De professor en de paragnost
Gerard Croiset, die onverwacht
overleed in juli 1980, was ongetwijfeld een van de paragnostische supersterren
van deze eeuw. Zijn mentor, professor Wilhelm Tenhaeff, heeft hem beschreven
als de Mozart of Beethoven onder de helderzienden. Tenhaeffs Duitse collega,
professor Hans Bender, gaf onlangs toe dat Croiset ertoe heeft bijgedragen
dat zijn geloof in buitenzintuiglijke waarneming is omgeslagen in een
'onwrikbare overtuiging'. De overlijdensberichten in de Europese pers
gaven blijk van de unieke reputatie van de paragnost. Volgens Elsevier
had de overledene een 'nieuw bewustzijn van kosmische solidariteit' ingeluid.
Het Duitse parawetenschappelijke maandblad Esotera publiceerde
een hoofdartikel waarin de dood van 'de helderziende die nooit teleurstelde'
werd betreurd. Een professor van de pauselijke universiteit sprak de grafrede
uit.
Croisets paranormale carrière kan dan ook zonder meer
indrukwekkend worden genoemd. Als we zijn biografen mogen geloven, heeft
hij enkele van de meest raadselachtige misdaden van deze eeuw opgelost,
ontelbare verloren voorwerpen gevonden en honderden vermiste personen
opgespoord. Van zijn paranormale geneeskunst wordt gezegd dat deze vergelijkbaar
was met die van Edgar Cayce. Hij zou ook regelmatig de toekomst juist
hebben voorspeld. De meeste van zijn opmerkelijke prestaties zouden gedaan
zijn onder wetenschappelijke begeleiding, hetgeen hem een van de meest
rigoureus geteste paragnosten zou maken sinds Mrs. Piper.
Gerard Croiset was respectabel. Veel goed opgeleide mensen
die beweren niet in buitenzintuiglijke waarneming te geloven, zijn tegelijkertijd
bereid geweest om voor Croiset een uitzondering te maken. De Amerikaanse
journalist Jack Hamison Pollack, die een biografie van de paragnost heeft
geschreven, beweert dat hij vijf jaar bezig is geweest met het natrekken
en controleren van Croisets staat van dienst. Pollacks conclusie: 'Ongelooflijk,
maar waar.' Ongelooflijk wel, ja. Maar waar?
Paranormale detectives
De activiteiten van Croiset en andere paragnosten die
beweren de politie te helpen, hebben veel gemeen met zogenaamde 'spontane
paranormale ervaringen'. Dit soort ervaringen vindt meestal plaats zonder
wetenschappelijke controle en zijn per definitie niet herhaalbaar. Dit
betekent dat het enige bewijs dat ervoor is, bestaat uit hetgeen getuigen
zich kunnen herinneren of wensen mede te delen. Voordat hij tot een conclusie
kan komen, moet de kritische onderzoeker twee vragen beantwoorden:
1. Zijn de getuigenverklaringen volledig, zijn ze juist,
of worden feiten bewust verdraaid?
2. Is er voor wat er aan bewijs overblijft een meer aannemelijke verklaring
mogelijk dan buitenzintuiglijke waarneming?
De bronnen
De studie van Crolset is vrijwel geheel het
monopolie geweest van Wilhelm Heinrich Carl Tenhaeff, de Nederlander die
in 1953 werd benoemd tot bijzonder hoogleraar parapsychologie aan de Rijksuniversiteit
Utrecht - toentertijd een unicum in de wereld. Tenhaeffs boeken en artikelen
zijn de voornaamste bron van informatie over Croiset, wiens reputatie
staat of valt bij de betrouwbaarheid van zijn geleerde mentor. Helaas
is maar weinig van Tenhaeffs werk vertaald in het Engels, waardoor voor
buitenlanders Pollacks biografie Croiset the Clairvoyant het belangrijkste
naslagwerk is over Croiset. Pollack is een journalist, geen academicus.
Toch mag zijn biografie worden beschouwd als een gezaghebbend werk, omdat
hij geschreven is onder de persoonlijke begeleiding van Tenhaeff. 'Hij
heeft onvermoeibaar alle feiten in mijn manuscript nagetrokken,' schrijft
Pollack.
Tenhaeff zelf heeft dit - met enige trots - bevestigd
in zijn Tijdschrift voor Parapsychologie (het lijfblad van de
Studievereniging voor Psychical Research, de SPR). Volgens Tenhaeff is
Croiset the Clairvoyant geschreven op basis van door hem verstrekte
informatie en onder zijn begeleiding.
Politierapporten
Pollack beweert dat Croisets lof niet alleen werd bezongen
door parapsychologen, maar door politiemensen over de hele wereld. 'Ik
heb alle relevante politierapporten bestudeerd,' verzekert Pollack ons.
Ik vraag me af wat hij daar precies mee bedoelt. De meeste rapporten waar
hij naar verwijst moeten in het Nederlands geschreven zijn geweest, en
ik twijfel er aan of hij ooit de Nederlandse taal heeft geleerd. Uit zijn
boek blijkt het in ieder geval niet. We mogen rustig aannemen dat Pollack
zich tevreden stelde met samenvattingen of vertalingen van de relevante
documentatie, voor hem verzorgd door Tenhaeff en andere kennissen in Nederland.
Hij zal waarschijnlijk hebben gedacht dat dit geen kwaad kon. Ten slotte
werd zijn werk gecontroleerd door een gerespecteerd geleerde - een hoogleraar
aan een universiteit, een man die door de Amerikaanse psychiater-parapsycholoog
Dr. Berthold Eric Schwarz was vergeleken met Copernicus, Einstein en Freud.
De zaak van de jongen op het vlot
Het wordt tijd om een blik te werpen op een van Croisets
meest eclatante successen. Het geval staat bekend als 'de zaak van de
jongen op het vlot'. Deze zaak is veelvuldig besproken in de parapsychologische
literatuur en Tenhaeff zelf heeft ook meer dan eens aangegeven dat hij
het geval als een 'klassieker' beschouwt.
Pollack beschrijft de gebeurtenissen als volgt (zie pagina
106 en 107 van de Bantam paperback uitgave van Croiset the Clairvoyant):
Op zaterdag 29 augustus 1953 om 2 uur 's middags ging
de tien jaar oude Dirk Zwenne uit Velsen - gelegen bij het Noordzeekanaal
- naar buiten om te spelen. Toen de jongen aan het begin van de avond
nog niet thuis was gekomen, werden zijn ouders ongerust. Ze belden het
politiebureau, zonder er iets wijzer van te worden. Toen na twee dagen
nog geen spoor van de jongen was gevonden, belde een oom Croiset op,
wiens telefoonnummer en adres - in Enschede - hij had gekregen van een
politiecommissaris. De helderziende zag meteen dat Dirk verdronken was:
'Ik zie een kleine haven, een vlotje en een zeilbootje. De jongen was
op het vlot aan het spelen. Hij gleed uit en viel in het water. Bij
zijn val liep hij aan de linkerkant van zijn hoofd een verwonding op,
doordat hij de zeilboot raakte. Het spijt me zeer. Er was een sterke
stroming in de haven. Het lichaam van de jongen zal over een paar dagen
worden gevonden in een ander haventje, dat in verbinding staat met het
eerste haventje.'
Vijf dagen nadat hij was verdwenen werd het lichaam
van Dirk Zwenne inderdaad, helaas, gevonden in het tweede haventje.
En, precies zoals Croiset had gezien, had de jongen een wond aan de
linkerkant van zijn hoofd. Het vlot en het zeilbootje werden teruggevonden
in het eerste haventje - wederom precies zoals de paragnost het had
beschreven. 'Het is zeer waarschijnlijk dat alles precies is gegaan
zoals de paragnost het heeft gezien,' was het commentaar van professor
Tenhaeff.
Dit lijkt inderdaad een indrukwekkende prestatie van Croiset
- als het waar is. Vreemd genoeg schijnt niemand er ooit aan gedacht te
hebben Pollacks relaas te vergelijken met een brief die werd gepubliceerd
in het Tijdschrift voor Parapsychologie in 1955 (jaargang 23, nr.
1/2). Deze brief - vervat in een artikel van Tenhaeff - is van de hand
van de heer A.J. Allan, de oom die Croiset te hulp had geroepen, Als we
deze brief lezen krijgen we een idee van wat er werkelijk gebeurde.
Op maandag 31 augustus belde de heer Allan de helderziende
op, die op dat moment in Enschede woonde. Hij handelde daarbij op advies
van de Haarlemse commissaris van politie Gorter, die overigens ook de
tweede secretaris was van de Studievereniging voor Psychical Research,
en een kennis van zowel Tenhaeff als Croiset. Croiset, die meteen liet
blijken dat hij van de zaak afwist, gaf Allan het advies om bij 'een gashouder'
te zoeken.
- Allan:
- Een gashouder?
- Croiset:
- Ja, het kan ook een tank zijn of een ketel of iets
dergelijks. Daarbij zie ik een weg en een slootje. Ik zie ook een bruggetje,
dan een watertje. Spreek ik met de vader van het jongetje?
- Allan:
- Neen, U spreekt met een oom.
- Croiset:
- Goed. Ik kan dus vrij uitspreken. Dat kind is verdronken,
het leeft dus niet meer. Ik zie ook een steigertje en een roeibootje
of iets dergelijks. Daar moet hij liggen.
- Allan:
- Kan het het Noordzeekanaal zijn?
- Croiset:
- Neen, dat is mij te breed, zoveel water zie ik niet.
- Allan:
- Waar kan het dan wel zijn?
- Croiset:
- Ik ken Velsen niet, maar zoekt u maar naar die gashouder
of tank. Daar is het rechts van. Om precies te weten waar het is zou
ik naar Velsen moeten komen. Belt u mij maar op als dat nodig is.
Zoals bekend is er in Nederland geen gebrek aan wegen,
sloten, bruggetjes, watertjes, steigers, roeiboten en dingen die beschreven
kunnen worden als gashouders, tanks, boilers 'of iets dergelijks'. Croisets
indrukken kunnen dan ook niet bepaald erg nauwkeurig worden genoemd. Volgens
Allan besloot de politie, 'nadat men enige mogelijkheden had overwogen',
dat Croiset een kleine haven 'gezien' moest hebben in de nabijheid van
een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit is een nogal verrassende interpretatie,
aangezien deze 'haven' (in werkelijkheid een inham) een deel van het Noordzeekanaal
is. Croiset was op slechts een punt heel duidelijk geweest: het watertje
was niet het Noordzeekanaal. Wat mij betreft duidt dit er sterk op dat
de politie haar eigen redenen had om aan te nemen dat het haventje een
aannemelijke plaats was.
De politie besloot de volgende dag de haven te dreggen.
Diezelfde dag vernam zij dat Dirk, kort voordat hij verdween, een van
zijn vrienden had verteld dat hij een 'fijn vlotje' had gevonden. Croiset,
die later die dag opnieuw werd opgebeld, begon nu ook indrukken te krijgen
van een vlot. Allan suggereert dat dit te danken was aan telepathie, maar
de skeptische lezer zal zich een andere verklaring voor kunnen stellen.
In de kleine haven werd niets gevonden, en de volgende
dag, woensdag, verzocht Allan Croiset om naar Velsen te komen. De helderziende
arriveerde diezelfde avond, in het gezelschap van Tenhaeff. Croiset werd
naar het haventje gebracht, waar hij 'sterke emoties' begon te krijgen.
Hij verklaarde dat de jongen met zijn vlot aan het spelen was geweest,
zijn evenwicht had verloren, en zijn hoofd had gestoten tegen een hard
voorwerp. 'Volgens zijn (Croisets) mening was dit hem noodlottig geworden,'
schrijft Allan in zijn brief. Croiset voorspelde dat het lichaam niet
zou worden gevonden voor maandag 7 september of dinsdag 8 september, en
een verwonding zou hebben 'aan de linkerkant van het voorhoofd'. Croiset
werd daarna naar de tweede kleine haven gebracht die ook deel uitmaakt
van het Noordzeekanaal. Daar kreeg hij echter 'geen emoties'.
De volgende ochtend, donderdag 3 september, werd het lichaam
van Dirk Zwenne gevonden in het kanaal bij de ingang van de tweede haven.
Zijn hoofd vertoonde kneuzingen, maar niet op de plaats die Croiset had
aangegeven. Waar en in welke omstandigheden de jongen in het water was
gevallen is nooit vastgesteld.
Als we dit verhaal vergelijken met Pollacks 'samenvatting'
dan blijkt een geheel onspectaculaire gebeurtenis een magische metamorfose
te hebben ondergaan. Croisets indrukken waren vaag en in de meeste gevallen
onjuist, en toch wordt deze zaak aangehaald als een van de klassieke gevallen
van paranormaal speurderswerk. Hoe is het mogelijk dat deze fantastische
verdraaiing van de feiten niet werd geconstateerd door een ervaren Amerikaanse
journalist en een eminent hoogleraar? Het antwoord op deze vraag bevat
wellicht de sleutel tot de oplossing van het Croiset-mysterie. Het was
namelijk Tenhaeff zelf die de gewijzigde versie'verzon. Nadat hij Allans
verhaal had gepubliceerd voor de Nederlandse markt, schreef hij een ander
verhaal voor de export.
Het enige dat Pollack hoefde te doen was Tenhaeffs Duitse
of Engelse versie (respectievelijk gepubliceerd in Zeitschrift für
Parapsychologie und Grenzgebiete der Psychologie, jaargang 2, nr.
1, 1958 en Proceedings of the Parapsychological Institute of the State
University of Utrecht, nr. 1, december 1960) te parafraseren. Tenhaeffs
Engelse versie luidt - in vertaling - als volgt:
Toen op 31 augustus nog geen spoor van het kind was
gevonden, belde een oom van het vermiste kind Alpha (Croisets codenaam)
op, wiens naam en adres hij had gekregen van een politiecommissaris.
Volgens de paragnost was het kind verdronken. Onder de 'beelden' die
Alpha zag waren een paar die betrekking hadden op een kleine haven.
In deze kleine haven 'zag' hij een vlot en een zeilbootje. Volgens de
paragnost was het kind aan het spelen geweest op het vlot. Hij veronderstelde
dat de jongen tijdens het spelen was uitgegleden en in het water was
gevallen. Hierbij had hij klaarblijkelijk een wond opgelopen aan de
linkerkant van het hoofd, doordat hij zich bij zijn val had gestoten
aan de zeilboot. Als gevolg van de stroming in de haven, zo verklaarde
de paragnost, zou het lichaam van de jongen worden gevonden in een ander
haventje dat in verbinding stond met het eerste haventje. Op 3 september,
precies zoals de paragnost had 'gezien', werd het lichaam van Dirk Zwenne
daadwerkelijk gevonden in de tweede haven met een wond aan de linkerkant
van zijn hoofd.
Deze versie is op alle essentiële punten identiek aan
die van Pollack. In deze vorm is 'de zaak van de jongen op het vlot' een
'klassieker' geworden voor de aanhangers van buitenzintuiglijke waarneming.
Het verhaal viel aldus onder meer te lezen in het hoofdartikel over Croiset
in de Holland Herald van september 1979, in Ryzls Parapsychology:
A Scientific Approach, en in vele andere publicaties. Het is duidelijk
dat in dit geval Tenhaeff de feiten heeft verdraaid. We zullen later nog
terugkomen op de redenen die hem wellicht hiertoe hebben gebracht.
Pollack als getuige
De onjuistheden in het verslag van bovenstaande zaak kunnen
Pollack moeilijk worden aangerekend. Het is begrijpelijk dat een journalist
vertrouwt op het woord van een hoogleraar. Pollack kan echter wel worden
aangesproken op zijn verslagen van zaken waar hij zelf zegt getuige van
te zijn geweest.
In This Week van 19 februari 1961 (zie ook pagina
25-26 van de paperback editie van de biografie) vertelt Pollack dat hij
aanwezig was toen Croiset op 21 mei 1960 werd opgebeld door de buurman
van een Eindhovense familie waarvan de vier jaar oude zoon al 24 uur was
vermist. Volgens het artikel in This Week had de politie 'geen
enkele aanwijziging'.
'Het ziet er niet best uit,' zou Croiset gezegd hebben.
'De omgeving moet onmiddellijk worden doorzocht. Maar ik ben bang dat
over een dag of drie het lijk van het kind gevonden zal worden in het
kanaal vlakbij de brug.' 'Drie dagen later,' vervolgt Pollack, 'belde
ik de Eindhovense politie op. Ze hadden zojuist het lijk gevonden bij
een van de pijlers van de brug over het kanaal - precies zoals Croiset
had voorspeld.'
Ergens moet iets mis zijn gelopen toen Pollack de politie
van Eindhoven belde. In 1981 heeft de heer W. Jongsma van de Voorlichtingsdienst
van de Eindhovense politie voor mij het politierapport nagekeken. De werkelijkheid
zat iets anders in elkaar. Het slachtoffer, de drie jaar oude Anthonius
Thoonen, viel op 20 mei in de rivier de Dommel, toen hij aan het spelen
was met een vriendje. Het vriendje zag het gebeuren en vertelde het de
moeder toen die haar zoon kwam zoeken. Mevrouw Thoonen zag iets op het
water drijven, vermoedelijk het lichaam van de jongen. Het was verdwenen
toen de politie arriveerde. Op 23 mei, twee dagen na het telefoongesprek
met Croiset, werd het stoffelijk overschot van Anthonius gevonden in de
rivier.
In het politierapport wordt de naam van Croiset niet genoemd.
Er staat ook niets in over een brug. (Overigens zijn er zoveel bruggen
over de Dommel dat er altijd wel een in de buurt is.) De politie heeft
steeds geweten dat de jongen in de rivier was verdronken. Pollacks bewering
dat de politie 'geen enkele aanwijziging' had is absoluut onjuist. Er
was geen helderziende voor nodig om vast te stellen dat 'het er niet best
uitzag' of dat de omgeving onmiddellijk doorzocht moest worden. Maar door
een paar belangrijke feiten over het hoofd te zien is Pollack in staat
om deze zaak weer te geven als een 'verbazingwekkende demonstratie' van
buitenzintuiglijke waarneming.
Een nieuwe speurtocht
In het boek van Pollack, en in vele andere Engelstalige
publicaties, wordt de indruk gewekt alsof de Nederlandse politie bij haar
onderzoeken steevast de hulp van paragnosten inroept. Sommige journalisten
schijnen te denken dat Tenhaeff via een speciale 'hot-line' verbinding
heeft met ieder politiebureau in het land. Wellicht heeft de taalbarrière
iets te maken met deze overdrijving. In werkelijkheid staan de Nederlandse
politieautoriteiten skeptisch tegenover helderziendheid. Als je politiemensen
vraagt wat ze van Croiset denken, zeggen ze meestal iets in de geest van
'misschien dat buitenzintuiglijke waarneming bestaat, maar Croiset heeft
ons nog nooit verder geholpen'.
Er zijn uitzonderingen. In het Algemeen Politieblad
(nr. 13,1964, pagina 297-300) verscheen een artikel van de hand van Inspecteur
G.D.H. van Woudenberg van de Voorburgse politie, waarin wordt verhaald
hoe Croiset erin slaagde het lichaam van de zes jaar oude Wim Slee op
te sporen. De jongen werd op 11 april 1963 als vermist opgegeven. Er werd
nog diezelfde dag een uitgebreide speurtocht ondernomen. Een politiehond
wees de weg naar een plaats aan de oever van het kanaal De Vliet. Er waren
goede redenen om aan te nemen dat de hond het bij het rechte eind had,
aangezien het bekend was dat de jongen hier vaak speelde. Zijn lichaam
werd echter niet gevonden. De volgende dag werd de zaak genoemd op radio
en tv en in de pers. Een aantal paragnosten kwam naar voren met volstrekt
nutteloze informatie. Ondertussen had een oom Croisets nummer gebeld,
maar hem werd verteld dat Croiset in het buitenland verbleef. Hij slaagde
er pas op 16 april in Croiset te bereiken. Croiset verklaarde dat de jongen
was verdronken in De Vliet. Zijn lichaam zou over enkele dagen boven water
komen, in de buurt van een brug, een sluis, 'of iets dergelijks'. Het
zou naar 'links' zijn afgedreven. Croiset vroeg om teruggebeld te worden
als de jongen op vrijdag de l9de nog niet was gevonden.
Vrijdags, toen er nog steeds geen spoor van Wim Slee was
gevonden, kwam Croiset naar Voorburg. Hij had een schets bij zich van
de plaats waar de jongen in het water was gevallen. Hij nodigde de politie
uit om met hem in zijn auto mee te rijden naar De Vliet. Hij stopte in
de buurt van de plaats die de hond had aangewezen en verklaarde dat hij
aan 'hevige emoties' onderhevig was. Van Woudenberg constateerde 'enige
frappante punten, die ook op de geschetste tekening stonden'. Croiset
verklaarde dat het kind daar was verdronken en dat zijn lichaam op dinsdagochtend
boven water zou komen, in de buurt van een brug, zo'n 700 meter stroomafwaarts.
Dit was rechts van de plaats van het ongeluk (gezien vanaf Voorburg),
maar Croiset legde uit dat 'rechts' in feite hetzelfde is als 'links'
- het hangt ervan afhoe je ervoor staat. Van Woudenberg vermeldt verder
dat de politiemensen bij de brug ook 'punten' zagen 'die overeenkwamen
met de telefonische beschrijving, eerder in de week aan de oom gedaan'.
Het stoffelijk overschot van Wim Slee werd inderdaad op dinsdag gevonden
bij de brug.
Waarschijnlijk had het lichaam van de jongen vastgezeten
in afval op de bodem van het kanaal. Croiset had dus gelijk. Maar dat
wil niet zeggen dat buitenzintuiglijke waarneming de enig mogelijke verklaring
is. Croiset gaf zijn eerste 'indrukken' op de 16de, vijf dagen nadat Wim
Slee als vermist was opgegeven. De zaak was toen al uitgebreid besproken
in de media. De politie vermoedde dat de jongen in De Vliet was verdronken
en de hond had zelfs de vermoedelijke plaats van het ongeval aangewezen.
Desondanks waren Croisets 'beelden' vaag. Hij gaf niet aan welke brug,
sluis 'of iets dergelijks' hij bedoelde. Zijn beschrijving had van toepassing
kunnen zijn op een groot aantal brugachtige constructies. Hij had verklaard
dat het lichaam 'naar links' was afgedreven, maar hij had niet gezegd
van welk gezichtspunt uit. Zijn verzoek om teruggebeld te worden als het
lichaam nog niet was gevonden op vrijdag de 19de duidt erop dat hij verwachtte
dat de jongen tegen die tijd gevonden zou zijn. Vrijdag de 19de was acht
dagen na de verdwijning van de jongen, en Van Woudenberg stelt dat 'een
lijk meestal na maximaal negen dagen boven komt drijven'.
Croiset schoot pas raak toen hij het voor de tweede keer
probeerde. De juistheid van de schets die hij op de 19de bij zich had
behoeft geen verbazing te wekken. Hij had eenvoudigweg de plaats getekend
die de politiehond had aangewezen. De mogelijkheid dat hij deze informatie
op normale 'zintuiglijke' wijze wist te verkrijgen kan niet worden uitgesloten.
Van Woudenberg (persoonlijke communicatie) vindt deze veronderstelling
enigszins onwaarschijnlijk, aangezien de schets bepaalde details bevatte
die niet zichtbaar waren vanaf de openbare weg. Ik ben zo vrij om te suggereren
dat Van Woudenberg wellicht de ingenuïteit van een zeer ervaren paragnost
onderschat.
Wat overblijft is het feit dat Croiset, in zijn tweede
serie 'indrukken', die hij had acht dagen na het ongeluk, wist te voorspellen
waar en wanneer het lichaam zou worden gevonden. Dit is misschien frappant,
maar het is zeker niet onmogelijk dat het hier een toevalstreffer betreft.
Van Woudenberg (persoonlijke communicatie) is nog steeds onder de indruk
van Croisets succes, hoewel hij de zaak niet als een afdoend bewijs voor
buitenzintuiglijke waarneming beschouwt. 'Het zwakste punt van het geval,'
vertelde hij me in februari 1981, 'is het feit dat het een vrij unieke
zaak schijnt te zijn. Het gebeurde 17 jaar geleden en het wordt nog steeds
aangehaald als misschien wel het meest overtuigende geval dat ooit plaatsvond
in Nederland. Je vraagt je af waarom er zo weinig vergelijkbare successen
voorhanden zijn.'
Missers
Als je het bekijkt als een alleenstaand geval, is Croisets
prestatie in Voorburg vrij indrukwekkend. Maar om te kunnen beoordelen
of het een toevalstreffer zou kunnen zijn, moeten we kijken naar de totale
'score' van de paragnost, over een langere periode. Hiervoor zijn geen
statistieken beschikbaar, maar er zijn wel een aantal betrouwbare indicatoren.
In zijn in de Engelse taal geschreven Proceedings
(1960) en in een aantal andere publicaties, heeft Tenhaeff toegegeven
dat het aantal succesvolle consultaties van paragnosten (succesvol uit
praktisch oogpunt) beperkt is. Het merendeel van het materiaal in Tenhaeffs
boek Beschouwingen over het gebruik van paragnosten (1957) - zijn
belangrijkste Nederlandstalige publicatie op het gebied van paranormaal
detectivewerk - betreft gevallen waarin de paragnost volgens de schrijver
buitenzintuiglijke waarneming demonstreerde, zonder dat hij hierbij daadwerkelijk
een misdaad oploste of een vermist persoon vond. Er zijn maar een handjevol
bekroonde paragnostische misdaadoplossingen, en die er zijn worden steeds
maar weer opnieuw aangehaald. Bovendien zijn sommige van deze 'bekroonde'
zaken, zoals ik hierboven heb aangetoond, alleen maar indrukwekkend wanneer
zorgvuldig met het bewijsmateriaal is geknoeid. In zijn boek Ontmoetingen
met Paragnosten (1979), haalt Tenhaeff Croiset aan, die zegt dat hij
gemiddeld 10 tot 12 keer per week wordt geraadpleegd door familie van
vermiste personen. Dat is ongeveer 500 keer per jaar, en Croiset was actief
vanaf de jaren '40!
Dit alles duidt erop dat duizenden van Croisets pogingen
om mensen op te sporen zijn mislukt - zelfs als we het soort zaken als
de 'jongen op het vlot' als een succes bestempelen. Met zoveel schoten
op het doel is het niet meer dan logisch dat er af en toe een doelpunt
valt. Het wonder dat Van Woudenberg dacht te aanschouwen kan hiervan een
voorbeeld zijn geweest. Tenhaeff is nogal terughoudend waar het de missers
betreft, behalve als hij ze meent te kunnen verklaren in termen van verkeerd
gerichte buitenzintuiglijke waarneming. De fiasco's die zelfs met een
bijzonder parapsychologisch pleidooi niet kunnen worden gered, worden
voor het gemak maar genegeerd. Er zijn echter meer dan genoeg voorbeelden
van te vinden.
In mei 1956 onthulde de officier van justitie in Amsterdam
dat drie paragnosten eerder dat jaar hadden geprobeerd licht te werpen
op de verdwijning van een 31-jarige inwoner van Rossum. Croiset had verklaard
dat de man in leven was en in Duitsland verbleef. Kort daarna werd zijn
stoffelijk overschot gevonden in de gemeente Ootmarsum.
In 1969 toog Croiset naar Viareggio in Italië om een 13-jarige
jongen, genaamd Ermano Lavonini, op te sporen. Hij 'zag' dat de jongen
in het water was gevallen bij het spelen. Het bleek echter dat hij was
vermoord door een vriend bij een ruzie. Zijn lichaam werd in de duinen
gevonden.
In 1966 reisde Croiset naar Adelaïde in Australië om drie
vermiste kinderen te zoeken. Een plaatselijk comité betaalde de reis.
Croiset was ervan overtuigd dat de kinderen onder een onlangs gebouwd
pakhuis waren begraven. Hij raadde aan het pakhuis af te breken. Het comité
zamelde 40.000 Australische dollars in om het pakhuis te laten slopen.
De grond onder de betonnen vloer werd tot drie en een halve meter diep
afgegraven. De lichamen werden niet gevonden. Croiset drong erop aan nog
een meter dieper te graven, dan zouden de lichamen worden gevonden. Het
mocht niet zo zijn. Deze kostbare vergissing kon zijn reputatie echter
niet deren. Drie jaar later haalde Het Vrije Volk een telexbericht
aan van de Associated Press, waarin werd beweerd dat de Australische
autoriteiten 'toestemming hadden geweigerd' om op de bewuste plek te graven.
In juni 1973 werd Croiset te hulp geroepen door familieleden
van een vermoorde Chinees uit Den Haag. Croiset gaf aan dat een zekere
meneer Senf er meer van wist. De familieleden ontvoerden Senf en martelden
hem drie uur lang om hem een 'bekentenis' af te dwingen. Maar Senf had
niets te bekennen. Hij had de moord niet begaan. De week daarop bezocht
Croiset Senf in het ziekenhuis, waar de man werd verpleegd na zijn pijnlijke
ervaring. Croiset bracht bloemen mee en verzekerde Senf dat hij nu geheel
overtuigd was van zijn onschuld.
In het Algemeen Politieblad van 9 januari 1960
verscheen een catalogus van paragnostische blunders, verzameld door de
Utrechtse commissaris van politie Th. van Roosmalen. Een voorbeeld: in
december 1957 verdween de 17-jarige zoon van de familie E. in Utrecht.
Het huis van de familie lag in de buurt van een kanaal. Na een paar dagen
namen de ouders contact op met Croiset. De paragnost verscheen en bracht
de ouders naar een kade. 'Hier is uw zoon te water geraakt en verdronken,'
verklaarde Croiset. 'Ik vind het vreselijk, dat ik de eerste ben die u
met dit smartelijke verlies moet condoleren.' De politie ving de volgende
dag het gerucht op dat de ouders contact hadden opgenomen met een begrafenisondememing
om de begrafenis van hun zoon te regelen. Een paar dagen later werd de
zoon gevonden. Hij had zich verstopt in een hooischuur op de Veluwe.
In het licht van al deze blunders - en er zijn nog veel
meer - lijkt Esotera's omschrijving van Croiset als 'de helderziende
die nooit teleurstelde' een element van dichterlijke vrijheid te bezitten.
Tenhaeffs herinterpretaties
Volgens professor Tenhaeff blijken het merendeel van de
treffers gescoord door paranormale detectives alleen vanuit papsychologisch
oogpunt van belang te zijn. Voor de politie zijn ze nutteloos, maar de
ervaren parapsycholoog ziet er interessante voorbeelden van buitenzintuiglijke
waarneming in. De paragnost mag dan de zaak niet tot een oplossing hebben
gebracht, hij heeft wel bepaalde details gezien die met de zaak te maken
hebben, waarvan achteraf vastgesteld kan worden dat het 'treffers' zijn.
Daarbij is het dan wel nodig dat de feiten op een 'juiste' manier worden
geïnterpreteerd.
Een anekdote die wordt aangehaald door de journalist Jack
Harrison Pollack (1964) is een welhaast komisch voorbeeld van een dergelijke
'interpretatie'. Pollack schrijft dat Croiset toen hij in 1950 werd geraadpleegd
in een verkrachtingszaak in Arnhem, verklaarde dat de verkrachter in het
bezit was van 'een abnormaal groot geslachtsdeel.' Nadat de politie een
verdachte had gearresteerd, inspecteerde men zijn edele delen maar deze
bleken van normale afmetingen te zijn. Geeft niks, zegt Pollack - 'ze
kwamen erachter dat hij een twintig jaar oude kok was die af en toe een
grote rode pekelnaald (een grote injectienaald waarmee vlees wordt ingespoten
met bijvoorbeeld pekel of bouillon) gebruikte in de keuken, hetgeen bij
Croiset het beeld had opgeroepen van een abnormaal groot geslachtsdeel.'
De meeste van Croisets successen, zowel in politiezaken
als in zijn 'stoelenproeven', waren van een vergelijkbaar gehalte. De
bereidheid die veel mensen tonen om dit soort achterafverklaringen te
accepteren is natuurlijk ook de reden voor de populariteit van allerlei
soorten waarzeggers. Voor Tenhaeft echter lijden mensen die dit soort
bezwaren aanvoeren aan 'Gestaltblindheid'.
Professor Tenhaett heeft vrijwel een monopolie gehad op
de studie van Croiset. Tenhaeffs boeken en artikelen zijn de voornaamste
bron van informatie over Croiset, wiens reputatie staat of valt bij de
betrouwbaarheid van zijn geleerde mentor. (Tenhaeff overleed op 9 juli
1981, terwijl dit artikel ter perse ging. Hij was van tevoren ingelicht
over de uitkomsten van mijn onderzoekingen, maar wilde niet ingaan op
mijn uitnodiging om commentaar te geven op specifieke gevallen.)
Critici
Th. van Roosmalen wordt niet genoemd in Pollacks boek,
en dat geldt ook voor verscheidene andere auteurs die van tijd tot tijd
Croisets prestaties en de documentatie erover in twijfel hebben getrokken.
In de index van Pollacks boek zoekt men tevergeefs naar namen als George
Zorab, de parapsycholoog die Croiset als eerste ontdekte en die Pollack
een paar interessante dingen had kunnen vertellen over de helderziende
en de professor. Spigt, de geschiedkundige die aantoonde dat Tenhaeffs
inaugurele rede in 1953 geheel gebaseerd was op onjuiste informatie; Filippus
Brink, de criminoloog die een proefschrift schreef over paranormale detectives;
Pelz, de politieman uit Hamburg die in 1959 een vernietigend rapport uitbracht
met de titel: Herr Croiset, Sie können nicht hellsehen; en Ph.
B. Ottervanger, de skepticus die in de jaren '50 Tenhaeff en zijn protégé
meer dan eens de voet dwars wist te zetten.
Pollack heeft misschien nog nooit van deze critici gehoord.
En Tenhaeff vond het blijkbaar niet nodig dat hij contact met hen zocht.
Zij zouden de Amerikaanse journalist er wellicht van hebben kunnen overtuigen
de grofste fouten in zijn manuscript te corrigeren en enig materiaal toe
te voegen, dat - hoewel niet complimenteus voor de hoofdpersoon - de kwaliteit
van de biografie in ieder geval ten goede zou zijn gekomen.
In hetzelfde nummer van This Week waarin ook de
zaak van Anthonius Thoonen aan de orde komt, beschrijft Pollack Tenhaeff
als een 'dienaar van de wetenschappelijke waarheid'. Dergelijke complimentjes
zijn ook te vinden in de biografie. Misschien zou Pollack wat minder lovend
zijn geweest als hij Roosmalens artikel in het Algemeen Politieblad
had gelezen. Hierin deed de Utrechtse commissaris verslag van een ontmoeting
met Tenhaeff, georganiseerd door de rechter-commissaris van Utrecht. Op
deze gedenkwaardige gelegenheid vertelde Van Roosmalen de professor ronduit
dat hij niet in paranormaal speurwerk geloofde. 'Commissaris,' antwoordde
Tenhaeff, 'als u wilt zal ik u een paar gevallen opnoemen, waarin de politie
faalde en Croiset slaagde.' Daarop ging Tenhaeff uitgebreid in op twee
zaken waar volgens hem geen speld was tussen te krijgen. De eerste betrof
een moord begaan in de gemeente X. Na maanden van vruchteloos onderzoek
ging de politie te rade bij Croiset. De helderziende gaf zo'n duidelijke
beschrijving van de moordenaar dat de politie in staat was de dader in
de kraag te vatten. De tweede zaak had betrekking op een diefstal in een
fabriek in de gemeente Y, die door Croiset was opgelost.
Van Roosmalen besloot deze beweringen na te trekken. De
politie in X was nogal verbaasd over Van Roosmalens vraag. Het was nogal
onwaarschijnlijk dat Croiset de dader had geïdentificeerd, zei men, aangezien
de betreffende moordzaak helemaal nooit had plaatsgevonden. Van Roosmalens
collega's in Y gaven inderdaad toe dat zij op Croisets advies iemand hadden
gearresteerd voor de diefstal, maar de man bleek volledig onschuldig te
zijn en moest met nederige excuses weer worden vrijgelaten. Van Roosmalen
werd aangeraden de naam van Croiset niet te noemen als hij ooit bij zijn
collega's in Y op bezoek zou komen.
Het zou voor Pollack ook zinvol zijn geweest om zijn licht
op te steken bij de politierechercheur Filippus Brink. In 1958 publiceerde
Brink een proefschrift (Enige Aspecten van de Paragnosie in het Nederlandse
Strafpoces), waarin hij de uitkomsten beschreef van een serie experimenten
met paragnostische detectives en van een enquête onder politieautoriteiten
in binnen- en buitenland. Brink had vier bekende paragnosten (waaronder
Croiset) getest, door ze foto's en andere voorwerpen te overhandigen met
het verzoek hun indrukken weer te geven. Een gedeelte van het materiaal
had te maken met politiezaken, een ander gedeelte niet. De experimenten
waren zeer uitgebreid en strekten zich uit over meer dan een jaar. Het
resultaat was belabberd. Bij het zien van de foto van een moordenaar zeiden
de paragnosten dat de man onschuldig was; bij het zien van een wapen dat
rechtstreeks uit de fabriek kwam, kregen ze beelden van overvallen en
moorden. In één van zijn weinige Engelstalige artikelen ('Aid to the Police',
Tomorrow, herfst 1953) had Tenhaeff beweerd dat Croiset niet 'viste'
naar informatie. Brink constateerde echter niets anders dan 'vissen' naar
informatie.
De uitkomsten an Brinks enquête waren ook al niet erg
bemoedigend voor de aanhangers van paranormaal speurwerk. Op een hele
enkele uitzondering na verklaarden alle Nederlandse en buitenlandse politiefunctionarissen
dat bij hun weten paragnosten nog nooit van nut waren geweest voor politieonderzoek.
De uitzonderingen die er waren, betroffen uitsluitend zeer twijfelachtige
successen. Brink zei me onlangs: 'Ik durf te stellen dat op een enkele
toevalstreffer na, geen enkele paragnost in Nederland ooit op paranormale
wijze een politiezaak heeft opgelost.' Recentelijk heb ik nog navraag
gedaan bij een aantal Nederlandse politiedistricten en het ziet er niet
naar uit dat er veel is veranderd sinds Brink zijn proefschrift publiceerde
in 1958.
Op heterdaad betrapt
Om redenen waar we later nog op terug zullen komen, werden
deze kritieken niet als fataal gezien voor Tenhaeffs reputatie als een
zorgvuldig en eerlijk academicus. Onder vier ogen gaven zijn aanhangers
weliswaar toe dat de professor zo nu en dan aan verstrooidheid leed, en
zelfs dat hij zich wellicht af en toe liet meeslepen door zijn eigen enthousiasme,
maar ze bleven erbij dat aan de grote lijn van zijn werk niet viel te
tornen. Sommigen werden pas aan het twijfelen gebracht in 1980, toen ik
de professor op heterdaad op bedrog betrapte. Dit keer was het niet zo
eenvoudig om een onschuldige verklaring te bedenken.
Ik heb me bij mijn onderzoek naar paranormale claims altijd
gericht op wat Tenhaeff zelf beschouwde als 'klassiekers' (om het verwijt
te voorkomen dat ik bevooroordeeld zou staan ten opzichte van het bewijsmateriaal).
Gezien Croisets internationale reputatie als paranormaal misdaadbestrijder
was ik nogal verbaasd over het geringe aantal zaken dat hij bleek te hebben
opgelost. De verslagen die er waren van zijn werk met de politie bleken
vrijwel altijd over zaken te gaan die niet tot een arrestatie van een
verdachte hadden geleid. De zaak in Wierden (waarbij Croiset de aanrander
van een meisje zou hebben geïdentificeerd, nadat hij alleen maar de hamer
waarmee het misdrijf was gepleegd had betast) werd steeds weer aangehaald
door bewonderaars van Croiset, totdat C.E.M. Hansel (1966) navraag deed
bij de plaatselijke autoriteiten en aantoonde dat de zaak bepaald anders
in elkaar stak.
In 1980 echter, in het september-nummer van het Duitse
maandblad Esotera, deed Tenhaeff verslag van een zaak die absoluut
waterdicht leek. In het kort luidde Tenhaelfs verhaal als volgt. Op 15
november 1979 bezocht een officier van de Rijkspolitie, commandant Eekhof,
Croiset en verzocht hem te helpen bij de opsporing van een mysterieuze
brandstichter die al maandenlang de omgeving van Woudrichem terroriseerde
en van wie de politie geen spoor had weten te vinden. Eekhof deed dit
'in de hoop dat hij (Croiset) in staat zou blijken te zijn de autoriteiten
aanwijzigingen te geven die zouden kunnen leiden tot de arrestatie van
de misdadiger.'
Enkele weken vóór Croisets plotselinge dood in juli 1980
had Tenhaeff de politie van Woudrichem bezocht, waarbij 'Eekhof hem tot
in alle details had verteld hoe succesvol Croisets assistentie was geweest.'
'Alles wat Eekhof ons vertelde,' schreef Tenhaeff, 'is op videoband opgenomen.
Van de banden is een protocol opgemaakt dat door Eekhof is gelezen en
ondertekend.' Volgens Tenhaeff werd Croiset te hulp geroepen nadat alle
officiële pogingen om de brandstichter te vinden waren gestrand. De helderziende
beschreef de brandstichter als een man die 'soms een uniform droeg,' 'in
een flatgebouw woonde,' en 'iets te maken had met speelgoedvliegtuigjes.'
Op Eekhofs vraag of dit modelvliegtuigjes zouden kunnen zijn, antwoordde
Croiset bevestigend. Eekhof zou 'geschokt' zijn geweest door de uitspraken
van de helderziende, omdat 'Croisets beschrijving paste bij een kwartiermeester
uit zijn eigen groep.' Volgens Tenhaeft kon de commandant in eerste instantie
zijn oren niet geloven, maar 'hij was enige tijd later genoodzaakt toe
te geven dat Croiset gelijk had gehad: de kwartiermeester was de pyromaan.'
Om deze opmerkelijke beweringen te controleren nam ik
contact op met commandant Eekhof en toonde hem het artikel in Esotera,
dat hem tot op dat moment geheel onbekend was. Nadat hij het artikel zorgvuldig
tweemaal had gelezer, stelde hij categorisch vast dat er 'zonder meer
leugens' instonden. Vervolgens liet hij me luisteren naar de opnames die
gemaakt waren van Croisets verklaringen. De meest in het oog springende
onjuistheden waren de volgende:
- De ontmoeting met Croiset vond plaats op 15 november
1977, twee jaar eerder dus dan de datum die door Tenhaett was gegeven.
De kwartiermeester werd pas in maart 1980 gearresteerd.
- Croiset noemde geen enkele maal het woord 'uniform',
wat de meest opzienbarende treffer zou zijn geweest.
- Croiset zei niets over 'speelgoedvliegtuigjes'. Wel
sprak hij over 'vliegtuigen' - 'zitten in vliegtuigen', 'vliegvelden',
en 'vliegtuigbouw'. Op Eekhofs vraag of het hier om modelvliegtuigjes
zou kunnen gaan antwoordde Croiset eerst, ja, misschien, maar trok dit
daarna terug, en zet 'nee, dit zijn grote vliegtuigen'. Het was juist
dat het bouwen van modelvliegtuigjes een hobby was van de kwartiermeester,
maar dit werd eerst gesuggereerd door Eekhof en niet door Croiset. Als
dit een buitenzintuiglijke waarneming was, dan was het er een van de
politieman, en niet van de paragnost!
- Croiset, die in een eerdere poging de dader te 'zien'
de politie al op een vals spoor had gebracht, wees ten slotte als brandstichter
een persoon aan waarvan Eekhof hem een foto liet zien. Deze persoon
- die de politie al beschouwde als de mogelijke dader - was niet de
kwartiermeester, die later bekende.
- Eekhof was zeker niet 'geschokt' door Croisets uitspraken,
omdat hij met geen mogelijkheid zijn collega herkend zou kunnen hebben
in Croisets verwarde beelden. De kwartiermeester, die ook niet in een
flatgebouw woonde, werd pas maanden later verdacht, om redenen die niets
te maken hadden met Croisets verklaringen.
- Eekhof ontkende ten enen male dat hij een protocol
had gelezen en ondertekend. Hij had zelfs nog nooit een protocol gezien.
Voordat ik Tenhaeffs bedrog aan de kaak stelde in De
Telegraaf gaf ik hem uiteraard de gelegenheid om een reactie te geven.
De 'dienaar van de wetenschappelijke waarheid' weigerde ronduit om antwoord
te geven op mijn vragen, en schreeuwde me een aantal beledigingen toe
voordat hij de hoorn op de haak gooide.
Het behoeft geen verbazing te wekken dat in Tenhaeffs
Nederlandstalige versie van de zaak in Woudrichem, die ongeveer tegelijkertijd
werd gepubliceerd in Tenhaeffs Tijdschrift voor Parapsychologie,
niet gerept wordt over 'uniformen' of 'ondertekende protocollen'. De ergste
misleidingen waren alleen bedoeld voor de export. Als ik hem er niet op
attent had gemaakt, zou Eekhof het sprookje in Esotera waarschijnlijk
nooit hebben gezien.
Croisets methode
Ik denk dat ik overtuigend heb aangetoond dat Tenhaeffs
verslagen, onze voornaamste bron van informatie over Croiset, absoluut
onbetrouwbaar zijn. Het is daarom gevaarlijk om 'natuurlijke' verklaringen
te gaan zoeken voor de 'feiten' die Tenhaeff presenteert. Men loopt de
kans zijn tijd te verspillen aan het verklaren van dingen die nooit zijn
gebeurd. Onder dit voorbehoud wil ik me toch wagen aan een paar bespiegelingen
over hoe Croiset erin is geslaagd schijnbaar paranormale successen te
boeken met geheel normale middelen.
Croiset, een bedreven hypnotiseur, was een ervaren spierlezer
en een meester in het stellen van suggestieve vragen. Hij was dan ook
zeer goed in staat om informatie uit mensen los te peuteren en die daarna
op te voeren als 'telepathische indrukken'. Het is mogelijk dat hij zo
nu en dan zijn toevlucht nam tot grovere methoden, zoals het gebruiken
van spionnen. In de pro-Croiset-literatuur is verbazend weinig terug te
vinden over de 'medewerkers' en 'secretarissen' van de helderziende, zoals
Dick West. Zorab (persoonlijke cornmunicatie) beschikt over bewijzen dat
Croiset soms gebruik maakte van handlangers bij zijn experimenten. Blijkbaar
weerhield Croisets beroepsethiek hem er niet van om af en toe wat foefjes
uit te halen.
Belangrijker nog is het feit dat Croiset wist hoe hij
vrienden moest maken en mensen moest beïnvloeden. Hij onderhield zeer
vriendschappelijke relaties met een aantal journalisten en dienaren van
de wet. (Enkele politiemensen waren patiënten van 'dokter' Croiset.) Dat
dit hun objectiviteit niet ten goede zal zijn gekomen lijkt voor de hand
te liggen. Croiset was een innemend man die op zijn bezoekers een oprechte,
eenvoudige indruk maakte. Men kreeg in zijn gezelschap niet het gevoel
dat men op zijn hoede moest blijven.
Discussie
De standaardverklaring van sceptici voor de zogenaamde
successen van paragnostische speurders is dat deze mensen hun cliënten
min of meer een verbale rorschachtest afnemen. Hun waarzeggingen zijn
meestal vaag, onsamenhangend en omslachtig. Het waarheidsgehalte ervan
wordt bepaald met terugwerkende kracht: achteraf worden de dubbelzinnige
en soms tegenstrijdige uitspraken op een zodanige manier geïnterpreteerd
dat ze overeenkomen met de feiten. De fouten en vergissingen worden voor
het gemak maar vergeten. De mogelijkheid dat een deel van de informatie
weleens op niet-paranormale wijze zou kunnen zijn verkregen, wordt stilletjes
genegeerd. Toevalstreffers worden breed uitgemeten en waar mogelijk hier
en daar nog wat verfraaid.
De uitkomsten van mijn onderzoek wijzen erop dat, wat
het fenomeen Croiset betreft, deze theorie niet behoeft te worden gewijzigd.
Croiset was een uitzondering niet zozeer wat betreft zijn paranormale
begaafdheid maar meer wat betreft de hoeveelheid propaganda die er voor
hem is gemaakt. Anders dan de meeste paragnosten had Croiset het geluk
dat hij een impresario vond die een behoorlijke reputatie had als wetenschapper
en geleerde. De 'Miracle Man' uit Nederland zou nooit zo beroemd zijn
geworden zonder Tenhaeffs onvermoeibare hulp. Het feit dat zijn mentor
een echte professor was heeft Croiset altijd beschermd tegen kritiek.
Van Croiset werd geloofd dat hij een bijzonder eerlijk mens was omdat
Tenhaeff zei dat hij dat was. Zoals ik al eerder heb gesuggereerd, ligt
de sleutel van het Croiset-mysterie bij Tenhaeff. De vraag is nu: wat
bewoog Tenhaeff om op deze manier te handelen? Waarom zette hij zijn academische
reputatie op het spel door aantoonbaar bedrog te plegen?
Ik denk dat het antwoord is dat Tenhaeff wel moest bedriegen,
en waarschijnlijk dacht hij dat hij er wel in zou slagen om niet betrapt
te worden. Reeds kort nadat hij Croiset ontmoette in 1947 moet Tenhaeff
zich gerealiseerd hebben dat de speurderssuccessen van de paragnost uiterst
twijfelachtig waren. Een objectieve, volledige lezing van de politierapporten
zou nooit iemand overtuigd hebben die al niet van tevoren sterk in het
paranormale geloofde.
Tenhaeff, die altijd al de ambitie had gehad om de Sigmund
Freud van de parapsychologie te worden, ontwierp iets dat hij een 'theorie'
noemde en waarmee hij vrijwel alles kon verklaren in termen van buitenzintuiglijke
waarneming. Het geval van de pekelnaald is een typerend voorbeeld. Maar
de professor had op z'n minst een paar waterdichte bewijzen nodig om zijn
vreemde theoretische constructie te onderbouwen. Bij gebrek aan authentieke
wonderen moest hij er zelf een paar creëeren.
Rest de vraag hoe het Wilhelm Tenhaeff gelukt is de mensen
zolang voor de gek te houden. Ik kan hier slechts een paar mogelijke verklaringen
suggereren.
1) Zijn beroepsstatus. Tenhaeff was de eerste hoogleraar
parapsychologie in de geschiedenis: een prestigieuze functie. 'Hij heeft
vast gelijk, anders zouden ze hem niet benoemd hebben,' was een veelgehoorde
uitspraak van zijn bewonderaars wanneer zij met kritiek werden geconfronteerd.
Voor velen was daarmee de kous af.
2) De verwarring die hij stichtte met zijn publicaties.
Tot groot genoegen van de ware gelovigen, voor wie abracadabra hetzelfde
is als diepzinnigheid, zijn Tenhaeffs geschriften zo helder als koffiedik.
Een zware nevel lijkt om zijn boeken te hangen. Om in dit doolhof van
duizenden kronkelende zinnen op zoek te gaan naar onjuistheden vergt buitengewoon
veel doorzettingsvermogen. De meeste skeptici laten het er begrijpelijkerwijs
na een paar zinnen maar bij zitten. Ikzelf ben er alleen maar aan begonnen
als gevolg van een uitdaging. Nadat ik in 1978 enige kritische opmerkingen
had geplaatst bij het parapsychologisch onderzoek daagden aanhangers van
de parapsychologie me uit om de confrontatie aan te gaan met het 'rigoureuze
wetenschappelijke werk' van Tenhaeff, waarvan zij dachten dat het het
beste bewijs vormde voor het bestaan van buitenzintuiglijke waarneming.
Kritisch onderzoek wordt verder bemoeilijkt door het feit
dat de professor slim gebruik maakte van de taalbarrière. De misleidende
verslagen van zaken zoals 'de jongen op het vlot' en de brandstichtingen
in Woudrichem waren alleen bestemd voor de export. Als compensatie deed
Tenhaeff af en toe ook het omgekeerde: in het Duitse Zeitschrift für
Parapsychologie und Grenzgebiete der Psychologie (nr. 4, 1980) heb
ik aangetoond hoe Tenhaelf op slinkse wijze een rapport van Dr. Jule Eisenbud,
over een transatlantisch experiment met Croiset, herschreef voor de thuismarkt
in Nederland.
3) De weifelachtige houding van de parapsychologische
gemeenschap ten opzichte van frauduleuze collega's. In parapsychologische
kringen heeft men zich nooit kunnen losmaken van het idee-fixe dat openlijke
kritiek op een collega de zaak van de parapsychologie schade toebrengt.
Sommige parapsychologen hebben al heel lang hun bedenkingen over Tenhaeff.
Slechts zelden durfden zij deze echter kenbaar te maken. En zelfs wanneer
ze dat deden werd de zaak, waarschijnlijk als gevolg van een bepaald sociologisch
mechanisme, nooit verder uitgespit.
4) Tenhaeffs meesterlijke propagandatechnieken. Tenhaeff
is altijd zeer bedreven geweest in propagandistische manipulatie. Door
slim gebruik te maken van zijn goede relaties met de media wist hij een
groot gedeelte van de publieke opinie in Nederland te overtuigen van het
idee dat hij de profeet was van een nieuwe, niet-materialistische wetenschap,
die had te lijden onder de irrationele haatgevoelens van mensen wiens
wereldbeeld bedreigd werd door de glorieuze ontdekkingen van de parapsychologie.
Hij liet nooit een gelegenheid voorbij gaan om zijn toehoorders te wijzen
op de religieuze implicaties van zijn werk of om te zinspelen op mogelijke
bolsjewistische invloeden in skeptische kringen. Zijn favoriete truc bestond
eruit om, liever dan zijn critici antwoord te geven op hun onbeschaamde
vragen, het publiek wijs te maken dat zij aan een freudiaans complex leden
en psychiatrische hulp nodig hadden.
Ironisch genoeg was het Tenhaeffs bizarre gedrag dat een
aantal skeptici ervan overtuigde dat hij een onschuldig slachtoffer was
van een sluwe paragnost. Zij konden zich niet voorstellen dat de professor
zelf een charlatan was. Zijn schijnbare goedgelovigheid diende als camouflage
voor zijn bedrog.
Conclusie
De bedoeling van dit artikel is niet om Croisets paranormale
gaven ex cathedra nietig te verklaren. Waar het mij om gaat is
de lezer attent te maken op een aantal valse noten in de partituren van
de Mozart onder de helderzienden - dissonanten die andere biografen schijnbaar
over het hoofd hebben gezien.
Als buitenzintuiglijke waarneming bestaat, dan zou het
inderdaad de meest economische verklaring kunnen zijn voor een aantal
van de toevalligheden die in connectie met Gerard Croiset zijn gerapporteerd.
Aan de andere kant zou het wel heel erg voorbarig zijn om op basis van
het Croiset-materiaal te concluderen dat buitenzintuiglijke waarneming
bestaat. Als zijn helderziendheid echt was geweest, waarom was het dan
nodig voor Tenhaeff om de feiten te verdraaien?
Ik wil zeker niet dogmatisch zijn over paragnostische
detectives. Het is mogelijk dat er ooit nog beter bewijs opduikt. Maar
tot die tijd zou ik u willen aanraden uw eventuele geloof in het paranormale
niet te baseren op 'de helderziende die nooit teleurstelde'.
Dankbetuiging
Mijn dank aan de heer en mevrouw Ottervanger uit Bussum, die zo vriendelijk
waren mij toegang te verlenen tot de uitgebreide archieven van wijlen
de heer Ph. B. Ottervanger.
Literatuur
Brink, F. (1958). Enige aspecten van de paragnosie in het
Nederlandse Strafproces. Utrecht: Drukkerij Storm. (Dit proefschrift
ligt ter inzage bij de Bibliotheek Strafrecht van de Rijksuniversiteit
Utrecht.)
Brink, F. (1960). Parapsychology and Criminal Investigation. International
Criminal Police Review 134 (januari).
Hansel, C.E.M. (1966). ESP: A Scientific Evaluation.
New York: Scribner, 197-203.
Hansel, C.E.M. (1980). ESP and Parapsychology. Buffalo,
NY: Prometheus, 262-268.
Hoebens, P.H. (1980). Vom Lob der Genauigkeit in der Parapsychologie.
Zeitschrift für Parapsychologie und Grenzgebiete der Psychologie,
22(4), 225-34.
Pelz, C. (1959/60) 'Herr Croiset, Sie kõnnen nicht hellsehen'.
Kosmos.
Pollack, Jack Harrison (1964). Croiset the Clairvoyant: the
Story of the Amazing Dutchman. Garden City, NY: Doubleday.
Roosmalen, Th. van (1960). Ervaringen met paragnosten en die zich
zo noemen. Algemeen Politieblad, 109, 3-9.
Tenhaeff, W.H.C (1953). Aid to the Police. Tomorrow,
Autumn.
Tenhaeff, W.H.C. (1955). De Paragnostische Begaafdheid van de
Heer C.H. Tijdschrift voor Parapsychologie, 23(2/3), 57-87.
Tenhaeff, W.H.C. (1957). Beschouwingen over het gebruik van
paragnosten, Utrecht: Bijleveld.
Tenhaeff, W.H.C. (1957). Ontmoetingen met Paragnosten.
Utrecht: Bijleveld.
Tenhaeff, W.H.C (1960). The Employment of Paragnosts for Police
Purposes. Proceedings of the Parapsychological Institute of the State
University of Utrecht, 1 (december), 15-32.
Tenhaeff, W.H.C. (1980). Der Paragnost. Esotera, 31(9),
816-27.
Woudenberg, G.D.H van (1964). Ervaringen met Paragnosten. Algemeen
Politieblad, 113, 297-300.
Zorab, G. (1965) Review of Jack Harrison Pollacks Croiset the
Clairvoyant, Journal of the Society for Psychical Research, 43,
209-12.
Dit artikel werd eerder gepubliceerd in The Skeptical
Inquirer (Fall 1981, vol. 6, no. 1; Winter 1981-82, vol. 6, no. 2)
en is uit het Engels vertaald door Karel Beckman.
HOMEPAGE
SKEPSIS

DE
NIEUWSTE SKEPTER
|