Het dodo-effect
Onderzoek naar psychotherapie
door Rob Nanninga
Er bestaan meer dan 250 soorten psychotherapie.
Hoewel de theorieën en technieken sterk uiteen lopen, blijken ze
meestal even effectief te zijn.
Omdat alle dieren nat waren geworden in het meer van tranen dat Alice
had geschreid, organiseerde de Dodo een hardloopwedstrijd. De deelnemers
werden her en der langs een parcours geplaatst. Ze mochten beginnen met
rennen wanneer ze daar zin in hadden en ze mochten ook stoppen wanneer
ze dat wilden. Na een half uur was iedereen weer droog en riep de Dodo
dat de race was afgelopen. Maar wie had er nu gewonnen? De Dodo dacht
daar lang over na en sprak toen: `Everybody has won, and all must
have prizes.'
De psycholoog Saul Rosenzweig plaatste het oordeel van de Dodo uit Alice
in Wonderland boven een artikel dat hij in 1936 publiceerde. Hierin
betoogde hij dat alle vormen van psychotherapie vermoedelijk evenveel
opleveren omdat het effect te danken is aan
factoren die de therapieën met elkaar gemeen hebben. Deze gedachte
werd later uitgewerkt in het boek Persuasion and Healing van Jerome
Frank, waarvan de eerst versie in 1961 verscheen.
Lester Luborsky was in 1975 de eerste die een overzicht publiceerde van
een reeks gecontroleerde studies waarbij de resultaten van verschillende
soorten psychotherapieën rechtstreeks met elkaar werden vergeleken.
Hij constateerde dat dit meestal geen significante verschillen had opgeleverd.
Sindsdien zijn er verscheidene meta-analyses uitgevoerd die aantoonden
dat alle erkende psychotherapieën ongeveer even effectief zijn. Dit
wordt het Dodo-effect genoemd.
Een van de beste meta-analyses werd uitgevoerd door Bruce Wampold (1997).
Hij verzamelde alle studies die vanaf 1970 waren gepubliceerd in zes gezaghebbende
vaktijdschriften en waarbij twee of meer psychotherapeutische methoden
met elkaar werden vergeleken. Dat leverde in totaal 277 vergelijkingen
op. In elk van deze gevallen werd de effectgrootte bepaald door het verschil
tussen beide uitkomsten te delen door de standaardafwijking. De gemiddelde
effectgrootte bedroeg slechts 0,2.
Luborski (2002) verzamelde 17 van zulke meta-analyses en kwam eveneens
uit op een effectgrootte van 0,2. Dit wil volgens de onderzoekers zeggen
dat de gemiddelde persoon in therapiegroep A betere resultaten boekte
dan 58% van de personen in groep B. Stel dat van alle personen die in
therapie zijn geweest de helft geneest. Dan betekent een effectgrootte
van 0,2 dat het succespercentage in de ene groep 55 is en in de andere
groep 45.
In werkelijkheid was de effectgrootte nog kleiner omdat er alleen absolute
waarden werden gebruikt. Zo is het mogelijk dat therapie A in vergelijking
met therapie B de ene keer een effectgrootte van +0,2 oplevert en een
andere keer een effectgrootte van 0,2. De gemiddelde effectgrootte
is dan niet 0,2 maar 0. Wampold merkte op dat de meeste waarden in de
buurt van de nul lagen en dat sterke effecten niet vaker voorkwamen dan
op grond van het toeval mocht worden verwacht.
De uitkomst van een vergelijking tussen twee soorten psychotherapie blijkt
bovendien samen te hangen met de overtuiging van de onderzoekers. Zo kwamen
aanhangers van de cognitieve therapie vaak tot de conclusie dat hun favoriete
methode beter werkte dan gedragstherapie. Maar wanneer het onderzoek werd
uitgevoerd door pleitbezorgers van de gedragstherapie, dan kwamen er tegengestelde
resultaten uit de bus. Ogenschijnlijke verschillen in werkzaamheid verdwijnen
vaak wanneer men rekening houdt met de voorkeur van de onderzoekers.
Nieuwe moed
De bekende psycholoog Hans J. Eysenck (1916-1997) betoogde meer dan veertig
jaar lang dat psychotherapie overbodig is omdat neurotische stoornissen
in ongeveer twee op de drie gevallen spontaan weer verdwijnen binnen een
periode van twee jaar. Praattherapieën dragen daar naar zijn oordeel
niets aan bij alleen gedragstherapie zou effectiever zijn.
Honderden studies waarbij cliënten die psychotherapie ontvingen
werden vergeleken met mensen die op de wachtlijst waren geplaatst, hebben
duidelijk gemaakt dat Eysenck ongelijk had. In vergelijking met degenen
die niet behandeld worden, is de effectgrootte van psychotherapie ongeveer
0,8. Dit wil zeggen dat de gemiddelde cliënt die in therapie gaat,
meer vooruitgang boekt dan bijna 80 procent van de onbehandelde cliënten.
Bij medisch onderzoek is het gebruikelijk om de resultaten van de behandelde
groep te vergelijken met een groep die een placebo ontvangt. Op die manier
probeert men het specifieke effect van een medicijn te onderscheiden van
psychologische factoren. Ook bij onderzoek naar psychotherapie wordt soms
een placebogroep gebruikt. De effectgrootte van zo'n pseudo-behandeling
bedraagt ruim 0,4 (Lambert & Bergin, 1994).
We zouden hieruit kunnen concluderen dat de resultaten van psychotherapie
voor ongeveer de helft te danken zijn aan algemene factoren (onder meer
aan de verwachtingen van de cliënt en het contact met de therapeut)
en voor de andere helft aan de specifieke technieken van een bepaalde
therapie. Maar dat is volgens Wampold (2001) geen juiste gedachtengang
omdat een placebobehandeling niet alle gewenste non-specifieke ingrediënten
bevat. Een belangrijke tekortkoming is dat de schijnbehandeling niet wordt
uitgevoerd door een therapeut die gelooft dat de methode effectief is
en die zijn enthousiasme en positieve verwachtingen op de cliënt
overdraagt. Dubbelblind onderzoek is niet mogelijk. De therapeut weet
dat het de bedoeling is dat de placebobehandeling niet therapeutisch werkt.
Daarom probeert hij de cliënt zo min mogelijk te beïnvloeden
en geeft hij geen concrete adviezen. Hij levert ook geen geloofwaardige
verklaring voor de psychische problemen en legt niet uit hoe de therapie
deze kan oplossen. Hij biedt geen ritueel of een gestructureerde methode
om samen met de cliënt bepaalde doelen te bereiken. Hij moedigt de
cliënten niet aan om actief deel te nemen aan het therapeutisch proces
en geeft ze niet het idee dat ze vooruitgang boeken. Het is daarom niet
verwonderlijk dat een placebobehandeling minder oplevert dan een volwaardige
psychotherapie.
Er zijn nog meer redenen om aan te nemen dat het effect van psychotherapie
niet te danken is aan de specifieke technieken die men gebruikt, maar
aan algemene factoren die bij alle psychotherapieën te vinden zijn.
Ahn & Wampold (2001) maakten een meta-analyse van 27 zogenoemde `ontmantelingsstudies'.
Daarbij wordt een essentieel bestanddeel van een bepaalde therapievorm
opzettelijk weggelaten. Als zo'n onderdeel werkelijk van belang is, dan
mag je verwachten dat de uitgeklede therapie wat minder goed werkt dan
de volledige versie. Dat bleek echter niet het geval: het was eerder omgekeerd.
Er zijn geen aanwijzingen dat het effect van een therapie te danken is
aan de specifieke psychologische mechanismen waarop deze therapie zich
richt. Zo probeert de cognitieve therapie depressies te behandelen door
de cliënt bewust te maken van negatieve gedachten die in bepaalde
situaties automatisch worden opgeroepen. Met behulp van speciale technieken
slaagt men erin deze automatische gedachten te verminderen. Andere therapieën
(waaronder medicijnen) hebben echter hetzelfde effect.
Het grootste deel van het therapeutisch effect treedt vaak al na enkele
sessies op, nog voordat de cliënten hebben geleerd hoe ze bepaalde
technieken moeten gebruiken. Dit komt waarschijnlijk doordat de therapeut
hun de hoop geeft dat ze iets aan hun situatie kunnen veranderen. Mensen
gaan meestal in therapie wanneer ze gedemoraliseerd zijn geraakt en zich
machteloos voelen om zelf iets aan hun problemen te doen. De therapie
geeft ze weer nieuwe moed en een steun in de rug.
Sommige therapeuten boeken beduidend meer succes dan andere, maar dat
houdt geen verband met de theorie die ze aanhangen. Men heeft ook niet
kunnen vaststellen dat hun behandeling meer effect sorteert naarmate ze
beter zijn opgeleid of meer ervaring hebben (Christensen & Jacobson,
1994). Goede therapeuten hebben bepaalde persoonlijke kwaliteiten. Ze
zijn warm, empathisch, begripvol, ondersteunend, vertrouwenwekkend en
hoopvol. Ze houden zich niet strikt aan hun handboek maar stemmen de behandeling
af op de doelen en opvattingen van de cliënt.
Psychotherapie is voorlopig nog geen toegepaste wetenschap. Als je in
therapie wilt, kun je het beste een therapeut zoeken die goed bekend staat
en die een onomstreden methode gebruikt die je aanspreekt en waarin vertrouwen
hebt. En als het in het begin stroef loopt en niet goed klikt, blijf dan
niet wachten tot het beter wordt, maar ga naar een ander.
Literatuur
Ahn, Hyun-nie & Wampold, B.E. (2001). Where oh where are the specific
ingredients? A meta-analysis of component studies in counseling and psychotherapy. Journal of Counseling psychology, 48(3), 251-257.
Asay, Ted P. & Lambert, M.J. (1999). The empirical case for the common
factors in therapy: quantitative findings. In M.A. Huble, B. Duncan, &
S. Miller (eds.), The heart and soul of change: what works in therapy (pp. 23-55). Washington. D.C.: American Psychological Association.
Christensen, A. & Jacobson, N.S. (1994). Who (or what) can do psychotherapy:
The status and challenge of nonprofessional therapies. Psychological
Science, 5, 8-14.
Eysenck, Hans (1992). The outcome problem in psychotherapy. In Dryden
& Feltham (Eds.), Psychotherapy and its discontents, pp. 100-134.
Buckingham: Open University Press.
Frank, Jerome D. & Frank, J.B. (1993). Persuasion and healing :
a comparative study of psychotherapy. Baltimore: Johns Hopkins University
Press (3rd edition).
Horgan, John (1999). Freud is niet dood. Amsterdam: Ambo, 2000.
Lambert, M.J. & Bergin, A.E. (1994). The effectiveness of psychotherapy.
In A.E. Bergin & S.L. Garfield (eds.), Handbook of psychotherapy
and behavior change (pp. 143-189). New York: Wiley.
Luborsky, Lester, Singer, B. & Luborsky, L. (1975). Comparative studies
in psychotherapies: is it true that "everybody has won and must have
prizes?". Archives of General Psychiatry, 32, 995-1008.
Luborsky, Lester, Rosenthal, R., Diguer, L., Andrusyna, T.P., Berman,
J.S., Levitt, J., Seligman, D.A., & Krause, E.D. (2002). The dodo
bird verdict is alive and well mostly. Clinical Psychology:
Science and Practice, 9, 2-12.
Mair, Katharine (1992). The myth of therapist expertise. In Dryden &
Feltham (eds.), Psychotherapy and its discontents, pp. 135-168.
Buckingham: Open University Press.
Messer, Stanley B & Wampold, B.E. (2002). Let's
face facts. common factors as more potent than specific therapy ingredients. Clinical Psychology: Science and Practice, 9(1), 21-25.
Rosenzweig, Saul (1936). Some implicit common factors in diverse methods
of psychotherapy. American Journal of Orthopsychiatry, 6, 412-415.
Snyder, C. R., Michael, S. T., & Cheavens, J. (1999). Hope as a psychotherapeutic
foundation for nonspecific factors, placebos, and expectancies. In M.A.
Huble, B. Duncan, & S. Miller (Eds.), Heart and soul of change (pp. 179-200). Washington, DC: American Psychological Association.
Wampold, Bruce E., Mondin, G. W., Moody, M., Stich, F., Benson, K., &
Ahn, H. (1997). A
meta-analysis of outcome studies comparing bona fide psychotherapies:
Empirically, "all must have prizes." Psychological Bulletin,
122(3), 203-215.
Wampold, Bruce E. (2001). The great psychotherapy debate. Mahwah,
New Jersey: Lawrence Erlbaum.
Wampold, B. E. (2001). Contextualizing psychotherapy as a healing practice:
Culture, history, and methods. Applied & Preventive Psychology,
10, 69-86.
Rob Nanninga is hoofdredacteur van Skepter.
© Stichting Skepsis. Het is niet toegestaan artikelen uit Skepter op andere websites over te nemen.
|