bewijst niet dat Geller werkelijk bedrog heeft gepleegd. Wel is het de
meest eenvoudige verklaring voor zijn opmerkelijke succes.
Soms demonstreerde Geller zijn helderziende
gaven door tekeningen te reproduceren die in gesloten enveloppen zaten.
In dat geval was het meestal niet nodig om de enveloppen stiekem te openen.
Maak maar eens een tekening op een vel papier, vouw het papier tweemaal
doormidden en stop het in een envelop. Als je de envelop nu stevig tegen
het papier aandrukt en zorgt voor een gunstige lichtval, kun je de lijnen
van de tekening vaag onderscheiden. (Dat lukt nog beter door er een penlight
achter te houden of door de envelop met alcohol te bevochtigen.) Geller
had eveneens deze mogelijkheid, want hij hanteerde de enveloppen meestal
langdurig. David Marks en Richard Kammann (1977) stopten drie tekeningen
die eerder aan Geller waren voorgelegd opnieuw in enveloppen, die een
aantal studenten korte tijd mochten inspecteren. Sommige studenten wisten
de tekeningen even nauwkeurig te reproduceren als Geller had gedaan. Zij
slaagden er bovendien evenmin als Geller in de derde afbeelding na te
tekenen. Dat kwam omdat de omtrek deze tekening geheel onherkenbaar werd
wanneer het papier was gevouwen. Uri Geller tekende precies de vorm die
door de envelop heen zichtbaar was.
Een sterk staaltje van psychokinese, dat Geller
in de meeste tv-shows liet zien, was het weer in gang zetten van oude
horloges. Hij riep de kijkers op horloges die waren blijven stilstaan
in hand te houden en velen belden de studio om te melden dat hun horloge
weer was gaan lopen. Volgens Guy Lyon Playfair (Geller & Playfair
1986) spreekt dit 'bewijsmateriaal van het publiek op overtuigende wijze
in Gellers voordeel'. Kennelijk wist hij niet dat de goochelaar Milbourne
Christopher hetzelfde presteerde tijdens een aantal radio- en tv-shows
die in 1975 plaatsvonden. Meer dan duizend mensen belden op om een wonder
te rapporteren (Booth 1986).
Marks en Kammann (1977) ontdekten een doodsimpele
verklaring voor het mirakel. De meeste horloges blijven niet stilstaan
vanwege een mechanisch defect, maar omdat de olie zich heeft vastgezet
of omdat er stof in het horloge zit. Wanneer je een dergelijk horloge
opwindt en enige tijd in je gesloten hand houdt, die je wat heen en weer
beweegt, dan heb je een goede kans dat het gaat lopen. Door de warmte
van je hand wordt de olie vloeibaar, terwijl de bewegingen die je maakt
het mechaniek tijdelijk weer in gang kunnen zetten. [Uiteraard werkt dit
niet met de hedendaagse digitale horloges.]
Geller kon ook de stand van een kompasnaald
beïnvloeden. Playfair gaf de volgende beschrijving van deze truc:
Hij knielde op de betonnen vloer, met beide
handen op de vloerbedekking steunend, concentreerde zich even krachtig
en knikte toen met zijn hoofd afgemeten naar het kompas, alsof hij een
hond was die erin wilde bijten. Terwijl hij dat deed stootte hij een
duidelijk gekreun uit. Ik keek vanaf een paar centimeter naar de naald.
'Ja,' zei ik. 'Hij heeft heel even bewogen.'
Dat had hij niet, maar ik dacht dat zo'n reactie, ook al was ze onwaar,
hem zou aanmoedigen, en dat was ook zo. Hij probeerde het opnieuw en
dit keer draaide de naald minstens vijftien graden zonder te vibreren.
Vanaf het punt waar ik toekeek kon ik zien dat hij de tafel niet aanraakte
...
Ik kan alleen maar zeggen dat Uri zonder
enige twijfel een kompasnaald kan laten bewegen door zijn hoofd er dichtbij
te brengen. Hij kan diezelfde beweging ook maken zonder de naald te
bewegen, en dat zou dan de mogelijkheid uitschakelen van een 'verborgen
magneet' in zijn haar, zijn hals of zijn mond. (Geller & Playfair
1986, p. 256-257)
We mogen aannemen dat de naald inderdaad niet
op de beweging van Uri's hoofd reageerde, want een goede goochelaar zorgt
ervoor dat de toeschouwers hun aandacht op de verkeerde plaats richten.
Wie Playfairs beschrijving nauwkeurig leest, zal opmerken dat Geller zijn
tweede poging niet op de vloer uitvoerde, maar aan een tafel. Dat gaf
hem de mogelijkheid om ongemerkt zijn voet in de buurt van het tafelblad
te brengen. In zijn schoen bevond zich wellicht een kleine magneet of
een stuk metaal. Playfair keek van dichtbij toe, zodat hij beslist niet
kon zien wat er onder de tafel gebeurde.
Al deze voorbeelden mogen duidelijk maken
dat Geller zijn effecten doorgaans met simpele middelen kon bereiken.
Wie zelf wil ervaren hoe eenvoudig het is om anderen te verbazen, vindt
achter in dit boek een drietal zeer effectieve goocheltrucs.
Experimenten met Geller
In 1972 en 1973 bezocht Geller gedurende enkele
weken het Stanford Research Institute, waar hij meewerkte aan een groot
aantal experimenten van Russell Targ en Harold Puthoff. In een film van
het SRI was onder meer te zien hoe hij een voorwerp opspoorde dat in een
afgesloten blikje zat. Tien blikjes stonden in een open doos en geen van
de aanwezigen wist welk blikje gevuld was. Geller wees steeds een leeg
blikje aan, dat door een assistent uit de doos werd verwijderd, totdat
uiteindelijk het volle blikje overbleef. Dit is een aardige truc, maar
beslist geen wetenschappelijk experiment. Door de lege blikjes te laten
verwijderen, worden ook de overige enigszins in beweging gebracht, en
volle blikjes trillen anders dan lege. Het verschil is na enige oefening
duidelijk waarneembaar. Targ en Puthoff schenen zich niet te hebben afgevraagd
waarom Geller zo'n omslachtige methode gebruikte om zijn doel te bepalen.
De film van het SRI toonde ook een experiment
waarin Geller raadde hoeveel ogen een dobbelsteen aangaf die zich in een
gesloten archiefdoos bevond. Volgens Targ en Puthoff werd de doos eerst
goed geschud en schreef Uri de uitkomst van de worp op voordat de doos
werd geopend. In totaal zouden slechts tien pogingen zijn ondernomen.
Acht daarvan waren succesvol, terwijl Geller tweemaal geen keuze maakte.
De toevalskans op zo'n resultaat is kleiner dan één op een miljoen. Met
deze demonstratie had Geller zelfs de grootste skepticus binnen een half
uur kunnen overtuigen, maar om de een of andere reden prolongeerde hij
zijn voorstelling niet.
James Randi wees erop dat Geller van een truc
gebruik had kunnen maken wanneer de onderzoekers hem de kans hadden geboden
de doos vast te pakken. Targ en Puthoff beweerden dat hun video-opnames
aantoonden dat daarvan geen sprake was geweest, maar ze lieten slechts
één van de tien experimenten zien. Dat was (toevallig?) een experiment
waarin Geller geen definitieve keuze maakte. Martin Gardner (1982) informeerde
bij Puthoff naar de filmbeelden van de overige pogingen, maar kreeg te
horen dat daarvan geen opnames waren gemaakt.
De enige serie experimenten die de beide parapsychologen
uitvoeriger hebben beschreven, vond in augustus 1973 plaats. Om Geller
beter te kunnen controleren, werd hij opgesloten in een kamer met dubbele
stalen wanden. Pas nadat hij veilig in zijn hok zat, kozen de onderzoekers
een willekeurig woord uit het woordenboek en maakten daar een tekening
van. Geller maakte ook een of meerdere tekeningen, die vergeleken werden
met het origineel. De overeenkomsten waren dikwijls frappant. Inmiddels
zijn echter verscheidene details bekend geworden die de betrouwbaarheid
van dit onderzoek op losse schroeven zetten.
De psychologen David Marks en Richard Kammann
(1980) ontdekten een gat van bijna 10 cm in doorsnede waarlangs de kabel
van een intercom de stalen kamer werd binnengeleid. Ook zagen zij dat
er een raampje in de kamer zat. Volgens Targ en Puthoff kon Geller desondanks
niet naar buiten kijken, omdat zij het gat volgestopt hadden met katoen
en het raampje was afgedekt met een prikbord. Toch kunnen we er niet zeker
van zijn dat Geller werkelijk niet in de kamer van de onderzoekers heeft
gekeken, want hij zat alleen in de stalen kamer, zodat niemand hem in
de gaten kon houden. Het is bovendien mogelijk dat hij hulp kreeg van
Shipi, die zich steeds in de buurt bevond. Er zijn verschillende manieren
denkbaar waarop hij Geller informatie had kunnen verschaffen, bijvoorbeeld
door middel van klopsignalen.
Charles Rebert, als psycholoog verbonden aan
het SRI, kreeg de kans om Geller opnieuw te onderzoeken. Hij zorgde ervoor
dat tijdens het onderzoek geen van de aanwezigen wist welke tekeningen
er geraden moesten worden. Die bevonden zich in afgesloten enveloppen,
die Geller niet ter hand werden gesteld. Dat maakte uitgebreide veiligheidsmaatregelen
overbodig. Onder deze omstandigheden boekte Geller geen enkel resultaat.
Rebert deed later een boekje open over het onderzoek van zijn collega's.
Hij vertelde een zeer grote hoeveelheid tekeningen te hebben zien liggen,
terwijl Targ en Puthoff het deden voorkomen alsof de tekeningen die zij
publiceerden de enige waren (Randi 1982b).
Het onderzoek aan het SRI was in eerste instantie
gericht op Gellers vermogen om metaal te buigen, maar zijn krachten lieten
het steeds afweten zodra de omstandigheden beter werden gecontroleerd.
Dat was de reden waarom de twee parapsychologen hun heil zochten bij Uri's
vermogen tot buitenzintuiglijke waarneming. Over hun PK-experimenten publiceerden
zij vrijwel geen gegevens.
Gellers psychokinetische krachten werden volgens
Charles Panati, de samensteller van The Geller Papers, wel overtuigend
aangetoond door Eldon Byrd, een laboratoriummedewerker van het Naval Surface
Weapons Center. Panati beweerde dat hij Byrds onderzoeksverslag met toestemming
van het Departement van Defensie mocht publiceren. Later bleek evenwel
dat Byrd het onderzoek op eigen houtje had uitgevoerd in een plaatselijk
occult centrum. Hij maakte gebruik van nitinol, een legering van nikkel
en titanium, die een 'geheugen' heeft. Een verbogen draad nitinol trekt
bij verhitting vanzelf weer recht. Met de draden die Byrd Geller ter hand
stelde, gebeurde juist het omgekeerde: ze trokken in kokend water krom.
Volgens Byrd kon dit effect alleen worden bereikt door het metaal met
een bunsenbrander te verhitten en het daarna met een tang te verbuigen.
Martin Gardner (1977) ontdekte een eenvoudiger
methode. Hij boog de nitinoldraad bij kamertemperatuur onder een scherpe
hoek en boog hem vervolgens weer recht. Toen hij de draad daarna in kokend
water hield, trok deze vanzelf krom. Byrd beweerde dat verscheidene metallurgen
van het Naval Surface Weapons Center vruchteloos hadden geprobeerd om
de door Uri verbogen draad weer recht te krijgen. Zij hadden de draad
in een luchtledige ruimte verhit tot een zeer hoge temperatuur, maar de
knik keerde op onverklaarbare wijze terug nadat het metaal was afgekoeld.
Het marinelaboratorium ontkende in een openbaar memorandum een dergelijke
proef te hebben uitgevoerd. Byrd riep daarom de hulp in van de parafysicus
Ronald Hawke. Die had echter geen moeite om de draad weer recht te krijgen
en hielp daarmee het wonder de wereld uit.
Al met al waren de experimenten met Uri Geller
niet erg overtuigend. Hij paste er steeds goed voor op zich niet door
al te kritische wetenschappers te laten onderzoeken, die een valstrik
voor hem hadden kunnen spannen. In 1978 liet hij zelfs weten in het geheel
niet meer te willen meewerken aan wetenschappelijk onderzoek.
James Randi betoogde dat wetenschappers in
het vervolg ervaren goochelaars zouden moeten raadplegen bij het opzetten
van experimenten met wondermensen. Juist goochelaars zijn vaak het beste
in staat maatregelen te nemen die bedrog kunnen voorkomen, want zij kennen
de vele subtiele praktijken waarmee men anderen om de tuin kan leiden.
Volgens Randi waren de onderzoekers van Uri Geller zich nauwelijks bewust
van mogelijke trucs. Om hem niet te ontstemmen, kwamen ze tegemoet aan
veel van zijn wensen en gaven hem zo de mogelijkheid voor een deel zijn
eigen werkomstandigheden te bepalen. Hasted en Bohm (1976) merkten bijvoorbeeld
dat hun experimenten veel beter verliepen wanneer Geller zich goed kon
vinden in de opzet daarvan. Ook constateerden zij dat de vermeende paranormale
verschijnselen vaak onverwachts optraden en uitbleven wanneer zij hun
aandacht te sterk op het onderzoek richtten. Een informele sfeer bleek
tot de beste resultaten te leiden. Dat is precies wat een goochelaar nodig
heeft. Wanneer je hem de vrije hand geeft, kun je verwachten dat er de
meest onbegrijpelijke dingen gebeuren.
Gellers pleitbezorgers
De pleitbezorgers van Uri Geller erkenden
dat ook goochelaars tot verbazingwekkende prestaties in staat zijn. De
bekende publicist Colin Wilson gaf in zijn boek The Geller Phenomenon het volgende commentaar op een demonstratie van James Randi:
Wanneer Randi zou hebben beweerd dat hij
de truc met behulp van bovennatuurlijke krachten tot stand had gebracht,
dan zou ik geneigd zijn geweest hem te geloven. (Wilson 1976, p. 46)
Guy Lyon Playfair had een soortgelijke ervaring
met de goochelaar Milbourne Christopher:
Met een gewoon stuk kapotgescheurd krantenpapier
deed hij dingen die even imponerend waren als dat wat Geller ooit op
het toneel heeft gedaan en als hij beweerd had dat hij paranormale gaven
had, zou ik er moeite mee hebben gehad hem niet te geloven. Het stuk
papier leek op eigen kracht door de kamer te bewegen terwijl ik vlak
naast hem stond. Ik ben er nog steeds niet achter hoe hij dat deed.
(Geller & Playfair 1986, p. 254)
Wilson en Playflair konden de verschijnselen
niet verklaren en waren daarom geneigd ze paranormaal te noemen. Ze onthielden
zich echter van een dergelijk oordeel, omdat ze wisten dat ze slechts
een goocheltruc hadden gezien, want dat hadden Randi en Christopher hun
duidelijk verteld. Geller beweerde daarentegen dat hij nooit trucjes gebruikte,
en zijn pleitbezorgers geloofden hem op zijn woord. Wilson zette alle
scepsis met een enkele zin overboord: 'Toen ik Uri op verzoek van de fotograaf
in zijn ogen keek, zei mijn instinct mij: Hij is eerlijk' (p. 138). En
Playfair schreef. 'Ik kan alleen maar getuigen dat Uri voor zover ik het
met mijn eigen zintuigen heb waargenomen, nog nooit heeft geprobeerd mij
of iemand anders te bedriegen' (p. 288). Wilson en Playfair baseerden
hun geloof in Gellers wonderkrachten in wezen op hun vertrouwen in zijn
oprechtheid en niet op zijn feitelijke prestaties. Uiterlijk zagen zij
geen verschil tussen Gellers kunststukjes en die van een goochelaar.
Playfair betoogde dat het feit dat goochelaars
Geller kunnen imiteren, niet bewijst dat hij zich eveneens van trucs bedient.
Deze stelling is juist, maar gaat voorbij aan de kern van de zaak. Skeptici
hoeven niet te bewijzen dat Geller bedrog pleegt. En zo'n bewijs is zelfs
niet voldoende, want Playfair schreef: 'Als hij er een paar eenvoudige
trucjes bij zou halen om het allemaal echter te laten lijken, zou dat
aan de waarde van het eindproduct niets afdoen' (p. 287). Neen, het is
Geller die moet aantonen dat hij meer kan dan we voor mogelijk houden,
meer dan een goochelaar ons kan laten zien. Zolang hij daartoe niet in
staat of bereid is, hebben we geen reden te veronderstellen dat hij gebruik
maakt van paranormale vermogens.
Playfair dacht daar anders over. Hij trachtte
zelfs goochelaars in zijn paranormale wereldbeeld in te lijven:
Zoals ik zelf ontelbare keren heb meegemaakt,
treden paranormale verschijnselen pas dan op wanneer degenen die erbij
zijn betrokken, ofwel verwachten dat ze spoedig zullen gebeuren, of
geloven dat ze al aan het gebeuren zijn ...
Als dit zo is, kan de vraag worden gesteld
waarom goochelaars op het toneel niet nu en dan per vergissing echte
magie bedrijven, nadat ze als het ware het geloof daarin bij hun publiek
hebben opgeroepen. Het antwoord luidt dat naar alle redelijkheid mag
worden aangenomen dat ze zoiets soms ook doen. (Playfair, p. 286-287)
Op welke redelijkheid de schrijver zich hier
baseert, is volstrekt onduidelijk. Vermoedelijk meent hij dat hij alles
paranormaal mag noemen zolang het tegendeel niet onomstotelijk is aangetoond.
En dat mag hij ook. Hij moet alleen niet beweren dat zijn standpunt redelijk
is.
De parapsycholoog Martin Johnson werd met
een soortgelijk halsstarrig geloof geconfronteerd. Hij trachtte zijn collega's
de ogen te openen door de illusionist Ulf Mörling uit te nodigen voor
een optreden tijdens een parapsychologisch congres, dat in 1976 te Utrecht
plaatsvond. Mörling bleek niet onder te doen voor Geller. Hij boog een
dikke spijker die werd vastgehouden door de parapsycholoog John Beloff
en reproduceerde een tekening die Johnson de dag daarvoor op de wc had
gemaakt en die hij daarna zorgvuldig bij zich had gedragen (in zijn onderbroek!).
Vooral Mörlings demonstratie van precognitie was indrukwekkend. Drie parapsychologen
noemden een willekeurig cijfer. Onmiddellijk daarna mocht een vierde parapsycholoog
een etui uit Mörlings achterzak pakken. Daarin bevond zich een medaillon
waarin de drie cijfers in de juiste volgorde stonden gegraveerd.
Hoewel de congresgangers was verteld dat ze
naar een goochelact zaten te kijken, waren er volgens Johnson (1982) minstens
een tiental parapsychologen die ervan overtuigd raakten dat Mörling over
paranormale begaafdheden beschikte zonder het zelf te weten. Zij konden
niet geloven dat ook met goocheltrucs dergelijke effecten kunnen worden
bereikt.
Navolgers van Geller
Een van de meest succesvolle navolgers van
Uri Geller was de Fransman Jean-Pierre Girard, die opmerkelijke prestaties
zou hebben geleverd in het laboratorium van de metallurg Charles Crussard.
De meeste boeken die dit onderzoek aanhalen (bijvoorbeeld Eysenck 1982)
vermelden niet dat Girard zich aanvankelijk presenteerde als goochelaar,
gespecialiseerd in GelIer-trucs. Pas toen bleek dat hij sommige parawetenschappers
kon overtuigen, besloot hij in Gellers voetsporen te treden.
In een tv-documentaire van de Amerikaanse
NBC viel te zien hoe Girard een aluminium staaf boog. Eerst zagen we dat
de onderzoeker de staaf over een glazen tafel rolde om te controleren
of zij helemaal recht was. Girard, die achter de tafel zat, pakte de staaf
op en begon er zachtjes over te wrijven. Deze beelden werden onderbroken
door een kort gesprekje met de experimentleider. Daarna keerden we terug
bij Girard, die nog steeds aan het wrijven was. De kijkers kregen de indruk
dat ze niets essentieels gemist hadden, omdat de staaf er nog steeds recht
uitzag. Wie lette op de weerspiegeling in het glazen tafelblad, zag daarentegen
dat hij al krom was. Tegen het einde van zijn voorstelling draaide Girard
de staaf tussen duim en vingers zodat de buiging plotseling duidelijk
zichtbaar werd. Een dergelijke videoregistratie heeft geen enkele waarde,
omdat we niet de hele voorstelling te zien kregen. Waarschijnlijk boog
Girard het metaal op een moment dat de camera hem niet goed in beeld had.
Zuiver aluminium kan vrij eenvoudig met de hand worden verbogen.
James Randi (1982b) kreeg toestemming om in
Parijs een experiment met Girard bij te wonen. Eerst liet Charles Crussard
hem verscheidene video-opnames zien van eerdere experimenten. Randi raakte
daarvan bepaald niet onder de indruk. Hij stelde een aantal regels op
voor nieuwe buigproeven:
1. De metalen staven moeten zijn voorzien
van een codenummer zodat verwisseling uitgesloten is.
2. Er moeten gekleurde strepen op het metaal
zijn aangebracht zodat rotatiebewegingen duidelijk zichtbaar zijn.
3. Alle handelingen moeten plaatsvinden binnen
een klein gebied zodat niets aan het oog van de videocamera kan ontsnappen.
Onder deze omstandigheden boekte Girard geen
succes. Hij werkte later nog mee aan enkele andere experimenten, waarbij
eveneens de regels van Randi in acht werden genomen. In alle gevallen
faalde hij.
Het is beslist niet onmogelijk om PK-experimenten
te beveiligen tegen goocheltrucs. Sommige parawetenschappers hebben echter
zo'n groot vertrouwen in de oprechtheid van hun proefpersonen dat zij
extra voorzorgsmaatregelen overbodig achten. John Taylor viel zelfs ten
prooi aan een stel kleine kinderen, die zijn lepels steeds bogen als hij
even niet oplette. In zijn boek Superminds (1975, p. 69) schreef
hij hierover:
Een merkwaardig kenmerk van het buigverloop
is dat het in kleine stapjes schijnt plaats te vinden; een lepel of
een vork kan in een fractie van een seconde vele graden buigen. Dat
gebeurt vaak wanneer de aandacht van de observator even niet meer is
gericht op het te buigen voorwerp.
Taylor noemde dit
het 'shyness effect' (verlegenheidseffect). Volgens hem voelden de kinderen
zich geremd wanneer onderzoekers hen nauwkeurig in de gaten hielden. Ook
professor Hasted merkte het 'shyness effect' op. Zijn wonderkinderen leverden
hun beste prestaties wanneer ze alleen in een kamertje zaten of voorwerpen
mee naar huis mochten nemen. Ook andere effecten traden op: de kinderen
konden bijvoorbeeld geen paperclips verbuigen wanneer die in een afgesloten
glazen container zaten. Dat lukte wel wanneer er in die container een
kleine opening zat. Volgens Hasted bezorgde een gesloten container de
kinderen een faalangst, die hun verhinderde het metaal te buigen.
Dat het 'shyness effect' ook eenvoudiger kon
worden verklaard, bleek toen onderzoekers van de Universiteit van Bath
zes zogenaamde mini-Gellers observeerden in hun laboratorium. Thuis slaagden
deze kinderen er regelmatig in op onverklaarbare wijze voorwerpen te verbuigen.
Een van de onderzoekers, Harry Collins, beschreef zijn bezoek aan het
elfjarige meisje Sally, dat er bij die gelegenheid in slaagde verschillende
voorwerpen te buigen. Hoewel Collins de voorwerpen nooit goed kon zien
op het moment dat ze volgens Sally spontaan bogen, raakte hij toch overtuigd
van de bijzondere krachten van het meisje - vooral omdat zij erin slaagde
een massieve staaf te laten kromtrekken die geen van de onderzoekers met
de hand kon buigen.
Zes wonderkinderen werden uitgenodigd voor
een demonstratie in het laboratorium van de onderzoekers. De kinderen
mochten hun kunsten vertonen aan twee observators, maar zonder dat ze
het wisten werden zij vanachter een grote doorkijkspiegel met behulp van
camera's in de gaten gehouden. De camera's waren verdekt opgesteld om
de kinderen niet al te verlegen te maken. De verborgen onderzoekers keken
verrast op toen bleek dat enkele kinderen bedrog pleegden op het moment
dat de observators even waren afgeleid. Ook ontdekten ze hoe Sally een
metalen staaf kon buigen. Ze boog de staaf onder haar voet meteen nadat
de observators haar even alleen hadden gelaten. Aan deze mogelijkheid
hadden de onderzoekers nog niet gedacht en pas nu realiseerden zij zich
dat Sally tijdens het vooronderzoek steeds buiten hun gezichtsveld was
geweest op het moment dat ze haar meest indrukwekkende staaltjes van psychokinese
ten beste gaf (Collins & Pinch 1979).
Professor Taylor kwam later tot bezinning en publiceerde
een nieuw boek waarin hij het bestaan van psychokinese bestreed (Taylor
1980). Volgens hem zouden PK-verschijnselen alleen veroorzaakt kunnen
worden door een vorm van elektromagnetische straling. Hij trachtte deze
op het spoor te komen, maar vond geen enkele aanwijzing voor het bestaan
ervan. Bovendien ontdekte hij dat geen van zijn proefpersonen erin slaagde
onder goed gecontroleerde omstandigheden een wonder te laten plaatsvinden,
zelfs Uri Geller niet.
Gedurende anderhalf uur probeerde Geller vruchteloos
een metalen strip te buigen, die aan een brievenweegschaal was bevestigd.
Bij een eerdere gelegenheid was hij hierin geslaagd, doch ditmaal stonden
er op advies van James Randi twee videocamera's opgesteld, die al zijn
handelingen registreerden. Bedrog zou dus niet onopgemerkt kunnen blijven.
Geller werd uitgenodigd voor een tweede poging, maar hij kwam nooit meer
opdagen. Taylors conclusie was:
Wat mij betreft eindigde hier de legende
van Uri Geller; als hij niet bereid is zich onder dergelijke omstandigheden
te laten testen, kunnen zijn krachten niet authentiek zijn. (Taylor
1980, p. 127)
Sommige parawetenschappers denken daar anders
over. Volgens H.C. Berendt maken paranormaal begaafden gebruik van hun
creatieve rechterhersenhelft. Deze hersenactiviteit wordt verstoord wanneer
een onderzoeker de proefpersoon rationele instructies geeft of wanneer
hij blijk geeft van zijn wantrouwen door strenge veiligheidsmaatregelen
te treffen. Berendts experimenten met de Israëlische lepelbuiger Rony
Marcus hadden daarom meestal een spontaan karakter. De parapsycholoog
slaagde er niet in om Rony's voorstelling van het begin tot het einde
op video vast te leggen. Slechts eenmaal kreeg hij toestemming om alles
te filmen. Berendt (1986, p. 86) beschreef wat er bij die gelegenheid
gebeurde.
Toen Rony zijn keuze had gemaakt, leidde
hij de gekozen vork door de brede lus van een metalen kroonluchter.
Hij hing de luchter met zijn volle gewicht aan de vork. Dat was om te
laten zien dat de vork op geen enkele wijze van tevoren was geprepareerd.
We kunnen ons afvragen hoe Rony op het krankzinnige
idee kwam om een kroonluchter aan een vork te hangen. De deugdelijkheid
van de vork kon toch wel op een eenvoudiger manier worden vastgesteld?
Berendt vermeldde niet of het mogelijk was om de verrassende manoeuvre
volledig op de film vast te leggen. Vermoedelijk zou zelfs een geroutineerde
cameraman daar de grootste moeite mee hebben gehad.
De parapsycholoog erkende dat hij Rony soms
op bedrog had betrapt, maar hij meende dat zijn proefpersoon op zulke
momenten 'niet bij zijn volle verstand' was. Rony verkeerde volgens Berendt
in een soort paranormale roes. Wanneer de bijzondere verschijnselen uitbleven,
bijvoorbeeld door de aanwezigheid van kritische waarnemers, maakte hij
soms noodgedwongen gebruik van een truc, zonder dat zelf te beseffen.
Berendt benadrukte dat we het kind nooit met het badwater mogen weggooien:
uit het feit dat Rony soms bedrog pleegde, mogen we niet concluderen dat
hij ons niets paranormaals te bieden heeft. Zolang Berendt zijn proefpersoon
alle vrijheid gunt, hebben we echter weinig reden om veel belang te hechten
aan de gerapporteerde successen. Terugkomend op de vergelijking van het
kind en het badwater, zouden we Berendt kunnen adviseren om zich er eerst
van te vergewissen dat zijn 'kind' inderdaad in bad zit en dat alle kleertjes
uit zijn.
Randi's 'Project Alpha'
In 1979 werd bekend
dat een rijke ingenieur, James McDonnell, 500.000 dollar had geschonken
aan de Washington University in St. Louis. Het geld was bestemd voor parapsychologisch
onderzoek. Onder leiding van Peter Phillips, een parapsycholoog en professor
in de natuurkunde, werd het McDonnell Laboratorium opgericht (beter bekend
als het Mac Lab). Phillips verklaarde dat hij zich vooral wilde toeleggen
op het onderzoek naar psychokinetisch begaafde jongeren. Dit was voor
James Randi een ideale gelegenheid om zijn zogenaamde 'Project Alpha'
te starten. Met dit project wilde hij aantonen dat een goochelaar ook
in een parapsychologisch laboratorium succes kan boeken, omdat de controlemaatregelen
soms sterk te wensen overlaten. Al velen hadden hem uitgedaagd om dat
persoonlijk te komen demonstreren, maar daar voelde Randi weinig voor.
Hij vreesde dat men hem niet de kans zou geven een experiment naar zijn
hand te zetten, want een onderzoeker die weet dat hij met een goede goochelaar
te doen heeft, is uiteraard extra op zijn hoede. Randi maakte daarom gebruik
van de diensten van Steve Shaw en Mike Edwards, twee onbekende goochelaars
van respectievelijk 18 en 17 jaar. Zij meldden zich als proefpersonen
aan bij het Mac Lab en werden gekozen uit een grote groep gegadigden.
Nog voordat het onderzoek in oktober 1979
van start ging, nam Randi schriftelijk contact op met Phillips om gratis
zijn diensten aan te bieden. Bovendien stuurde hij hem een lijst met nuttige
onderzoekstips. De professor liet echter weten dat hij zich best zonder
de hulp van een professioneel goochelaar kon redden. Helaas bleek hij
zijn capaciteiten te hebben overschat. De 'Alpha-boys' kregen alle kans
om hun trukenarsenaal aan te wenden.
Randi had Phillips geadviseerd om alle testvoorwerpen
van een onuitwisbaar merkteken te voorzien en de proefpersonen nooit meer
dan één voorwerp tegelijk in handen te geven. In het Mac Lab slingerden
evenwel allerlei testvoorwerpen rond, waaraan papieren labels hingen.
Wanneer Steve en Mike een testvoorwerp kregen, konden ze de label er gemakkelijk
afhalen om die vervolgens te bevestigen aan een identiek voorwerp dat
zij al eerder hadden gebogen.
De jongens kregen ook een aantal verzegelde
plastic doosjes mee naar huis waarin zich diverse voorwerpen bevonden.
Na de doosjes te hebben geopend, bogen zij de voorwerpen in allerlei interessante
vormen. Het lakzegel werd vervolgens keurig hersteld. Wanneer dat niet
goed lukte, maakten ze een nieuwe zegelafdruk. Het stempel dat de onderzoekers
hadden gebruikt, was voor minder dan een dollar bij veel kantoorboekhandels
te koop.
Tijdens een ander experiment lieten Steve
en Mike een papieren molentje ronddraaien dat zich onder een glazen stolp
bevond. Zij hadden ongemerkt een propje aluminiumfolie onder de rand van
de stolp gelegd, zodat die niet goed meer afsloot. Door op tafel te blazen
konden zij de lucht onder de stolp in beweging brengen. Randi (1983a)
gaf nog verscheidene andere voorbeelden van de verrichtingen van zijn
pupillen.
Phillips en zijn medewerkers waren zeer onder
de indruk en zij schreven een rapport voor het aanstaande congres van
de Parapsychological Association, dat in augustus 1981 zou plaatsvinden.
Daar wilden zij tevens een aantal video-opnames laten zien van hun experimenten.
Voordat het zover was, riep Phillips voor de eerste maal de hulp in van
James Randi, die opnieuw zijn diensten had aangeboden. Hij vroeg of Randi
hem een video-opname van een nep PK-demonstratie kon toesturen, plus een
toelichting op de aangewende methoden. Randi verschafte hem een uitgebreide
instructiefilm, die samen met de film van het Mac Lab op de PA-bijeenkomst
werd vertoond. De meerderheid van de aanwezigen was het erover eens dat
de methoden die Randi liet zien sterk leken op die van Steve en Mike.
Phillips was behoorlijk geschrokken. Hij voerde
meteen de controlemaatregelen in die Randi hem had aanbevolen en ontdekte
toen dat zijn wonderboys tot niets meer in staat waren. Men zou verwachten
dat de carrière van Steve en Mike nu snel ten einde was, maar dat bleek
niet het geval. Er waren nog verscheidene argeloze wetenschappers die
hen graag wilden testen (Randi 1983b).
Otto Schmitt, een professor aan de Universiteit
van Minnesota, gebruikte goedkope digitale horloges als testvoorwerpen.
De jongens kregen de opdracht de horloges, die niet konden worden geopend,
paranormaal te beïnvloeden. Tijdens de middagpauze nam Mike stiekem een
horloge mee naar een zelfbedieningsrestaurant en stopte het in een sandwich
die hij vervolgens in een magnetronoven verwarmde. Het horloge sloeg op
hol en Schmitt stond perplex. Hij stelde de pers in kennis van het wonder
dat hij had mogen aanschouwen.
Williarn Edward Cox, een PA-lid dat bekend
stond als goochelexpert, liet zich eveneens overtuigen. Eerder was hij
al voor Uri Geller en Ulf Mörling door de knieën gegaan. Hij was ook behulpzaam
bij het onderzoek van zijn PA-collega Berthold Schwarz. Deze psychiater
annex parapsycholoog beschreef in zijn dikke onderzoeksrapport de hoogst
opmerkelijke filmbeelden die Steve Shaw met een 8mm-camera had gemaakt.
Op de film was een onverklaarbare 'werveling' zichtbaar waarin Schwarz
een Jezusportret, een UFO, een vrouwenlichaam en de geboorte van een kind
meende te herkennen. Steve vertelde later dat hij op de lens had gespuwd!
Professor Walter Uphoff voerde verscheidene
experimenten uit met Mike Edwards. Via de National Enquirer (een
boulevardblad) liet hij weten dat Mike als een van de sterkste paranormaal
begaafden ter wereld kon worden beschouwd. Hij organiseerde een workshop
die gewijd was aan PK-verschijnselen. Behalve Steve en Mike werd ook Uri
Geller uitgenodigd om een demonstratie te geven. Randi meldde zich aan
als cursist, maar hij ontving als antwoord een brief van Uphoffs advocaat,
die hem liet weten dat zijn cliënt niet gesteld was op Randi's correspondentie.
Randi erkende Uphoffs 'recht om niet geïnformeerd te worden' en tekende
in onder de naam Adam Jersin (een anagram van James Randi). Monsterlijk
uitgedost met valse tanden, een rode pruik, cowboylaarzen en kleding van
het Leger des Heils verscheen hij in het hol van de leeuw. Daar woonde
hij het succesvolle optreden van Geller bij, die naar zijn mening veel
van zijn vroegere vingervlugheid had verloren. Na afloop signeerde Geller
op verzoek van Adam Jersin een exemplaar van zijn autobiografie, en hij
schudde de onverschrokken cowboy argeloos de hand.
Uiteindelijk onthulde Randi in januari 1983
de opzet van zijn Project Alpha en bracht daarmee grote opschudding teweeg.
Sommige parawetenschappers veroordeelden in scherpe bewoordingen de wijze
waarop hij zijn gelijk had trachten te bewijzen, namelijk door onschuldige
onderzoekers moedwillig te bedriegen. Het doel van Randi's project kon
volgens hen niet rechtvaardigen dat daarvoor zoveel kostbare onderzoeksuren
werden verspild. Zijn doel sprak hen bovendien niet aan, omdat zij eenvoudig
weigerden hun proefpersonen te beschouwen als potentiële bedriegers. Uphoff
en Schwarz bleven zelfs volhouden dat Steve en Mike wel degelijk paranormaal
begaafd waren, want dat hadden zij zelf vastgesteld.
De skepticus Leon Jaroff schreef in een anoniem
artikel voor het tijdschrift Discover (maart 1983) dat het Project
Alpha opnieuw duidelijk had gemaakt dat parapsychologen meestal naïeve
pseudo-wetenschappers zijn. Die conclusie was echter niet gewettigd, aangezien
de voornaamste slachtoffers van het project geen gerenommeerde parapsychologen
waren. Het werk van Schwarz en Cox kon niet typerend worden genoemd voor
dat van de experimentele parapsychologen van de PA, terwijl Schmitt en
Uphoff niet waren aangesloten bij deze organisatie. Van Phillips had men
daarentegen meer mogen verwachten, al had hij nog weinig onderzoekservaring.
Gelukkig bleek hij bereid om van zijn fouten te leren.
Sommige skeptici verweten Randi zijn neiging
om het succes van zijn project te overdrijven (Hövelmann 1984). De socioloog
Marcello Truzzi (1987b) was zelfs van mening dat het project gedeeltelijk
was mislukt, omdat het onderzoek aan het Mac Lab geen algemene erkenning
had gekregen. Hij wees er bovendien op dat Phillips en zijn collega's
in hun publicaties nergens hadden beweerd dat de paranormale gaven van
Steve en Mike wetenschappelijk waren vastgesteld. Zij spraken slechts
over 'schijnbare' PK-fenomenen en 'vermeende' Psi-vermogens. Randi beweerde
evenwel dat deze nuanceringen pas waren aangebracht nadat hij had laten
zien hoe er bedrog zou kunnen zijn gepleegd. Ook schreef hij dat het nooit
in zijn bedoeling had gelegen om de reputatie van het Mac Lab definitief
te ruïneren (Randi 1983c). Het feit dat hij zelf contact had gezocht met
Phillips en hem uiteindelijk de ogen opende, pleit daarbij in zijn voordeel.
Hoe het ook zij, verscheidene vooraanstaande parapsychologen
erkenden wel degelijk het belang van Project Alpha. De Parapsychological
Association besloot meer te gaan samenwerken met professionele goochelaars.
We mogen verwachten dat parapsychologen in de toekomst niet zo gemakkelijk
meer warm zullen lopen voor zogenaamde wondermensen. John Beloff maakte
dankbaar gebruik van Randi's adviezen bij een onderzoek naar de vermeende
PK-krachten van een jonge Iepelbuiger`. Onder goed gecontroleerde omstandigheden
bleven de lepels recht en uiteindelijk kon de jongen op heterdaad worden
betrapt met behulp van een verborgen videocamera.
Het bovenstaande stuk is identiek aan hoofdstuk 2 in het boek Parariteiten: een kritische blik op het paranormale.
Utrecht: Het Spectrum, 1988.
Naschrift 2007
Inmiddels is er
veel meer bekend over allerlei methoden om metalen voorwerpen zogenaamd
psychokinetisch te verbuigen. Wie het ook wil leren, kan een instructie-dvd
aanschaffen (of downloaden). Richard Osterlind, Banachek en andere goochelaars
laten op hun dvd's precies zien hoe 'Metal Bending' in z'n werk gaat.
In deze video
bij Youtube is een optreden van de mentalist Banachek te zien. Zijn echte naam
is Steve Shaw en hij deed mee aan het bovengenoemde Project Alpha.
Zie ook het artikel De nieuwe Uri Geller: een beter goochelaar? op het blog van Skepsis.
Literatuur
Berendt, H.C. (1986), Jenseits des Möglichen? Heder, Freiburg.
Booth, John (1986), Psychic Paradoxes. Prometheus Books, Buffalo
NY.
Brown, Michael H. (1976), Psycho-Kinese. Uitgevery Helmond, Helmond,
1976.
Collins, H.M. en T.J. Pinch (1982), Frames of Meaning: The Social Construction
of Extraordinary Science. Routledge and Kegan Paul, Londen.
Eysenck, Hans J., en Carl Sargent (1982), Explaining the Unexplained.
Book Club Associates, Londen.
Frazier, Kendrick (ed.) (1981), Paranormal Borderlands of Science.
Prometheus Books, Buffalo.
id.(ed.) (1986), Science Confronts the Paranormal. Prometheus Books,
Buffalo NY.
Gardner, Martin (1982), How not to test a psychic: the great SRI die mystery. Skeptical Inquirer 7 (2), p.33-39, herdrukt in: K. Frazier (ed.) Science Confronts the Paranormal, p.176-181.
Geller, Uri, en Guy Lyon Playfair (1987), Het Geller Effect. Balans,
Amsterdam (vertaling van The Geller Effect, Jonathan Cape, Londen,
1986).
Hasted, J.B., D. Bohm, E.W. Bastin en B. O'Regan (1976), Experiments on
psychokinetic phenomena. In: C. Panati (ed.) The Geller Papers,
p. 183-196.
Hövelmann, Gerd (1984), James Randi und das 'Projekt Alpha': böswillige
Täuschung oder wichtiges Lehrstuck? Zeitschrift für Parapsychologie
und Grenzgebiete der Psychologie 26, p.89-109.
Johnson, Martin (1982), Parapsychologie. De Kern, Baarn.
Marks, David F., en Richard Kammann (1980), The Psychology of the Psychic.
Prometheus Books, Buffalo NY.
id. (1977), The Nonpsychic Powers of Uri Geller. The Zetetic 1
(2), p.9-17; herdrukt in: K. Frazier (ed.), Paranormal Borderlands
of Science, p.113-121.
Panati, Charles, (ed.) (1976), The Geller Papers. Houghton Mifflin,
Boston MA.
Randi, James (1982a), The Truth About Uri Geller. Prometheus Books,
Buffalo NY (uitgebreide en herziene versie van The Magic of Uri Geller,
1975).
id. (1982b), Flim-Flam!. Prometheus Books, Buffalo NY.
id. (1983a/b), The Project Alpha experiment. Skeptical Inquirer 7 (4), p. 24-33 en 8 (1), p.36-45.
id. (1983c), James Randi replies. Skeptical Inquirer 8 (2) p.186-187.
Taylor, John (1975), Superminds. Macmillan, Londen.
Taylor, John (1980), Science and the the supernatural, London,
Granada Publishing.
Truzzi, Marcello (1987b), Reflections on 'Project Alpha': scientific experiment
or conjurer's illusion. Zetetic Scholar 12, p.73-98.
id. (1980), Science and the Supernatural. Temple Smith, Londen.
Wilson, Colin (1976), The Geller Phenomenon. Aldus Books, Londen.
Vertaald als Ratsel Uri Geller, Ulstein, Frankfurt, 1979.
Een uitstekend overzicht van alle boeken en artikelen over Uri
Geller, waaronder een groot aantal Engelstalige teksten die op Internet
beschikbaar zijn.
Rob Nanninga is hoofdredacteur van Skepter.
© Stichting Skepsis. Het is niet toegestaan artikelen uit Skepter op andere websites over te nemen.
|