
Het geheim van A. Vogel
Helpt echinacea tegen verkoudheid?
door Rob Nanninga & Marie Prins
Echinacea
is een populair kruidenmiddel tegen griep en verkoudheid. Het bekendste
merk is Echinaforce van A. Vogel. Hoe heeft men de plant ontdekt en werkt
het echt?
Een Nederlandse vereniging van kwekers riep de Echinacea onlangs uit tot
`vaste plant van het jaar 2004'. Er bestaan negen soorten Echinacea, die
oorspronkelijk alleen in Noord-Amerika te vinden waren. De meest voorkomende
zijn de E. angustifolia, E. pallida en E. purpurea. De eerste
twee, die niet gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn, groeien vooral
op de prairies in het midwesten, van North Dakota en Minnesota tot in
Texas. De indiaanse volkeren die hier leven, gebruikten de dikke penwortel
van de plant tegen diverse kwalen, waaronder insecten- en slangenbeten,
ontstoken wonden, keelpijn, kiespijn en geslachtsziekten. De Echinacea
purpurea, ook bekend als rode zonnehoed, wordt ongeveer anderhalve
meter lang, meer dan twee keer zo groot als de angustifolia. Hij
heeft vertakte wortels en is niet zo geschikt voor droge prairies, felle
zon en koude winters. De plant laat zich echter goed kweken en is daarom
tegenwoordig de meest populaire soort niet alleen als sierplant,
maar vooral als heilzaam kruidenmiddel.
`Dr.' H.C.F.
Meyer uit Pawnee City in de staat Nebraska beoefende de geneeskunst als
leek en bracht omstreeks 1870 als eerste een Echinaceapreparaat op de
markt. Meyer had van plaatselijke indianen geleerd hoe de wortels van
de Echinacea angustifolia konden worden gebruikt om wonden te ontsmetten.
Hij mengde het wortelsap met hop en alsem en noemde zijn wondermiddel
Meyer's Blood Purifier. Het kon zowel inwendig als uitwendig worden gebruikt.
Volgens het etiket hielp het tegen reuma, maag- en darmklachten, open
wonden, wondroos, zweren, eczeem, duizeligheid, pijnlijke ogen, beten
van de ratelslang, syfilis, gangreen, tyfus, malaria, difterie en hondsdolheid.
Griep en verkoudheid stonden nog niet op de lijst.
Meyer bracht
zijn ontdekking in 1885 onder de aandacht van John King en John Uri Lloyd,
twee vooraanstaande artsen binnen de zogenoemde Eclectische Beweging.
De eclectische artsen hadden een eigen opleidingsinstituut in Cincinnati
in de staat Ohio en maakten uitsluitend gebruik van plantaardige geneesmiddelen.
Meyer stuurde hun wortels, een complete plant en een fles van zijn Blood
Purifier. Hij bood ook aan een demonstratie te geven. Daarbij zou hij
zichzelf met het middel behandelen nadat hij zich door een ratelslang
had laten bijten. Zijn aanbod werd afgewezen. Lloyd, die samen met twee
broers een farmaceutische firma had opgericht, nam de spectaculaire beweringen
van Meyer niet serieus. King begon echter te experimenteren met een tinctuur
van de plant, die Lloyd voor hem had gemaakt. Hij raakte overtuigd van
de waarde, vooral omdat het middel naar het scheen een gunstig effect
had op zijn vrouw, die aan kanker leed.
In 1887 publiceerde King in het Eclectic Medical Journal een artikel
over de Echinacea angustifolia. Al spoedig volgden er meer artikelen
waarin melding werd gemaakt van allerlei positieve ervaringen die eclectische
artsen met de plant hadden opgedaan. Lloyd zag er inmiddels ook brood
in. Zijn firma ontwikkelde het middel Echafolta, een mengsel van
alcohol en gezuiverde Echninacea dat tegen infecties kon worden gebruikt.
Hij schreef ook een heel boek over de geschiedenis van de Echinacea
angustifolia. De plant groeide uit tot een van de meest populaire
geneeskruiden. Vanaf 1916 stond de heilzame werking vermeld in de US
National Formulary, het officiële farmaceutische handboek.
In de jaren
1930 keerde het tij. De Amerikanen kregen steeds meer vertrouwen in de
mogelijkheden van de moderne geneeskunde, zodat de eclectische artsen
het veld moesten ruimen. Toen hun beroepsopleiding in 1939 werd gesloten,
waren er vrijwel geen studenten meer over. Echinacea werd in 1950 uit
de National Formulary geschrapt omdat de veronderstelde werking
onvoldoende was aangetoond. Bovendien waren er inmiddels veel effectievere
middelen tegen infecties beschikbaar, waaronder penicilline. Geneeskruiden
raakten helemaal uit de mode. Pas in de jaren 1980 nam de vraag weer toe.
Tegenwoordig behoort Echinacea opnieuw tot de meest verkochte geneeskruiden,
met een jaarlijkse omzet van wel 300 miljoen dollar.
Terwijl men
in de VS de belangstelling voor de Echinacea verloor, werd de plant in
de jaren 1930 in Duitsland gekweekt door Dr. Gerhard Madaus. Hij was medeoprichter
van de firma Madaus uit Dresden, die `natuurlijke' geneesmiddelen produceerde.
Madaus was persoonlijk naar de vs gereisd om daar zaden van de Echinacea
angustifolia te kopen. Tot zijn verrassing leverde dat een veld vol Echinacea purpurea op. Deze plant werd vaak als minder geneeskrachtig
beschouwd, maar Madaus liet zich daardoor niet ontmoedigen. Hij introduceerde
in 1938 het middel Echinacin, dat naar verluidt de weerstand verhoogt
en infecties voorkomt. In de oorlogsjaren was de firma Madaus betrokken
bij een onvoltooid experiment in het concentratiekamp Buchenwald (Kamphuis,
2001, zie ook Skepter, maart 2002). Daar bestudeerde men het effect
van Echinacinzalf op de genezing van ernstige brandwonden. Deze werden
door de onderzoekers met brandende fosfor aan gevangenen toebracht. Toen
de Russen naderden, verhuisde het bedrijf naar het westen en vestigde
zich in een buitenwijk van Keulen. Er werd ook een nieuw onderzoeksinstituut
ingericht. Daar werden in de afgelopen decennia veel in vitro laboratoriumproeven
gedaan met Echinacea. Er zijn aanwijzingen dat de plant immuuncellen kan
stimuleren, maar men heeft nog niet kunnen aantonen dat dit een heilzaam
effect heeft op mensen (Schwarz et al., 2002).
Een fotogenieke indiaan
De Zwitserse
kruidenhandelaar en homeopaat Alfred Vogel (1902-1996) was naar het schijnt
niet op de hoogte van de ontwikkelingen in Duitsland. Volgens de overlevering
ontdekte hij de rode zonnehoed tijdens een bezoek aan een afgelegen streek
in South Dakota. Daar kwam hij in de jaren 1950 in contact met een opperhoofd
of medicijnman van de Lakota-Sioux indianen. In zijn dagboek beschreef
Vogel de onuitwisbare indruk die de indiaan op hem maakte: `Zijn grootsheid
straalde uit iedere porie. Zijn kennis van de natuur stroomde uit het
hart van deze Sioux medicijnman.' De wijze indiaan bracht de heer Vogel
naar een veld dat vol stond met bloeiende Echinacea purpurea en
hij onthulde van alles over de geheimen van deze plant. Zo vertelde hij
dat het sap van de wortels een goed middel is tegen slangenbeten. Vogel
kon bevestigen dat het krachtig spul was, want toen hij in de plant beet,
brandde en prikte het sap in zijn mond. Hij raakte naar eigen zeggen goed
bevriend met de indiaan, die hem als afscheidscadeau een handvol zaden
gaf.
Een
fraaie foto waarop Alfred Vogel samen met de indiaan staat afgebeeld,
vormt het tastbare bewijs van hun vriendschap. `Dokter' Vogel noemde de
medicijnman Black Eagle, maar inmiddels is duidelijk geworden dat hij
Ben Black Elk heette. Volgens een recent artikel in Healthy Way (Sorensen, 2002) zijn er in de loop der jaren vergeefse pogingen ondernomen
om hem op te sporen. De auteur vond uiteindelijk na lang zoeken de dochter
van Ben Black Elk. Zij woonde in een reservaat bij de Black Hills in South
Dakota, waar haar vader ook had gewoond. Helaas biedt het artikel geen
nadere informatie over het leven van Ben Black Elk. Ook in andere geschriften
van Vogels sympathisanten blijft hij een mysterieuze figuur. Toch is er
nog veel over hem te vertellen.
Ben Black
Elk was een zoon van het Lakotaopperhoofd Nicholas Black Elk, bekend van
het boek Black Elk Speaks. Mede dank zij Ben werden de Black Hills
een populaire vakantiebestemming. Gedurende 27 jaar verwelkomde hij toeristen
die kwamen kijken naar het Mount Rushmore National Monument, de beroemde
bergwand waarin de koppen van vier presidenten zijn uitgehouwen. Hij werd
ook wel `the fifth face' genoemd. Ontelbaar veel toeristen hebben hem
op de foto gezet of lieten zich samen met hem vereeuwigen. Toen Ben Black
Elk in 1973 overleed, schreef The New York Times dat hij algemeen
bekend stond als de meest gefotografeerde indiaan ter wereld. Hij speelde
ook mee in de beroemde Hollywoodfilm How the West was Won (1962).
Sinds 1979 bestaat er een Ben Black Elk Award. Die wordt jaarlijks uitgereikt
door de gouverneur van South Dakota aan iemand die zich bijzonder verdienstelijk
heeft gemaakt voor de plaatselijke toeristenindustrie.
Zou
Alfred Vogel werkelijk lange gesprekken met Ben Black Elk hebben gevoerd
over de rode zonnehoed? Of was hij slechts een van de vele toeristen die
met de indiaan op de foto ging? Het kiekje dat hij meebracht, lijkt verdacht
veel op zo'n toeristenpose. Misschien was zijn verhaal over de herkomst
van de zaden evenveel waard als zijn doctorstitel, die hij eveneens uit
Amerika meebracht (Nienhuys, 1998). De zaden waren gelukkig wel echt,
zodat de Echinacea purpurea in Zwitserland kon worden geoogst.
Dokter Vogel ontwikkelde hieruit het middel Echinaforce, dat met hulp
van de nodige reclame populair werd als een homeopathische remedie tegen
griep en verkoudheid. Voor Echinaforce gebruikt men de oertinctuur, die
met alcohol wordt vermengd. Het product wordt dus niet meermaals verdund
en geschud (`gepotentieerd'), zoals dat bij homeopathische middelen gebruikelijk
is. Het is eigenlijk fytotherapie, hoewel het in Nederland als homeopathisch
middel staat geregistreerd.
In de Benelux
is de firma Biohorma licentiehouder voor alle producten die onder de merknaam
A.Vogel verkrijgbaar zijn. Echinaforce (in België ook bekend als
Echinasan) is het best verkochte natuurlijke geneesmiddel. In Nederlandse
apotheken gaan er jaarlijks meer dan 150.000 doosjes over de toonbank.
Veevoer tegen verkoudheid
Biohorma
meldt op haar website en in een persbericht dat het effect van Echinaforce
wetenschappelijk is bewezen. Men verwijst daarbij naar een dubbelblind
en placebogecontroleerd onderzoek dat in Zweden werd uitgevoerd door Marie-Rose
Brinkeborn et al. (1999). De proefpersonen waren vrijwilligers die kort
tevoren een verkoudheid hadden opgelopen. Een deel moest dagelijks Echinaforcetabletten
slikken. Circa driekwart van deze gebruikers was een week later van mening
dat het middel werkzaam was. In de placebogroep, die neptabletten kreeg,
dacht ongeveer de helft dat het middel had geholpen. De gebruikers van
Echinaforce hadden ook wat minder last van hun verkoudheidssymptomen.
Het onderzoeksrapport vermeldt echter niet dat ze sneller weer beter waren.
De blindering
van het experiment was niet optimaal. De onderzoekers schreven dat de
placebotabletten `bijna niet van echt te onderscheiden' waren. Ze gingen
niet na hoeveel proefpersonen beseften wat ze slikten. Een deel van hen,
dat naast de Echinaforce nog een ander middel had gebruikt, werd niet
meegeteld in de statistische analyses. Er zijn bovendien meerdere statistische
analyses mogelijk, die niet altijd een significant resultaat opleveren.
Afgezien van zulke gebreken, kan één experiment niet `bewijzen'
dat Echinaforce werkzaam is. Daarvoor zijn meer proeven nodig, die tot
nu toe ontbreken. Hoewel Echinaforce al veertig jaar wordt verkocht, beschikt
de fabrikant nog steeds niet over onderzoeksresultaten die de werking
overtuigend aantonen.
Dr. Bruce
Barrett (2003a), die is verbonden aan de Universiteit van Wisconsin, publiceerde
een overzicht van de proeven die met verschillende soorten Echinaceapreparaten
werden uitgevoerd. Hij vond vier studies die onderzochten of het gebruik
van Echinacea kan voorkomen dat mensen een griep of verkoudheid oplopen.
De resultaten waren teleurstellend. Dit gold onder meer voor een onderzoek
van de naturopaat Carlo Calabrese, die verbonden was aan de alternatieve
Bastyr University. Hij liet zijn proefpersonen een half jaar lang Echinagard
gebruiken en stelde vast dat ze vaker verkouden werden dan degenen die
een placebo innamen. De producent van Echinagard, die het onderzoek had
betaald, was zeer verontwaardigd over de uitslag en bestookte hem met
woedende telefoontjes. Men wilde niet dat het onderzoek gepubliceerd zou
worden, en dat is totnogtoe ook niet gebeurd.
Echinacea
leek wel een gunstige invloed te hebben op het verloop van een verkoudheid
of griepaanval. Zeven van de negen gepubliceerde experimenten rapporteerden
positieve resultaten. De effecten waren echter betrekkelijk klein en er
was veel op de studies aan te merken. De blindering schoot in alle gevallen
tekort. Het was soms heel aannemelijk dat het echte middel duidelijk anders
smaakte dan het placebo. Ook de beoordelingscriteria, de statistische
analyses en de randomisatie waren dikwijls onbetrouwbaar of onvolledig.
Zo was er een Duitse onderzoeker (Hoheisel, 1997) die beweerde dat gebruikers
van Echinagard minder vaak een `echte verkoudheid' ontwikkelen. Maar uit
zijn onderzoeksgegevens bleek dat zij evenveel last hadden van de symptomen
als de personen die een placebo ontvingen.
Om meer duidelijkheid
te scheppen voerde Barrett zelf een experiment uit dat van betere kwaliteit
was (Barrett et al., 2002). Als placebo gebruikte hij capsules met luzerneklaver,
een goed voedingssupplement voor koeien. De Echinaceacapsules waren niet
te onderscheiden van het placebo en smaakten net zo, omdat aan beide preparaten
wat pepermunt en tijm was toegevoegd. De studenten die aan het onderzoek
deelnamen, moesten zodra ze verkouden werden dagelijks een bepaald aantal
capsules innemen. Het bleek niet uit te maken wat ze slikten: in beide
groepen duurde de verkoudheid ongeveer even lang en waren de symptomen
even hevig. De placebogroep deed het zelfs nog iets beter dan de groep
die Echinacea kreeg, al was dit verschil niet statistisch significant.
Een redacteur
van het New England Journal of Medicine merkte op dat een beter
bewijs van onwerkzaamheid moeilijk te verkrijgen is. Er waren echter ook
enkele critici die via ingezonden brieven lieten weten dat luzerneklaver
geen goed placebo is, omdat het wel degelijk werkzaam zou kunnen zijn.
Maar als dat zo is, zo merkte Barrett (2003c) op, dan zou het de hele
industrie van verkoudheidsmiddelen op haar grondvesten doen trillen omdat
luzerneklaver praktisch niets kost.
Barrett bleef
bescheiden over de conclusies die er uit zijn onderzoek kunnen worden
getrokken. Omdat hij slechts één middel had getest, wou
hij niet uitsluiten dat er andere producten kunnen bestaan die beter werken.
Zelf gebruikte hij een mengsel van 25% wortel en 25% stengel en bladeren
van E. purpurea en 50% wortel van E. angustifolia. Deze
samenstelling werkt dus niet, hoewel het volgens het American Botanical
Council juist de ideale combinatie was.
Huiduitslag
Echinaceapreparaten
kunnen in allerlei opzichten van elkaar verschillen. Ten eerste worden
er minstens drie soorten Echinacea gebruikt, die niet dezelfde chemische
stoffen bevatten (Barnes et al., 2000). Het is mogelijk dat slechts één
soort het beoogde effect heeft, of dat men juist meerdere soorten moet
mengen om de gewenste werking te verkrijgen. De wijze waarop de planten
worden geteeld, geoogst en bewerkt, kan eveneens van invloed zijn. Daar
komt bij dat zowel de wortels als de stengels en bladeren gebruikt kunnen
worden. De ene producent zweert bij wortels, de andere prefereert de bovengrondse
delen, en de derde gebruikt bij voorkeur de hele plant, al of niet inclusief
de bloemen. Iedereen heeft een eigen opvatting over de juiste samenstelling.
Zo gebruikt men voor Echinaforce 5% wortel en 95% bovengrondse delen van
de E. purpurea. Ook de bereidingswijze is een punt van discussie:
gedroogd, in een al dan niet alcoholisch extract, in pillen of in capsules.
Er bestaan zoveel soorten preparaten, dat het moeilijk is om algemene
conclusies te trekken uit de onderzoeksresultaten.
Zolang hun
eigen product nog niet deugdelijk op de proef is gesteld, kunnen de producenten
blijven beweren dat het effectief is. Het is echter niet altijd duidelijk
wat erin zit. Een onderzoeksteam van de Universiteit van Colorado ging
in Denver uit winkelen en schafte 59 verschillende Echinaceaproducten
aan. Deze werden in het laboratorium geanalyseerd. Slechts de helft bevatte
wat er op het etiket stond en in zes producten was helemaal geen Echinacea
te vinden (Gilroy et al. 2003).
Het meest
recente onderzoek werd in december 2003 gepubliceerd in JAMA, het
tijdschrift van de American Medical Association (Taylor et. al., 2003).
De onderzoeksleider was de kinderarts Jim Taylor, verbonden aan de University
of Washington in Seattle. Hij werkte samen met natuurgeneeskundige artsen
en zijn onderzoek werd gesubsidieerd door het National Center for Complementary
and Alternative Medicine. De onderzoekers gebruikten een zoete siroop
met Echinacea. Het product werd geleverd door de firma Madaus en is te
koop onder de naam Echinacin Saft. Er zijn uitsluitend bovengrondse delen
van de E. purpurea in verwerkt. De placebogroep kreeg een zelfde
siroop, die net zo smaakte maar geen Echinacea bevatte. De proef werd
uitgevoerd met kinderen van 2 tot 11 jaar. Alle ouders kregen een fles
met siroop mee naar huis. Ze moesten het middel aanwenden zodra hun kind
verkouden of grieperig werd.
In een periode
van vier maanden werd de siroop in 707 gevallen gebruikt bij 407 kinderen.
Kinderen die de testsiroop kregen (ongeveer de helft) waren even lang
ziek als kinderen die het placebo gebruikten. Hun klachten waren ook niet
minder hevig. Het enige significante verschil was dat ze vaker huiduitslag
kregen (7,1% vs. 2,7%). Twee kinderen kregen ademhalingsproblemen en moesten
met de Echinacinsiroop stoppen. Echinacea is een asterachtige plant
die bij sommige patiënten allergische reacties kan opwekken. Ook
een Australisch onderzoek (Mullins & Heddle, 2002) rapporteerde allergische
reacties, waaronder twee gevallen van anafylaxie (een zeer heftige overgevoeligheidsreactie).
Producenten van voedingssupplementen hoeven zulke bijverschijnselen niet
te vermelden, zodat er nogal wat verzwegen wordt. Volgens Barrett (2003b)
vallen de risico's van Echinacea wel mee als je bedenkt dat er jaarlijks
miljoenen mensen zijn die het middel probleemloos gebruiken. Toch lijkt
het minder geschikt voor kinderen.
De naturopaat
Carlo Calabrese, die aan het onderzoek van Taylor meewerkte, heeft inmiddels
zijn twijfels gekregen over de waarde van Echinacea. Naar zijn oordeel
is de werkzaamheid niet aangetoond. Calabrese geeft echter toe dat hij
zelf nog steeds Echinacea gebruikt wanneer hij een verkoudheid voelt opkomen.
Zolang er geen echte remedie bestaat, blijven velen hun toevlucht zoeken
tot onbewezen lapmiddelen. De handel in Echinacea zal daarom voorlopig
nog wel winstgevend blijven, al zouden de nieuwste onderzoeksresultaten
er wel toe kunnen leiden dat de sterke omzetgroei van de laatste jaren
tot stilstand komt.
Updates
Bronnen
Barnes, J., L.A. Anderson & J.D. Phillipson (2000). Herbal Medicines.
Londen: Pharmaceutical press, 2nd ed., 183-186.
Barrett, P.B. et al. (2002). Treatment of the common cold with unrefined
Echinacea. Annals of Internal Medicine 137(12), 939-946.
Barrett, P.B. (2003a). Medicinal properties of Echinacea: a critical
review. Phytomedicine 10, 66-86.
Barrett, P.B. (2003b). Echinacea: a safety review. HerbalGram 57, 36-39.
Barrett, P.B. (2003c). Comments and Responses. Annals of Internal
Medicine 139(7), 599-601.
Brinkeborn, R.M. et al. (1999). Echinaforce and other Echinacea fresh
plants preparations in the treatment of the common cold. Phytomedicine 6, 1-6.
Felter, H.W. & J.U. Lloyd (1898). Echinacea. In: King's American
Dispensatory. www.ibiblio.org/herbmed/eclectic/kings/echinacea.html
Flannery, M.A. (2000). From Rudbeckia to Echinacea: the emergence of
the purple coneflower in modern therapeutics. HerbalGram 51, 28-33.
Foster, S. & V.E. Tyler (2000). Tyler's Honest Herbal. Binghamton,
NY: The Haworth Herbal Press.
Gilroy, C.M. et al. (2003). Echinacea and truth in labeling. Arch.
Intern. Med 163(6), 699-704.
Hobbs, C. (1998). Echinacea: From Native American Panacea to Modern Phytopharmaceutical.
www.healthy.net/library/articles/hobbs/ech2.htm
Hoheisel, O. et al. (1997). Echinagard treatment shortens the course
of the common cold: a double-blind placebo-controlled trial. European
Journal of Clinical Research 9, 261-268.
Kamphuis, A. (2001). Sonnenhut in Buchenwald. Skeptiker 14(2),
52-64.
Mullins R.J. en R. Heddle (2002). Adverse Reactions Associated with Echinacea:
The Australian Experience. Ann Allergy Asthma Immunol 88, 42-51.
Niederkorn, M.D., ed. (1910). Echinacea in the treatment of the bites
of venomous serpents, reptiles and insects. www.herbaltherapeutics.net/Echinacea.pdf
Nienhuys, J.W. (1998). Doctor Vogel? Skepter 11(2), 9-10.
Schwarz, E. et al. (2002). Oral administration of freshly expressed juice
of Echinacea purpurea fail to stimulate the nonspecific immune response
in healthy young men: results of a double-blind, placebo-controlled crossover
study. Journal of Immunotherapy 25, 413-420.
Sorensen, G. (2002). In the footsteps of Alfred Vogel. Healthy Way 27.
www.healthywaymagazine.com/issue27/03_alfred_vogel.html
Taylor, J.A. et al. (2003). Efficacy and safety of Echinacea in treating
upper respiratory tract infections in children. Journal of the American
Medical Association 290(21), 2824-2830.
Rob Nanninga is hoofdredacteur van Skepter en Marie Prins is kruidendeskundige.
© Stichting Skepsis. Het is niet toegestaan artikelen uit Skepter op andere websites over te nemen.
|