*
|
HET
GEHEIM VAN A. VOGEL
`Dr.' H.C.F. Meyer uit Pawnee City in de staat Nebraska beoefende de geneeskunst als leek en bracht omstreeks 1870 als eerste een Echinaceapreparaat op de markt. Meyer had van plaatselijke indianen geleerd hoe de wortels van de Echinacea angustifolia konden worden gebruikt om wonden te ontsmetten. Hij mengde het wortelsap met hop en alsem en noemde zijn wondermiddel Meyer's Blood Purifier. Het kon zowel inwendig als uitwendig worden gebruikt. Volgens het etiket hielp het tegen reuma, maag- en darmklachten, open wonden, wondroos, zweren, eczeem, duizeligheid, pijnlijke ogen, beten van de ratelslang, syfilis, gangreen, tyfus, malaria, difterie en hondsdolheid. Griep en verkoudheid stonden nog niet op de lijst. Meyer bracht zijn ontdekking in 1885 onder de aandacht van John King
en John Uri Lloyd, twee vooraanstaande artsen binnen de zogenoemde Eclectische
Beweging. De eclectische artsen hadden een eigen opleidingsinstituut in
Cincinnati in de staat Ohio en maakten uitsluitend gebruik van plantaardige
geneesmiddelen. Meyer stuurde hun wortels, een complete plant en een fles
van zijn Blood Purifier. Hij bood ook aan een demonstratie te geven. Daarbij
zou hij zichzelf met het middel behandelen nadat hij zich door een ratelslang
had laten bijten. Zijn aanbod werd afgewezen. Lloyd, die samen met twee
broers een farmaceutische firma had opgericht, nam de spectaculaire beweringen
van Meyer niet serieus. King begon echter te experimenteren met een tinctuur
van de plant, die Lloyd voor hem had gemaakt. Hij raakte overtuigd van
de waarde, vooral omdat het middel naar het scheen een gunstig effect
had op zijn vrouw, die aan kanker leed. In de jaren 1930 keerde het tij. De Amerikanen kregen steeds meer vertrouwen in de mogelijkheden van de moderne geneeskunde, zodat de eclectische artsen het veld moesten ruimen. Toen hun beroepsopleiding in 1939 werd gesloten, waren er vrijwel geen studenten meer over. Echinacea werd in 1950 uit de National Formulary geschrapt omdat de veronderstelde werking onvoldoende was aangetoond. Bovendien waren er inmiddels veel effectievere middelen tegen infecties beschikbaar, waaronder penicilline. Geneeskruiden raakten helemaal uit de mode. Pas in de jaren 1980 nam de vraag weer toe. Tegenwoordig behoort Echinacea opnieuw tot de meest verkochte geneeskruiden, met een jaarlijkse omzet van wel 300 miljoen dollar. Terwijl men in de VS de belangstelling voor de Echinacea verloor, werd de plant in de jaren 1930 in Duitsland gekweekt door Dr. Gerhard Madaus. Hij was medeoprichter van de firma Madaus uit Dresden, die `natuurlijke' geneesmiddelen produceerde. Madaus was persoonlijk naar de vs gereisd om daar zaden van de Echinacea angustifolia te kopen. Tot zijn verrassing leverde dat een veld vol Echinacea purpurea op. Deze plant werd vaak als minder geneeskrachtig beschouwd, maar Madaus liet zich daardoor niet ontmoedigen. Hij introduceerde in 1938 het middel Echinacin, dat naar verluidt de weerstand verhoogt en infecties voorkomt. In de oorlogsjaren was de firma Madaus betrokken bij een onvoltooid experiment in het concentratiekamp Buchenwald (Kamphuis, 2001, zie ook Skepter, maart 2002). Daar bestudeerde men het effect van Echinacinzalf op de genezing van ernstige brandwonden. Deze werden door de onderzoekers met brandende fosfor aan gevangenen toebracht. Toen de Russen naderden, verhuisde het bedrijf naar het westen en vestigde zich in een buitenwijk van Keulen. Er werd ook een nieuw onderzoeksinstituut ingericht. Daar werden in de afgelopen decennia veel in vitro laboratoriumproeven gedaan met Echinacea. Er zijn aanwijzingen dat de plant immuuncellen kan stimuleren, maar men heeft nog niet kunnen aantonen dat dit een heilzaam effect heeft op mensen (Schwarz et al., 2002).
De Zwitserse kruidenhandelaar en homeopaat Alfred Vogel (1902-1996) was naar het schijnt niet op de hoogte van de ontwikkelingen in Duitsland. Volgens de overlevering ontdekte hij de rode zonnehoed tijdens een bezoek aan een afgelegen streek in South Dakota. Daar kwam hij in de jaren 1950 in contact met een opperhoofd of medicijnman van de Lakota-Sioux indianen. In zijn dagboek beschreef Vogel de onuitwisbare indruk die de indiaan op hem maakte: `Zijn grootsheid straalde uit iedere porie. Zijn kennis van de natuur stroomde uit het hart van deze Sioux medicijnman.' De wijze indiaan bracht de heer Vogel naar een veld dat vol stond met bloeiende Echinacea purpurea en hij onthulde van alles over de geheimen van deze plant. Zo vertelde hij dat het sap van de wortels een goed middel is tegen slangenbeten. Vogel kon bevestigen dat het krachtig spul was, want toen hij in de plant beet, brandde en prikte het sap in zijn mond. Hij raakte naar eigen zeggen goed bevriend met de indiaan, die hem als afscheidscadeau een handvol zaden gaf.
Ben Black Elk was een zoon van het Lakotaopperhoofd Nicholas Black Elk, bekend van het boek Black Elk Speaks. Mede dank zij Ben werden de Black Hills een populaire vakantiebestemming. Gedurende 27 jaar verwelkomde hij toeristen die kwamen kijken naar het Mount Rushmore National Monument, de beroemde bergwand waarin de koppen van vier presidenten zijn uitgehouwen. Hij werd ook wel `the fifth face' genoemd. Ontelbaar veel toeristen hebben hem op de foto gezet of lieten zich samen met hem vereeuwigen. Toen Ben Black Elk in 1973 overleed, schreef The New York Times dat hij algemeen bekend stond als de meest gefotografeerde indiaan ter wereld. Hij speelde ook mee in de beroemde Hollywoodfilm How the West was Won (1962). Sinds 1979 bestaat er een Ben Black Elk Award. Die wordt jaarlijks uitgereikt door de gouverneur van South Dakota aan iemand die zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt voor de plaatselijke toeristenindustrie.
In de Benelux is de firma Biohorma licentiehouder voor alle producten die onder de merknaam A.Vogel verkrijgbaar zijn. Echinaforce (in België ook bekend als Echinasan) is het best verkochte natuurlijke geneesmiddel. In Nederlandse apotheken gaan er jaarlijks meer dan 150.000 doosjes over de toonbank.
Biohorma meldt op haar website en in een persbericht dat het effect van Echinaforce wetenschappelijk is bewezen. Men verwijst daarbij naar een dubbelblind en placebogecontroleerd onderzoek dat in Zweden werd uitgevoerd door Marie-Rose Brinkeborn et al. (1999). De proefpersonen waren vrijwilligers die kort tevoren een verkoudheid hadden opgelopen. Een deel moest dagelijks Echinaforcetabletten slikken. Circa driekwart van deze gebruikers was een week later van mening dat het middel werkzaam was. In de placebogroep, die neptabletten kreeg, dacht ongeveer de helft dat het middel had geholpen. De gebruikers van Echinaforce hadden ook wat minder last van hun verkoudheidssymptomen. Het onderzoeksrapport vermeldt echter niet dat ze sneller weer beter waren. De blindering van het experiment was niet optimaal. De onderzoekers schreven dat de placebotabletten `bijna niet van echt te onderscheiden' waren. Ze gingen niet na hoeveel proefpersonen beseften wat ze slikten. Een deel van hen, dat naast de Echinaforce nog een ander middel had gebruikt, werd niet meegeteld in de statistische analyses. Er zijn bovendien meerdere statistische analyses mogelijk, die niet altijd een significant resultaat opleveren. Afgezien van zulke gebreken, kan één experiment niet `bewijzen' dat Echinaforce werkzaam is. Daarvoor zijn meer proeven nodig, die tot nu toe ontbreken. Hoewel Echinaforce al veertig jaar wordt verkocht, beschikt de fabrikant nog steeds niet over onderzoeksresultaten die de werking overtuigend aantonen. Dr. Bruce Barrett (2003a), die is verbonden aan de Universiteit van Wisconsin, publiceerde een overzicht van de proeven die met verschillende soorten Echinaceapreparaten werden uitgevoerd. Hij vond vier studies die onderzochten of het gebruik van Echinacea kan voorkomen dat mensen een griep of verkoudheid oplopen. De resultaten waren teleurstellend. Dit gold onder meer voor een onderzoek van de naturopaat Carlo Calabrese, die verbonden was aan de alternatieve Bastyr University. Hij liet zijn proefpersonen een half jaar lang Echinagard gebruiken en stelde vast dat ze vaker verkouden werden dan degenen die een placebo innamen. De producent van Echinagard, die het onderzoek had betaald, was zeer verontwaardigd over de uitslag en bestookte hem met woedende telefoontjes. Men wilde niet dat het onderzoek gepubliceerd zou worden, en dat is totnogtoe ook niet gebeurd. Echinacea leek wel een gunstige invloed te hebben op het verloop van een verkoudheid of griepaanval. Zeven van de negen gepubliceerde experimenten rapporteerden positieve resultaten. De effecten waren echter betrekkelijk klein en er was veel op de studies aan te merken. De blindering schoot in alle gevallen tekort. Het was soms heel aannemelijk dat het echte middel duidelijk anders smaakte dan het placebo. Ook de beoordelingscriteria, de statistische analyses en de randomisatie waren dikwijls onbetrouwbaar of onvolledig. Zo was er een Duitse onderzoeker (Hoheisel, 1997) die beweerde dat gebruikers van Echinagard minder vaak een `echte verkoudheid' ontwikkelen. Maar uit zijn onderzoeksgegevens bleek dat zij evenveel last hadden van de symptomen als de personen die een placebo ontvingen. Om meer duidelijkheid te scheppen voerde Barrett zelf een experiment uit dat van betere kwaliteit was (Barrett et al., 2002). Als placebo gebruikte hij capsules met luzerneklaver, een goed voedingssupplement voor koeien. De Echinaceacapsules waren niet te onderscheiden van het placebo en smaakten net zo, omdat aan beide preparaten wat pepermunt en tijm was toegevoegd. De studenten die aan het onderzoek deelnamen, moesten zodra ze verkouden werden dagelijks een bepaald aantal capsules innemen. Het bleek niet uit te maken wat ze slikten: in beide groepen duurde de verkoudheid ongeveer even lang en waren de symptomen even hevig. De placebogroep deed het zelfs nog iets beter dan de groep die Echinacea kreeg, al was dit verschil niet statistisch significant. Een redacteur van het New England Journal of Medicine merkte op dat een beter bewijs van onwerkzaamheid moeilijk te verkrijgen is. Er waren echter ook enkele critici die via ingezonden brieven lieten weten dat luzerneklaver geen goed placebo is, omdat het wel degelijk werkzaam zou kunnen zijn. Maar als dat zo is, zo merkte Barrett (2003c) op, dan zou het de hele industrie van verkoudheidsmiddelen op haar grondvesten doen trillen omdat luzerneklaver praktisch niets kost. Barrett bleef bescheiden over de conclusies die er uit zijn onderzoek kunnen worden getrokken. Omdat hij slechts één middel had getest, wou hij niet uitsluiten dat er andere producten kunnen bestaan die beter werken. Zelf gebruikte hij een mengsel van 25% wortel en 25% stengel en bladeren van E. purpurea en 50% wortel van E. angustifolia. Deze samenstelling werkt dus niet, hoewel het volgens het American Botanical Council juist de ideale combinatie was.
Echinaceapreparaten kunnen in allerlei opzichten van elkaar verschillen. Ten eerste worden er minstens drie soorten Echinacea gebruikt, die niet dezelfde chemische stoffen bevatten (Barnes et al., 2000). Het is mogelijk dat slechts één soort het beoogde effect heeft, of dat men juist meerdere soorten moet mengen om de gewenste werking te verkrijgen. De wijze waarop de planten worden geteeld, geoogst en bewerkt, kan eveneens van invloed zijn. Daar komt bij dat zowel de wortels als de stengels en bladeren gebruikt kunnen worden. De ene producent zweert bij wortels, de andere prefereert de bovengrondse delen, en de derde gebruikt bij voorkeur de hele plant, al of niet inclusief de bloemen. Iedereen heeft een eigen opvatting over de juiste samenstelling. Zo gebruikt men voor Echinaforce 5% wortel en 95% bovengrondse delen van de E. purpurea. Ook de bereidingswijze is een punt van discussie: gedroogd, in een al dan niet alcoholisch extract, in pillen of in capsules. Er bestaan zoveel soorten preparaten, dat het moeilijk is om algemene conclusies te trekken uit de onderzoeksresultaten. Zolang hun eigen product nog niet deugdelijk op de proef is gesteld, kunnen de producenten blijven beweren dat het effectief is. Het is echter niet altijd duidelijk wat erin zit. Een onderzoeksteam van de Universiteit van Colorado ging in Denver uit winkelen en schafte 59 verschillende Echinaceaproducten aan. Deze werden in het laboratorium geanalyseerd. Slechts de helft bevatte wat er op het etiket stond en in zes producten was helemaal geen Echinacea te vinden (Gilroy et al. 2003). Het meest recente onderzoek werd in december 2003 gepubliceerd in JAMA, het tijdschrift van de American Medical Association (Taylor et. al., 2003). De onderzoeksleider was de kinderarts Jim Taylor, verbonden aan de University of Washington in Seattle. Hij werkte samen met natuurgeneeskundige artsen en zijn onderzoek werd gesubsidieerd door het National Center for Complementary and Alternative Medicine. De onderzoekers gebruikten een zoete siroop met Echinacea. Het product werd geleverd door de firma Madaus en is te koop onder de naam Echinacin Saft. Er zijn uitsluitend bovengrondse delen van de E. purpurea in verwerkt. De placebogroep kreeg een zelfde siroop, die net zo smaakte maar geen Echinacea bevatte. De proef werd uitgevoerd met kinderen van 2 tot 11 jaar. Alle ouders kregen een fles met siroop mee naar huis. Ze moesten het middel aanwenden zodra hun kind verkouden of grieperig werd. In een periode van vier maanden werd de siroop in 707 gevallen gebruikt bij 407 kinderen. Kinderen die de testsiroop kregen (ongeveer de helft) waren even lang ziek als kinderen die het placebo gebruikten. Hun klachten waren ook niet minder hevig. Het enige significante verschil was dat ze vaker huiduitslag kregen (7,1% vs. 2,7%). Twee kinderen kregen ademhalingsproblemen en moesten met de Echinacinsiroop stoppen. Echinacea is een asterachtige plant die bij sommige patiënten allergische reacties kan opwekken. Ook een Australisch onderzoek (Mullins & Heddle, 2002) rapporteerde allergische reacties, waaronder twee gevallen van anafylaxie (een zeer heftige overgevoeligheidsreactie). Producenten van voedingssupplementen hoeven zulke bijverschijnselen niet te vermelden, zodat er nogal wat verzwegen wordt. Volgens Barrett (2003b) vallen de risico's van Echinacea wel mee als je bedenkt dat er jaarlijks miljoenen mensen zijn die het middel probleemloos gebruiken. Toch lijkt het minder geschikt voor kinderen. De naturopaat Carlo Calabrese, die aan het onderzoek van Taylor meewerkte, heeft inmiddels zijn twijfels gekregen over de waarde van Echinacea. Naar zijn oordeel is de werkzaamheid niet aangetoond. Calabrese geeft echter toe dat hij zelf nog steeds Echinacea gebruikt wanneer hij een verkoudheid voelt opkomen. Zolang er geen echte remedie bestaat, blijven velen hun toevlucht zoeken tot onbewezen lapmiddelen. De handel in Echinacea zal daarom voorlopig nog wel winstgevend blijven, al zouden de nieuwste onderzoeksresultaten er wel toe kunnen leiden dat de sterke omzetgroei van de laatste jaren tot stilstand komt.
Barnes, J., L.A. Anderson & J.D. Phillipson (2000). Herbal Medicines. Londen: Pharmaceutical press, 2nd ed., 183-186. Barrett, P.B. et al. (2002). Treatment of the common cold with unrefined Echinacea. Annals of Internal Medicine 137(12), 939-946. Barrett, P.B. (2003a). Medicinal properties of Echinacea: a critical review. Phytomedicine 10, 66-86. Barrett, P.B. (2003b). Echinacea: a safety review. HerbalGram 57, 36-39. Barrett, P.B. (2003c). Comments and Responses. Annals of Internal Medicine 139(7), 599-601. Brinkeborn, R.M. et al. (1999). Echinaforce and other Echinacea fresh plants preparations in the treatment of the common cold. Phytomedicine 6, 1-6. Felter, H.W. & J.U. Lloyd (1898). Echinacea. In: King's American Dispensatory. www.ibiblio.org/herbmed/eclectic/kings/echinacea.html Flannery, M.A. (2000). From Rudbeckia to Echinacea: the emergence of the purple coneflower in modern therapeutics. HerbalGram 51, 28-33. Foster, S. & V.E. Tyler (2000). Tyler's Honest Herbal. Binghamton, NY: The Haworth Herbal Press. Gilroy, C.M. et al. (2003). Echinacea and truth in labeling. Arch. Intern. Med 163(6), 699-704. Hobbs, C. (1998). Echinacea: From Native American Panacea to Modern Phytopharmaceutical. www.healthy.net/library/articles/hobbs/ech2.htm Hoheisel, O. et al. (1997). Echinagard treatment shortens the course of the common cold: a double-blind placebo-controlled trial. European Journal of Clinical Research 9, 261-268. Kamphuis, A. (2001). Sonnenhut in Buchenwald. Skeptiker 14(2), 52-64. Mullins R.J. en R. Heddle (2002). Adverse Reactions Associated with Echinacea: The Australian Experience. Ann Allergy Asthma Immunol 88, 42-51. Niederkorn, M.D., ed. (1910). Echinacea in the treatment of the bites of venomous serpents, reptiles and insects. www.herbaltherapeutics.net/Echinacea.pdf Nienhuys, J.W. (1998). Doctor Vogel? Skepter 11(2), 9-10. Schwarz, E. et al. (2002). Oral administration of freshly expressed juice of Echinacea purpurea fail to stimulate the nonspecific immune response in healthy young men: results of a double-blind, placebo-controlled crossover study. Journal of Immunotherapy 25, 413-420. Sorensen, G. (2002). In the footsteps of Alfred Vogel. Healthy Way 27. www.healthywaymagazine.com/issue27/03_alfred_vogel.html Taylor, J.A. et al. (2003). Efficacy and safety of Echinacea in treating upper respiratory tract infections in children. Journal of the American Medical Association 290(21), 2824-2830.
|