Skip to main content

Shanti Devi

Mijn eerste sceptische geschrift, namelijk SN1 Reïncarnatie uit 1989, is digitaal herdrukt (bezoek de downloadpagina). Daarin ontbreekt het verhaal van Shanti Devi, omdat ik toen niet over betrouwbare bronnen beschikte. Van Ian Stevenson heb ik die later ontvangen. Shanti Devi is een van de bekendste gevallen. Hieronder heb ik opgeschreven wat is op te maken uit die bronnen.

Shanti Devi (die op de bovenstaande foto uit 1935 bij haar vader op schoot zit) werd geboren op 11 december 1926 als derde dochter van Rang Bahadur Mathur in Delhi. Haar moeder heette Prem Pyari. Shanti begon pas op haar derde jaar te praten en had het dan wel eens over een vorig leven in Mathura (een stad ongeveer 150 kilometer van Delhi).

Ze zei bijvoorbeeld ‘Dit soort eten was ik niet gewend in Mathura’, of ze had het over de kleren die ze in Mathura placht te dragen. Ze zei ook dat haar huis in Mathura geel was en dat ze een stoffenzaak hadden. Soms noemde ze zelfs plaatsen aldaar en beschreef verwanten. Ze noemde ook de kaste van haar ‘man’ , te weten Choban. De eerste keer dat ze over haar ‘man’ sprak wist ze te vertellen dat hij een leesbril had en een grote moedervlek onder zijn linkeroor en een lichte teint. Haar ouders probeerden dit gepraat te ontmoedigen, want ze meenden dat kinderen die over een vorig leven spreken vroeg zullen sterven.

Ze noemde echter nooit de naam van de echtgenoot in haar vorige leven. Medio 1935 vernam haar oudoom Bishan Chand, een leraar aan een middelbare school, de geruchten dat Shanti zich haar vorig leven herinnerde. Hij zocht de familie op en beloofde Shanti Devi dat hij haar zou meenemen naar Mathura als zij hem de naam van haar man in haar vorige leven zou vertellen. Daarop vertrouwde ze hem toe dat deze Kedarnath Chowbey heette (zie noot).

Aanvankelijk deed Bishan Chand geen moeite, maar aan het eind van het Durga Puja festival, midden oktober 1935, vertelde hij het verhaal aan Lala Kishan Chand, het hoofd van Bareilly College in Delhi, die een bezoek bracht aan Shanti Devi. Het meisje wist hem toen te vertellen op welk adres haar vroegere man woonde en kon zijn huis beschrijven. Lala Kishan Chand schreef daarop naar het aangegeven adres en kreeg antwoord van Kedarnath Chowbey, die zijn neef Kanjimall verzocht om poolshoogte te nemen. De neef sprak met Shanti Devi en raakte ervan overtuigd dat zij inderdaad de reïncarnatie was van de overleden tweede vrouw van neef Kedarnath. Die heette Lugdi Devi (18/1/1902 – 4/10/1925); ze was gestorven negen dagen na de geboorte van haar zoon Nabanita Lall.

Op 12 of 13 november 1935 bezocht Kedarnath Chowbey met zijn derde echtgenote en Nabanita Lall de familie van Shanti Devi. Kort na aankomst verzamelde zich een grote menigte nieuwsgierigen, die het hem zelfs bijna onmogelijk maakten het huis te verlaten (hij logeerde bij Kanjimall). Shanti Devi herkende haar ‘man’ ogenblikkelijk, hoewel hij eerst voorwendde zijn eigen oudere broer te zijn. Shanti Devi vertelde ook aan haar moeder wat de favoriete gerechten waren van haar ‘man’. Ze gedroeg zich erg moederlijk ten opzichte van haar ‘zoon’. Ook Kedarnath raakte ervan overtuigd dat Shanti Devi de wedergeboren Lugdi Devi was. Enkele dagen later keerde Kedarnath terug naar Mathura.

Verificatie

De zaak trok zoveel aandacht dat een speciale verificatiecommissie werd gevormd van vijftien prominente inwoners van Delhi. De leden waren: Deshbandu Gupta – parlementslid en hoofdredacteur van de Daily Tej, Nikirain Sharma – een belangrijke politieke leider, Lala Sri Ram – een vooraanstaand zakenman, Tara Chand Mathur – advocaat en buurman van Rang Bahadur Mathur. Tara Chand Mathur zou later een functie bij het Hooggerechtshof krijgen.

De commissie vertrok op 24 november naar Mathura om ter plaatse en in gezelschap van Shanti Devi en haar ouders alles te gaan controleren. Bij aankomst stond er al een enorme menigte op het station. Shanti Devi herkende meteen de oudere broer van Kedarnath. Gupta en Shanti Devi namen plaats in een open rijtuig en Shanti Devi moest de weg naar het huis wijzen. Onderweg gaf ze vele tekenen van bekendheid met de omgeving. Ze vond ook het huis, dat inmiddels wit was overgeschilderd. In het huis bleek ze eveneens bekend te zijn, bijvoorbeeld toen men haar naar de jajori kanni (Mathura-dialect voor privaat; in een andere versie van dit verhaal staat jai-zarur) vroeg, bleek ze te weten wat er bedoeld was. Om ongeveer half vijf ’s middags legde de commissie een slotverklaring af op een schoolplein waar zich 10.000 mensen verzameld hadden. De commissie publiceerde ook een boekje onder de titel A case of reincarnation, door Gupta, Sharma en Mathur. Een tweede uitgebreide druk van het boekje verscheen in 1953. (De titel wordt ook wel anders geciteerd.)

Kort daarna (28 november) stond het geval uitvoerig beschreven in vele kranten, en trok nationaal zelfs de aandacht van Mahatma Ghandi die eveneens een bezoek bracht aan Shanti Devi en met haar sprak, en haar ook uitnodigde in zijn ashram. Volgens sommige berichten (bijvoorbeeld Lönnerstrand) was hij ook de organisator van de verificatiecommissie, maar daar staat niets over in de oudste verslagen.

Herinnering aan de hemel

Tot zover een verslag van Sushil Chandra Bose uit 1952. Hij schrijft dat hij op 23 juli 1939 de familie van Shanti Devi bezocht, en ongeveer bovenstaande vernam (hij vergist zich in het jaar, of de vertaler heeft zich vergist en 1935 in 1936 veranderd). Tijdens het bezoek in 1939 ondervroeg Bose ook Shanti Devi zelf, die zich heel veel bleek te herinneren van de omstandigheden van haar dood, en ook hoe het in de hemel toeging en hoe ze voor de troon van Krishna verscheen en daar te horen kreeg dat ze nog eenmaal moest reïncarneren. De naam van haar vader en het huisnummer werden haar medegedeeld. Ze herinnerde zich dat ze over een vorig leven begon te praten toen ze een plaatje van de Heer Krishna was kwijtgeraakt.

Bose bezocht ook Kedarnath Chowbey. Hij vermeldt dat Kedarnath nog tranen in zijn ogen kreeg toen hij vertelde hoe goed zijn Lugdi (meer dan 14 jaar eerder) voor hem gezorgd had.

Rationalist

Ongeveer een half jaar na de verificatie in november 1935 verscheen een commentaar in het Hindi tijdschrift Chitrapat, gedateerd 4 juli 1936. De auteur was professor Indra Sen. Dit is een commentaar op een boekje gepubliceerd door Balchand Nahata, secretaris van de Rationalist Group, getiteld Review of Reincarnation of The study of the alleged case of Re-incarnation of Shanti Devi of Delhi (oorspronkelijke titel: Punarjanma Ki Parayyalochana). Uit deze bespreking maken we op dat Nahata op 21-23 februari 1936 Delhi bezocht en toen sprak met onder anderen Kishan Chand, Indra Sen en Rang Bahadur Mathur en Shanti zelf, en dat hij niet erg onder de indruk was.

Het interview met Shanti was natuurlijk lastig omdat heel veel meer mensen haar al ondervraagd hadden en ze ook als een soort godin werd beschouwd. Sen schrijft dat hij zelf ook in november 1935 met Shanti had gesproken en haar heel tactvol had behandeld, maar dat Nahata haar kennelijk aan een soort kruisverhoor had onderworpen. Ook was Sen samen met Shanti nog eens op 2 april 1936 naar Mathura gegaan en had zich ervan overtuigd dat Shanti dingen uit een vorig leven wist. Bij dat bezoek was hij niet naar het ‘gele huis’ gegaan, maar naar de villa Bagichi buiten de stad die eigendom was van Kedarnaths familie. Voorts was Shanti Devi ook nog eens onder hypnose gebracht op 13 april 1936 in aanwezigheid van haar vader en professor Sen en natuurlijk de hypnotiseur (professor Jagdish Mitra), en nog drie andere personen.

Nahata had kritiek op een boekje getiteld Sati Shanti Devi van de hand van Kedarnath Chowbey. Er stonden ‘concoctions’ in.

Nahata had geconstateerd dat Shanti (die in haar vorige leven in het kraambed was gestorven en zich van alles en nog wat herinnerde) geen flauw idee had waar de kindertjes vandaan komen. ‘Die worden door God in schoot van de moeder geplaatst.’ Het lijkt Sen dat dit niets zegt, omdat seks iets natuurlijks is, dat men licht vergeet. Men onthoudt alleen bijzondere incidenten, aldus Sen.

“Hij is er!”

Sen heeft tijdens een congres in India in 1938 ook over deze zaak (en vier andere zaken) gesproken. Hij vermeldt echter ook het volgende:

Men heeft ontdekt dat Kedarnath … af en toe naar Delhi kwam om stoffen te kopen voor zijn winkel in Muttra, vóór dit alles bekend werd bij het publiek. Dan kwam hij vaak door Cheera Khana, de wijk waar Shanti woonde en dan zat hij soms in de winkel van Halwai om melk te drinken. Men zegt dat Shanti hem bij één gelegenheid in de winkel zag en thuis kwam en tegen haar moeder zei: “Hij is er.” Maar niemand besteedde er aandacht aan.

Deze laatste mededeling plaatst al het voorgaande in een ander licht. Als Shanti toen ze klein was Kedarnath af en toe in dezelfde melkbar zag, kan ze Kedarnath ook hebben horen praten over van alles en nog wat. Aangezien Kedarnath nog steeds veel aan Lugdi dacht, kan hij best hebben zitten praten over haar en andere zaken, en het gebabbel van Shanti kan een weergave zijn van wat ze zo hoorde. Overigens zou Rang Bahadur onomwonden aan Lönnerstrand hebben verteld dat in India kleine kinderen nooit zonder toezicht buiten spelen. Verder weet niemand wat neef Kanjimall allemaal verteld heeft bij de eerste ontmoeting. De ‘verificatiepoging’ te midden van een enorme oploop van gelovigen is weinig overtuigend.

Shanti Devi werd ook na 1939 nog herhaalde malen bezocht, onder andere door Ian Stevenson (misschien 1986, maar in 1961 zou hij zich al op basis van de literatuur een oordeel hebben gevormd), door Kirti Swaroop Rawat in februari 1986 en december 1987 (Wikipedia bericht dat Rawat haar voor het laatst sprak vier dagen voordat ze overleed op 27 december 1987.) Rawat schrijft dat honderden personen Shanti Devi bezochten.

Seks en artritis

Lugdi Devi had een tijd erg last van haar been gehad, zodat ze niet kon lopen (volgens Lönnerstrand een soort infectie of wond waarvoor ze ook werd geopereerd, volgens Sen was ze verlamd doordat ze een soort kou had gevat, maar volgens Rawat was het artritis). Ze verbleef toen in de genoemde villa Bagichi. Rawat schrijft dat hij bij zijn onderzoeking (in 1986) het volgende vernam. Een van de dingen die Kedernath had overtuigd zou zich hebben afgespeeld tijdens het eerste bezoek toen hij op een gegeven ogenblik met Shanti Devi en zijn eerste vrouw alleen was (zijn zoon sliep). Kedernath had aan Shanti gevraagd hoe het mogelijk was dat Lugdi zwanger kon worden terwijl ze verlamd te bed lag. Daarop zou Shanti in detail hebben beschreven hoe de gemeenschap was verlopen.

Dus als in 1936 een scepticus op bezoek komt, kan Shanti niets zinnigs over seks vertellen, maar in 1986 luidt het verhaal (niet van haarzelf) dat ze zich nog precies de keer herinnerde hoe ze zwanger werd terwijl ze halfverlamd te bed lag.

Sture Lönnerstrand

Ook de Zweedse journalist Sture Lönnerstrand schreef er eind jaren 1950 artikelen over, die in 1994 als boek werden uitgegeven: Shanti Devi: En berättelse om reinkarnation (vertaald 1998), en dat onder meer zou berusten op interviews van de auteur met Shanti Devi. In feite is het boekje grotendeels een geromantiseerde versie van de officiële rapporten waarop ook het bovenstaande berust. De auteur zou op 30 september 1957 een brief van Shanti Devi hebben gekregen waarin ze verklaart het volste vertrouwen in hem te hebben. Ongeveer 30 jaar later heeft Lönnerstrand haar weer ontmoet. Een van de zaken die Lönnerstrand vermeldt is dat Shanti niet wilde trouwen omdat ze zich toch op een of andere manier al in de echt verbonden voelde. Daarom zou ze ook een aanzoek van een sympathieke jongeman hebben afgewezen. Lönnerstrand zwijgt echter over het verhaal van de seks met een invalide zieke, maar vermeldt wel andere details over de gang van zaken in villa Bagichi en Lugdi’s probleem met haar been die Shanti aan Kedarnath correct verteld zou hebben. Lönnerstrand schrijft ook dat Shanti Devi zich spontaan de naam Lugdi Devi herinnerde voor ze zelfs maar de naam van haar ‘man’ noemde, maar in de oude verslagen heb ik daar niets over gevonden.

Bontst

Het geval Shanti Devi wordt in diverse boeken besproken in diverse gradaties van correctheid. Het bontst maak J.B. Delacour het in zijn boek Toch Reïncarnatie (Ankh-Hermes 1975), die spreekt over een Shanti Devi geboren 17 januari 1944, die zich een vorig leven herinnert van de in 1928 overleden Annes, echtgenote van de islamitische stoffenkoopman Achmed Lugdi uit Muttra, die zich uit haar vorige leven allerlei kenmerkende islamitische gebruiken herinnert, waarna universitaire psychologen het geval onderzoeken en het voor echt verklaren.

In SN1 citeer ik bronnen waarin wordt uitgelegd dat als men er snel bij is, het soms mogelijk is te constateren dat het geval eigenlijk niet zo sterk is, maar dat als er eenmaal onder grote publieke belangstelling ‘verificaties’ hebben plaatsgevonden de oorspronkelijke tegenstrijdigheden en warrige verhalen zijn verdwenen en iedereen zich haarfijn de perfecte overeenstemming tussen ‘herinnering’ en feiten herinnert. In dit geval hebben we slechts schriftelijke bronnen van kort na de verificatie en herinneringen van nog veel later. Het lijkt me dat wie de herinneringen van Shanti Devi serieus neemt, dat dan ook moet doen voor haar herinneringen aan de hemel.

Noot

Veel van de bronnen zijn vertaald uit het Hindi naar het Engels. Er worden diverse systemen gebruikt voor de transcriptie van namen. Zo zien we Choube / Chowbey / Chaubey / Chaube en diens zoon (hier: Nabanita Lall) heet ook wel Navneet Lal of Naunita Lal of Naunit Lal, enzovoorts. Ook de stad Muthura wordt geregeld Muttra genoemd. Dat is echter geen andere transcriptie maar naar verluidt zoals de inwoners de stad in hun eigen dialect noemen.

Geraadpleegde bronnen (n.b. bij nummer 3 kan ik niet zien wie de auteur is):

1. Dr. Indra Sen, Kumari Shanti Devi and Reincarnation. Chitrapat 4 juli 1936, Delhi. (In 1962 vertaald door H.N. Banerjee voor Ian Stevenson).

2. Dr. Indra Shen, Shanti Devi Further Investigated. Proceedings Indian Philosophical Congress, waarschijnlijk 1938.

3. Sushil Bose, A case of reincarnation. Ligate, 1952.

4. A case of re-incarnation – Revised & Enlarged – by Kumari Shanti Devi – Prabhakar, B.A. Sahitya Ratan, and Lecturer in Hindu Philosophy of Life. Adarsh Sudharak Saba. Delhi, 1953.

5.Kirti Swaroop Rawat and Titus Rivas, The Life Beyond: Through the eyes of Children who Claim to Remember Previous Lives. The Journal of Religion and Psychical Research, Vol. 28, Number 3, 126-136, July 2005.

K.S. Rawat. The case of Shanti Devi.

6. Sture Lönnerstrand, Shanti Devi: Een verhaal over reïncarnatie. Mirananda, Den Haag 1996.

Download

Dit artikel delen:Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInEmail this to someonePrint this page

58 gedachten over “Shanti Devi

  1. @t. van der sandt: die iedereen wel eens heeft, als boodschappen begon te interpreteren. Die was gewoon onzeker en nerveus en heeft nooit medicatie nodig gehad). Is wel het New-age Aandachts/Zelfhulp circuit ingedoken en is daarbinnen later een soort Coach voor anderen geweest. Nu weer braaf in zijn werk bij Rijkswaterstaat terug.

    Dat was dan op het randje, gelukkig dat het uiteindelijk toch nog goed gegaan is.

    @t. van der sandt: Een anekdote over ontberingen e.d. (vernomen van een bevriend klinisch psycholoog): Twee nederlanders (ik meen zelfs missionarissen) zaten in Indië (1942-1945) geïnterneerd in een kamp. Ze hadden daarvoor altijd hoofdpijnklachten e.d. In het kamp hebben ze zich zeer ingespannen voor het welzijn van hun kampgenoten.
    Later bevrijd keerde zomaar…die hoofdpijn weer terug.
    In het kamp had die zich niet voorgedaan.

    Dat kan met zoveel factoren te maken hebben, misschien met het sterke verleggen van de aandacht naar de kampgenoten, welke hun geheel opslokte, misschien ook wel met de karige voeding, het is vaak een kwestie van en/en, maar op de oorzaak is natuurlijk nooit echt de vinger op te leggen.
    Maar frappant is het inderdaad wel.

    @t. van der sandt: Het blijft allemaal complexe materie, met twee zijdes van de medaille. Een cultuur van effectieve psychiatrische behandeling kan echter omslaan in één van cultivering van de eigen aandoeningenleer, diagnoses en behandelingen, waar de clientele in meegaat. Dat is de kern van de Skeptische boodschap.

    Inderdaad, ik benoemde dat ook al eerder als uitwassen van de psychiatrie en psychotherapie, dat komt ongetwijfeld voor, het blijft mensenwerk, een bevriend psychiater met wie ik wel een tennis gaf dat ook wel toe, maar de manier waarop Skepsis dat aspect belicht met al de onderhavig genoemde toeters en bellen, zoals bijv statements als o.a. Psychotherapie, een praatkuur als ‘behandeling van de geest’, bestaat niet, vind ik veel te stellig en schiet m.i. een beetje door.

  2. @ Ragnar

    De stijl van Skepsis en het blad Skepter is regelmatig spottend-ironisch en beoogt weinig heel te laten van niet bewezen of bewijsbare claims. Daardoor lijkt Skepter in schrijfstijl vaak meer op een roddelblaadje, waarin alternatieve (=niet hard-wetenschappelijk onderbouwde) ideeën en praktijken worden afgekraakt.
    Dat is een wat gemakkelijk middel om zich te profileren.
    Ik zie dat persoonlijk als een schoonheidsfout van de stichting, maar zo heb ik ze leren kennen. Men drukt zich expres wat ongenuanceerd uit, om met meer impact het skeptische standpunt uit te dragen.

    TVDS

  3. TvdS stelt pendant: “Daardoor lijkt Skepter in schrijfstijl vaak meer op een roddelblaadje, waarin alternatieve (=niet hard-wetenschappelijk onderbouwde) ideeën en praktijken worden afgekraakt.”

    Ben een fervent lezer van de Skepter en begrijp werkelijk niet hoe u tot deze boude uitspraak komt. De schrijfstijl is hooguit luchtig en wordt soms voorzien van de broodnodige, edoch immer prettig intelligente knipoog.

    Hetgeen u overigens duidt als: “alternatieve (=niet hard-wetenschappelijk onderbouwde) ideeën en praktijken”, zijn over het algemeen uiterst spectaculaire claims met een boterzachte onderbouwing, waarvoor ook nog eens wetenschappelijke theorieën op onbewuste (onkunde) of bewuste (slinksheid) wijze misbruikt worden.

    De stichting Skepsis poneert hier onderbouwde, alternatieve verklaringen tegenover en communiceert deze via alle beschikbare kanalen naar het publiek. Daardoor valt er dus iets te kiezen voor de ‘zelfdenkende consument zonder dovemansoren’ van dit soort spectaculaire claims.

    Dat u dit vaak intensieve proces en de licht ironische schrijfstijl in Skepter kwalificeert als ‘afkraken’, vind ik daarom erg kort door de bocht. Mij valt het overigens op dat het nu juist de claimanten van de bijzondere claims zijn, die vrijwel altijd gespeend lijken te zijn van enige zelfspot, ironie of luchtigheid. Er zit daarom ook nooit eens een leuk grapje in de claim. Meestal wel veel lucht, maar het wordt nooit luchtig. En tja, in zo’n context komt zelfs een simpele knipoog van lichtvoetig sceptische David natuurlijk hard aan bij een zelfverklaarde, ietwat zwaar op de hand zijnde Goliath…

    En om weer on topic te komen: Neen, ik ben geen reïncarnatie van Pyrrho van Elis (denk ik, maar weet het niet zeker)!

  4. t. van der sandt: Men drukt zich expres wat ongenuanceerd uit, om met meer impact het skeptische standpunt uit te dragen.

    Dat is nu juist de crux, want daarmee schiet je vaak je doel voorbij. 😉

  5. @ agno

    In Skepter is, naast wat ik signaleer, ook te lezen, hoe er door de schrijvers van artikelen druk wordt gelezen, uitgezocht en keihard gewerkt om zaken door te lichten. De ingezette expertise daarbij is groot. Als geheel is dus Skepter niet slechts een roddelblaadje.

    TVDS

  6. Niet een geval van reincarnatie, maar wel van “contact hebben met personen uit het verleden”, waarbij ook de vraag van een verwijde persoonlijkheid opdoemt, is dat van Rosemary Brown, die beweerde in contact te staan met componisten (Liszt als voornaamste, e.v.a.).
    Haar geval kan niet op bedrog worden betrapt, maar de composities zijn van dermate B-kwaliteit en beperkt in variëteit, dat je toch moet oordelen, dat zijzelf, als een soort “savant mediamique” de componiste is. Haar scholing is beperkt, maar als zij een natuurtalent heeft, dat zich ontplooit in lichte trance toestand, dan is zij eigenlijk een “shamanistische persoonlijkheid”: d.w.z. een artistieke, expressieve geest, die ons cultuurgoed opnieuw uitdraagt (zoals de shamaan in kleine jager-gemeenschappen de lokale religie, mythologie verlevendigt in woord en gebaar en “trance-contact met de geestenwereld”).
    Een “contact met gene zijde” is op zich niet uit sluiten, maar aard van de composities wijzen eerder op haar eigen (amateur-niveau!) muzikaliteit.

    TVDS

  7. @ t. van der sandt

    ook een interessant geval, van Rosemary Brown,
    waarom het gaat lijkt mij meer het herkennen van de specifieke (overleden)componisten, een kenner van klassieke muziek zal er meer over kunnen vertellen. Ze had zelf geen muzikaal talent. Afijn.

    @ Mv. Atsou Pier,

    ik behoud het vermoeden dat u uw christelijk geloof laat meespelen in het reincarnatie idee. Zo heb ik “Wie was ik” met verbazing gevolgd destijds. De sceptici van destijds uitte hun twijfels over de mogeijkheid van het onmbewust invullen van een eerder leven, en de invloeden van de hypnotiseur. Tijdens het natrekken van de beweringen der verschillende personen onder hypnose, heeft geen scepticus zich uitgesproken over de verbazingwekkende feiten, die men aantrof. Zou je hetgeen men beschreef tijdens regressie met hetgeen men aantrof moeten vergelijken was er een vebazingwekkend bovengemiddelde (op de genoemde plaatsen en plekken.) Daar kun je natuurlijk weer heel flauw over gaan doen.

    Een mooi geval is dat van Jenny Cockell, die zich een vroeger leven herinnerde als moeder van verscheidene kinderen. In haar huidig leven werd deze zaak ook volledig uitgepluisd, dat leidde tot een hereniging, van een gezin van inmiddels oude mensen, die in haar de reincarnatie van hun vroeg overleden moeder herkende. Vanwege de vele herinnerde feiten. Allemaal maar anekdotes. Zaak gesloten dan maar.

Reacties zijn gesloten.