Skip to main content

Kritische beschouwing van de homeopathie

DEUK-vlag

coverDeJongh1943In 1943 voltooide de arts David Karel de Jongh een proefschrift over de homeopathie. Hij besloot met de conclusie dat de homeopathie maar beter weg kon. De basis voor dit oordeel was tweeërlei. Hij had vele honderden artikelen en boeken nauwkeurig doorgelezen, en hij had een tijd meegedraaid in een homeopathisch ziekenhuis. Het proefschrift is nu geheel gedigitaliseerd. De conclusies van De Jongh zijn nog even correct. Dit werd al opgemerkt door C.P. van der Smagt in zijn boekje Homeopathie, het wonder van het gelijkende (elders op deze website). Niet velen weten wat een rommeltje de homeopathie is. Het grote publiek meent dat het iets is met onschuldige kruiden. Degenen die er meer van weten, menen dat het over extreme verdunningen gaat.

Similiabeginsel

De homeopathie draait echter om het zogeheten similiabeginsel. Toen de bedenker Hahnemann er in 1796 mee begon, luidde dit ongeveer: als je een zieke wilt genezen, moet je eerst de symptomen van de zieke vaststellen, en dan iets zoeken dat net zulke symptomen bij gezonden geeft. Hoe Hahnemann op dit idee kwam, is onduidelijk. Hij citeerde een boek uit 1738 waar dit al met zoveel woorden in staat. De auteur, een zekere Johann Christian Hummel, schreef daarin over een Deense regimentsarts genaamd Stahl. Deze Stahl zou in eigen land tamelijk beroemd zijn en om zijn succes te verklaren, beweerde hij dat je ziekten beter volgens ‘similia similibus’ kon behandelen.

Hahnemann beweerde zelf dat hij op het idee kwam nadat hij bij wijze van proef tweemaal daags een opgehoopte eetlepel gemalen bast van de kinaboom had ingenomen, toentertijd een middel tegen malaria. Dat was een stuk of vijfmaal wat thans nog als veilige dosis beschouwd wordt. Hij kreeg ‘koorts’, wat in die tijd een vage aanduiding was die ook van toepassing was op de effecten van sterke koffie, peper, strychnine en arsenicum. Hij kreeg echter niet de typische koortsrillingen (‘Schauderfieber’) van malaria. Het was misschien een reactie op een van de vele bestanddelen van kinabast. Later is gebleken dat zo’n reactie op kinabast heel zeldzaam is.

Hahnemann over zijn kinaproef. Voor kritisch commentaar zie ook hier
Hahnemann over zijn kinaproef. Voor kritisch commentaar zie ook hier

Hahnemann bewees zijn methode niet door hem op de een of andere manier systematisch uit te proberen. Zijn onderzoek bestond uit het vergaren van anekdotes uit de medische literatuur die hij vaak zeer eenzijdig interpreteerde. Zijn systeem was een typisch schrijftafelproduct. Hij was ook niet de enige. In die tijd controleerden artsen nooit wat ze deden. Ze wisten ook vrijwel niets.

Verdunning

Aanvankelijk gaf Hahnemann geen absurd kleine doses. Dat veranderde al snel. In 1799, drie jaar na zijn eerste artikel, zien we al duizend- tot miljoenvoudige verdunningen. Dergelijke verdunningen werden ook gebruikt als hij zijn middelen uitprobeerde op gezonde vrijwilligers – althans wat in die tijd voor gezond doorging. Het is denkbaar dat hij die geen grote doses wilde geven, maar dat kan niet de reden geweest zijn om te behandelen met slechts enkele druppels kamillethee, die ook nog eens een miljoenmaal verdund was.

Misschien ontdekte hij dat de vrijwilligers allerlei ‘symptomen’ bleven krijgen, ook als hij ze zeer sterk verdunde middelen gaf. De verklaring is natuurlijk dat de proeven niet geblindeerd waren. Organon paragrafen 128-142 zijn bijna een handleiding voor het verkrijgen van onzinresultaten. Deze fout van Hahnemann is een traditie geworden. Later is gebleken dat mét blindering er helemaal niets gevonden wordt, behalve bij bijna-toxische doses.

Hoe dan ook, dat was het ogenblik dat hij bij zichzelf had kunnen zeggen: dit kan niet kloppen. Dat deed hij niet. Sterker nog, hij gaf geen enkele toelichting op zijn overschakeling op hoge verdunningen. In de homeopathie wordt sinds Hahnemann grote waarde gehecht aan het tussentijds schudden tijdens het verdunnen: 100 schudstoten per verdunning tegen een hard maar elastisch object, zie Organon paragraaf 270. Voetnoot 3 aldaar zegt zelfs: een in leer gebonden boek. Hahnemann zelf leverde geen bewijzen dat dit wat uitmaakt, en na hem zijn die ook niet geleverd. Van fysisch standpunt is het onzinnig. De moleculen in een vloeistof botsen vele miljoenen malen per seconde krachtig tegen elkaar, en alleen zeer onstabiele stoffen zoals nitroglycerine kunnen door schokgolven worden beïnvloed.

Toch ziekten!

Schurftmijt (Sarcoptes scabiei), volgens de homeopathie de oorzaak van bijna alle chronische ziekten.

Een volgende aanwijzing dat zijn systeem niet klopte, was dat de behandeling van chronisch zieken niet werkte. Hij had aanvankelijk gesteld dat er helemaal geen ziekten bestaan, alleen maar zieken, elk met hun volstrekt individuele samenstel van ‘symptomen’, dat wil zeggen dingen die de patiënt noemt in gesprek met de dokter. Maar toen Hahnemann geen succes had bij chronische ziekten, verzon hij drie universele ziektes die de oorzaak waren van alle chronische aandoeningen. Dat waren syfilis, gonorroe en ‘psora’, en van deze drie was psora verreweg de belangrijkste. Hij noemde deze ziekten miasma’s. In zijn tijd was miasma (Grieks voor bezoedeling) de term voor een onzichtbare ziekteoorzaak die naar men aannam een uitwaseming van vochtige grond, moerassen of rottend materiaal was. Hahnemann gaf er dus een precieze en even onzinnige betekenis aan.

Psora is gewoon Grieks voor schurft, en in al in 1687 hadden Italianen Diacinto Cestoni en Giovan Cosimo Bonomo ontdekt dat schurft veroorzaakt werd door de schurftmijt. Die maakt gangetjes in de huid, en veroorzaakt zo verschrikkelijke jeuk. Dat was zelfs de eerste ontdekking van een oorzaak voor een menselijke ziekte! Alleen trokken veel artsen zich niets aan van wat biologen beweerden. Zelf door een microscoop kijken deden dokters toen niet. Nog in 1845, dus driekwart eeuw na de proeven van Spallanzani, dacht de Weense homeopathische arts Franz Puffer dat de schurftmijt spontaan ontstond in de jeukende huid en dat generatio spontanea ook andere parasieten zoals ingewandswormen en hoofdluis voortbracht!

diechronischenkr00hahn3_0005Hahnemann vroeg aan zijn patiënten of ze ooit in hun leven wel eens jeuk of eczeem of uitslag of wratten of wat voor huidafwijkingen dan ook hadden gehad. Was het antwoord ja, dan was dat het bewijs dat psora in het spel was. Volgens Hahnemann was psora eigenlijk de melaatsheid van vroeger, die door de betere hygiëne veranderd was. Het bedwingen van de psora-jeuk werkte volgens hem averechts, want dan dwong je de ziekte naar binnen toe. Hahnemann publiceerde in 1828 een heel boek over chronische ziekten, met daarin ‘symptomen’ van hoogverdunde middelen die geschikt waren om die ‘psora’ te verdrijven.

Hahnemann en zijn volgelingen leken succes te hebben. Meerdere verklaringen liggen voor de hand. In de eerste plaats worden mensen ook wel vanzelf beter, en dan kan selectieve waarneming en selectieve herinnering wonderen doen, ook als de behandelaar een kwakzalver is. Voorts was het feitelijke ‘niet-behandelen’ wat de homeopaten deden waarschijnlijk beter dan wat de gewone artsen toen uitspookten: aderlaten, braak- en purgeermiddelen toedienen, kunstmatige zweren veroorzaken en allerlei kruidenmengsels voorschrijven.

Isopathie

Tijdens en na het leven van Hahnemann zijn diverse varianten van de homeopathie voorgesteld. Evenals voor de methode-Hahnemann was daar nooit experimenteel bewijs voor. Dat wil zeggen dat nooit groepen met en zonder behandeling behoorlijk werden vergeleken. De voornaamste innovaties waren isopathie, constitutieleer en complex-homeopathie en de zogenaamde biochemie. De Jongh behandelt wel veertig volgelingen, elk met eigenzinnige ideeën.

De kiem van het idee van de isopathie is afkomstig van de Duits-Amerikaanse homeopaat Constantin Hering, maar die kwam daar later van terug. Het idee werd pas goed uitgewerkt door deIsopathik dierenarts Johan Joseph Wilhelm Lux in zijn boek van 1833 Isopathik der Contagionen, oder: alle ansteckenden Krankheiten tragen in ihren Ansteckungsstoffe das Mittel zur ihrer Heilung. Zo behandelde Lux antrax met hoogverdund bloed van dieren die aan miltvuur leden. Tal van niet-‘ansteckende’ ziekten behandelde hij ook isopathisch: zweetvoeten met hoogverdund voetzweet, epilepsie met hoogverdund speeksel (schuim om de mond) van een epilepticus en nierstenen met hoogverdunde nierstenen. De meest onsmakelijke ziekteproducten werden door verdunning omgetoverd in ‘geneesmiddelen’: pus, kankergezwellen, ingewandswormen, je kunt het zo gek niet bedenken. Een variant van isopathie is het gebruik van verdunde organen voor de behandeling van ziekten van corresponderende organen, dus hepatinum bij leverziekten enzovoorts. Lux kreeg veel homeopaten als volgeling, die daarmee van het homeopathische idee afstapten dat er geen ziekten waren. Zo gebruikten ze bij de behandeling van mazelen ‘morbillin’. Dat waren suikerkorrels die door een mazelenpatiënt waren aangeraakt.

Het idee van Lux laat zich natuurlijk generaliseren tot ‘hoogverdund vaccin’ voor de vermeende ziekte teweeggebracht door vaccin, en in die vorm is het nog springlevend. De collectieve naam voor hoogverdunde ziekteoorzaken of ziekteproducten als isopathisch middel tegen de desbetreffende specifieke ziekten is nosode. Ook het nog steeds verkochte middel oscillococcinum is een nosode. Het is een extreme verdunning van een bepaalde bacterie, de oscillokok, die de veroorzaker zou zijn van alle ziekten. Dat de oscillokok niet bestaat en waarschijnlijk niet meer is dan een waarnemingsfout van een Franse legerarts (Joseph Roy) die niet met een microscoop kon omgaan, schijnt producent en gebruikers niet te deren.

Hahnemann was mordicus tegen de isopathie, zie paragraaf 56 van de Organon. Als je iets verdunt, dan verandert het van aard, en dan moet je eerst geneesmiddelproeven doen. Lux en volgelingen vonden echter het doen van geneesmiddelproeven overbodig.

Constituties

grauvoglDe constitutionele homeopathie is een bedenksel van Dr. Eduard von Grauvogl. Hij zette het in zijn Lehrbuch der Homöopathie (1866) uiteen. Het idee is dat bepaalde algemene kenmerken van een persoon passen bij een homeopathisch middel. De behandelaar stelt dus eerst de constitutie vast en geeft daarna een middel dat bij de constitutie past, ongeacht de specifieke klachten. Von Grauvogl onderscheidde de hydrogenoïde, oxygenoïde en carbonitrogene groep patiënten.
Na von Grauvogl zijn er allerlei andere versies van homeopathische constituties bedacht. Zo is er bijvoorbeeld de Pulsatilla-constitutie, namelijk die van huilerige wispelturige blonde vrouwen met aanleg voor spataderen en problemen met menstruatie, die van frisse lucht en lauwe thee en zoetigheid houden en geen vette spijzen blieven. De Natrum muriaticum-constitutie daarentegen is die van hooggevoelige, wrokkige, vrekkige persoonlijkheden die treuren wegens een tekort aan moederliefde. Enzovoorts enzovoorts. (Natrum muriaticum is een ouderwetse naam voor keukenzout, nog steeds gangbaar onder homeopaten; sommige nieuwlichters schrijven Natrium muriaticum).

Homeopaten zijn het overigens het niet erg eens over wat ze onder constitutie verstaan en ze kunnen er ook geen duidelijke definitie van geven. De uitkomsten van homeopathische geneesmiddelproeven geven geen aanwijzingen over welk middel bij welke homeopathische constitutie past. Als je hoogverdunde pulsatilla geeft verandert iemand niet in een huilerige vrouw. Het gebruik van ‘constituties’ maakt het makkelijk voor de homeopaat om zieken met dezelfde ziekte toch heel verschillende middelen te geven, en zo de illusie van een individuele behandeling te scheppen. Aan de andere kant geeft de homeopaat vaak hetzelfde middel bij heel verschillende ziekten. Alle ‘zwavel’-gevallen, ongeacht wat ze precies mankeren, krijgen Sulphur.

 

Celzouten

Met ‘biochemie’ of ‘celzouten’ worden homeopathische middelen bedoeld die in 1873 bedacht zijn door Wilhelm Heinrich Schüßler (1821-1898). Vijftien jaar eerder had de beroemde Rudolf SchuesslerVirchow het toen revolutionaire idee geformuleerd dat de cel de basis is van het leven. Schüßler ontdekte door bestudering van de as van gecremeerden, dat die een twaalftal belangrijke zouten bevatten. Hij vereenvoudigde Virchows idee: ziekten ontstaan door een onbalans van die zouten in de cellen. De homeopathie werd versimpeld tot een miljoen tot een biljoen maal verdunde zouten om de balans te herstellen. Met Schüsslerzouten zijn in 1942 in opdracht van Himmler proeven in Dachau gedaan om na te gaan of je er bloedvergiftiging mee kon genezen. De proeven mislukten natuurlijk. Alle 80 proefpersonen stierven een gruwelijke en volstrekt zinloze dood, want Schüsslerzouten worden nog steeds verkocht.

Complex-homeopathie

Dominee Emanuel Felke (1856-1926), bijgenaamd de leempastoor, is bekend doordat hij de iriscopie toepaste en omslagen met leem toepaste tegen allerlei ziekten, en aan het eind van zijn leven kwam hij op het idee dat ziekten meestal gecompliceerd zijn en meerdere oorzaken hebben en dat je ‘dus’ zieken met mengsels van homeopathische middelen dient te behandelen. Magdalene Madaus werd na een succesvolle gerhard_madausgenezing een enthousiaste Felke-volgeling, en haar zoon, de arts Gerhard Madaus (1890-1942), begon in 1919 zulke middelen fabrieksmatig te produceren. Bij leven had Hahnemann erop gehamerd dat homeopathische middelen enkelvoudig dienden te zijn. Dat was een reactie tegen artsen die medicijnen voorschreven die uit combinaties van van alles en nog wat bestonden. Zie paragraaf 273 van de Organon. Daar keert hij zich zelfs tegen kinine: de kinabast is enkelvoudig, maar kinine is een ingewikkeld klaargemaakt chemisch extract. Erg consequent was Hahnemann trouwens niet, want hij geeft een vreselijk ingewikkeld recept voor ‘Causticum’, dat waarschijnlijk verdund kaliloog is.

Zulke complexmiddelen, vaak met prachtige fantasienamen en verkocht bij de drogist, maakten in elk geval tot voor kort nog een belangrijk deel uit van het aanbod van homeopathische middelen. Ze druisen in tegen het oorspronkelijke idee van Hahnemann, want ze waren bedoeld voor duidelijk omschreven klachten. De huidige Europese wetgeving heeft daar althans officieel een eind aan gemaakt. Diezelfde wetgeving eist dat homeopathische middelen in essentie onwerkzaam zijn: ze moeten óf minstens 10.000 maal verdund zijn, óf een honderdste bevatten van de kleinste therapeutische dosis (als het om een regulier middel gaat) en in elk geval volstrekt onschadelijk zijn. Zo is het gevaarlijke nierbeschadigende en kankerverwekkende aristolochia – dat overigens zo’n twee millenia als kruidenmiddel in de volksgeneeskunde is gebruikt zonder dat iemand de extreme schadelijkheid opmerkte – als homeopathisch middel in Nederland alleen maar ten minste honderdmiljoenmaal verdund te krijgen.

Drainage

In de tijd van Hahnemann gingen veel artsen zich te buiten aan allerlei gruwelijke therapieën die er onder meer op gericht waren vermeende kwade stoffen uit te drijven. Zo meende men dat pus een afscheiding is van slechte stoffen, en het veroorzaken van kunstmatige pussende wonden (met ‘rijgdraden’) was een van de methoden. Terecht fulmineerde Hahnemann tegen deze praktijken. Maar met de zogeheten drainagetherapie was de cirkel weer rond. Dit is een variant van isotherapie, bedacht door de vooraanstaande Franse homeopaat Léon Vannier (1890-1963).

Léon Vannier
Léon Vannier

Het idee is dat ziekten eigenlijk worden veroorzaakt door gifstoffen, deftig toxines genoemd, die maken dat het lichaam vatbaar wordt voor bacteriën of kanker. De homeopathische middelen zorgen er ‘dus’ voor dat die gifstoffen worden afgevoerd. Uiteraard zijn die gifstoffen nooit aangetoond, laat staan dat begrijpelijk is hoe de homeopathische middelen dat draineren kunnen doen. Het is een idee dat kennelijk telkens weer de kop opsteekt in allerlei verschillende versies. De mens zit vol met gifstoffen of slakken of belastingen of storingen of zonden of complexen, kortom allerlei narigheid, en alleen de goeroe kan die allemaal wegtoveren en dan zal alles beter gaan.

Veel symptomen

De symptomen die bij homeopathische geneesmiddelproeven zijn waargenomen, staan opgetekend in twee soorten handboeken: gesorteerd op middel en daarna op symptoom is dat een (homeopathische) Materia Medica, terwijl een Repertorium eerst op symptoom ordent, en daarna op middel. Het beroemde Repertorium van de Amerikaanse homeopaat J.T. Kent telt meer dan 1400 pagina’s, met per pagina 200 tot 300 middelen. Hahnemann vond uiteindelijk dat proeven altijd met C30 (dus een verdunning van 10 tot de macht 60) gedaan moeten worden (zie paragraaf 128 van de Organon). Er staan echter ook ‘symptomen’ in die uit medische gevalsbeschrijvingen komen. Bij Apis mellifica (gemalen honingbij óf bijengif) zijn dit bijvoorbeeld ernstige reacties op bijensteek. In een gezaghebbende Materia Medica (van Allen uit 1874) komen vrijwel alle 1651 symptomen van Spaanse Vlieg uit gevalsbeschrijvingen van vergiftigingen door dit vermeende afrodiasicum. Vrijwel nergens in die handboeken staat de verdunningsgraad erbij. Als er ooit iemand beter is geworden na een bepaald middel te hebben ingenomen, dan wordt dat als een ‘klinisch bewijs’ opgevat, en dan komen ook de symptomen van de zieke in combinatie met het middel in een Materia Medica terecht. Veel van die ‘symptomen’ zijn subjectief tot in absurde. Eén voorbeeld moet volstaan: symptoom 546 van Anacardium in Hahnemanns boek over chronische ziekten: ‘Na het pianospelen voelde hij zich zwaar en vol in het lichaam.’

Veel van die symptomen zijn maar éénmaal waargenomen. Donner verhaalt het geval van de hondenmelk. Dat heette goed te werken tegen difterie. Dat was gebaseerd op één Amerikaanse dame die enkele korrels Lac caninum CM had ingenomen, daarna twee jaar leed aan recidiverend delirium tremens (natuurlijk niet als gevolg van die korreltjes) en één keer in die periode lichte keelpijn had gehad die door een arts met difterie was betiteld. Dat was in een tijd (1870) dat je in Amerika met alleen lagere school binnen een jaar een artsdiploma kon halen zonder ooit een patiënt te hebben gezien.

Extreme verdunningen verklaard

De extreme verdunningsgraden in de homeopathie waren van meet af aan een groot probleem. Tegenwoordig is het idee van het ‘geheugen van water’ wijdverbreid (never mind dat de meeste homeopathische middelen suikerbolletjes zijn waarover men homeopathische alcohol heeft gesproeid om het daarna te laten opdrogen). Dit idee is echter pas in omloop gekomen door de publiciteit in 1988 rond de proeven van Benveniste. Er zijn veel verschillende pogingen gedaan om het effect van verdunningen te verklaren. Die gingen allemaal mank aan het bezwaar dat ze alleen maar speculeerden over effecten van kleine hoeveelheden.

Hahnemann zelf zag weinig problemen. Voor hem was elke actie op afstand iets spiritueels. Magnetisme, zwaartekracht inclusief het verschijnsel van eb en vloed, besmetting door pokken of mazelen waren allemaal ‘dynamisch’, ‘virtueel’ of ‘geestelijk’. Ook braken bij het zien van walgelijke zaken is een geestelijk effect, en zelfs dat je je arm kunt optillen als je dat wilt, valt voor Hahnemann onder spirituele invloeden. Lees de toelichting bij ‘dynamisch’ in paragraaf 11 van de Organon er maar op na. Geneeskracht was eveneens een spirituele kracht die door wrijven en schudden kan worden losgemaakt. Het feit dat je een ijzeren staaf magnetisch kunt maken door flink raspen met een botte vijl (voetnoot 2 bij paragraaf 269) was voor hem een duidelijk bewijs voor dit idee.

Hahnemann stierf in 1843, net een jaar nadat de arts Robert Mayer op enigszins onbeholpen wijze voor het eerst had beredeneerd dat warmte gewoon een vorm van energie was (snel na Mayer, in 1847, werkte Hermann von Helmholtz het beginsel van behoud van energie veel preciezer uit, nadat James Prescott Joule in 1845 door middel van proeven had nagegaan hoeveel warmte je uit mechanische energie kunt krijgen). In de tijd van Hahnemann werden niet alleen magnetisme maar ook licht en warmte als onstoffelijk gezien. Vage en verwarde ideeën over ‘krachten’ waren algemeen in die tijd. De algemene term ‘energie’ voor alle soorten energie kwam pas in de jaren 1850 in zwang onder natuurkundigen.

Latere artsen konden natuurlijk niet blijven geloven in deze primitieve ideeën. Hier zijn een paar van hun theorieën:

1. Paul Wolf, 1838: als gezonde mensen van grote doses bepaalde symptomen krijgen, moet je de zieken met dezelfde symptomen kleine doses geven.

2. Arndt en Schulz: kleine doses hebben een stimulerende werking, en grote doses een remmende werking (dus niks over gezond en ziek). Altschul: kleine en grote doses hebben tegengestelde werking.

3. Wapler: er is een verband tussen middel en orgaan, het zieke orgaan is gevoeliger voor zo’n orgaanspecifiek middel.

4. Kötschau: elk middel heeft eigen ‘werkingstype’, namelijk een concentratie- en tijdafhankelijk effect.

5. von Bakody, Stiegele en ook al bij Schulz: het zieke orgaan is veel gevoeliger, dus daarop heeft een kleine hoeveelheid al effect.

6. Schimert: de reactie op een homeopathisch middel is een soort allergische reactie.

7. Guttmann: homeopathische therapie is een soort desensibilisering, zoals men ook doet bij allergielijders.

8. Martiny: homeopathische middelen zijn een soort katalysatoren.

9. Schier: homeopathische middelen zijn een soort hormonen.

10. Bier: homeopathie is een soort prikkeltherapie.

August Bier, chirurg en hoogleraar. Zijn pleidooi voor homeopathie (1925) veroorzaakte een opleving van de belangstelling voor homeopathie.
August Bier, chirurg en hoogleraar. Zijn pleidooi voor homeopathie (1925) veroorzaakte een opleving van de belangstelling voor homeopathie.

11. Schömmer: homeopathische middelen werken als een virusachtig enzym.

12. Schlegel: elke ziekte is een soort vergiftiging, en elk gif in kleine dosis is zijn eigen tegengif. En homeopathische verdunningen zijn een soort elektriciteit.

13. Borliachon: homeopathie werkt door resonantie.

14. Leeser (1934): de nieuwe kwantumfysica verklaart de werkzaamheid van hoge verdunningen. Constituties hangen samen met het belang van diverse chemische elementen in het lichaam.

15. Bercher: bij de hoge verdunningen ontstaat een vierde aggregatietoestand.

16. Faré: ziekte is een metastabiele toestand, die door zeer kleine invloeden kan worden verstoord, waarna terugkeer naar de stabiele gezondheid volgt.

Voor sommige van deze ideeën was een of ander niet goed begrepen verschijnsel de basis. Men ziet hoe elk nieuwe ontdekking in de geneeskunde en daarbuiten aangegrepen werd om er een werkingstheorie voor homeopathische middelen van te maken. Het maakte op homeopaten veel indruk dat er van hormonen en vitaminen en enzymen en virussen en dergelijke maar zo weinig nodig is voor een effect. Schulz is in feite de ontdekker van hormese, hoewel de naam pas in 1943 – het jaar van De Jonghs promotie – bedacht is. Hormese houdt onder meer in dat de reactie op zwakke schadelijke prikkels een beschermend effect heeft dat de oorspronkelijke schade meer dan compenseert. Bescherming tegen langetermijneffecten van zwakke schadelijke prikkels is echter iets anders dan genezing van ziekte.

Hoe dan ook, geen van deze ideeën kon echter verklaren waarom extreme verdunningen zoals C30 iets konden doen, of waarom infinitesimale hoeveelheden houtskool, keukenzout, kalk en zand zulke krachtige effecten hadden. Gezegd moet worden dat er vroeger vele homeopaten waren die niet zoveel zagen in hoge verdunningen. Men ziet tegenwoordig nog steeds de voorstellen van Wolf en Arndt en Schulz als verdediging van de homeopathie. Naar opvatting van vele homeopaten volgen ze ongeveer Wolf: kleine doses voor zieken, hoewel ze niet weten welke symptomen in de Materia Medica slaan op grote doses. Niet alleen is Wolfs idee in strijd met het beginsel van Hahnemann, maar die homeopaten gaan ook voorbij aan het feit dat de verondersteld curatieve dosis even absurd klein is als die in geneesmiddelproeven. Al met al lijkt het erop alsof de meeste homeopaten niet geïnteresseerd zijn in hoeveelheden. Er is nauwelijks theorie over wanneer je welke verdunning dient te geven. De Jongh geeft een indrukwekkend verslag van de chaotische praktijk van de contemporaine homeopathische artsen.

Jacques Benveniste bedacht de theorie van het geheugen van water.

Na De Jonghs onderzoek is men doorgegaan met fantastische verklaringen bedenken. Het geheugen van water (gebaseerd op de ontdekking dat er in water op een tijdschaal van een biljardste seconde lokaal structuren bestaan; Benveniste citeerde in 1988 een artikel uit 1981 hierover) is een daarvan, maar er zijn er meer, de een nog fantastischer dan de andere. Een moderne ontwikkeling is ook dat men experimenten bedenkt om de werking – het geeft niet wat – van extreme verdunningen te onderzoeken. Het meest bizarre voorbeeld in dit opzicht is de detectie van kristalfouten in zwaarwaterijs bij de temperatuur van vloeibaar stikstof. Tegenwoordig wordt vaak gezegd dat de homeopathie het zelfhelend vermogen stimuleert of het immuunsysteem ondersteunt of dat de homeopathische middelen ‘informatie’ bevatten. Hier wordt ook weer reclame gemaakt – zonder enige experimentele rechtvaardiging – met nieuwe ontdekkingen.

Moderne ontwikkelingen

Eveneens van vrij recente datum is de zogeheten klinische homeopathie. Die wordt beoefend door homeopathische artsen die bij de homeopathische diagnose ook de reguliere diagnose betrekken. Ze moeten wel, want een arts die duidelijke aanwijzingen voor een diagnose negeert, riskeert een aanvaring met de tuchtrechter.

Ook van lang na het onderzoek van De Jongh is de praktijk van deugdelijk vergelijkend medisch onderzoek naar de werkzaamheid van homeopathie als geneesmiddel. Hij noemt de mogelijkheid van zoiets op pagina 429. Inmiddels is dat onderzoek op grote schaal gedaan met allerlei vormen van homeopathie en vele onderzoekers hebben gepoogd de resultaten samen te vatten. Het antwoord is wat te verwachten was: homeopathie werkt niet. Homeopaten beweren vaak dat dit onderzoek juist het tegenovergestelde aantoont. Hun eigen overtuiging is echter doorgaans gebaseerd op ervaringen uit de eigen praktijk.

Homeopathische praktijk

De praktijk van de homeopathie is slechts losjes verbonden met de theorie. Dat kan ook niet anders. In de eerste plaats is er niet één theorie, maar zijn er vele die elkaar tegenspreken. Het voornaamste probleem is echter dat het onmogelijk is om de ‘symptomen’ van een patiënt te koppelen aan een middel. Als de homeopaat de patiënt een uur of langer de oren van het hoofd vraagt, levert dat natuurlijk een stortvloed aan hoofdzakelijk irrelevante details op. Per middel zijn er vaak meer dan duizend ‘symptomen’. Het komt er dus op aan om op de een of andere manier een keuze te maken, zowel uit de symptomen van de patiënt als uit de middelen.

Hahnemann zelf zat al met dat probleem. Die vond dat symptomen die meest opvallend waren (een puur subjectief criterium dus) het belangrijkste waren. De Jongh heeft een tijd meegelopen in het Homeopathisch Ziekenhuis Oudenrijn (dat was al in 1914 opgericht, in 1942 werd het terrein met het gebouw door de bezetter gevorderd) en in de praktijk geconstateerd dat de keuze niet op een rationele manier gedaan kan worden. Uit zijn omvangrijke literatuurstudie bleek hem dat dit een algemeen verschijnsel was, te oordelen naar de talloze gevalsbeschrijvingen van homeopathische wondergenezingen.

Samenvatting: allemaal onzin

Het similia-beginsel is onzin, de hoge verdunningen zijn onzin, het doen van geneesmiddelproeven met hoge verdunningen levert slechts nocebo-verschijnselen, en de gegevens over lage verdunningen en vergiftigingsverschijnselen zijn onbruikbaar. De homeopathische Materia Medica is onbruikbaar. En zelfs al was het similabeginsel in orde (quod non) en hadden de hoge verdunningen effect (quod non) en was de Materia Medica betrouwbaar (quod non), dan nog zou het volstrekt onmogelijk zijn om patiënten correct te behandelen vanwege het grote aantal ‘symptomen’ bij de patiënt en in de homeopathische handboeken. De homeopathische praktijk is niet in overeenstemming met de homeopathische theorie en in feite doet elke homeopaat maar wat.

De conclusie van De Jongh is dat homeopathische artsen primitief denken. In hun geschriften vindt men een keur aan drogredenen. Ze hebben ook sterk de neiging om elke verbetering bij hun patiënten aan de homeopathie toe te schrijven. Ze vinden geneeskunde eigenlijk te moeilijk en klampen zich graag vast aan allerlei regels. ‘Als men [de homeopathische arts] vraagt, waarom hij eigenlijk homoeopaath is geworden, dan geeft hij dikwijls ontstellend naïeve redenen op.’

 

Weg met de homeopathie!

Ik besluit met De Jonghs eigen puntsgewijze samenvatting van zijn samenvatting, in gemoderniseerde spelling:

I. De theorie der homeopaten bestaat uit een heterogeen complex van onhoudbare, onjuiste en onwaarschijnlijke beweringen.

II. Er gaapt een diepe kloof tussen de theorie en de praktijk der homeopaten.

III. De praktijk der homeopaten is een conglomeraat van zeer uiteenlopende handelingen, die niet onder een gemeenschappelijk reëel gezichtspunt gebracht kunnen worden en waarvan de praktische doeltreffendheid als zeer onwaarschijnlijk moet worden aangemerkt.

IV. De homeopathie, als geheel gezien, is een mislukte poging om de therapie te doen verlopen volgens een vast schema, gebaseerd op de oude similia-gedachte, voor welke gedachte in de hedendaagse geneeskunde geen plaats meer is.

V. Een wetenschappelijk geaard arts kan geen overtuigd aanhanger zijn der homeopathische leer.

VI. Het ware, bezien vanuit objectief standpunt, beter, als de homeopathie zou verdwijnen van het geneeskundige toneel.

 

Dankwoord

Ik heb bij het prepareren van bovenstaande, en ook bij het omzetten van de scans van het boek naar een nette pdf, maar vooral van de vertalingen ervan van diverse personen hulp gehad. Daarvoor mijn dank.

 

Dit artikel delen:Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInEmail this to someonePrint this page

6 gedachten over “Kritische beschouwing van de homeopathie

  1. Zeeer verhelderend . Zo zie je maar weer dat mooie woorden , zoals ‘homeopatie’ , net als mooie mensen , vaak te mooi zijn om waar te zijn !

  2. Zeer duidelijk en verhelderend. Fijn om alles zo -ook in historisch perspectief – op een rijtje te zetten.
    Een en ander verklaart echter in het geheel niet waarom veel mensen hun toevlucht zoeken tot de homeopathie of andere (onzinnige) therapieen. Ik snap heel goed dat dit buiten het kader van dit schrift valt, maar gezien de huidige discussies over de gezondheidszorg in brede zin, is het goed om ook die vraag te stellen. Echte verbeteringen in het huidige reguliere systeem zouden baat kunnen hebben bij een dergelijke discussie. (een voorbeeld zou kunnen zijn: “zou het voor veel mensen prettig en goed zijn als een consult bij een huisarts langer zou duren dan 8 minuten?” Of, “hoe zouden we meer kunnen halen uit de placebowerking van veel medicijnen?” Of: “kunnen we het placebo effect beter begrijpen?” en ga zo maar door.

  3. Voor zover ik weet mag een consult best langer duren dan acht minuten. Of je er wat aan hebt als je huisartsen voorschrijft dat ze *gemiddeld* minstens 10 minuten of 15 minuten aan hun patiënten moeten besteden, weet ik niet. En het ‘placebo-effect’ wordt intensief bestudeerd. Voor zover het iets meer is dan een effect van selectieve waarneming van het natuurlijk verloop is het nogal ongrijpbaar. Het doet vooral iets met pijn, moeheid en misselijkheid. Tumoren gaan er echt niet van weg, en dichtgeslibde bloedvaten worden er ook niet beter van. Misschien komt er door stressvermindering meer energie beschikbaar voor het immuunsysteem (ik weet niet of dat echt zo is). Goed naar de patiënt luisteren, goed lichamelijk onderzoek doen, patiënt moed inspreken als het gaat om iets dat vanzelf overgaat, en ook de tijd nemen om de behandeling goed uit te leggen, dragen allemaal bij. In sommige gevallen zijn levensstijladviezen ook nuttig, maar dan moet de relatie tussen arts en patiënt zo zijn dat de patiënt die adviezen ook ter harte neemt.

    Bij sommige proeven (bijvoorbeeld met astma) bleek elke behandeling (ventolin, diverse placebo’s) ongeveer hetzelfde subjectieve effect te hebben, te oordelen naar wat de patiënten als antwoorden gaven op vragen als ‘hoe voelt u zich nou’. Het effect was duidelijk beter dan ‘niet behandelen’. Maar als je dan naar de werkelijke prestaties keek bij een ademhalingstest, sprong alleen de ventolin er duidelijk tussenuit. Ik meen me ter herinneren dat bij deze of soortgelijke proeven ook bleek dat als de behandelende arts alleen maar *meende* dat de patiënt *misschien* iets werkzaams had gekregen, dan had dat al effect op de pijnbeleving van de patiënt, zelfs al had de arts instructie dat die niet aan de patiënt mocht laten merken in welke groep de patiënt zat.

    De moraal hiervan is dat je bij het beoordelen van een artikel over een proef met homeopathie voor zieken goed moet kijken naar de vraag:

    Was er absoluut geen mogelijkheid dat onderzoeker, arts of patiënt te weten konden komen wie het ‘echte middel’ en wie het ‘namaakmiddel’ kreeg voordat álle gegevens van álle geplande patiënten in de proef binnen waren?

    Bij heel veel van die proeven zijn de onderzoekers nogal vaag in het beschrijven van de lotingsprocedure en hoe de blindering in haar werk ging eveneens.

  4. Beste Jan Willem

    Prima toelichting en ik denk dat we het 100% eens zijn.
    Omdat ik beroepshalve ingenieur maar ook marketier ben, zit ik nogal eens op snijvlakken van “engineering” en “psychologie”. Ik vraag me dan ook af wat het is dat mensen drijft richting de alternatieve geneeskunst.
    Maar dat is een andere discussie. Ik denk overigens wel een goede. De mens is namelijk niet bijzonder rationeel.
    En dan druk ik me zacht uit.

  5. Ik ben iets minder pessimistisch. VSM, vroeger een bloeiend bedrijf is nu een verkoopkantoor voor de Duitse moeder. Het aantal homeopathische artsen neemt gestaag af: ze stoppen met hun praktijk en er komen nauwelijks nieuwe bij. De homeopathische artsenorganisatie VHAN, lang geleden een organisatie met 400 praktiserende artsen, is ongeveer gehalveerd en nu samen met de natuurartsen opgegaan in AVIG.

    Ook in Zwitserland is het minder erg dan wordt voorgesteld. Daar heeft een commissie vastgesteld dat een bewijs voor ‘de homeopathie’ er wel niet meer zal komen, en er dus niet meer wordt uitgegaan van ‘homeopathie, dan het OK’, maar dat elke afzonderlijke homeopathische behandeling afzonderlijk beoordeeld moet worden, net zoals trouwens gewone geneesmiddelen. Ik lees het dus zo dat als het een verzekeraar die een staatsverzekering aanbiedt het belieft te zeggen: de patiënt vraagt om terugbetaling van geld voor Pulsatilla C30, dan moet de voorschrijvende arts ons maar even zeggen waar de bewijzen voor deze behandeling in verband met deze aandoening staan. Of ik dit goed begrepen heb, en of het in werkelijkheid ook zo gaat, weet ik niet. De verzekeraar kan in elk geval niet zeggen ‘homeopathie, dat vergoeden we niet. punt’.

Reacties zijn gesloten.