|
De modulen van de geest
Geen enkele wetenschappelijke theorie beroert zo sterk de gemoederen als Charles Darwins evolutietheorie. Vanaf de publicatie van On the origin of species by means of natural selection, or the preservation of favoured races in the struggle for life (1859) tot vandaag doen de reële of vermeende implicaties ervan felle debatten oplaaien. De kernaspecten van de evolutietheorie zijn onomstreden: er is steeds genetische variatie, wat, gekoppeld aan de groei van populaties en aan voedselschaarste, tot competitie leidt. Sommige organismen zijn beter aangepast aan hun omgeving dan hun soortgenoten, wat ze betere kansen geeft om te overleven en zich voort te planten. Op lange termijn leidt dit proces tot evolutie en tot de vorming van adaptaties. Sommige van die adaptaties hebben te maken met overleving, andere eerder met voortplanting. Darwin sprak over natuurlijke en seksuele selectie. Het bestaan van evolutie en de belangrijke rol daarin van seksuele en vooral natuurlijke selectie vormt nauwelijks een onderwerp van debat. Er wordt wel degelijk gediscussieerd, maar dan gaat het over de snelheid van evolutie: gaat die geleidelijk of met horten en stoten (punctuated equilibria), over de rol van genetische drift en zelforganisatie, over de oorzaken van soortvorming, enzovoort. Over de zogeheten evolutiepsychologie wordt ook gedebatteerd, maar daar komen heel andere dingen aan de orde, namelijk de toepassingsmogelijkheden van de theorie op de mens. Dat onderwerp stond overigens al in de 19de eeuw in de belangstelling. Velen menen dat de evolutietheorie licht kan werpen op de oorsprong van de lichamelijke eigenschappen van de moderne mens, maar niets zegt over zijn mentale vermogens en zijn gedrag. Nochtans is het brein een orgaan dat evenzeer door darwinistische mechanismen
werd gevormd als alle andere aspecten van ons lichaam met functionele
eigenschappen (bijvoorbeeld de maag die het voedsel verteert, het hart
dat bloed rondpompt, enzovoort). Zonder het menselijk brein product
van miljoenen jaren evolutie geen menselijk gedrag, noch mentale
vermogens. Zonder de evolutionaire voorgeschiedenis zoals wij die hebben
gekend, geen brein zoals het onze, en bijgevolg geen typisch
menselijk gedrag, noch voor de mens kenmerkende mentale vermogens.
Veel van die modules werden na 1950 blootgelegd door de neuro- en cognitieve wetenschappen. Een klassiek voorbeeld hiervan is visuele perceptie. Het hele proces van zien wordt mogelijk gemaakt door ruim twintig afzonderlijk lokaliseerbare modules, elk met hun eigen specialisatie, zoals kleurherkenning, het waarnemen van beweging, het onderscheiden van links en rechts, het categoriseren van objecten en gezichtsherkenning. Als een van die modules uitvalt, zijn de gevolgen onmiddellijk merkbaar. De patiënt herkent dan bijvoorbeeld geen gezichten meer of ziet het verschil niet tussen een rijdende en een stilstaande auto. De Britse neuroloog Oliver Sachs geeft in zijn boeken mooie en intrigerende beschrijvingen van dergelijke gevallen. Naargelang de problemen waarmee onze jagende of verzamelende voorouders zich geconfronteerd zagen, kunnen we verwachten dat bepaalde modules zich wel en andere niet hebben ontwikkeld. Het verschil tussen de menselijke geest en die van andere organismen schuilt bijgevolg in de verschillende aanwezige modules, zelf weer het resultaat van een verschillende evolutionaire ontwikkeling. Die modules bepalen ten dele welk gedrag we zullen vertonen in een bepaalde situatie, afhankelijk van de informatie-input vanuit de omgeving. De vraag is nu: hoe zien die psychologische mechanismen eruit? Hoe en voor welke 'doeleinden' heeft natuurlijke selectie ons brein gestroomlijnd? Het zogenaamde standaardmodel van de sociale wetenschappen, dat zich in de 20ste eeuw in de mens- en cultuurwetenschappen innestelde, stelt dat onze geest een onbeschreven blad is, dat wordt beschreven door de ervaringen die men heeft in zijn leven. De laatste decennia is deze metafoor geregeld bijgesteld. Van tabula rasa ging het naar schakelbord en van hieruit naar een voor alles geschikte computer, met slechts een paar ingebakken programma's om geavanceerde besturingssystemen en software in te lezen. Toch bleef de kern van de opvatting steeds dezelfde: alle specifieke inhouden van de menselijke geest worden in hoofdzaak ingegeven door de buitenwereld door de omgeving en het sociale milieu. De geëvolueerde architectuur van het brein bestaat in deze visie alleen maar of toch hoofdzakelijk uit een klein aantal onspecifieke mechanismen, zoals 'leren', 'inductie', 'intelligentie', 'imitatie', 'rationaliteit', of 'cultuur'. Ondertussen heeft een overweldigende hoeveelheid onderzoek uit verschillende disciplines duidelijk gemaakt dat het standaardmodel verkeerd is. Volgens de neurowetenschap bestaat de menselijke geest uit een aantal gespecialiseerde 'organen'. Daar zijn duidelijke aanwijzingen voor. De evolutiepsychologen denken dat die zijn gericht op problemen die telkens weer opdoken in de loop van honderdduizenden jaren evolutie. Het brein van een pasgeborene bezit bijvoorbeeld een responssysteem dat gezichten in de omgeving verwacht. Baby's van minder dan tien minuten oud bewegen hun ogen en hoofd als ze gezichtachtige patronen opmerken, maar doen dat niet als men dezelfde patronen door elkaar haspelt. Dat is zo'n aanwijzing voor aangeboren gedrag. Baby's zoeken automatisch en actief naar gezichten, en weten hoe een gezicht er structureel uitziet. Baby's bezitten ook een soort kennis over hoe de wereld in elkaar zit. Zo veronderstellen ze dat die rigide objecten bevat die continu zijn in tijd en ruimte en ze geven de voorkeur aan bepaalde manieren om die wereld in verschillende objecten in te delen. Critici wijzen erop dat dit weliswaar voor zeer jonge kinderen geldt, maar niet noodzakelijk voor pasgeborenen. Maar dat ontkennen evolutiepsychologen ook niet. Integendeel, ze denken dat leerprocessen essentieel zijn om de aangeboren modules in werking te stellen. De evolutiepsychologie is namelijk in wezen een theorie over het belang van de informatieve input vanuit de omgeving. De traditionele dichotomie tussen natuur en cultuur is volgens de evolutiepsychologie onzinnig. We bezitten genetisch materiaal dat de mechanismen in ons brein constitueert. Dit geëvolueerde evolutiepsychologie in een volledig biologisch determinisme vervalt. In de evolutionair psychologische literatuur benadrukt men echter de rol van cultuur en de noodzaak van een stimulusrijke omgeving; menselijk gedrag kan immers niet optreden zonder enerzijds evolutionaire adaptaties en anderzijds de input uit de omgeving die zorgt voor de ontwikkeling en het in werking stellen van die adaptaties. Van genetisch determinisme is dus geen sprake. Nauw verbonden met het genetisch determinisme is een ander misverstand, namelijk dat gedrag met een evolutionaire basis niet te veranderen valt. Een voorbeeld is verkrachting. Een evolutionair psychologische benadering daarvan zou een reden kunnen zijn om aan te nemen dat verkrachting 'in onze genen' zit en dus niet te bestrijden is. Iets dergelijks staat volgens critici in A natural history of rape (Tomhill en Palmer, 2000). In het voorwoord van het boek staat echter: 'Als wetenschappers willen we verkrachting uit ons bestaan verwijderen. We zijn ervan overtuigd dat de mogelijkheid om dat te bewerkstelligen direct afhangt van de hoeveelheid kennis die we bezitten over de oorzaak van dit gedrag.' De auteurs vervolgen (p.21): 'De groei van wetenschappelijke kennis over hoe gedrag zich ontwikkelt, met een gelijke mate van causale input van onze genen en van omgevingsfactoren, maakt het steeds waarschijnlijker dat dit gedrag veranderd kan worden door het wegnemen van één of meer oorzaken van de ontwikkeling ervan.' Evolutionaire psychologie kan een instrument tot gedragsverandering zijn. Dat wordt beaamd door de Evolutionary Social Psychology, die benadrukt dat de sociale psychologie rekening moet houden met evolutionaire hypothesen als men gedrag effectief wil begrijpen en veranderen. Evolutiepsychologen stellen expliciet dat men de omgeving moet veranderen, wil men gedrag beïnvloeden. De zogeheten naturalistische drogredenering houdt in dat men 'behoren' definieert in termen van wat 'is', meer in het bijzonder van wat 'natuurlijk' is. Een derde misverstand behelst dat evolutionair psychologen zich aan deze drogredenering bezondigen. Zo schrijft de sociologe Dorothy Nelkins in de reeds genoemde bundel Alas poor Darwin: 'Evolutiepsychologie is niet enkel een nieuwe wetenschap, het is een visie op moraliteit en sociale orde, een gids voor het morele gedrag en politieke agenda's' (p. 20). Steven Rose geeft elders (Rose, 2000, p.3) een karikaturale voorstelling van zaken: 'Evolutiepsychologie wordt gebruikt om de natuurlijkheid van het nucleaire gezin, de mannelijke voorkeur voor jongere seksuele partners, de afkeer van kinderen voor spinazie en onze voorliefde voor tuinieren, om er maar een paar te vermelden, te rechtvaardigen.' Maar evolutiepsychologen rechtvaardigen niets, en stellen helemaal niet
het natuurlijke gelijk aan het goede. Ze vinden wel dat betrouwbare kennis
ons kan helpen om veranderingen aan te brengen waar we dat wenselijk achten.
De Amerikaanse filosoof Peter Singer (1999) schrijft in dat verband: 'Mijn
punt is niet om het 'behoren' uit het 'zijn' af te leiden, maar om een
beter begrip te krijgen van wat ons te doen staat om onze doeleinden te
bereiken. Blind zijn voor de feiten over de menselijke natuur houdt desastreuze
risico's in. Neem bijvoorbeeld hiërarchie. De bewering dat mensen, onder
zeer uiteenlopende omstandigheden, de neiging hebben om hiërarchieën te
vormen, betekent niet dat het
Niettemin wordt zelfs in de recente bundel Alas Poor Darwin (Rose en Rose, 2000) regelmatig (al op p.4) gewag gemaakt van 'new forms of biological determinism' en 'biological fatalism'. In dezelfde bundel stelt de socioloog Ted Benton (op p. 216) dat de goed is voor onze samenleving om hiërarchisch te blijven; maar ze brengt de waarschuwing onder de aandacht dat we niet moeten verwachten hiërarchie op zich af te schaffen door de specifieke vorm ervan uit te schakelen die we in onze samenleving hebben'. Moraliteit staat los van de bevindingen van evolutiepsychologen. Nergens zal men in de evolutiepsychologische literatuur lezen dat moord en verkrachting natuurlijk en daarom goed of althans onvermijdelijk zijn. Integendeel, de bevindingen van deze wetenschappers zijn nuttig om moreel verwerpelijk gedrag te bestrijden. Sociale wetenschappers houden zich vooral bezig met de vraag naar de directe oorzaak van gedrag. Sociale psychologen zullen bijvoorbeeld stellen dat een bepaald gedrag plaatsvindt omdat het bekrachtigd werd of om seksuele voldoening te verkrijgen. Door te vragen waarom dit soort gedrag in de loop van de evolutie ontstond, komt het misverstand in de wereld dat de evolutionaire psychologen geen aandacht hebben voor de directe oorzaken en sociaal-wetenschappelijke verklaringen. De twee benaderingen vullen elkaar echter aan, in plaats van elkaar uit te sluiten. Een voorbeeld. Twee mensen die met elkaar vrijen, doen dat omdat ze zich seksueel tot elkaar aangetrokken voelen. Dat is de directe oorzaak van hun gedrag. Het feit dat seksuele aantrekkingskracht zich in de loop van de evolutie ontwikkelde, heeft echter een dieperliggende, evolutionaire oorzaak: vrijen is voor zich seksueel voortplantende soorten de beste manier om genen over te dragen. De twee niveaus van verklaring zijn nodig om tot een goed begrip te komen van dit soort gedrag. Een ander voorbeeld: als we een fenomeen zoals leren willen begrijpen, moeten we ook vragen waarom sommige dingen veel gemakkelijker worden aangeleerd dan andere, zoals angst voor spinnen, voor hoogten en voor duisternis.
Wel bestuderen ze in hun boek de omstandigheden waarin agressief gedrag tot uiting kan komen. Het overgaan tot moord is volgens hen veeleer het resultaat van de aanwezigheid van bepaalde omgevingsfactoren die aangeboren gedragsmechanismen 'aanzetten', die op hun beurt iemand er kunnen toe brengen extreem agressieve neigingen te vertonen. Soms mondt dat uit in moord. De auteurs beschouwen evolutiepsychologie duidelijk als een theorie die ons iets leert over de rol van de omgeving en over hoe mensen op die omgeving reageren, soms met extreme gevolgen. Geen enkele evolutiepsycholoog heeft ooit beweerd dat alles adaptief is. De kritiek van Gould richt zich vaak op typische 'stropoppen', zelfvervaardigde karikaturen, die makkelijk onderuit te halen zijn. Hij stelt dat evolutiepsychologen denken dat alles 'ontworpen' is door natuurlijke selectie en dat ze dus ook denken dat alles functioneel is voor overleving en voortplanting. Bijgevolg zijn ze volgens hem ultradarwinistisch, maar dat is een misvatting. Evolutiepsychologen weten heel goed hoe omzichtig het begrip 'adaptatie' moet worden gehanteerd. Verder uitgewerkte kritiek op de stellingnames van Gould vindt men bij Dennett (1995) en in artikelen die te lezen zijn op The Gould Files. De evolutiepsychologie is in volle ontwikkeling. Honderden onderzoekers verzamelen empirische data, leiden hypothesen af uit de centrale theorieën om ze te testen, doen voorspellingen die vervolgens al dan niet worden bekrachtigd, publiceren hun onderzoek in wetenschappelijke tijdschriften en presenteren het op congressen, krijgen soms gelijk maar vaak ook ongelijk, enzovoort. Zoals elke wetenschappelijke discipline boekt de evolutiepsychologie vooruitgang en wint ze aan wetenschappelijke betrouwbaarheid door het interne proces van kritiek, eliminatie en verfijning. Het beste kritische werk wordt, zoals het geval is in elke wetenschappelijke discipline, geleverd door onderzoekers die de literatuur en methodologie van de discipline grondig beheersen. De meeste auteurs in de bundel Alas Poor Darwin beantwoorden niet aan die omschrijving. Hun argumenten hebben geen wetenschappelijk gewicht. De meerderheid van de hoofdstukken in dit boek heeft dan ook geen enkel effect op het onderzoek terzake.
Buss, D.M. (1999), Evolutionary psychology: The new science of the mind, Allyn and Bacon, Boston. Cosmides, L., J. Tooby, J.H. Barkow, (eds.) (1992), The adapted mind, evolutionary psychology and the generation of culture. Oxford University Press, Oxford. Dennett, D. (1995), Darwins gevaarlijke idee, vertaald door Gerlof Abels en Herman van den Bijtel, Uitgeverij Contact, Antwerpen. Daly, M. & M. Wilson (1988) Homicide, Aldine de Gruyter, New York. Gazzaniga, M.S. (1994), Nature's mind: The biological roots of thinking, emotions, sexuality, language and intelligence. Penguin Books, London. Maynard Smith, J. (1997), 'Commentary'. In: P. Gowaty (ed.), Feminism and evolutionary biology: boundaries, intersections and frontiers. Chapman and Hall, New York. Pinker, S. (1997), How the mind works. W.W. Norton & Company, Londen. Rose, H. & S. Rose (2000), Alas poor Darwin: Arguments against evolutionary psychology. Jonathan Cape, Londen. Rose S., The New Just So Stories, Sexual selection and the fallacies of evolutionary psychology. Times Literary Supplement, 14 juli 2000. Simpson, J.A. & D.T. Kenrick (eds.) (1997), Evolutionary social psychology, Lawrence Erlbaum Associates, New Jersey. Singer, P. (1999), Een links darwinisme: Politiek, evolutie en samenwerking. Ethiek & Maatschappij, jrg. 2, nr. 4. Spelke, E.S. (1990), Principles of object perception. Cognitive Science, vol. 14, p. 29-56. Tornhill, R. & C.T. Palmer (2000), A natural history of rape: Biological bases of sexual coercion. MIT Press, Cambridge, Mass. Williams, G. (1966), Adaptation and natural selection, Princeton University Press, Princeton. Williams, G. (1992) Natural selection, Oxford University Press, New York. Johan Braeckman doceert in de Vakgroep Filosofie en Moraalwetenschap van de Universiteit Gent; Tom Speelman werkt daar aan een proefschrift over de wetenschappelijke status van evolutiepsychologie, en Griet Vandermassen is er studente. |