
'Je
moet geen rigide reductionist zijn'
Een interview met de nieuwe voorzitter van Skepsis
Na
afloop van zijn eerste ontmoeting met het Skepsisbestuur toonde Joop
Doorman (1928) zich aangenaam verrast: veel ideeën, veel dwarsliggers.
Zoiets mag de wetenschapsfilosoof (en ex-voorzitter van de VPRO) wel.
Skeptici, dwazen, onnadenkende dromers - kortom alle dwarsliggers zijn
voor hem uitermate waardevolle onderdelen van de samenleving. En als
ik bij hem langskom heeft hij niet meer dan een mierennest en wat wiskunde
nodig om dat uit te leggen.
De klassieke theorie over mieren is dat het automaatjes zijn, volledig
genetisch vastgelegd. En de voedselvoorziening van een mierennest is
ook uitermate strak georganiseerd. Ze rekruteren elkaar en rennen heen
en weer tussen voedselbron en nest. Maar als je dat bestudeert, en je
staat een eindje van het nest én van de voedselbron af, met blote benen,
dan wordt je toch op een gegeven moment gestoken. Hoe komt dat? Wat
doen die mieren daar?
Ga er nu eens vanuit dat het helemaal geen automaten zijn maar dat ze
een zeker kansgedrag vertonen. Dus naast mieren die een heel rigide
gedrag vertonen zijn er ook van die mieren die een beetje suf... zo
van... rondzwerven...
(hij doet het even voor)
...die vertonen eigenlijk anarchistisch gedrag. Het voordeel is natuurlijk
een continue exploratie van het hele gebied. Ze verkennen de buurt.
Daar kun je een wiskundig model van maken. Je kunt kijken welke verhouding
tussen kansgedrag en exploitatietijd van de omgeving optimaal is. Hoe
meer voedselbronnen er zijn, des te groter het percentage mieren dat
'zomaar' wat rond zou moeten gaan lopen. Ongehoorzaamheid loont, in
zekere mate. Het verschil met mensen is natuurlijk dat wij naast genen
en kansgedrag ook plannen en wensen hebben, en dat we schattingen maken
over de wensen en plannen van anderen.
Zijn skeptici ook een soort mieren die uit de pas lopen?
Iedere vorm van skepsis is een uiting van non-conformisme. Wij hebben
het dan vooral over wetenschappelijke skepsis, het proberen zo min mogelijk
te geloven en zoveel mogelijk te baseren op evidenties. Maar laat ik
gelijk zeggen dat we gelukkig ook geprogrammeerd zijn om een
heleboel te geloven. Als we in de extreme, pyrronische zin skeptisch
zouden zijn, als we ons zouden onthouden van ieder oordeel, dan zouden
we in onze sociale interacties in een uiterst moeilijke positie komen.
Ik zal nooit vergeten dat ik in 1958, het was in de tijd van de Spoetnik,
in de VS een keer terechtkwam aan de Arizonarivier, en daar ontmoette
ik een heel vreemd gezelschap. Ze huisden in de open lucht. Een van
hen noemde zich een echte skepticus. 'Kijk', zei hij en hij wees naar
de sterren, 'Wat denk je dat dat zijn?' En ik zei iets over zonnen...
'Ah!, U bent geen skepticus! Hoe kunt u bewijzen dat het geen bord is
met allemaal gaatjes erin. U gelooft heilig in wat anderen u vertellen!'
Kijk, dat soort skepticisme, daar moeten we toch voor waarschuwen.
Dus die Spoetnik bestond écht? En iemand die beweert dat de Amerikanen
misschien nooit naar de maan zijn geweest, is geen skepticus?
Nee, want er is enorm veel geloof nodig om zoiets te ontkennen. Je moet
dan gaan geloven aan een ongelooflijk gecompliceerd complot.
Je moet steeds nagaan: wat moet ik allemaal aannemen om dat ene níét
te geloven. Het is een kwestie van goed doorrekenen. Een rationeel mens
is iemand die zoveel mogelijk met kansen werkt.
Waar sommige skeptici zich in vergissen is dat ze denken dat geloof
onder alle omstandigheden bestreden moet worden. Da's een gevaarlijk
standpunt. Er zijn allerlei situaties denkbaar waarbij mensen niet zonder
kunnen. Neem ethische systemen. Daarbij is het noodzakelijk dat mensen
in mythes geloven om hun ethische offers te kunnen funderen.
Het kunnen mythes zijn waarvan je tot op zekere hoogte bewust bent dat
het een mythe ís. Daarin ligt de asymmetrie tussen de theïst en de atheïst.
Feuerbach zei dat God een menselijke projectie is, noodzakelijk om de
dood aan te kunnen en om morele offers te brengen. Dan zit de theïst
met een ontzaglijk probleem. Hij kan accepteren dat God een product
van zijn eigen geest is, een placebo, maar dan compenseert het niet
meer zijn doodsangst.' Mythen zijn sociaal-psychologische placebo's.
Maar er moeten in een gemeenschap ook mensen zijn die zich realiseren
dat het een placebo is.
Ik noem een voorbeeld: er bestaan absolute normen en waarden.
Da's absoluut een placebo. Waarden en normen zijn door de mens geconstrueerd.
Maar als je dat accepteert, dan dreigt onmiddellijk het anything
goes. Die sociaal-psychologische placebo's werken pas als je níét
accepteert dat het een placebo is. Daarom zijn geloven absoluut, en
mag je ze nooit een mythe noemen. Ik sprak onlangs tijdens een symposium
over 'Geloof en Wetenschap' aan de Vrije Universiteit. En daar had ik
het over godsdiensten als mythologieën, volgens mij een volstrekt neutrale
wetenschappelijke term. Verscheidene aanwezigen hadden daar grote moeite
mee, alsof ik suggereerde dat godsdiensten bestreden moeten worden.
Natuurlijk, er bestaan goede en slechte mythologieën. De nazistische
bijvoorbeeld was uitermate slecht. En ik vind polytheïstische mythologieën
interessanter dan monotheïstische, net zoals het heel onverstandig is
om te denken dat er maar één oorzakelijke verklaring voor de oorsprong
van het heelal is. Je moet geen rigide reductionist zijn. Polytheïsme
is in zekere zin het zoeken in ieder specifiek domein naar verklaringen
voor dat domein.
De mooiste mythologie is overigens het boeddhisme. Dat heeft heel interessante,
extreem kritische opvattingen over waarneming. Het is, in zijn meest
orthodoxe vorm, eigenlijk een zeer skeptische, atheïstische leer. En
zeer empiristisch. Het is, in zijn kosmologie en morele opvattingen,
de meest nobele en meest intelligente mythe die er bestaat.
Pyrronisch?
Nee, want men gelooft dat er een oplossing bestaat voor het menselijk
lijden. Er is een theorie.
Is de overtuiging dat de wetenschap een probleem als het menselijk
bewustzijn ooit zal kunnen kraken, ook een mythe?
Als het gaat om wat de wetenschap ooit gaat doen, onthou ik me van ieder
oordeel. Daar hebben we geen flauw idee van. In de 18de eeuw hadden
wiskundigen nooit kunnen voorspellen dat wiskunde een autonome wetenschap
zou worden. Ze zagen die in een onverbiddelijke samenhang met de natuurwetenschap.
Dus de geest zou wel eens voor eeuwig ongrijpbaar kunnen blijven.
We zitten gewoon met teveel ervaringen die we niet kunnen analyseren.
In andere tradities heeft men daar mogelijk wel wat aan gedaan. In Indische
tradities zijn zeer veel mentale experimenten gedaan. Of ze tot iets
geleid hebben? Wat dat aangaat onthou ik me ook van een oordeel.
De westerse wetenschap heeft wel tot geweldige successen geleid, en
het geloof dat de wetenschap een soort panacee is, vind ik in ieder
geval niet onredelijk. Maar die dominerende positie van de natuurwetenschappen
heeft er wel toe geleid dat we bij andere problemen zoveel mogelijk
naar een natuurwetenschappelijke oplossing zoeken. Da's redelijk, maar
zodra we denken dat dat de enige mogelijkheid is...
Kan een mens een redelijk gelovige zijn?
Dat zou iemand moeten zijn die weet dat hij met de waarheidsaanspraken
van zijn geloof op heel dun ijs begeeft, omdat het in wezen placebo's
zijn.
Je ziet een heleboel katholieken rondlopen waarvan ik, katholiek grootgebracht,
niet begrijp dat ze zich nog katholiek noemen. Met het oude geloof,
met haar aanspraken op kosmologisch en moreel gebied, heeft het niets
te maken. Dan zeg ik: stuur je abonnementskaart terug naar Rome. Zeg
dan: ik geloof wel in het samen met andere mensen zijn en het uitvoeren
van rituelen, maar die hebben geen betekenis.
Paulus heeft geschreven: als Christus niet gestorven en verrezen
is, dan kunnen we de tent beter sluiten. (1)
Ik denk dat er in Nederland een heleboel rondlopen die louter uit een
behoefte aan gemeenschapsgevoel en aan rituelen zichzelf christen noemen.
En zeggen: Christus is voor mij vooral een voorbeeld.
De mythologie wordt vergeten, er zijn alleen nog sociale gedragsregels
en de rituelen versterken dat. Zijn die rituelen niet meer dan een soort
laatste fase van een geloof?
Ik vind het buitengewoon opvallend dat de behoefte aan rituelen in deze
seculariserende tijd onverminderd is. Ik ben er ook absoluut niet tegen,
hoor!
Voer je zelf ook rituelen uit?
Aan het begin van het academisch jaar, als ik m'n jurk aantrek om met
mijn collega's over straat te gaan lopen, dan is dat een ritueel.
Heb je dan niet de neiging om als een anarchistische mier uit de
pas te gaan lopen?
Een beetje wel... maar ik doe het niet. Ik heb kennelijk ook die versterking
nodig van de sociale positie in die groep. Nu zijn er collega's die
het bezwaarlijk vinden dat ik wat zij 'toga' noemen, hardnekkig 'jurk'
blijf noemen. Die zijn nog weer dieper verankerd in het ritueel.'
Wanneer moet een skepticus geloof gaan bestrijden?
Als het slecht geloof is.
En wanneer is het slecht?
Het simpelste is: geloof waarmee mensen geëxploiteerd, uitgebuit worden.
Er zijn vormen van geloof waarbij mensen aangespoord worden tot immoreel
gedrag.
Maar als iemand nou enerzijds vreselijk gelukkig is geworden, hij
heeft 'Het Licht' gezien, en anderzijds allerlei obscure pseudo-wetenschappelijke
onzin verkondigt.
Dat hangt van de persoon af. Jarenlang kwam hier bij ons thuis iemand
op bezoek, een boerenknecht, later fabrieksarbeider, lid van de Gereformeerde
Bond van de Hervormde Kerk. Hij kwam altijd eieren brengen. Dan schopte
hij hier voor de deur zijn schenen uit; ik schonk jenever in en we hadden
het over het geloof. Hij had een vreselijk zwaar leven gehad - en een
buitengewoon diep geloof. Probeerde ik hem daarvan af te brengen? Absoluut
niet! Ik ondervroeg hem. Als-ie bepaalde conclusies meende te kunnen
trekken die ik moreel verwerpelijk vond, dan probeerde ik hem met uitspraken
uit het Nieuwe Testament te bestrijden. Maar hij liet mij met andere
citaten alle hoeken van de kamer zien.
Maar nu jouw voorbeeld: als zo'n persoon er obscure opvattingen op na
houdt en probeert om anderen van hun geloof af te helpen, een geloof
waarmee ze redelijk gelukkig waren, door te dreigen met dood en duivel.
Dat moet zeker bestreden te worden! Dan moeten daar argumenten tegenin
gebracht worden.
Mag je geloof belachelijk maken?
Dat hangt van de omgeving af. In 1960 hield ik in Eindhoven een lezing
onder de titel 'Het Credo van een Atheïst'. Ik herinner me een debat
met een hoogleraar toen, waarbij hij zich op een gegeven moment tot
het publiek richtte met: 'Wat ik wel eens zou willen weten is of de
heer Doorman, als-ie straks oog in oog staat met de dood, nog steeds
vol zal houden wat hij nu volhoudt.' Waarop ik zei: 'ik ben mijn opponent
ongelofelijk dankbaar, want hij heeft zojuist een van de sterkste argumenten
voor mijn standpunt gegeven - ik verdedigde daar dat standpunt van Feuerbach
dat God een projectie is geboren uit doodsangst - en ik voegde daar
aan toe dat ik het heel waarschijnlijk achtte dat ik op dat moment zou
gaan twijfelen. Maar dat onderschrijft slechts mijn verklaring voor
het geloof.
Dat is een vorm van retorische spot die op zo'n moment wel kan. Je mag
geloof belachelijk maken pas nadat je je ervan vergewist hebt dat je
tegenstanders het enigszins aankunnen. Anders is het niet vruchtbaar.
Noot
1. zie 1 Cor. 15:12-19.
HOMEPAGE
SKEPSIS

DE
NIEUWSTE SKEPTER