Skip to main content

Dyslexie bestaat

brilkind

Dyslexie bestaat maar wetenschappelijk onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat dyslexie vele oorzaken kan hebben. Er zijn ook geen tests of wat dan ook om dyslectische kinderen te onderscheiden van kinderen die ‘gewoon’ zwak in lezen zijn. Aan de diagnose dyslexie heb je ook niets. Zwakke lezers moeten extra oefening krijgen. Hoe ernstiger het probleem hoe intensiever en langer er geoefend moet worden. Het enige criterium voor dyslexie is ‘hardnekkigheid ondanks adequate hulp.’ Punt.

Sommige mensen hebben, vaak door erfelijke oorzaken, beduidend meer moeite met lezen en leren lezen dan van ze wordt verwacht in onze geletterde samenleving. Die personen behoeven erkenning, aangepast onderwijs en zorg — zo vroeg mogelijk en meer en langer naarmate hun probleem hardnekkiger is. Teneinde te voorkomen dat hun pech de ontwikkeling van hun talenten in de weg staat.

Het bovenstaande is een samenvatting van een interessant artikel van Aryan van der Leij, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam in de orthopedagogiek, in het bijzonder onderwijsleerproblemen.

Het verscheen in Skepter 27.2 (met een kaderstukje van Hans van Maanen over het aantal dyslectische studenten op universiteiten) en is hier te lezen [of als pdf te downloaden].

Lezen is een ingewikkeld proces. In de hersenen moet visuele informatie op de een of andere manier in hoog tempo in verband gebracht worden met klanken en betekenissen. Daarbij kunnen heel veel verschillende dingen misgaan.

chinees_dyslexieLezers van Italiaans zijn minder vaak dyslectisch dan lezers van Engels. Dat heeft er misschien mee te maken dat het omcoderen van letters naar klanken in het Italiaans een stuk eenvoudiger is dan in het Engels. In het Chinees hebben zwakke lezers weer hele andere problemen. Misschien krijgen de Chinezen wegens de ingewikkeldheid van hun schrift veel meer leesles en is daarom ‘dyslexie’ (illustratie: de Chinese omschrijving van dyslexie) in China geen bekend begrip, hoewel daar natuurlijk ook zwakke lezers zijn.

Elise de Bree, docent orthopedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam schreef hierover in Taalcanon, en Skepter herpubliceerde haar artikel in verkorte en aangepaste vorm in Skepter 27.2. U kunt het hier downloaden, tezamen met het volgende artikel.

Henk Gianotten heeft kritiek op de claim dat de Dyslexie-letter zoveel beter (voor dyslectici) zou zijn dan bijvoorbeeld de Arial. Het is een prima leesbare letter: een helder, schreefloos lettertype in een behoorlijke grootte en voldoende afstand tussen de woorden onderling en ook tussen de regels. Maar er is geen enkel wetenschappelijk bewijs dat de Dyslexie-letter beter is voor dyslectici dan vergelijkbare bestaande lettertypes (bijvoorbeeld even grote Frutiger-letters).

Het artikel verscheen in Skepter 27.2 en u kunt het hier lezen [of downloaden als pdf].

Ten slotte is er nog een bedrijf genaamd Xlens dat gekleurde brillen die niet meer dan een paar euro hoeven te kosten voor vreselijk veel geld verkoopt als panacee tegen dyslexie. Alsof je een auto die niet rijdt door ‘motorpech’ weer aan de gang kunt krijgen met getinte voorruiten. Het bedrijf klaagt over het artikel ‘Peperdure gekleurde bril tegen dyslexie van Xlens’ uit Skepter 18.2, maar Pepijn van Erp constateert dat Xlens geen poot heeft om op te staan. Er is nog steeds geen enkel behoorlijk bewijs dat een gekleurde bril meer dan een placebo-effect heeft bij dyslexie.

Het artikel van Van Erp uit Skepter 27.2 kunt u hier lezen [of downloaden als pdf].

Dit artikel delen:Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInEmail this to someonePrint this page

13 gedachten over “Dyslexie bestaat

  1. Mijn idee en ervaring met dyslexie,

    Om te beginnen ben ik zelf stevig dyslectisch en heeft mijn leven ook veel beïnvloed, zowel negatief als positief.
    20 jaar geleden ontdekte ik de simpele meest voorkomende oorzaak van dyslexie, wat de wetenschap nog steeds niet in de gaten heeft. Natuurlijk kan ik er helemaal naast zitten maar het zou de moeite zijn dit wetenschappelijk eens goed te bestuderen.

    Wat er naar mijn idee aan de hand is.
    De ene mens heeft grote handen of voeten en de ander kleine. De lichamelijke maten zijn zeer erfelijk.
    Zo denk ik dat de grootte van de gele vlek (marcula) en/of fovea centralis op het netvlies ook erfelijk van grootte is.

    http://www.google.nl/imgres?imgurl=http://web.tue.nl/cursor/bastiaan/jaargang46/cursor36/achtergrond/images/oz1.jpg&imgrefurl=http://web.tue.nl/cursor/bastiaan/jaargang46/cursor36/achtergrond/oz_1.html&h=281&w=450&tbnid=V1aKKaEHPP9BhM:&zoom=1&docid=OXJIZU8F3VDiQM&ei=A-yQVeqKKIvsUom7nKgG&tbm=isch&ved=0CCcQMygIMAg

    Het gevolg is dat het beeld wat door de ooglens op het netvlies geprojecteerd wordt bij iemand die een grote vlek en/of fovea heeft een breder scherp gedeelte ziet dan iemand met een kleine vlek en/of fovea.
    Zo ontdekte ik dat als ik naar de regel van een zin keek zonder mijn oogbal te bewegen en me gecenterd hield op één letter, ik slechts 3 tot 4 letters scherp zag en de rest vaag bleef.
    !
    kdjfrbvs;lruitbhitrxjptroxibnjdkn[pyjkdoo>0<ooytujkfn]fy6uuokf6j]rgm,gmgfjmgfkj
    !
    Als mijn vrouw echter het zelfde deed zij bijna de hele regel scherp zag zonder haar oogbal te bewegen.
    Ik ben dat bij heel veel mensen gaan uitproberen en constateerde dat er zeer veel verschil per persoon was.
    Frappant was dat afhankelijk hoe breed ze scherp zagen, langzaam tot zeer snel konden lezen En de mensen die net als ik ook zeer smal scherp zagen, problemen met dyslexie hadden.
    Als ik het woord verantwoordelijkheids-gevoel ga lezen moet ik, doordat ik maar 3-4 letters scherp zie, het hele woord af scannen en tot een geheel opbouwen. Dus 7-8 delen aan elkaar knopen. En ik kom er wel uit maar heb daardoor wel meer tijd nodig en ik lees dus heel langzaam. Om wat op te schieten ga ik automatisch woorden gokken, met alle gevolgen van dien. Daarbij kost dit mij natuurlijk veel meer energie en is lezen voor mij vermoeiend en niet leuk.
    Een gevolg van dat trage lezen is dat ik ooit op de lagere school erg werd uitgelachen en gepest als ik voor de klas moest voorlezen en overtuigd raakte dat ik de stomste van de wereld was. Het heeft natuurlijk grote invloed op mijn school opleidingen gehad.
    Frappant is ook dat ik boeken met grote letters moest lezen maar wat natuurlijk niet werkt. Ik lees graag in kolommen en dat is zo ook logisch.
    Ik heb eens een test bij iemand die ook stevig dyslectisch was gedaan. Ik maakte een tekst in Word die niet te onthouden was en nam de tijd op van het lezen en het aantal haperingen en fouten. Toen heb ik die tekst met Word in een smalle kolom gezet en hij las het in de helft van de tijd en maakte de helft haperingen en fouten.
    Als klopt wat ik denk, is dat ook volkomen logisch.
    Ik doe het simpele testje vaak nog bij mensen en kan in 9 van de tien keer precies bepalen of iemand dyslectisch is en hoe erg. En dus ook of iemand snel of langzaam kan lezen.
    Er wordt normaal vanuit gegaan dat het een hersenprobleem is en men zal dat ook wel aan kunnen tonen met hersenscans die de activiteiten kunnen meten en ik denk dat die metingen ook wel kloppen alleen de conclusie niet altijd. Ik denk en weet bij mij zelf dat mijn hersenen het gebrek van smal zien erg goed hebben opgelost door er anders mee om te gaan en zo te compenseren maar het is niet de oorzaak. Ik ben ook logischerwijs sterk visueel gericht.
    Stripboeken is voor mij prettige kost.
    Er zullen zeker nog andere vormen en oorzaken van dyslexie zijn. Eigenwijs denk ik wel dat dit de meest voorkomende is.
    Ik heb eens een speciale bril in samenwerking met een opticien laten maken die prisma’s hadden waardoor de tekst wat werd samen getrokken en kon 2 maal zo snel lezen.
    Stel dat mijn verhaal inderdaad waar is dan zou dat een hele opluchting voor mensen zijn omdat het niet aan hun hersenen ligt maar gewoon je oog en wie weet wat voor andere oplossingen er dan ontwikkeld kunnen worden
    Mijn doel van dit schrijven is de hoop dat de reguliere medische wetenschap dit eens echt gaat onderzoeken.
    Mij heeft indertijd dit inzicht een groot deel van mijn eigenwaarde teruggegeven.

    Reactie’s welkom

    Hans van Doornik
    hvandoornik@gmail.com

  2. Interessant. Maar als ik naar die regel met onzinletters kijk, dan zie ik ook maar een paar letters duidelijk genoeg om ze te identificeren. Toch heb ik het gevoel dat ik de hele regel ‘scherp’ zie. Ik lees trouwens tamelijk vlug. Lezen gaat met saccades: het oog richt zich op iets, springt dan naar een ander punt, enzovoorts. In het hersenen worden al die verschillende beelden (dus beelden met een scherp middenstuk en vagere zijkanten) allemaal over elkaar heen geplakt, zodat de ‘illusie’ ontstaat van 1 beeld. Bij dat plakken moet ook nog eens het beeld van het linkeroog gematcht worden met het beeld van het rechteroog. Het dieptezien is mogelijk doordat de hersenen zelfs gevoelig zijn voor horizontale verschuivingen van 1 pixel (gevoelige cel), althans waar het de plaats van (min of meer verticale) contouren betreft.

    Als de saccades snel en precies werken, merk je er (denk ik) helemaal niets van. Het is voorstelbaar dat bij tekst in kolommen de zijkanten van de kolommen meehelpen bij de besturing van de saccades. Wie een plaatje bekijkt die springt met zijn of haar oog ook naar ‘belangrijke’ details van het beeld. Dat suggereert dat het deel van de hersenen dat de saccades bestuurt input krijgt van andere delen die aan de interpretatie van het waargenomene werken. Als die interpretatie niet vlug genoeg gaat kan er, zo stel ik me voor, van alles misgaan. De saccade springt wel maar niet naar een exact bekende positie, want het integreren van de beelden weer belemmert. Misschien.

    Ik zie op
    http://www.oogartsen.nl/oogartsen/het_oog/bouw_functie/#oog
    dat de lengte van de oogas 21 tot 26 mm is, en dat buiten dat interval ook nog wel waarden voorkomen.

    De fovea is 1,5 mm, en het centrale deel ervan 0,35 mm. Er staat geen spreiding voor opgegeven.

    Dat wil zeggen dat als iemand een boek of papier of beeldscherm op 42 tot 52 cm van het oog houdt, dan is het deel van het beeld dat met de fovea overeen komt slechts drie cm breed, en het centrale deel zelfs maar 7 mm.

    Het lijkt me sterk dat oogarts-onderzoekers het nooit zou zijn opgevallen dat de fovea drastisch in afmeting kan verschillen. Die zitten dagelijks bij meerdere patiënten in het oog te kijken, en maken bij patiënten met maculadegeneratie met behulp van een soort echoapparaat plaatjes zoals ‘doorsnede centrum van netvlies’.
    Zouden de ontwerpers van die apparaten en de gebruikers ervan nou helemaal nooit gemerkt hebben dat de fovea zo sterk in afmeting verschilt?

    Ik betwijfel niet dat vele dyslectici moeite hebben snel een beeld van een regel te krijgen, maar dit hoeft helemaal niet aan de afmeting van de fovea te liggen.

    Overigens is het feit dat smalle kolommen makkelijker lezen overbekend. Daarom hebben kranten ook zoveel kolommen. Bij Skepter zijn we ook op drie kolommen overgestapt. Het nadeel van smalle kolommen is dat je dan weer hetzij veel woordafbrekingen krijgt, hetzij een heel rafelige rechterkantlijn. Een rechte rechterkantlijn is weer prettig voor het oog, tenzij dat weer resulteert in af en toe grote spaties tussen de woorden (die de sturing van het oog lastiger maken, denk ik.)

  3. Tja, ik ben ook zeker geen oog kundige.
    Hoe is te verklaren dat de een maar 3 letters vast gecentreerd scherp ziet en de ander wel 20 of meer?
    Kan zijn dat daar een andere reden voor is die ik niet kan weten. of misschien hoeft het verschil van maat niet zo groot te zijn. Ik zie duidelijk verschil in breed of smal kijken
    Ja, ik tikte maar wat letters maar probeer het maar eens bij mensen uit met tekst uit boeken of tijdschrift
    Je zal de verschillen duidelijk zien en dat het vaak samen gaat met snel of langzaam lezen en bij 3-5 letters pak je de dyslexie mensen er heel vaak zo uit.

  4. Hans, wat bedoelt je vrouw nu precies met ‘scherp’? Als zij zich op één letter concentreert, kan ze dan tien posities verderop de letters ook benoemen? We moeten ‘zichtbaar’ en ‘leesbaar’ niet door elkaar halen.

  5. Ik ervaar bij het ouder worden en het meedraaien met het hoge, onrustige werktempo, dat mijn werk en de samenleving regelmatig vraagt, dat ik slordiger en haastiger kijk naar met name woordbeelden. Dan treden er wel eens “verlezingen” op: ik zie in het woordbeeld bepaalde letters niet, die er ineens wel staan als ik rustiger kijk. Omgekeerd, bij het typen draai ik wel eens letters om; Ik haal dan een letter, die ik (te vroeg of te sterk) in gedachten neem naar voren. Bijv. starks i.p.v. straks, omdat ik de a sterkere aandacht geef. Kortom: het vormen van woordbeelden berust op het motorisch kijkproces én het verwerkingsproces (koppeling van de indrukken) daarna. Bij dyslectici wordt, denk ik, dat procedé gebrekkig uitgevoerd. Onder dyslectici schijnt het (niet-tekstuele) beeld-denken of visuele indrukken combineren vaak goed te zijn. daar zijn dan de hersenen beter op ontwikkeld.
    Denk ook eens aan duiven, die de hele tijd bij het lopen de kop van voor naar achter bewegen. Ik neem aan, dat hun hersenen corrigeren voor de bijbehorende voortdurende beeld-verschuivingen. Hersenen hebben dus een vaardigheid nodig om stukken info te interpreteren als een (subjectief) glad, continu beeld. Mogelijk speelt aanpassing vanuit het geheugen hierbij een rol: “waarnemen is een vorm van herinnering”.

    TVDS

  6. Tja, we worden allemaal wat ouder. Maar allerlei vogels die hun kop bewegen, dat heeft
    een bepaalde reden. Ze zorgen dat hun kop stilstaat tov de omgeveing terwijl ze lopen.
    Dus als hun lijf door het lopen op de grond voouitgaat, blijft de kop stationair, om dan opeens naar voren te schieten.

    Wij doen ‘iets dergelijk’: onze ogen springen van richting naar richting en gedurende
    het springen (de saccadische beweging) hebben we even geen beeld, d.w.z. het beeld
    dat tijdens de saccade gemaakt wordt, wordt onderdrukt. Schudden we van nee terwijl
    vast naar iets kijken, dan kompenseren oogbewegingen daarvoor.

    Bij het snel lezen moeten de saccades natuurlijk zijn aangepast aan het tempo waarin
    we we de tekst begrijpen. De pointe van het stuk is volgens mij dat lezen eigenlijk zo’n ingewikkeld hersenproces is dat er van alles en nog wat mis kan gaan.

  7. Uit onderzoek is gebleken dat kinderen die dyslectisch gediagnostiseerd zijn vaak beelddenkend zijn. Beelddenken en dyslexie laten vaak hetzelfde gedrag zien alleen is beelddenken minder bekend en worden kinderen als dyslectisch beoordeeld. Dit is zonde voor het kind, die leert dat zijn hersenen niet juist werken maar eigenlijk de informatie op een andere manier verwerkt (vanuit geheel naar detail) dan op school aangeboden wordt(van detail naar geheel). Beelddenkers draaien ook letters om, omdat zij letten op de overeenkomst en niet op de verschillen. Een stoel op z’n kop blijft een stoel en zo werkt dat ook bij letters. Vaak is dit al te verbeteren door de leerstof anders aan te bieden en hierbij geldt wat goed is voor kinderen die een voorkeur hebben voor het visuele leersysteem (beelddenkers) is ook goed voor kinderen die voorkeur hebben voor het verbale leersysteem (taaldenkers). Een kleine aanpassing in de manier van lesgeven is bijvoorbeeld de leerstof via verschillende leeringangen aan te bieden. Zelf ben ik ook beelddenken en ook ik ondervind problemen in de spelling van woorden wat ik gewoon niet onder de knie krijg ondanks alle inspanningen. Daarbij blijkt dat 80% van de kinderen/volwassenen die dyslectisch zijn een oog probleem hebben. Visuele disfunctie. De ogen werken niet op een juiste manier samen waardoor bijvoorbeeld letters bewegen of een klein deel van de regel zichtbaar is en de rest wazig. Een functioneel optometrist kan een speciale bril aanmeten, maar oefeningen voor de ogen en samenwerking van de hersenen kunnen al een hele uitkomst bieden! Het is zonde dat dit in het onderwijs nauwelijks bekend is en deze kinderen vaak niet of verkeerd gesignaleerd worden. Ik denk dat er veel te veel kinderen rondlopen met het idee dat ze niet beter kunnen en dom zijn terwijl ze gewoon bijzonder zijn en met de juiste hulp het ver kunnen schoppen zonder onzeker te zijn over hun eigen kunnen.

  8. De bijdrage van Patrica de Ruiter illustreert wat ik vaker heb willen betogen.
    De auteur van het Skepter-stuk legt uit dat personen die moeite hebben met (leren) lezen dat hebben
    door zo’n grote veelheid van oorzaken dat er niet één remedie is, behalve dan flink veel oefenen onder deskundige leiding.
    De reactie vermeldt dan zonder bronvermelding een kenmerk van ‘dyslectici’ waarbij het niet duidelijk is of het beelddenken veroorzaakt wordt door dyslexie of er een gevolg van is, of dat beide kenmerken in sommige gevallen een gemeenschappelijke oorzaak hebben.

    Ook wordt , alweer zonder bronvermelding, iets verteld over het grote aantal dyslectici met ‘een oogprobleem’. In tal van landen wordt onderzoek naar dyslexie gedaan, en het verbaast mij dat zoiets door wetenschappelijke onderzoekers zo slecht is opgemerkt.

    De Ruiter haalt dan haar eigen ervaringen erbij. Het is een heel vervelende manier van discussiëren wanneer iemand de eigen kwaal als argument gaat gebruiken. Dat is namelijk een oncontroleerbaar gegeven. De lezer is nu eenmaal niet de behandelend arts (en als die het was, had die een geheimhoudingsplicht, zelfs al vertelt de patiënt allerlei onzin). In een discussie waar de eigen kwaal als argument gebruikt wordt, snoer je degenen die daar vraagtekens bij willen zetten eigenlijk de mond.

    De eigen ervaring of kwaal is natuurlijk heel belangrijk voor de schrijver zelf, maar als reactie op een uiteenzetting over wat er wetenschappelijk bekend is over het verschijnsel in het algemeen heeft het geen plaats, en al helemaal niet als die ervaring wordt gebruikt om voor iedereen gelden aanbevelingen te doen.

  9. Opvallend is dat het niet goed kunnen lezen/spellend schrijven aan de visuele waarneming wordt toegeschreven. Dat heeft te maken met het feit dat alle leesmethoden van de tekens uitgaan en daar de klanken aan koppelen. Het alfabetisch schrift is een klank-naar-teken-schrift. Eerst moet de leerling dus de klanken goed kunnen onderscheiden. Niet goed kunnen lezen/spellend schrijven wordt dus in eerste instantie veroorzaakt door een onvoldoende analyserend luisteren. De eerste maanden moet de jonge leerling hierin getraind worden, alvorens er tekens worden gekoppeld aan de inmiddels geanalyseerde klanken. Al aan het eind van de vorige eeuw is vastgesteld dat er methodieken zijn die geen dyslexie veroorzaken. Iedereen kan het leren, zegt de EU HIGH LEVEL GROUP OF EXPERTS ON LITERACY (2012) in hun lijvige rapport. Eigenlijk wordt daarmee zoveel gezegd als ‘dyslexie’ kan voorkomen worden als je het maar volgens de juiste methodiek leert.
    Dat de meeste mensen de optische waarneming als oorzaak wil zien van dyslexie komt ook doordat het begrip aanvankelijk door oogartsen is geëxploiteerd.
    Tegenwoordig zijn er zoveel commerciële belangen verbonden aan dit begrip, dat het nauwelijks meer mogelijk is om er op een zindelijke manier mee om te gaan.
    Wie denkt te weten wat er zou gebeuren als je een school kon aanwijzen, waar op een geheel andere manier lezen/spellend schrijven-onderwijs wordt gegeven? Zodanig dus dat geen enkel kind dyslectisch wordt…. een dyslexievrije school dus. Ra, ra, wat zou er dan gebeuren?

  10. Dat dyslexie niet met visuele waarneming te maken heeft, vind ik vreemd geformuleerd. Lezen betekent toch dat je dingen die je ziet moet interpreteren.
    De auteur legt uit dat lezen een ingewikkeld proces is. Het kan op allerlei manieren ‘ergens’ misgaan. UIteindelijk blijft er over dat er mensen zijn die heel veel moeite hebben met leren lezen. Uiteraard,
    hoe ingewikkelder het proces (bijv. bij Engels) hoe meer mogelijkheden er zijn dat het misgaat. Maar
    in China zijn er ook mensen die moeite hebben met leren lezen, hoewel het Chinese schrift maar zwak
    niet fonetisch is. IK hoor mensen al ironisch zeggen: ‘Tja, als je rekent hoe doodsimpel het Chinese schrift is …’. Volgens mij wordt er in China heel veel meer aandacht besteed aan leren lezen en schrijven.
    Dat heeft het voordeel, dat als je het eenmaal kunt, je hele grote snelheden kunt bereiken. De woordbeelden
    zijn veel diverser.
    Lang geleden zag een naar Chinese begrippen niet erg geletterde jonge vrouw mij de overzeese editie van de NRC lezen. Ze kon er niet bij dat iemand wijs kon uit al die wormpjes bestaande uit min of meer identieke boogjes, rondjes en streepjes.

  11. Ik stelde niet dat dyslexie niet met visuele waarneming te maken heeft, maar ik gaf aan dat men dyslexie in eerste instantie als visueel probleem ziet, terwijl al lang is aangetoond dat het probleem bij het gehoor begint.

    Het gaat uiteindelijk om het begrijpen van de alfabetische code. We gebruiken voor het westerste taalgebied sinds de Romeinen een alfabetische code, die zich hiermee onderscheidt van woord- of syllabeschrift.
    Leesmethoden worden echter niet gemaakt door taalkundigen die deze code doorzien, maar door psychologen, orthopedagogen, leerkrachten, onderwijsbegeleiders enz. Een linguïst komt daar niet bij voor. Daarom ontstaat er ook zoveel verwarring in de ‘dyslexie-discussie’. Iedereen roept maar wat, of hij/zij nu taaldeskundig is of niet. (Misschien zou een psycholinguïst nog een geschikte deskundige kunnen zijn).
    Al deze mensen gaan aan de slag met de alfabetische code, zonder deze echt te begrijpen. Daar krijg je allerlei vreemde regeltjes van zoals ‘Ik hoor de klinker kort, ik zorg dat de medeklinker dubbel wordt’, iets dat voor het woord ‘appel’ wel opgaat, maar voor het woord ‘papier’ niet. Nog afgezien van het feit dat jonge leerlingen ‘klinkers’ van ‘medeklinkers’ moeten kunnen onderscheiden, terwijl het begrip ‘lange klinker’ tegenover ‘korte klinker’ niet via een geluidsspectrum hard te maken is, omdat deze twee klanken namelijk precies even lang duren. Het verschil tussen open en gesloten klanken is voor veel kinderen al helemaal niet te volgen.
    Nog een voorbeeld: De letterdief zegt: “Na een lange klank, vind ik twee letters te veel, vandaar dat ik er eentje steel.”
    Behalve deze slechte poëzie is er geen kind dat hier de logica van kan begrijpen, nog afgezien van het vreemde criminele beroep van ‘letterdief’. Ook ‘dubbelzetters’ zijn verwarring zaaiende figuranten in het lees- en spellingonderwijs.
    In een andere spelmethode blijft de klinkerdief af van zogenaamde twee-teken-klanken, dat zijn klanken die met twee verschillende tekens worden geschreven. Daarom schrijf je bijvoorbeeld gaten met één ‘a’ en gieter met ‘ie’. Maar in liter blijkt de klinkerdief toch weer een letter bij ‘ie’ te hebben gestolen. Alweer een inconsequentie waar diverse kinderen van in de war raken. (We kunnen nu al wel raden hoe die kinderen straks benoemd zullen worden…)
    Daarnaast moeten kinderen onderscheid kunnen maken tussen ‘hoorwoorden’, ‘regelwoorden’, ‘weetwoorden’ of ‘wachtwoorden’, terwijl juist het weten in welke categorie een woord hoort het probleem voor de kinderen is.
    Ook zo verwarrend voor kinderen: “Hoeveel letters hoor je in ‘bak’?” Letters hoor je namelijk niet. Maar wat te denken van: “Hoeveel klanken hoor je in ‘boek’. Dat zijn er drie, maar je gebruikt toch vier letters.
    De huidige methodemakers weten niet wat ze op deze manier aanrichten bij kinderen die makkelijk in verwarring raken. Allemaal dwaze regeltjes met de bijbehorende, onbegrijpelijke uitzonderingen die een gebrek aan taalvakkundig inzicht laten zien. Zo fröbelt iedere nieuwe methodemaker er nog wat bij, waar de desbetreffende lesgevende leerkracht vaak nog allerlei eigen vondsten aan toevoegt.
    Heel duidelijk wordt deze onkunde tentoongesteld in de titel van een boek over dyslexie, geschreven door een ‘psycholoog’: “Dyslexie, een complex taalprobleem”, van Tom Braams. Lezen en spellend schrijven hebben namelijk NIETS te maken met ‘taal’. Dit is dan ook de reden dat in wezen iedereen het leren kan. Dyslexie is absoluut geen taalprobleem, maar een codeprobleem, ontstaan door een gebrek aan voorgeoefend fonemisch bewustzijn.
    Taal is een geërfd instinct (N. Chomsky en ook Steven Pinker: “Het Taalinstinct”). Alle gemeenschappen komen tot een taal waarin men met elkaar kan communiceren, wat zelfs geldt voor doven. De code van lezen en spellend schrijven is echter een cultureel product, dat (op een adequate manier) geïnstrueerd moeten worden.
    Uit een meta-analyse van een aantal grote onderzoeken naar de oorzaak van leeszwakte in Amerika bleek al meteen heel duidelijk dat de gebruikte methodiek van beslissend belang is. (Chall 1967), en (Bond en Dykstra 1967 “The cooperative research program in first-grade reading instruction”)
    Maar dan moet je wel de onderzoeksdata goed gebruiken en dat is precies wat er NIET gebeurde. Op die manier werden er verkeerde conclusies getrokken.

    De vraagstelling van Bond en Dykstra was als volgt:
    “Which of the many approaches to initial reading instruction produces superior reading and spelling achievement at the end of the first grade? Is any program uniquely effective or ineffective for pupils with high or low readiness for reading?”

    Het onderzoek naar ‘welke methodiek werkt het beste’, leidde door de verkeerde afhandeling van de onderzoeksdata tot de verkeerde conclusie dat het eigenlijk niet uitmaakte welke methodiek er gebruikt werd:
    “The analysis of treatments according to level of readiness for reading revealed that no method was especially effective or ineffective for pupils of high or low readiness as measured by tests of intelligence, auditory discrimination, and letter knowledge.”

    Daardoor werd de focus verlegd naar de kwaliteit van de leerkracht en de schoolorganisatie. Dit leidde niet tot een bevredigende conclusie, want het omschrijven van de benodigde onderwijzerskwaliteit is eigenlijk (nog steeds) niet echt uitvoerbaar (Wat is kwaliteit?). Zo kwam men vanzelf terecht bij de vraag ‘What’s wrong with poor readers?’
    Op deze manier bleven de leerkracht, de school en de gebruikte methodiek buiten schot. En daardoor gingen volgende onderzoeken zich steeds vaker en meer richten op het kind. Tot op de dag van vandaag is het effect van deze werkwijze overal waar te nemen: Er is uitsluitend aandacht voor “het mankerende kind”, niet voor de op het kind toegepaste methodiek.
    Ten onrechte meent men dat het slecht lezende kind een visueel probleem heeft. Dit is echter niet het geval. Het alfabetisch schrift is een ‘klank-naar-teken-schrift’ en het eerste waar het kind goed in moet zijn is dus het onderscheiden van klanken. Het gaat dus eerst over de biologische kant van het verhaal, daarna pas over het schrift, de culturele component. Het schrift komt pas aan de orde, als de kinderen eerst de klanken goed kunnen onderscheiden. Leren lezen begint dus niet met het presenteren van de lettertekens maar met klankoefeningen.

    Ik lees op deze pagina “Lezers van Italiaans zijn minder vaak dyslectisch dan lezers van Engels. Dat heeft er misschien mee te maken dat het omcoderen van letters naar klanken in het Italiaans een stuk eenvoudiger is dan in het Engels.”
    Het kan natuurlijk niet waar zijn dat ‘dyslectische’ lezers in Italië minder dyslectisch zijn dan in Engeland. Hooguit is vast te stellen dat ze bij het coderen en decoderen minder fouten maken. Dat maakt ze niet minder dyslectisch (Als dyslexie al zou bestaan, waarvoor puur wetenschappelijk geen bewijs te leveren valt). Juist hieruit blijkt dat ‘dyslexie’ niet meer voorstelt dan de ‘omschrijving van een slecht resultaat’, niet van een bewezen belemmering.
    Er is ook een manier om het spellingprobleem te omzeilen en jonge leerlingen in Engeland even gemakkelijk te leren lezen als kinderen in Finland. Dat is door eerst alleen woorden aan te leren, waarvan klanken en bijbehorende tekens een één op één verhouding kennen en dus eenduidig zijn. Dan hebben beide groepen kinderen het precies even licht/zwaar. (Overigens is 80% van de Engelse spelling wél regelmatig.) Begrijpen kinderen eenmaal deze ‘basic code’, dan zijn ze ook geschikt om de overige spelling te leren. Deze werkwijze is psychologisch/pedagogisch de beste manier die kinderen vanaf het begin veel zelfvertrouwen geeft en ‘dyslexie’ voorkomt.

    Overigens is mijn vraag in het slot van het vorige pleidooi nog niet beantwoord. Ik ben juist nieuwsgierig wat men denkt dat er gebeurt, als er een school gepresenteerd zou worden waar geen dyslectische kinderen meer gevonden worden.
    Wat zou de overheid doen? Wat zouden alle ‘leesexperts’ doen?
    Wat zouden de miljoenen verdienende leveranciers van dyslexiematerialen en het leger van dyslexiebegeleiders doen?
    Een interessante vraag/uitdaging voor een ‘skepsis website’!

  12. IK vrees dat dit een tweespraak wordt waar niemand wat aan heeft. Hamerling houdt zich bezig met schriftontwikkeling. De voorbeelden die hij geeft, hebben met spelling te maken. Dyslexie is in eerste instantie (het woord zegt het al) een leesprobleem. Correcte spelling helpt het correcte woordbeeld te bestendigen (als iemand dat makkelijk kan onthouden). Het woordbeeld helpt je weer met spellen.

    Schrijven heeft wel iets met lezen te maken, maar het stuk gaat over de aard van ernstige leesproblemen.
    De conclusie van het stuk is dat er niet zoiets is als ‘de dyslecticus’. Er zijn mensen die meer en minder moeite hebben met lezen (stil lezen) in een bepaalde taal met een bepaalde manier van notatie van woorden. Welke moeite ze hebben hangt behalve van (1) de persoon ook af van (2) het notatiesysteem, en mogelijk ook van (3) de hoeveelheid tijd die de betrokkene heeft gestopt in het oefenen en (4) het onderwijs.

    Hamerling suggereert dat (4) het belangrijkste is, maar ik wil suggereren dat hij voornamelijk denkt aan schrijven en meer in het bijoznder aan spellen.

    Ik wil ook voorstellen dat de eventuele lezer die tot hier is gekomen, nu maar zelf verder moet oordelen.

  13. > “IK vrees dat dit een tweespraak wordt waar niemand wat aan heeft.”

    Een beetje een verrassende conclusie… Waarom zou niemand daar wat aan hebben? Op grond waarvan deze conclusie? Juist als, een door de lezer te herkennen, goede onderbouwing wordt gebruikt is een dergelijke samenspraak nuttig en leerzaam voor de lezers. Ik demonstreer in elk geval een flinke dosis scepsis t.a.v. de veel aangehangen leer van de dyslexie.

    Volgens mij past mijn informatie in elk geval heel goed in de omschrijving van de Stichting Skepsis: In elk geval een kritische blik op buitengewone beweringen (bijv. ‘Dyslexie bestaat’, zonder dat daar wetenschappelijk bewijs voor bestaat), pseudo-wetenschappelijke theorieën (allerlei theorieën over de werking van de ogen i.v.m. leesproblemen en en over ‘taal’, ‘lezen’, ‘spellen’ en ‘schrijven’), dubieuze therapieën (Dyslexiebehandelaars die, behalve de inhoud van hun portemonnee, niets kunnen verbeteren omdat iemand, volgens hen zélf, nu eenmaal dyslectisch is en dat zijn/haar leven lang blijft).

    Mijn informatie geeft een andere kijk op een probleem waar veel mensen mee worstelen. Aandacht voor het vierde aspect naast 1. leerling, 2. leraar en 3. het schrift:
    4. de methodiek. Veel mensen struinen het Internet af op zoek naar informatie. De informatie die ik heb gegeven maakt voor sommigen (de eventuele lezer) weer veel duidelijk. Mogelijk dat hen dit op een nieuw spoor brengt.

    > “Hamerling suggereert dat (4) het belangrijkste is, maar ik wil suggereren dat hij voornamelijk denkt aan schrijven en meer in het bijoznder aan spellen.”

    Nee, ik denk niet dat ‘onderwijs’ het belangrijkste is, maar de daar gebruikte methodiek. Verkeerd is de suggestie dat ik alleen belangstelling heb voor schrijvend spellen. Ik licht dit hieronder toe.

    Iedereen heeft twee taken i.v.m. het leren beheersen van het alfabetische schrift:
    coderen en decoderen en wel in díe volgorde.
    Ik heb in eerste instantie problemen aan het begin van het leerproces weergegeven zoals die in het onderwijs worden opgeroepen, nl. problemen in het coderen, dat aan het decoderen vooraf gaat. Zonder het coderen te beheersen, het vertaalproces van klank naar teken kom je niet aan het decodeerproces, het lezen toe. Daarover bestaat overigens in het onderwijs geen verschil van mening. Iedere leerkracht in groep 3 begint met het tot een woord plakken van losse tekens die voor klanken staan. Iedere leerkracht begint met het coderen dus. Je kunt moeilijk met lezen beginnen. Dat zou decoderen inhouden zonder dat je weet hoe de code werkt.
    Ik heb duidelijk gemaakt hoe het onderzoek naar ‘leesvaardigheid’ (ik heb het nu weer over het lezen) de bron is geworden van veel misverstanden waar dagelijks duizenden onder lijden.

    En dan nog het misverstand over het schrijven. Schrijven heeft alles met spellen te maken en dus weer met lezen.
    Gebleken is dat handgeschreven spelling dieper wordt verwerkt en beter wordt onthouden. De leerlingen doen dus eerst aan klankanalyse en gaan daarna de woorden die ze coderen schrijvend spellen. Wat je kunt schrijven kun je namelijk ook lezen. Ik heb dus alles met het hele proces te maken.
    Ik heb, soms met bronteksten, zoveel mogelijk informatie gegeven over de mogelijkheid om een veel voorkomend probleem te preveniëren.
    Belangrijk, vooral omdat er een grote en op wetenschappelijke gronden bewezen stelligheid spreekt uit de gegevens die ik heb verstrekt.

    Prof. John Hattie die d.m.v. zijn beroemd geworden boek “Visible Learning” een soort ‘Bijbel van didactisch onderzoek en onderwijseffectiviteit’ heeft gecreëerd a.d.h.v. meer dan 800 meta-analyses, zegt in het interview “Docenten maken het verschil” in het blad “OnderwijsInnovatie” van september 2009 hierover het volgende:

    “Bovendien gebruiken nogal wat docenten, ouders en kinderen etiketten als een excuus. Als iemand zegt dat hij dyslectisch is en ik antwoord dat ik dat kan oplossen, worden mensen vaak boos. Maar leesproblemen kunnen inderdaad worden opgelost. Als je met een probleem naar de dokter gaat en die antwoordt dat er iets aan te doen is, ben je toch blij? Als je een label gebruikt als een reden waarom een kind iets niet kan, dan hoeft het dus ook niet meer. Terwijl het niet meer is dan een diagnose. Het kost misschien meer moeite, maar een goede docent blijft alternatieve leerstrategieën proberen tot het lukt. Ik heb een collega en – werkelijk waar – er is nog geen kind met een leesprobleem bij hem geweest dat hij niet heeft kunnen helpen.'”

    Onderbouwde en op logica, vakkennis en wetenschap gebaseerde twijfel is het fundament voor scepsis.

Reacties zijn gesloten.