Skip to main content

Helderziendheid bekeken (gratis boek)

Het meest omvangrijke onderzoek naar paragnosten werd uitgevoerd door dr. H.G. Boerenkamp, die verbonden was aan de vakgroep Parapsychologie van de Rijksuniversiteit Utrecht. Hij schreef er niet alleen een dissertatie over, maar ook een verhandeling voor het grote publiek, waarin hij de resultaten in een bredere context plaatst. Een nieuwe digitale versie van dit boek (aangevuld met een samenvatting van het proefschrift) is nu beschikbaar op de website van Skepsis:

HELDERZIENDHEID BEKEKEN
(bezoek de download-pagina)

Twaalf paragnosten die in de jaren 1980 tot de besten van Nederland werden gerekend, namen aan het onderzoek deel. Ze hoefden zich niet te onderwerpen aan proeven waarmee ze geen ervaring hadden, maar mochten helderziende uitspraken doen over echte personen. In totaal werden er circa 150 consulten op geluidsband vastgelegd, die nauwkeurig werden geanalyseerd.

Het onderzoek maakte duidelijk dat er geen reden was om aan te nemen dat de paragnosten helderziende ervaringen konden oproepen. Daarmee was echter niet alles gezegd. Boerenkamp behandelt in zijn boek verschillende vragen die vooral op psychologisch terrein liggen. Enkele daarvan zijn:

  • Welke kenmerken heeft een spontane helderziende ervaring?
  • Wat kan ertoe leiden dat men een ervaring helderziend noemt?
  • Hoe raken mensen ervan overtuigd dat ze een helderziende gave hebben?
  • Wat doen paragnosten tijdens een consult?
  • Hoe raken cliënten onder de indruk van de uitspraken van een paragnost?

Het onderzoek van Boerenkamp is weer actueler dan ooit. Uit een recent opinieonderzoek bleek dat 55 procent van de ondervraagden wel een paragnost zou willen raadplegen wanneer een familielid wordt vermist. De concrete aanleiding om het boek opnieuw uit te brengen was de tv-serie Op zoek naar het Zesde Zintuig. Boerenkamp vond dit programma misleidend en ethisch onverantwoord. Hij had niet verwacht dat een publieke omroep zoiets zou uitzenden. Gelukkig heeft de KRO inmiddels besloten om er niet mee door te gaan, ondanks de goede kijkcijfers. Het programma gaat nu naar RTL4, die ook al een spiritistisch medium en een babyfluisteraar in huis heeft.

Wie zijn of haar kennis van het paranormale aan de tv ontleent, zal moeite hebben om niet te gaan geloven dat de wonderen voor het opscheppen liggen. De universitaire vakgroep Parapsychologie is niet meer in staat om dit beeld te nuanceren, want deze vakgroep is al in 1988 wegens bezuinigingen opgeheven. Gelukkig hebben we het boek nog en bestaat er ook nog een stichting die zich ten doel stelt wetenschappelijk verantwoorde informatie te verstrekken over buitengewone beweringen.

96 thoughts to “Helderziendheid bekeken (gratis boek)”

  1. Het is voor mij zo klaar als een klontje dat helderziendheid niet mogelijk is.
    Ik heb geen enkele behoefte aan een boek over dit onderwerp.
    Dat neemt niet weg dat deze waarheid verspreiding verdient.
    Daarom ben ik donateur van Skepter

  2. @ H.C. Zorn
    Wilt u niet weten hoe andere mensen ertoe komen om wel in helderziende gaven en ervaringen te gaan geloven? Daar gaat het boek voor een groot deel over.

  3. Er zijn twee soorten geloof in helderziendheid: namelijk de klant die gelooft in de ‘paragnost’, en de paragnost die meestal overtuigd is van zijn of haar eigen gaven. Beide aspecten komen in het boek aan de orde.

    Vooral hoofdstuk 5 van het boek, met een volledig uitgeschreven consult, is fascinerend.

  4. Het geloven in iets wat je gemoed een goed gevoel geeft is een verslaving. Mensen laten zich sturen (zijn er ook op zoek naar) door prikkels.
    Ik heb er geen bezwaar tegen als mensen in iets geloven, waarvan ik vind dat dit niet bestaat.
    Pas als ze missionair worden, maak ik bezwaar.
    Ik ken veel mensen in mijn omgeving die geloven in God, reflextherapie, naalden, Balkenende en andere geloven.
    Ze weten ook hoe IK over dat soort geloven denk en we laten elkaars overtuiging met rust.
    Het is goed, dat we vrij zijn om elkaar van onze menig kond te doen.
    Het is goed, dat we de mogelijkheid hebben elkaars mening te peilen.
    Al was het maar om onze eigen twijfel te testen.
    Er is bij mij slechts één zorg. De dynamiek tussen de mensen moet blijven.

  5. @Riph van den Assum

    Terecht maakt u bezwaar tegen de missionarissen. Maar daar vallen toch ook de personen onder die “therapeutisch” actief zijn? Die zijn toch het geloof in hun eigen vermogens aan het verbreiden? Wat bijvoorbeeld te denken van de persoon (ik noem geen namen) die geesteszieken wijs maakt dat zij paranormaal begaafd zijn en in contact met hogere wezens staan, waardoor ze dus paranoïde schizofrenen behandeling afwijzen?

  6. Het lastige blijft altijd denk ik dat mensen zoeken naar bevestiging van wat ze toch al denken. De gelovigen en twijfelaars-met-de-wil-te-geloven lezen dit niet, want die vinden Skepter een stelletje overrationele ZZ (zeurzakken).

    Ga het zelf ook niet lezen, maar dat heeft een andere reden. Voor mij is het (inclusief de mechanismen) inmiddels ook zo klaar als een klontje net als voor de heer/mevrouw Zorn.

    Wel leuk en goed dat het op de site staat!

    Groet!
    Marielle

  7. Mijn dank voor het toezenden van het boek Helderziendheid bekeken. (pdf) Zal het deze kerstdagen gaan lezen. Het kan voor mij meer duidelijkheid scheppen in bepaalde zaken waar ik in mijn leven tegen aan gelopen ben waar ik zelf totaal niet mee weg kon komen, en wat heden ten dage nog steeds zo is. Ik heb op de website van de VtdK in de rubriek Dubieuze zaken het verhaal Valse Zeden geschreven wat te maken heeft met een zus van mij. Als je het verhaal leest schept dat meer duidelijkheid. Wat mij zeer verontrust is dat ook mijn zus het licht heeft gezien. Als je op haar website hetzonnehuis.nl op de rubriek Annemarie en Kees klikt sta je verbaasd wat of ze allemaal kan zien en voelen en op afstand kan reinigen. Voor mij dus klinkklare onzin. Vandaar dat ik Helderziendheid bekeken met meer dan normale interesse ga lezen. Uiteraard kom ik dan nogmaals voor een reactie op dit Skepsisblog terug. Vriendelijke groeten Rob Kok.

  8. Bedankt voor deze publicatie al ben ik meer van het gedrukte woord. Het lijkt me overigens duidelijk dat we hier een groep mensen bij elkaar hebben die niet geloven in dit soort (of andere) zaken.

    Ik las overigens gisteren in de Intermediar een artikel waarin beweerd werd dat geloof en de drang daarnaar ingebakken zit in onze genen. Wellicht een interessant onderwerp voor een van de redacteuren om daar eens de Skepsiskant van te belichten.

    Ron

  9. Ik vind dat er op de tv veel te veel aandacht wordt ingeruimd voor alternatieve zaken. Ik heb aan de andere kant nog nooit een tv-persoonlijkheid horen verklaren dat helderzienerij, handoplegging, homeopathie,accupunctuur etc. onzin is. Ze mogen het waarschijnlijk ook niet zeggen, want hun bazen leuren misschien met een programma dat juist gebaseerd is op deze onzin. Zou een jongerenomroep als BNN wel bereid zijn om een “kruistocht” te beginnen tegen dit onzinnige geneuzel?

  10. Ik heb nog nooit een stel berichten van zulke domme, bevooroordeelde en slecht geïnformeerde mensen bij elkaar gezien.

    Er bestaan ontzettend veel echte goede studies en boeken over dit soort onderwerpen [in dit geval helderziendheid], zoals van Ten Haeff en Colin Wilson en vele anderen.

    Helderziendheid is op allerlei mogelijke manieren al duizendvoudig bewezen, door bv. de stoelenproeven van Croiset in boeken van Ten Haeff en onder de strengste voorwaarden uit en ten treuren gecontroleerd, met politie, notarissen, juristen, wetenschappers etc.

    Wie maar enigszins op de hoogte is kan dit soort verschijnselen niet afdoen als ‘onzin’, zonder wat voor onderzoek dan ook.

    Het ‘skepsis-geloof’ is gewoon een geloof, een aanname, zonder een spoor van bewijs.

    Ik zou ook aanraden het boek over Bijna Dood Ervaringen ‘Eindeloos bewustzijn’ van Pim van Lommel eens te lezen, nota bene door een wetenschappelijk medisch tijdschrift ‘de Lancet’ goed ontvangen, met legio voorbeelden van bewijzen waaruit blijkt dat mensen na hun dood zonder hun hersenen als uitgetreden ziel een bewustzijn hebben en buiten hun lichaam dingen kunnen waarnemen die later gecontroleerd kunnen worden, zoals een man in coma die precies wist wie zijn kunstgebit uit zijn mond had gehaald en ergens had neergelegd, blindgeborenen die in een bijna doodervaring opeens gaan zien, etc.

    Maar dit bericht zal wel aan dovemansoren zijn gericht want het skepsis-geloof is een geloof waarvan de aanhangers zich door niets laten afbrengen en zo mogelijk de waarheid zullen verbuigen en manipuleren om maar hun gelijk te krijgen.

    Het is alleen triest en van een bedroevend niveau dat jullie sceptici je verbeelden objectief te zoeken naar de waarheid, want het enige wat jullie sceptici doen is het uitdragen van een geloof en het wanhopig proberen om alle feiten die dat weerspreken weg te honen en weg te wuiven, zonder enige inhoudelijke argumentatie of bewijsvoering.

    Het opvoeren van mensen die beweren helderziend te zijn en het niet zijn, oplichters, en charlatans en onkritische mensen die zich graag laten bedotten door dergelijke types is geen enkel bewijs ervoor dat helderziendheid als verschijnsel niet bestaat, het laat aleen maar zien dat er een aantal oplichters of charlatans zijn, dat er mensen zijn die daar in stinken, en niet dat helderziendheid als verschijnsel op zich niet bestaat.

    Maar dat er oplichters bestaan wisten we al, en dat is op zich is geen interessant feit.

  11. @ Marc

    Skepsis krijgt wel vaker berichten van personen die zo tekeer gaan. Het spijt me te moeten constateren dat je niet goed gelezen hebt.

    Boerenkamp voerde niet zomaar wat oplichters op, maar helderzienden die doorgingen voor de beste van hun tijd. Bovendien waren het geen oplichters, want ze waren zelf overtuigd van hun gaven. Boerenkamp maakt ook aannemelijk hoe zulke mensen tot zulke overtuigingen komen. Ook hun klanten zijn niet bijzonder onkritisch, ze worden gedreven door dezelfde psychologische krachten als iedereen anders. Dat had je allemaal kunnen weten als je het boek van Boerenkamp gelezen had.

    Wat betreft Tenhaeff, door is Boerenkamp heel erg vriendelijk over. Eerder schreef Piet Hein Hoebens een wat minder vriendelijk artikel.

    Iemand die vindt dat er meer goeie boeken gelezen moeten worden zou daar toch kennis van moeten nemen.

    Pim van Lommel heeft in de Lancet geschreven, maar volgens mij is zijn pas verschenen Nederlandse boek daar nog niet gerecenseerd. Van Lommel heeft goed werk geleverd met BDE’s natrekken, maar zijn interpretaties slaan nergens op. Om goed te weten wat er in de hersenen van een bewusteloze gebeurt, moet je een neuroloog of anesthesist (of beide) zijn, maar Van Lommel is cardioloog en hoeveel gesprekken met gereanimeerden hij ook heeft gevoerd, daar leer je niets van bij op neurologisch gebied.

    Over Van Lommel komen we nog wel te spreken, maar voor zover ik weet hangt hij ook de absurde theorie aan dat het brein een soort tvtoestel is.

  12. P.S. Ik vind het eigenlijk wel een gotspe om te praten over ‘wegwuiven zonder inhoudelijke argumentatie of bewijsvoering’ als het over het onderzoek van Boerenkamp gaat.

  13. Marc kan skeptici niet de oren wassen door zich te baseren op zijn herinneringen aan Tenhaeff (1884-1981) en de populaire auteur Colin Wilson (die nooit enig onderzoek deed).

    De Encyclopedia of Parapsychology and Psychical Research (een gezaghebbend werk van Berger & Berger, 1991) schreef over Tenhaeff:

    “… it became clear that Tenhaeff was doctoring the data … he is now looked on as a disgrace to the field. His fallen stature is clear from the fact that no major parapsychological journal reported his death.”

  14. Ook de uitvoerige Encyclopedia of Occultism & Parapsychology (ik heb de 4de editie van 1996) van J. Gordon Melton vermeldt (met verwijzing naar Berger & Berger en Hoebens) “fraud called his whole career into question”.

    Berger & Berger noemt Wilson niet, maar Melton wel. Op p. 1406 vermeldt hij dat Wilson een gezaghebbende status verwierf op het gebied van populair occultisme.

    Veel weten van allerlei bijgeloof is echter niet hetzelfde als wetenschappelijke validatie van zulk geloof.

  15. Marc van Delft:

    In boeken zoals van Boerenkamp wat uit de skepsiskoker komt vind je niets anders als het rechtpraten wat krom is, ed.
    De dingen die ik ervan heb gelezen bevestigden precies het beeld wat ik ervan had.

    Wat betreft de bovenstaande commentaren:

    Ik neem aan dat niemand het boek ‘De voorschouw’ van Tenhaeff heeft gelezen.
    Ik zou dan eens aanraden het hoofdstuk te lezen:
    ‘Observatie onder experimentele omstandigheden’, over de stoelenproeven met G. Croiset.
    Deze proeven werden onder de strengste controle genomen, met juristen en politie erbij ed. en zonder uitzondering bleken de voorspellingen van Croiset uit te komen over wat voor persoon er op die of die stoel zou komen te zitten.

    Maar goed, nu komen ze bij skepsis natuurlijk met allerlei roddels en zwartmakerij over Tenhaeff, omdat het hen niet uitkomt, want het skepsisgeloof is nu eenmaal een geloof, een dogma, en als er iets is wat niet overeen komt met dit geloof, dan kan men altijd wel iets vinden of verzinnen om toch zijn gelijk te krijgen.

    Wat zeggen die roddels en zwartmakerij ?

    Wat betreft Colin Wilson: Ik zou aanraden zijn boek:‘Een speurtocht naar leven na dit leven’
    en:‘Zienswijzen’eens te lezen. Daarin wordt o.a. de gehele geschiedenis van het parapsychologisch onderzoek in Engeland uit de 19e eeuw beschreven. [ingekort]

  16. Marc, ik heb je betoog wat ingekort omdat het deels irrelevant was. Boerenkamp was verbonden aan de vakgroep Parapsychologie van de Utrechtse Rijksuniversiteit en voerde zijn onderzoek uit voordat Skepsis bestond. Hij heeft er vele jaren aan gewerkt en alle kenners weten dat het van aanzienlijk betere kwaliteit is dan de fragmentarische observaties van Tenhaeff. Tenhaeff werd niet voor niets zeer negatief besproken in een officiële parapsychologische encyclopedie.

    De stoelenproeven van Tenhaeff zijn mij uiteraard bekend, evenals zijn boek De Voorschouw. Maar er zijn geen wetenschappelijke parapsychologen die daar nog waarde aan hechten. De proeven vonden beslist niet onder strenge controle plaats en het is ook niet waar dat Croiset voortdurend correcte uitspraken deed (dat deed ie zelden). Zelf heb ik de proeven al in 1988 kritisch besproken in mijn boek Parariteiten. Je kunt het hier nalezen.

    Als je je kennis haalt uit populaire literatuur, zoals de boeken van Colin Wilson, dan kun je makkelijk tot een ander oordeel komen. Maar zulke boeken zijn niet geschreven om goed gefundeerde informatie te bieden. Wilson liet alles weg wat zijn goedgelovige lezers niet wilden horen, want serieuze parapsychologie verkoopt slecht. Hij liet zich onder meer overtuigen door de goochelaar Uri Geller en schreef daar ook een boek over.

  17. Geachte meneer Nanninga

    Indien mijn commentaren worden ingekort omdat de inhoud u onwelgevallig is [met als smoesje: niet relevant] dan heeft het verder geen zin om nog met jullie te corresponderen, want dan is hier gewoon sprake van censuur.

    Ik heb nog even iets gelezen over uw bespreking van Tenhaeff, maar dit was er alleen maar op gericht om Tenhaeff en Croiset te ontmaskeren als bedrieger en hen zwart te maken.

    Alle andere voorbeelden van bonafide helderzienden die in mijn oorspronkelijke bericht stonden zijn ook gemakshalve maar weggelaten.

    Met andere woorden: Een vruchtbare dialoog met zulke domme, bevooroordeelde en dogmatische aanhangers van het materialistische wereldbeeld is niet mogelijk.

    Jullie baseren je niet op feiten, maar op slagzinnen, aannames, verdachtmakingen, laster, het alles recht praten wat krom is, kortom, een eerlijke dialoog waarbij de onderste steen bovenkomt is niet mogelijk.

    Overigens, die stoelenproeven werden juist wel onder zeer gecontroleerde omstandigheden gedaan, maar u laat zorgvuldig alle feiten weg die dat feit bevestigt.

    En het feit dat jullie Colin Wilson wegwuiven als zijnde ‘populair’ en het feit dat ie iets schreef over Uri Geller is geen enkele bewijs met betrekking tot de waarde en de waarheid van de inhoud van zijn boeken.
    Het is dezelfde logica als die welke de aan hersenverweking lijdende gochelaar Randy naar voren brengt om het skepsisgeloof te rechtvaardigen: Ongelooflijk beschamend stupide!

    Maar ik zal hieronder nogmaals de oorspronkelijke gehele tekst van mijn vorige schrijven plakken, in de hoop dat het dit keer integraal wordt afgedrukt, anders vallen jullie toch echt door de mand als zijnde corrupte oplichters en dictators die censuur plegen.

    [REDACTIE: Als je de lezers van ons blog in kennis wilt stellen van al je opinies of als je een potje wilt schelden, dan kun je het beste een korte reactie plaatsen waarin je via een link verwijst naar een langere beschouwing op een eigen website. We hebben niet de plicht om hier alles te plaatsen wat jij wilt zeggen, vooral niet als dat niet relevant is voor het onderwerp van het blogbericht, dat over het boek van Boerenkamp gaat. De overige 842 woorden van je bericht zijn daarom geschrapt.]

  18. Marc van Delft heeft trouwens een eigen website (met een aparte afdeling boeken en artikelen), dus zijn vrijheid van meningsuiting wordt niet geschonden.

    Censuur is beknotting door een overheid van burgers (schrijvers, kranten en andere media), niet wanneer een redactie van een medium (een krant, tv, website…), enige selectie toepast. Zou MvD toestaan dat wie dan ook lange tirades aan zijn gastenboek met fanmail zou toevoegen?

  19. Om deze blog met mijn website te vergelijken gaat wel wat ver.
    Mijn website gaat over mijn werk als componist ed. terwijl deze blog over een zeer controversieel onderwerp gaat, namelijk een boek waarin alle helderzienden en de gelovers daarin ontmaskerd worden als zijnde mensen die aan zelfbedrog of zelfmisleiding leiden.
    Het spreekt vanzelf dat een blog die ten doel heeft om een leugen en propaganda voor het materialistische skepsis-geloof te verbreiden eventueel zou kunnen rekenen op reacties van mensen die het daar niet mee eens zijn en die daarvoor de nodige bewijzen hebben.
    Dat is op geen enkele wijze te vergelijken met mijn website die op geen enkele manier met een controversiële stellingname in de wereld wordt gebracht, dan alleen maar mensen te informeren over mijn muziek.
    Hier geldt het principe: Wie wind zaait zal storm oogsten, en deze blog zaait wind en kan dan storm oogsten. Mijn website zaait geen wind, dan behalve de wind die de blazers in de orkestwerken verspreiden, en waarom zou ik dan een storm op mijn website verwachten?
    Ik heb geen blog maar een website met geheel vrijblijvende informatie.
    En als dan vervolgens de bewijzen om de leugens die door deze blog worden verspreid te ontkrachten door de redactie worden weggecensureerd omdat hen dat niet welgevallig is ben ik zo vrij om dat ‘censuur’ te noemen.
    Ik vind het wel erg zonde van mijn tijd en moeite als mijn bijdrage niet wordt geplaatst, dat vind ik werkelijk geen manier!

    Ik heb trouwens nog eens het hoofdstuk nagelezen in ‘de Voorschouw’ van Tenhaeff over de stoelenproeven waarnaar Nanninga verwijst, maar als je dat leest word je overladen met bewijzen en treffers van Croisets helderziendheid. Het een en ander komt heel integer, objectief en betrouwbaar over. Er staan ook missers tussen, bv. die mevrouw woont niet op de 4e maar op de 3e etage, of, die mevrouw heeft geen 3 maar 4 kinderen.
    Op blz. 115-118 staan bv. de uitspraken van Croiset naast die van de proefpersoon, wat allemaal uit treffers bestaat.

    Ook wordt de onmogelijkheid om bedrog te plegen onmogelijk geacht door allerlei procedures te volgen die dat uitsluiten.

    Heel vaak werden Croisets uitspraken op de band of zelfs later op film opgenomen en op die betreffende avond afgedraaid.

    Nanninga haalt er maar een heel klein gevalletje uit om dit te ontkrachten.

    Maar hier is gewoon sprake van: Wie een stok vindt om de hond te slaan kan altijd wel een stok vinden, omdat het skepsis-geloof nu eenmaal een dogmatisch geloof is, door fanatici beleden.
    Maar wie met gezond verstand en een onbevooroordeelde instelling dit hoofdstuk bij Tenhaeff leest kan niet om de overstelpende hoeveelheid bewijzen heen van Croisets helderziendheid.

  20. Marc, vertel mij eens wat er mis was met het promotieonderzoek van Boerenkamp. Je komt niet verder dan ongefundeerde beschuldigingen.
    Met betrekking tot Tenhaeff haal ik geen “klein gevalletje” aan, maar baseer ik mij hier op vier lange analyses, waarvan er twee in parapsychologische vaktijdschriften verschenen. Uit die stukken blijkt dat het werk van Tenhaeff onbetrouwbaar was. Dat was ook de conclusie die Tenhaeffs parapsychologische collega’s trokken. Wat heb je daarop te zeggen?

  21. Wat betreft het onderzoek van Boerenkamp: Uit wat ik ervan gelezen heb blijkt dat deze er alleen maar op uit is om alle bewijzen voor helderziendheid te ontkrachten, omdat hij er wellicht al van tevoren van uit gaat dat het allemaal onzin is, net zoals de skepsisgelovers.
    Nu is het bekend dat je, als je wilt alles kunt krom praten wat recht is en alles zo kunt verdraaien en met verdachtmakingen etc. op de proppen kunt komen dat je zelfs de meest evidente waarheden kunt ontkrachten of relativeren, en dat is het enige waar jullie op uit zijn.
    Jullie zijn namelijk helemaal niet objectief, maar overtuigde aanhangers van het geloof in het materialistische wereldbeeld, en wat dat betreft even dogmatisch als de meest vastgeroeste en verstokte aanhangers van de zwarte kousen kerk.
    Ik heb het nog eens nagekeken in het boek van Tenhaeff, maar het is toch echt werkelijk zo dat in het genoemde artikel er maar een miniem gevalletje wordt aangehaald in vergelijking met de overstelpende hoeveelheid bewijsmateriaal die in het boek van Tenhaeff wordt aangedragen, en de beschreven onderzoeksmethoden komen heel integer over.
    Ik kan natuurlijk niet oordelen in hoeverre Tenhaeff betrouwbaar was, ik heb de goede man niet persoonlijk gekend en ik was niet getuige van alles wat hij in zijn lange leven heeft uitgespookt, maar dat hebben die mensen die hem zwart maken evenmin.
    In zijn boeken komt Tenhaeff op mij heel integer en objectief over, ook aan de stijl van schrijven kan men heel goed merken wat voor vlees men in de kuip heeft, wat ik bij de skepsis-schrijvers nou juist absoluut NIET ervaar, bij hen kan men juist aan de manier waarop het gebracht wordt al heel goed bespeuren wat voor vlees men in de kuip heeft, hier zijn namelijk absoluut geen onbevooroordeelde, objectieve onderzoekers bezig, maar bevooroordeelde gelovigen in het materialistische wereldbeeld, dat proeft men gewoon aan iedere zin. Vooral jullie spreekbuis voor de grote wereld, gochelaar Randy is daar een uitmuntend en beschamend voorbeeld van.
    Alleen als jullie met echte bewijzen of getuigenverklaringen komen van het bedrog van Tenhaeff dat hij gedurende zijn gehele lange leven en loopbaan bij voortduring gepleegd zou hebben, bv. een skepsislid die gedurende al zijn activiteiten als getuige gedurende zijn gehele leven erbij was geweest, hadden jullie munitie gehad om Tenhaeff ‘af te vuren’, maar zelfs dan is dat nog dubieus, want welk bewijs is er dan dat die getuige weer bonafide is.
    En hoe kunnen we bepalen of de lasteraars van Tenhaeff bonafide zijn?
    Hoe valt dat te controleren?
    Niettemin vind ik het een goede zaak om niet alles wat door zogenaamde helderzienden beweerd wordt op gezag aan te nemen, als ik een onderzoeker was zou ik er ook zeer kritisch op toezien of die uitspraken werkelijke plausibele en geloofwaardige bewijzen waren.
    Maar wie vroeger wel eens naar het zwarte gat heeft geluisterd kon er bijna iedere keer live getuige van zijn dat Anton Pauwe van wildvreemde mensen die hij aan de telefoon kreeg precies wist hoe hun huis eruit zag, wat die mensen mankeerden etc. De ene treffer na de andere passeerde de revue, hij maakte daar juist een sport van, want hij wilde heel graag voor de openbare wereld zo veel mogelijk bewijzen dat hij werkelijk helderziende was en dat al die dingen ook echt klopten.
    Dat er echte helderzienden of paranormale verschijnselen zijn is wel zo evident dat je echt blind moet zijn voor de realiteit om dat te ontkennen, de bewijzen zijn duizendvoudig te vinden overal om je heen.
    Bijna iedereen die ik ken heeft wel eens iets ‘paranormaals’ meegemaakt. Maar de heren sceptici zijn zo overtuigd van hun geloof in het materialistische wereldbeeld dat ze geheel blind zijn voor de realiteit.
    Marc van Delft
    ==============

  22. Marc van Delft meet met twee maten. In het artikel van Hoebens blijkt niet alleen dat Croiset er niks van kon, maar dat Tenhaeff ook loog over de prestaties van Croiset, speciaal als hij in het Engels publiceerde.

    Nu mogen we van Marc alleen maar iets onvriendelijks over Tenhaeff zeggen als er van begin tot eind een soort sceptische bewaker met hem heeft meegelopen.

    Eenzelfde terughoudendheid legt Marc niet aan de dag als het gaat over beoordeling van het wetenschappelijk werk van Boerenkamp. Weliswaar had die een promotor, en al zijn gegevens stonden op de band, maar Marc kan al aan de toon zien dat het niet deugt.

    Als het gaat over James Randi maakt hij het nog bonter, want daar wordt een grote hoeveelheid schimpscheuten op afgevuurd zonder enige onderbouwing. Waarschijnlijk heeft Marc nog nooit iets van Randi zelf gelezen, anders zou hij diens naam niet telkens fout spellen.

    Kortom voor Marc mag Tenhaeff alleen bekritiseerd worden als een soort lijfwacht heeft gezien dat hij 100 procent van de tijd bedroog, maar bij onderzoekers Boerenkamp en Randi mag hijzelf zonder onderbouwing na vluchtige kennisname concluderen dat ze de zaken verdraaien of erger.

    Hoe het zit met al die paranormale ervaarders in de omgeving van Marc weet ik niet. Er zijn echter tal van proeven waaruit blijkt dat als je tegen mensen zegt dat ze buitengewoon kritisch zijn en zich geen oor laten aannaaien (of soortgelijke altijd-raak-vleierijen) , de betrokkenen meteen overtuigd zijn van je gaven als waarzegger. Sommige mensen geloven al aan gedachtekracht als het verkeerslicht waar ze op af rijden op groen springt bij hun nadering. Zelfs in sommige wetenschappen is het gebruik om als je bij het monopoly-spel dubbel zes gooit (of zich iets anders van soortgelijke ‘zeldzaamheid’ voordoet) al van een soort wonder te spreken dat een publicatie waard is.

  23. Het fenomeen blog heeft zijn eigen implicaties. Sommigen lezen iets niet of niet goed en reageren toch. Een enkeling lijkt van daaruit ook zomaar in het wilde weg om zich heen te willen gaan slaan, omdat hij misschien een bedreiging voelt die ik helemaal niet uit of wil uiten.

    Het is misschien ook wat veel om een heel boek, en desnoods liefst ook nog het Volkskrantblog ‘Helderziendheid in de Volkskrant 1994-2006’ en de bespreking van de uitzendingen rond het Zesde Zintuig bij Skepsis, eerst aandachtig tot je door te laten dringen. Het is daarom misschien toch ook niet onverstandig om een paar dingen zelf nog even op een iets andere manier toe te lichten. (Maar ik ben niet van plan – en er ontbreekt me waarschijnlijk ook de tijd, vaak op de blog te reageren – zeker niet als mensen niet de moeite nemen het boek ook aandachtig en onbevooroordeeld te lezen.)

    Over de betrouwbaarheid van W.H.C. Tenhaeff heb ik me zelf nooit uitgelaten. Ik heb me die vraag indertijd zelf niet eens gesteld. Bij de oprichting van het Parapsychologisch Laboratorium in 1974 was bij de doelstellingen en de opzet van onderzoek naar paragnosten (helderzienden en mediums) iets heel anders evident.

    Het grootste probleem met Tenhaeffs werk en eigenlijk de parapsychologie als geheel, was toen voor ons dat er geen gesloten verzameling gegevens was wat betreft paragnostische uitspraken van de relatief best aangeschreven paragnosten als aanwijsbare groep in de samenleving.

    Tenhaeff was ook echt niet de enige in zijn tijd die ‘losse’ proeven deed om min of meer te bewijzen dat er paranormale begaafdheid bij sommige mensen was. Ook H. Bender in Duitsland bijvoorbeeld en nog een aantal mensen deden dat toen. (Ook Randi’s latere ‘uitdaging’ is feitelijk wel als zodanig op te vatten, al is dat vanuit de tegenovergestelde veronderstelling). En dat is in zekere zin praktisch werk te noemen en ook niet al te moeilijk voor de onderzoeker om te doen. De meeste, zo niet alle, parapsychologie was tot dan toe hoe dan ook bewijsgericht. Ook de stoelenproeven pasten in die bewijsgerichte benadering.

    Maar je kunt zoveel geslaagde of niet geslaagde stoelenproeven doen als je wilt (en daarbij terecht steeds de vraag stellen van een betrouwbare opzet of niet), in alle gevallen kom je dan nog geen stap verder met de vraag “Hoe werkt die eventuele gave dan meer precies”?

    Wij (de andere onderzoeker was dr.ir. S.A. Schouten) hebben het onderzoek vanuit het Parapsychologisch Laboratorium al in 1974 (dus ver vóór het bestaan van het artikel van PH Hoebens uit 1981, en ver vóór de oprichting van Skepsis in 1987 en zelfs nog vóór de oprichting van Csicop in 1976 door Paul Kurtz) opgezet vanuit een geheel andere gezichtshoek, en met een volstrekt neutrale houding (‘dispassionately’, zoals Hoyt Edge het ooit zei als Amerikaans gastonderzoeker op het Laboratorium, in een artikel in Parapsychological Review, 17, 3, 1986), voor zover dat menselijk mogelijk is. We hebben ons juist veel moeite gegeven in de gemaakte opzet om de helderziende gave een zo groot mogelijke kans te geven in een zogenoemde procesgerichte benadering door eerst aan te sluiten bij wat paragnosten normaal doen in hun praktijk om van daaruit relevante samenhangende factoren en indicatoren voor de gave proberen op te sporen, en onder meer ook door een grote spreiding in de tijd van het onderzoek te plannen. (Je weet ook maar nooit, zoals her en der ook toen al gesteld werd, of het paranormale een wat ik nu maar ‘vulkaanmodel’ noem, volgt: soms een eruptie en meestal niet. Als er zich ook maar één eruptie voor zou doen in die periode van vijf jaar, dan zouden we tenminste ook dan nog kunnen zeggen onder welke condities dat dan was, en of er indicatoren mee samenhingen.) Dit alles om aanwijzingen te vinden voor verder parapsychologisch onderzoek. Centraal stond: alleen door condities te variëren kan men eventueel factoren en indicatoren opsporen die met de op dat moment nog wel degelijk voor mogelijk gehouden gave (mede op grond van het gepubliceerde werk van Tenhaeff) konden samenhangen.

    Bij die opzet en benadering en latere beoordeling hadden wij geen enkel belang in het trekken van welke conclusie dan ook. Ons ging het er in de eerste plaats om te zien wat eventueel het beste werkte voor de veronderstelde gave van de paragnosten, om daarop eventueel verder parapsychologisch onderzoek te kunnen entameren. Hadden we bijvoorbeeld maar gevonden dat de veronderstelde gave beter werkte bij een ernstig probleem zoals een vermissingsgeval ten opzichte van een doorsneeprobleem dan waren we een stuk verder geweest in het bepalen van verder parapsychologisch onderzoek! En hadden we zelfs eventueel kunnen beginnen aan een zekere mate van theorievorming in de richting van de paranormaliteit.

    Dat de ‘theorievorming’ nu de richting van ‘gewone’ psychologie opging en opgaat in het boek is juist mede het gevolg van het onderzoek. Dat was dus niet het eerste uitgangspunt en al helemaal niet het enige van het onderzoek.

    Het onderzoek was dan ook principieel beschrijvend, en niet hypothese-toetsend. Hypothesen over de werking van de veronderstelde gave konden eventueel dus ook pas volgen na het onderzoek, en in nieuw op te zetten onderzoek worden getoetst.

    Ook was essentieel dat de hele opzet zou worden uitgevoerd, ongeacht wat er in de consulten zou gebeuren. (Dus niet tussentijds stoppen om welke reden dan ook.) Er moest een tevoren bepaalde (grote) gesloten verzameling gegevens komen van ongeveer 12 paragnosten die per persoon ongeveer 12 consulten zouden doen onder verschillende condities, voor er welke conclusie dan ook getrokken kon worden.

    We vonden, vanuit de onderzoekers gezien in zekere zin ook wel degelijk helaas, geen enkele belangrijke factor of indicator voor de veronderstelde gave. We kwamen ook nergens een ‘vulkaaneruptie’ van helderziendheid tegen. We kwamen met de gekozen opzet wel een aantal andere zaken op het spoor en daar wordt in proefschrift en vooral in het boek verslag van gedaan.

    Tenslotte: ik heb nooit beweerd dat helderziendheid absoluut niet bestaat of zou kunnen bestaan. Zo apodictisch mag een wetenschapper ook niet zijn. Maar hij mag wel, moet zelfs in mijn ogen, op de grote onwaarschijnlijkheid van het bestaan ervan wijzen, als de resultaten van omvangrijk gecontroleerd onderzoek dat aangeven, en zeker als bijna alles erop wijst dat het veel eerder psychologische processen zijn die de veronderstelde helderziendheid zouden kunnen verklaren.

    Daarom heb ik het boek destijds ook geschreven. Het boek was en is dan ook een uitnodiging om zelfstandig na te denken en een poging eventueel sommigen te helpen, niet een bedoelde verkettering van wie of wat dan ook.

  24. @HGB,

    Ik heb een groot deel van het on-line boek gelezen en ben onder de indruk van de gedegenheid waarmee dit arbeidsintensieve onderzoek is uitgevoerd.

    Drie vragen rezen op (uit pure nieuwsgierigheid):

    1. Bestaat er een correlatie tussen de publieke aandacht voor deze dissertatie en het wegbezuinigen van de Utrechtse universitaire vakgroep Parapsychologie in 1988?

    Het onderzoek was weliswaar gericht op het bestuderen variabelen of indicatoren in relatie met een veronderstelde paranormale gave, maar de uitkomst (als bijprodukt) lees ik toch als ‘paranormaliteit is een redelijk goed ontleedbaar psychologisch proces van de quasi-verstandhouding tussen paragnost en consultant.’

    2. Hoe reageerden de 12 beste deelnemende paragnosten hierop na het lezen van de conclusies van het boek/proefschrift? Ik kan me zelfs voorstellen dat je ervan beschuldigd werd een verborgen agenda te hebben en dat men onder valse voorwendselen in het onderzoek gelokt was.

    3. Was er een verschil in ‘vinnigheid’ te constateren tussen de reacties van paragnosten en consultanten? Ik vraag dit vanwege de verbazend scherpe en emotionele uithalen in posts hierboven. Dit kom je vaker tegen op dit soort discussiefora (bijv. in die van het 6e zintuig). Een rationele en feitelijk analyse van paranormale verschijnselen waarbij waarde-oordelen zorgvuldig vermeden worden, lijkt als een rode lap op de spreekwoordelijke stier te werken. Net zoals de levensgeschiedenis van de paragnost hem of haar tot paragnost lijkt vormen, geldt dat natuurlijk ook voor de consultant. Het lijkt soms net alsof er bij de laatste groep een break-even punt bestaat waarbij de relatief onschuldige meedenktendens omslaat in een onvoorwaardelijk geloof waaruit men niet meer kan (of mag) onsnappen. Dit geloof ‘nestelt’ zich in iemands persoonlijkheid en kritiek op het ‘geloof’ wordt dan al snel als kritiek op de persoon ervaren.

  25. @ Agno
    Wat betreft de eerste vraag. Er liepen in de jaren 1980 op psychologisch terrein acht zogenaamde VF-programma’s (met Voorwaardelijke Financiering). Daarvan zijn er 3 wegbezuinigd bij een reorganisatie, toevallig de programma’s die door de KNAW als beste waren beoordeeld. Een daarvan was de vakgroep Parapsychologie (een andere de vakgroep Psychofysiologie). Vermoedelijk was het vooral een kwestie van slim onderhandelen, waarbij de minst gewieksten aan het kortste eind trokken.

  26. @Agno

    De antwoorden vallen wat lang uit, maar dat kan niet anders.

    Om de vragen te beantwoorden moet ik eerst even een verdeling in de tijd schetsen.
    Het onderzoek omvat feitelijk het tijdsvak 1974-1987. In de periode 1974-1980 is er een dag per week beschikbaar voor het onderzoek en van 1981-1987 twee dagen.
    Na formulering van doelstellingen en opzet in 1974 vindt in dat jaar ook de selectie van de paragnosten en een proefconsult met elk van hen plaats.
    Van 1975 tot 1980 vindt de feitelijke dataverzameling plaats. Ongeveer twee bezoeken per jaar. Elk bezoek aan de paragnosten bevat een gespreksdeel en een consultdeel. Er waren een of twee consulten per bezoek. De gespreksdelen worden uitgetikt in deze periode, mede ter juiste voorbereiding voor het telkens volgende bezoek.
    In de periode 1981-1982 worden alle consulten uitgetikt.
    In de periode 1981-1986 wordt alles beoordeeld volgens de beschreven procedures en artikelgewijs gepubliceerd.
    In de periode 1986-1987 worden de artikelen gebundeld in een proefschrift en wordt het boek geschreven.

    Dan je eerste vraag. In principe heeft het een niet te maken met het ander. Er was wel een ongelukkige samenloop van omstandigheden, die gemakkelijk tot een onjuiste associatie kan leiden. In 1986, toen feitelijk net het hele onderzoek af was, kwam de aankondiging dat het kabinet Lubbers weer zwaar moest bezuinigen wegens zeer tegenvallende aardgasbaten. Dat het Parapsychologisch Lab daar ook de dupe van zou gaan worden stond in principe helemaal los van de conclusies van het proefschrift. Het uiteindelijke argument voor opheffing was dat we als Lab moeilijk in de nieuwe structuur van de faculteit waren in te passen als zelfstandige eenheid. Daarom hebben wij zelf juist in 1987 nog via de media aan de bel getrokken wat betreft die dreigende opheffing. Het hielp niet. Of dat aan de bel trekken in 1988 ook nog een rol gespeeld heeft, is moeilijk te zeggen.

    Bij één van de paragnosten kwam een felle reactie los, zo ongeveer als W. Kramer dat beschrijft in zijn artikel in Skepter in 1988, namelijk bij de paragnost in het boek. Maar alles was juist met hem daarvoor heel precies doorgesproken. Hij had ook zijn schriftelijke fiat gegeven om het boek uit te geven, waarin hij tenslotte ook eventueel herkenbaar was. Hij had het tevoren gelezen en toen nog nergens bovenmatig geprotesteerd. Van de andere paragnosten kwam geen uiteindelijke reactie. Wel van een paar paragnosten die niet bij het onderzoek waren betrokken.

    Hierbij moet je je realiseren dat er voor de paragnosten feitelijk geen duidelijk begin en eind aan het onderzoek was. We hebben hen bewust geen inzage gegeven in de systematiek die erin zat, om redenen zoals elders verder uitgelegd. (Een afspraak voor een periode van vijf jaar zou hen mogelijk alleen al hebben afgeschrikt, dus dat werd ‘Mogen we u zo nu en dan opzoeken’.) In 1980, dus na de afhandeling van alle condities, toen er als het ware het volgende bezoek van ons logischerwijs aan zat te komen, heb ik in plaats van een nieuwe afspraak te maken, eenieder gezegd dat we nu ongeveer wel genoeg inzicht hadden en zelf geen nieuwe afspraak meer nodig vonden, dat veel van de gegevens nog moesten worden uitgewerkt, maar dat ze zelf ook al wel gemerkt moesten hebben dat er nogal wat fouten waren geweest bij de indrukken in de loop der tijd, en dat we zelf ook niet wisten wat de conclusies precies zouden gaan worden. Dat het belangrijkste zou blijven of er verschillen waren in de condities over de groep paragnosten gezien, en dat het niet zozeer om iedere paragnost persoonlijk ging. Ik heb ze vervolgens ook allemaal uitgenodigd om nog een laatste gesprek te hebben, als zij dat graag wilden, maar dan zonder de bescheiden vergoeding die ze voor alle eerdere gesprekken gekregen hadden. Alleen met de paragnost in het boek hebben we daarna nog contact gehouden. Ik denk ook niet dat het onderzoek een wezenlijke invloed had op het verdere gedrag in hun leven, maar dat was uiteraard ook geen doel van het onderzoek.

    Je laatste vraag is al helemaal moeilijk kort te beantwoorden. Alleen in conditie 10, in mijn indeling, dus in één van de condities, richtten de paragnosten zich tot een doelpersoon in-levende-lijve. In alle andere condities waren de onderzoekers alternerend de consultant over een doelpersoon uit hun eigen omgeving (om factoren goed te kunnen controleren, maar evengoed volledig aansluitend op wat paragnosten in de praktijk ook tegenkomen, denk bijvoorbeeld ook aan het vermissingsgeval, ofwel conditie 5, in mijn indeling). (In alle condities was de ene onderzoeker consultant en de andere observator, op die conditie 10 na dan, natuurlijk.) De reactie van een van de drie in-levende-lijve-consultanten in conditie 10 is besproken in hoofdstuk 5 van het boek. Daar is niet veel meer over te zeggen dan het daar gezegde. De andere twee (drie personen in die conditie bezochten in principe elk vier van de twaalf paragnosten, en dit weer om leeftijd en geslacht van de consultant geen systematische invloed te laten hebben op de resultaten, zoals ook in de standaardconditie), waren een vrouw van rond de 25 en een vrouw van rond de 65. Hun reactie was in descriptieve termen niet echt anders dan die van de mannelijke proefpersoon van rond de 45 in hoofdstuk 5 van het boek. “Wat moet ik er van denken? Ik weet het niet. Toch wel raar” Mijn formuleringen over het gebrek aan inzicht in context moest ik voor een deel toen overigens ook nog uitwerken. Er zat ook wel een behoorlijke tijd tussen die consultaties en het proefschrift en het boek. Ik heb de drie in-levende-lijve consultanten het boek gestuurd, en daarop alleen van één nog een reactie gehad met als commentaar dat het boek toch wel wat verhelderde (maar ook wel moeilijk was).

    Wat je zelf oppert zou alleen maar onderwerp van verder onderzoek kunnen zijn. Ik weet het niet. Maar het zal op zijn minst van een heleboel factoren afhangen. De drie in-levende-lijve consultanten in het onderzoek waren wel geïnteresseerd in het paranormale, maar niet bovenmatig.

  27. Ik heb het boek vannacht met groot plezier gelezen. Het lijkt me een schoolvoorbeeld van wat goede populaire wetenschap zou moeten zijn. Een kraakheldere argumentatie in gewone mensentaal met een duidelijk praktisch doel. Hulde voor Skepsis en dhr. Boerenkamp voor dit initiatief. Ik heb naar aanleiding van de beschikbaarheid van dit boek besloten om me z.s.m. te abonneren op jullie blad.

  28. Allereerst iedereen de beste wensen voor dit jaar 2008.
    De bijdragen van Boerenkamp op deze blog vind ik een verademing. In tegenstelling tot wat Marc van Delft denkt, komt hij bij mij over als strikt objectief. Hij heeft echt zijn best gedaan datgene te halen uit de helderzienden wat er in zou kunnen zitten. Bovendien vind ik het fijn zijn rustige beschouwingen te lezen over zijn eigen werk.
    Heel wat minder daarentegen ben ik te spreken over de reactie van Jan Willem Nienhuys mbt de opmerkingen van Marc van Delft over cardioloog Pim van Lommel en diens recente boek “Eindeloos Bewustzijn”. Ik citeer het nog maar even (28 december 2007, 10: 45): “[….] Van Lommel heeft goed werk geleverd met BDE-s natrekken, maar zijn interpretaties slaan nergens op. Om goed te weten wat er in de hersenen van een bewusteloze gebeurt, moet je een neuroloog of anesthesist (of beide) zijn, maar Van Lommel is cardioloog en hoeveel gesprekken met gereanimeerden hij ook heeft gevoerd, daar leer je niets van bij op neurologisch gebied.
    Over Van Lommel komen we nog wel te spreken, maar voor zover ik weet hangt hij ook de absurde theorie aan dat het brein een soort tvtoestel is.”
    Welnu, ik ken Pim van Lommel persoonlijk en ook heel
    goed. Zijn boek heb ik uiteraard en ik ken de inhoud van voor tot achter. Van Lommels boek is gebaseerd op ruim 25 jaar onderzoek van de bijna-doodervaring, waarvan de laatste vier jaren praktisch full-time. Na de publikatie van het Lancet-artikel (15 december 2001) is het daar niet bij gebleven. We mogen veronderstellen dat Van Lommel met zijn medische ondergrond in staat mag worden geacht zich verder te bekwamen op de gebieden van neurowetenschappen (en anesthesiologie). Dat heeft hij dan ook gedaan; daar heeft hij immers de hersenen en blijkbaar ook de bereidheid en wil om verder te leren voor, getuige o.a. de grote literatuurlijst achter in het boek, ca 360 titels. Dat hij die allemaal gelezen heeft, blijkt uit gesprekken met hem, tijdens welke zijn enorme belezenheid, zijn overzicht en zijn vermogen verbindingen te leggen steeds weer manifest worden.
    Bovendien heeft hij een wereldwijde kring van experts op deze terreinen om zich heen verzameld, die hij regelmatig raadpleegt, dus wat hij zegt is meer dan behoorlijk onderbouwd. Zijn interpretaties van de bijna-doodervaring slaan daarom wel degelijk ergens op, al beweert JWN het tegenovergestelde.
    Om dan nu en passant te zeggen, zoals JWN doet, dat PvL omdat hij cardioloog is, eigenlijk te weinig zou weten van neurowetenschappen en anesthesiologie, is wel zeer kort door de bocht. Dan zou ik nu met hetzelfde recht mogen beweren dat Jan Willem Nienhuys, omdat hij wiskundige is, zich vanaf nu alleen nog maar mag uitlaten over wiskundige onderwerpen en voor de rest zijn mond moet houden, omdat hij per definitie van al die andere zaken te weinig afweet.
    Wat de laatste zin van JWN’s opmerkingen betreft, ik vind het te ver gaan om in een metafoor (“een soort tv-toestel”) een “absurde theorie” te zien.
    Ik veronderstel verder dat er een recensie over Van Lommels boek komt in Skepter en wellicht ook op deze blog. Naar ik vermoed zou die wel eens geschreven kunnen worden door de anesthesioloog Gerald Woerlee die immers al eens over de BDE heeft gepubliceerd in Skepter en The Skeptical Inquirer, en met wie Van Lommel reeds de degens heeft gekruist. Het zou getuigen van werkelijk onbevooroordeelde objectiviteit als de redactie van Skepter naast het opnemen van de recensie van Van Lommels boek, door wie ook, ook Van Lommel uitnodigt een volledige dus onverkorte reactie daarop te plaatsen in hetzelfde nummer van Skepter en de daaropvolgende blog, net zoals is gebeurd in het nog te verschijnen nieuwe nummer van Medisch Contact waarin Van Lommel een aantal uitspraken van Woerlee onder de loep neemt.
    Het zou jammer zijn als de redacteuren van Skepsis/Skepter dat niet zouden doen, omdat ze zo het vermoeden zouden kunnen wekken te zijn afgegleden naar het niveau van het sektarisch eigen gelijk dat ze zo graag bestrijden.

  29. Met enthousiasme Rudolf’s reactie gelezen. Natuurlijk kan van Lommel wel uitspraken op neurologisch gebied doen, precies om de redenen die Rudolf geeft. Zijn punten zijn mijns inziens terecht, en ik hoop ook dat jullie Van Lommel zullen uitnodigen als zijn boek besproken wordt.

  30. Rudolf verwijst naar mijn bericht van 28 december: een schrijffout, het was 26 december. Wat Woerlee zo al over BDE’s te melden heeft staat te lezen (in het Engels) op zijn website. Daar staat nauwkeurig uitgelegd waarom hij denkt dat BDE’s altijd gepaard gaan met zuurstofgebrek (en nog veel meer).

    In Skeptical Inquirer (nr. 28.3, 2004) en in The Skeptic (nr. 18.1 en 18.2, 2005) schreef hij al over diverse aspecten van BDE’s.

    Op de website van Skepp staat een lange discussie over het onderzoek van PvL. Als ik daar hem daar geciteerd zie met: “Als er een fysiologische verklaring voor het ontstaan van BDE zou zijn, zoals zuurstoftekort, dan zouden toch alle patiënten die bewusteloos zijn door een hartstilstand een BDE moeten hebben gehad?” en dat vergelijk met Woerlees berekening (die publicaties uit 1963-1965 citeert) die voorrekent dat de 18% BDE’s van PvL precies overeenstemmen met wat te verwachten is op grond van wat er over zuurstoftekort bij reanimatie na hartstilstand bekend is (zie ook Woerlee zoals geciteerd op p. 2132 van Medisch Contact van 21 december 2007), en wat Woerlee ook jaren geleden al aan PvL verteld heeft, dan ben ik niet onder indruk van PvL’s kennis; en wat PvL over kwantummechanica vertelt is ook al niet vertrouwenwekkend.

    Het argument van Betz dat niet iedereen hetzelfde is (op de website van Skepp) kan heel precies gekwantificeerd worden.

    Eigenlijk hoort dit niet bij het onderwerp helderzienden of ‘boek van Boerenkamp’. Marc van Delft heeft het wel aangesneden, maar dat verplicht ons niet dit onderwerp tot op de bodem uit te diepen. Het komt heus nog wel aan de orde.

  31. @ Jan Willem

    Prima, dan bespreken wet we het – hopelijk, zoals Rudolf al voorstelde, met Van Lommel erbij – zodra jullie het aankaarten, het zal interessant worden.

    Maar je argument dat Van Lommel niets over neurologische zaken kan zeggen, vind ik inderdaad geen hout snijden. Dus laat dat argument voortaan maar achterwege, anders ga ik jou er ook mee plagen. 😉

  32. Als je goed leest zul je zien dat ik NIET geschreven heb dat PvL niets over neurologische zaken kan zeggen, en evenmin wat Rudolf ervan maakt, nl. dat PvL weinig van neurowetenschappen weet. Ik heb zojuist alleen nog gewezen op het feit dat hem door Woerlee duidelijk en al lang geleden is gezegd waarom 18% BDE’s precies is wat op grond van de medische literatuur te verwachten is (hij is dus precies op de hoogte van het argument) en dat hij niettemin doet alsof hij het nooit gehoord heeft, wellicht door de impact van emotionele verhalen van BDE’ers die voor hem wellicht resulteren in cognitieve dissonantie (=negeren van wat men weet). Ik heb mijn woorden met zorg gekozen, je moet er niet wat anders van maken.

  33. @ JW

    Maar je zei toch dit?:

    “Pim van Lommel heeft in de Lancet geschreven, maar volgens mij is zijn pas verschenen Nederlandse boek daar nog niet gerecenseerd. Van Lommel heeft goed werk geleverd met BDE’s natrekken, maar zijn interpretaties slaan nergens op. Om goed te weten wat er in de hersenen van een bewusteloze gebeurt, moet je een neuroloog of anesthesist (of beide) zijn, maar Van Lommel is cardioloog en hoeveel gesprekken met gereanimeerden hij ook heeft gevoerd, daar leer je niets van bij op neurologisch gebied.”

    Jan Willem, zand erover, je bedoelde het kennelijk niet zo, dus dan is dat misverstand uit de wereld. Mensen kunnen zich altijd verder ontwikkelen als ze de goede basis hebben, daar zijn talloze mensen het voorbeeld van. Laat niemand dat argument dan hier nog gebruiken, want dat is dus achterhaald.

  34. Ik bedoelde het precies zo als het er staat. Misschien kan ik het anders formuleren: ik denk dat PvL weet wat zijn critici zeggen, zoals ik min of meer weet wat er in de Bijbel staat, maar dat hij er niks van gelooft of het irrelevant vindt of zo, en in elk geval niet eens de moeite waard om in detail te bespreken.

  35. De beste wensen voor eenieder, vooral de sceptici (= onderzoekers) en goede lezers, en nog meer voor minister Plasterk, die de sceptici wel een goed hart moet toedragen uit eigen ervaring (en vandaaruit nu misschien iets extra’s vermag voor de publieksvoorlichter Skepsis, vanuit zijn huidige positie).

    Dit even tussen het ‘verwerken’ van 24 kuub zand door. Wat? Tja, dit heeft met het onderwerp op deze blog niet direct te maken. Maar het is een gebeurtenis die óók werkelijk plaats vond op 2 januari 2008. Ongeveer zoals JWN ook even opmerkt: het werk van P. van Lommel heeft niet een direct verband met deze blog. Maar zoals ook eerder gezegd: het fenomeen blog heeft zijn eigen (moeilijk precies stuurbare en via trial-and-error te leren) implicaties. Dus het is ook niet zo raar dat een gesprek niet steeds zo nauw is in te kaderen, dat er ook over het werk van P. van Lommel op deze blog gesproken wordt. (De verbinding die Rudolf Smit legt is bijvoorbeeld heel voor de hand liggend. Die zou ik ook zo gelegd kunnen hebben op deze blog.)

    Zelf ken ik het werk van P. van Lommel niet, en ik ga me er ook niet vergaand in verdiepen, hoe aangrenzend het ook zou kunnen zijn. Echte erudieten zoals JWN, en dit is niet ironisch bedoeld, wijzen er eerst ook op dat blogs gestructureerd moeten blijven, maar worden er vervolgens toch ook weer toe verleid nog op een en ander te reageren. Even voor de hand liggend. (Maar ook daarin kan Skepsis een verder voorbeeld voor de blogwereld proberen te zijn.)

    Mijn inschatting is dat JWN zonder al te veel moeite (waar het mij heel veel moeite zou kosten) een goede en juiste aanzet tot een nieuwe blog mbt het werk van P.van Lommel zou kunnen geven. (En hij doet al zoveel!) Maar wat mij betreft zou dat toch wel het beste zijn.

    Discussies over het verband en spanning tussen eruditie (brede kaders, brede contexten) en competentie (eigen specialisme) zouden nog tot een apart blog aanleiding kunnen zijn bij Skepsis. Er zijn ook mijns inziens heel competente mensen op een bepaald gebied die zich niet zelden ten onrechte gaan bemoeien met zaken waar ze eigenlijk veel minder verstand van hebben dan van hun eigen vak en dan toch hetzelfde gezag menen te kunnen hebben. Dat gevoel geeft JWN me nog niet één keer gegeven in al behoorlijk wat contexten die ik inmiddels gezien heb van zijn bijdragen aan Skepsis, waarbij gezegd dient te worden dat ik me mbt een aantal zaken wat dit betreft niet eens een oordeel durf aan te matigen omdat ik ze net niet helemaal begrijp, zoals die vermaledijde astrologie of (hoe groot kan een tegenstelling zijn) de quantummechanica. Hij ook lijkt bij het laatste nog exact zijn eigen grenzen te kennen, zie bijvoorbeeld zijn eerdere verwijzing naar ‘t Hooft in deze context.

    Maar ja, het soort erudiete jongens als JWN krijgen steeds meer op hun bord natuurlijk. Nu weer: liever een aparte blog mbt van Lommel en (heel eventueel) een blog over de spanning tussen eruditie en competentie.

    Er resten mij morgen slechts eerst letterlijk nog wat kubieke meters zand.

  36. Een berichtje van uw erudiet (ik zit hier te blozen…): Gert Korthof heeft op zijn blog ook aandacht voor EB van PvL, en hij maakt duidelijk dat PvL in die 360 geleerde referenties van hem ook selectief en fout citeert als het gaat over evolutie; PvL haalt creationistische argumenten van stal.

    De rest moeten jullie maar efkes bij Korthof zelf nalezen.

  37. @ HG Boerenkamp

    Je/uw uitleg over ‘eruditie’ is dus precies wat Rudolf ook opmerkte, er is alleen door u een woord aangegeven. Dezelfde eruditie is dus ook op Van Lommel van toepassing.

    @ JW

    Wanneer komt de blog over Van Lommel? Het lijkt me inderdaad goed op de plaats te reageren, waar die voor gemaakt is.

  38. Ik was van plan om de van Lommelblog te beginnen als Skepter uitkomt. Misschien kunnen we er wat eerder mee beginnen. Ik heb in het boek gebladerd en Rudolfs enthousiasme over PvL’s eruditie kan ik niet delen.

    Zo meldt PvL op p. 110 een theorie van Susan Blackmore over tunnelvisie, en hij verwijst naar haar boek Dying to live. Maar daar staat heel wat anders! Blackmore (p. 88 e.v.) denkt dat de tunnel een cortexverschijnsel is, maar PvL noemt het zuurstoftekort in de oogbol – en dat staat in Mortal Minds van Woerlee (p. 210 e.v.)
    Iets dergelijks ook op p.234. Voor voetnoot 40 over de opvattingen van Zeilinger dat bewustzijn een kwantumproces is, verwijst hij naar Presence of the Past (een boek dat ik helemaal heb doorgewerkt, en waar de hele Zeilinger niet in voorkomt). Toevallig verwijst PvL wel naar het boekje Toeval! van Anton Zeilinger dat ik ook ken omdat ik de vertaler ervan ben. Maar wat PvL aan Zeilinger toeschrijft staat daar helemaal niet in. Z. speculeert alleen maar dat het gedrag van kleine deeltjes zo begrepen kan worden dat ze te klein zijn om meer dan een bit aan informatie te bevatten. De conclusie “Ons bewustzijn is dus … opgesplitst in ‘kwanten’ …” komt helemaal niet uit Zeilingers boek!

    Zo kan ik het ook: je ‘citeert’ een stel boeken en artikelen waar je niks van snapt, pikt er wat flarden uit die je verkeerd interpreteert, en dan heb je alweer een indruk van grote eruditie gewekt.

  39. Mag ik er even op wijzen dat de laatste 11 bijdragen niet meer gaan over helderzienden? JW is niet alleen erudiet, hij is ook een topicvervuiler!

    [De hierop volgende drie berichten van Sten en Rudolf heb ik verwijderd omdat ze ook niet over het topic gingen.]

  40. Rob Nanninga zei:

    Mag ik er even op wijzen dat de laatste 11 bijdragen niet meer gaan over helderzienden?

    Wat ik persoonlijk erg jammer vind, want ik kwam hier juist terecht toen ik op zoek ging naar wat tegengas tegen de gebruikelijke jaar-voorspellingen die paragnosten rond deze tijd van het jaar overal in de media doen, doorgaans met weinig tot geen critische noot van de programma-makers. Ik hoop dat dit blog uitgroeit tot iets wat dit soort zaken vaker aan de kaak gaat stellen, ik heb het toegevoegd aan mijn RSS-feeds 🙂

    Om terug te keren op het oorspronkelijke onderwerp, bedankt voor het ter beschikking stellen van het boek, het klinkt erg interessant, ik hoop het binnenkort te kunnen lezen.

  41. @ Mark

    ik heb wel eens voorgesteld dat deze voorspellerij (die inhoudelijk volgens mij niet meer voorstelt dan andere literaire seizoensactiviteiten zoals het schrijven van sinterklaasgedichten of het oplossen van kerstkruiswoordpuzzels) zou getoetst worden door de voorspellers een weddenschap aan te bieden waarbij zij zelf op hun eigen uitpsraken zouden wedden, en dan redelijke wedverhoudingen, bijvoorbeeld 50/50 bij redelijk opzienbarende voorspellingen.

    Als ze weigeren, blijkt daaruit dat ze niet eens in de eigen voorspelling geloven; als ze meedoen en ze verliezen is dat een mooi meegenomen, en als er eentje flink wint is dat flinke publiciteit en roem voor de allereerste persoon die een betrouwbare helderziende heeft gevonden. Een win-winvoorstel. Alleen lees ik het soort van tijdschriften niet waar zulke voorspellingen in staan, en ik vrees dat dat geldt voor de meeste abonnees van Skepter.

  42. In dit geval had ik het ook niet over tijdschriften, maar vooral over de radio. Die heb ik vaak aan staan tijdens het werk of in de auto. Zo hoorde ik eerder deze week ene Henk de Gier wat boude uitspraken doen op 3FM – onder andere dat zijn biografie “Zien is geloven” echte bewijzen zou bevatten. ’t Zou mij verbazen, eerlijk gezegd. Gelukkig denk ik dat 3FM nog niet helemaal verloren is, ze hadden ook een paar satirisch bedoelde nep-paragnosten bij minimaal één programma, dus volgens mij nemen ze het verschijnsel niet totaal serieus.

    Zo’n weddenschap is een leuk idee, maar ik betwijfel dat er veel aan meedoen. Wat me wel nuttig lijkt is voorspellingen die paragnosten in de media gemaakt hebben ergens optekenen, en dan aan het eind van het jaar kijken wat ze ervan gebakken hebben. Veel paragnosten gaan er toch vanuit dat de meeste van hun voorspellingen vergeten worden – behalve natuurlijk degene die ze goed geraden hebben.

  43. Ik heb het boek inmiddels gelezen en ik moet zeggen dat het inderdaad overkomt als een degelijk onderzoek. Vooral de belichting van de kant van de paragnost vond ik interessant om te lezen, ik moet toegeven dat ik daar nog niet zo uitgebreid bij stil had gestaan. Wel had ik nog wat vragen na afloop, dus ik hoop dat de heer Boerenkamp toch nog af en toe hier checkt. Uiteraard is extra uitleg van anderen ook welkom.

    1. Aangezien het zoeken van een (al dan niet psychologische) verklaring voor helderziende gaven niet een eerste doel van het onderzoek was, komt het op mij over dat een groot deel van het boek in wezen bestaat uit redenatie vanuit de waargenomen data. Als ik het goed begrijp is de data dus gebruikt om tot nieuwe hypotheses te komen en is daarmee per definitie niet geschikt om die hypotheses te testen. Zie ik dat goed? Hoe zouden de hypothesen in het boek dan getest kunnen worden? Zijn daar pogingen toe gedaan, eventueel door andere onderzoekers?

    2. Tijdens het lezen leek het me dat voor iemand die het niet met de uitkomsten eens zou zijn, het erg makkelijk zou zijn om als kritiek aan te voeren dat de paragnost niet in direct contact was met de cliënt, zoals ze normaal zouden doen, maar via een tussenpersoon moest werken (behalve in één van de experimentele series). Het boek zet weliswaar helder uiteen waarom dat nodig werd geacht, maar het lijkt me toch dat een criticus daar een relatief makkelijk doelwit aan heeft. Ik neem aan dat de onderzoekers dit ook wel hebben voorzien, dus ik vroeg me af op welke manier kritiek via deze hoek het beste ontkracht kan worden.

    Alvast bedankt voor eventuele reacties.

  44. @ Mark Stijnman

    De sprong van de ‘Nieuwjaarsparade’ van paragnosten naar een paar serieuze vragen heb je snel voor mekaar.
    Daarom ook een antwoord dat wat breder is dan de vragen.

    Het Lab bestaat dus al twintig jaar niet meer. (Zie een eerder bericht.) Gericht heb ik het vak parapsychologie sindsdien zelfs ook niet eens meer echt gevolgd. En tot voor kort Skepsis trouwens evenmin.

    Besef vooral dat feitelijk de hele parapsychologie uiteindelijk gebaseerd was en is op de spontane helderziende ervaringen: wat is daar mogelijk allemaal bij betrokken en hoe leidt dat (psychologisch) eventueel via het sensitief zijn of worden tot het paragnost (helderziende of medium) zijn of worden.

    (Fysische ‘theorie’ zoals de observationele theorieën met bepaalde ‘echte’ hypothesen zijn daarop uiteindelijk ook gebaseerd, maar niet aan mij besteed, zolang ze niet door de echte superspecialisten op het gebied van de kwantummechanica voor echt zinnig worden gehouden en tot nu toe via enkele experimenten niet meer laten zien dan een potentieel volgens een soort ‘vulkaanmodel’ werkend effect, waarbij we dan nog veel minder verstand zouden hebben van dat ‘iets’ dan van vulkanen, en daarbij ook hopend dat alle mogelijke foutenbronnen zijn vermeden. Maar in het algemeen: laat in de fysica geschoolde onderzoekers vooral ook verder onderzoeken. Uiteindelijk blijkt soms ook niets onmogelijk. Internet en deze communicatie bijvoorbeeld. Wat zou een pre-automobiel mens daarvan gedacht hebben?)

    Veel lijkt er mij wezenlijk nog niet veranderd, ook niet door het werk op de paar plaatsen waar men nog wel parapsychologisch onderzoek doet. Mijn interesse was destijds vooral nog wel of de ‘het vaker bezig zijn met (het wel en wee) van naasten’ ook zou samenhangen met het eerder melden van een spontane ervaring. Hetgeen (psychologisch gezien) logisch zou moeten. Dat was een hypothese die zich vooral opdrong. (Overigens in een eerste artikel destijds van mijn collega S. Schouten op grond van de collecties spontane ervaringen vond hij het er (‘operationeel’ afgeleid – dat leg ik maar even niet verder uit, want dat wordt me te veel hier) niet op wijzen dat het zich expliciet zorgen maken over de naaste verbonden was met het melden van een spontane ervaring.) Maar het verder denken in die richting leek en lijkt me nog steeds zinvol.

    Onderzoekstechnisch zijn het wel enorm lastige problemen, zoals ook in het boek aangegeven.
    En die vraag ligt er volgens mij in elk geval ook nog steeds. Een grote collectie van dromen van vaders en moeders zou bijvoorbeeld al wel een aanwijzing kunnen geven. Maar alweer: ook daar al zijn zeer grote meettechnische problemen.

    Ten aanzien van de bewust opgeroepen ervaringen van paragnosten, was er weinig reden of liever gezegd geen enkele reden tot welke hypothese dan ook, na het onderzoek, hooguit wel ten aanzien van de psychologische processen die een rol spelen bij het zich ontwikkelen tot paragnost, maar niet ten aanzien van de ‘veronderstelde gave’.

    Het vermissingsgeval Heijn, waarin door een groep parapsychologen nauwkeurig gekeken is naar de indrukken van paragnosten en naar andere paragnostische bijdragen, kan ook nog wel gelden als een vorm van ‘externe validatie’ van de belangrijkste conclusies uit het onderzoek. Het gaat in elk geval allemaal niet om wat in normaal Nederlands met ‘gave’ of ‘begaafdheid’ wordt aangeduid.

    Paragnosten doen overigens dus wel degelijk ook vaak uitspraken tegen derden over een doelpersoon. Denk ook maar aan een vermissingsgeval. Want de vermiste is er uiteraard niet. Maar ook in verband met ‘huwelijksproblemen’ en nog allerlei andere situaties is er soms geen ‘doelpersoon’ aanwezig. En wat te denken van de uitspraken van mediums, waarbij de ‘doelpersoon’ toch echt geacht wordt elders te zijn.

    Daarin lag voor de paragnosten (nogmaals helderzienden en mediums, want para-gnosoo: op een andere manier weten dan we weten dan we kunnen weten, heb ik het wel eens genoemd) ook niet een bezwaar bij het onderzoek. De reden om een consult met een doelpersoon zelf maar in één conditie op te nemen, had vooral te maken met het systematisch beter kunnen controleren van de verschillen in omstandigheden. Kritiek heeft zich ook nooit op dit punt voorgedaan, hooguit als een excuus achteraf. Hoe bijna ironisch om nog aan te halen in dit verband: zelfs bij de ZZ-vertoning door de KRO (zie eventueel eerdere link) was dat geen bezwaar bij de verondersteld paragnostisch begaafden.

    Nee, als er nog raadsels en vragen zijn dan liggen ze wat mij betreft bij de spontane helderziende ervaring, die in principe iedereen een keer in zijn leven kan hebben (en ook niet veel vaker, want dan gaat het in elk geval mis, parapsychologisch, psychologisch en logisch gezien.)

  45. @HG Boerenkamp

    Bedankt voor het uitgebreide antwoord. Als het niet geheel duidelijk was uit mijn vorige bericht, ik ben volledig overtuigd dat de data erop wijst dat er geen sprake is van een paranormale gave. Ook lijkt me een volledig aardse psychologische verklaring voldoende om de waan van helderziendheid te verklaren en dat dit onderzoek voldoende aanwijzingen geeft hoe zo’n verklaring eruit zou zien (dit waren de ‘hypothesen’ die ik bedoelde, mocht dat ook niet duidelijk zijn). Ik had alleen het gevoel dat, aangezien het onderzoek niet was opgezet om deze verklaringen te toetsen, dat het strikt gesproken niet voldoende bewijs zou geven dat deze verklaring de juiste is – hoogstens aanwijzingen dat dit heel waarschijnlijk is. Het leek me dus dat een verificatie van die verklaring wenselijk zou zijn, al was het maar om de reproduceerbaarheid aan te tonen. Het is goed om te weten dat er in ieder geval al enige externe verificatie is geweest.

    Overigens is het opheffen van de paranormale vakgroep of de terugval in interesse voor paranormaal onderzoek in mijn ogen geen beletsel voor het doen van meer verificatie: aangezien er duidelijk geen sprake is van een paranormale gave, valt onderzoek naar de factoren die bepalen of iemand zich als paragnost gaat gedragen of niet geheel binnen het domein van de normale psychologie, lijkt me. Ik kan me echter voorstellen dat er ander onderzoek is met hogere prioriteit en budget is helaas altijd schaars.

  46. Ik vroeg onlangs aan de heer Nienhuys of het niet wat psychologischer en sociaal-economischer kon, daarmee groot onrecht doende aan de heer Boerenkamp (en waarschijnlijk de 10 jaargangen Skepter die ik nog moet lezen).

    Bij deze dus mijn dank aan de heer Boerenkamp en aan Skepsis, temeer daar Helderziendheid bekeken wel in de bibliotheek (van Amsterdam) aanwezig is, maar niet wordt uitgeleend.

  47. Skeptisch het boek gelezen. Zelf geloof ik ook niet zo in mediums dus dat zal wel kloppen. Waar de verhandeling in mijn ogen de fout ingaat is wanneer een link gelegd wordt naar het dagelijks leven. Grofweg: naarmate je je méér zorgen maakt, wordt de kans dat je iets ergs voorspelt groter.

    Dit zijn typisch redenaties van mensen die zich graag willen profileren als skeptisch. Als je, zoals ik, 21 jaar lang hebt samengeleefd met iemand die veel voorspellingen heeft gedaan met opvallend nauwkeurige details, die meestal niets te maken hadden met iets engs, weet je beter.

    Een voorbeeld: Een werkgever van mij plant plotseling een feestje op 23 september. Opmerkelijk, want dat deed ie nooit. Ik bel naar huis om het te melden. Mijn vrouw blijkt die datum al weken tevoren te hebben vrijgehouden vanwege ‘het feestje van Hans’. Zo had ze een etentje met vriendinnen om die reden verzet (geverifieerd). Als ik haar vertel dat ze dit helemaal niet had kunnen weten is ze net zo stomverbaasd als ik. Natuurlijk onmiddellijk ‘Hans’ gebeld met de vraag wanneer het idee voor dat feestje bij hem op was gekomen. Diezelfde dag dus. Het voorval was later het voornaamste gespreksonderwerp op dat feestje.

    De dingen die mijn vrouw zag waren altijd zinloos, onverwacht en afwezig als je het nodig had. Het overkwam haar. Haar vader had het ook. Ze belden elkaar gemiddeld één keer per maand. In veel gevallen ging de telefoon niet eens over omdat ze exact tegelijk wilden bellen.

    Dit kan onmogelijk wetenschappelijk worden onderzocht, maar het zorgt er wel voor dat ik die skeptische stelligheid met enige meewarigheid lees.

  48. @Franssen,

    Mijn eerste gedachte na het lezen van jouw post was dat jouw echtgenote en die Hans wellicht een heel bijzondere empathische band hebben…

  49. @ H.M. Franssen

    Met een sceptische houding het boek gelezen. Heel juist, en vooral ook zo bedoeld wat de schrijver zelf betreft. Maar naar ik vrees hebt u een en ander toch niet helemaal goed gelezen of begrepen.
    In de terminologie van het boek is de vrouw van Franssen (uw vrouw, lastig met die blogs) een sensitieve (regelmatig spontane ervaringen hebben, zoals de heer Franssen, u, zelf stelt). Over de sensitieve wordt in het boek nergens de hypothese naar voren gebracht dat het (vaak of nog steeds) om een tragische gebeurtenis zou moeten gaan, noch dat het zich zorgen maken over het lot van naasten (nog) een centrale rol zou moeten spelen. Die aspecten gaan over de ‘eerste spontane ervaring’.

    Overdenk in uw geval vooral de generalisatietendens en de sluitendmakentendens – sorry, het zijn lange woorden – nog eens samen met uw vrouw.

    Dus, helemaal los van de vraag of Agno’s suggestie ook nog een rol speelt (een mogelijke interpretatie in de richting van cold reading die per definitie buiten het boek is gebleven, en echte Skepsisjongens en -meisjes weten daar kennelijk wel een zekere raad mee), is het eventueel vooral interessant te weten wat de eerste ervaring van de vrouw van Franssen behelsde. Mocht dat eventueel toch ook een triviale gebeurtenis betreffen, evenals de eerste van vader (het kader of deel van de context voor de eventuele benoeming van bepaalde ervaringen als helderziend), dan zegt dat nog steeds weinig over de naar voren gebrachte, meer psychologische theorie.

    Die overigens ook bescheiden naar voren werd gebracht, waarschijnlijk wat meer bescheiden dan nodig, in dit geval, zie nogmaals de Verantwoording.

    Ook een bepaald percentage van de eerste spontane ervaringen betreft triviale zaken. Ook in de grote collecties, zoals besproken. We spraken echter over hoofdlijnen. In de zijlijnen spelen allerlei andere (psychologische) factoren uiteraard ook nog een rol.

    Een enkele witte raaf bewijst dat niet alle raven zwart zijn. Maar we spreken hier uiteraard over statistische verbanden. In het hoofdstuk over de spontane ervaringen zijn zeer sterke statistische verbanden aan de orde. Het is echter nooit een fysische theorie, waar een enkele uitzondering op de regel een theorie helemaal onderuit kan halen. Zie ook hoe herhaaldelijk in het boek gezegd wordt dat er veel (psychologische) factoren in het spel zijn. Fysica en psychologie zijn verschillend omdat de complexiteit van de factoren en omstandigheden (en de beschrijving ervan) in het geval van de psychologie (psychonomie) vele malen groter is, en iedere wiskundige en fysicus begrijpt dat ook.

    Anderzijds is het geenszins mijn bedoeling a la allerlei verguisden een theorie overeind te houden die niet zou kloppen. Feitelijk is er nog niet eens sprake van ‘theorie’. Maar het verhaal van Franssen is niet voldoende aanleiding om de verhandeling en haar logica nu anders te gaan benaderen.

    Zoals ook blijkt uit het voorbeeld, dat de heer Franssen geeft. Er is een heleboel, voor een onderzoeker oncontroleerbare psychologie betrokken bij een verhaal als dit. Een onderzoeker kan er eigenlijk niets mee. De anekdote. Mijn grootvader rookte een zware pijp en werd 93. (Helaas niet waar, maar zijn broer wel, of toch ook niet, het was de neef van de broer van mijn grootvader. En dat is waar.)

    Het verhaal van de vrouw van Franssen moet wel van het begin af aan en met alle context verteld worden. Dan zou het interessant kunnen worden. Psychologisch, desnoods parapsychologisch.

    Het woord meewarigheid stemt me tot een zekere vreugde. Als iemand dat woord kent veronderstel ik (ook maar een aanname dat geef ik toe, maar een aanname kan min of meer getoetst worden) een toch open geest. Dus nog een keer lezen het boek, uw vrouw vriendelijk vragen zich te onderwerpen aan hoofdstuk 6, daarover samen praten en besluiten of het resultaat van het gesprek geschikt is om te publiceren in dit kader, en ik ben weer een en al oor, voor zover ik tijd heb.

  50. @H.G. Boerenkamp

    U vraagt of ik het totale verhaal inclusief context wil vertellen. Wel, veel méér dan dat is er niet. Ons gezin bevond zich in die periode in een zeer rustig vaarwater en mijn vrouw was in goede gezondheid. Het vreemde was dat mijn vrouw rekening hield met iets in de toekomst wat nog niet besloten was. Voor mij was het belangrijk om zeker te stellen of het telepatie of een kijkje in de toekomst was. Neen, mijn vrouw had geen relatie met Hans. Het was haar type niet. 😉

    Mijn vrouw is een spirituele persoonlijkheid tegen wil en dank. Zelf wordt ze af en toe horendol van dingen die ze voorvoelt. Omdat ik ontzettend skeptisch ben (ik geloof niet in de meeste dingen die ook door Skepsis worden bestreden) heeft ze aan mij een goede omdat ik haar kan helpen zaken in perspectief te plaatsen.

    Na alle jaren die we samen hebben doorgebracht kan ik maar één conclusie trekken: haar ‘gave’ is helemaal geen gave maar doodnormaal. De één heeft het natuurlijk sterker dan de ander. Veel mensen weten dat maar er worden 2 grote fouten gemaakt:

    1. Sommigen denken er op te kunnen vertrouwen
    Dat is fout. Een inzicht in tijd of ruimte overkomt je. Paragnosten die de gave hebben zullen slechts af en toe raak schieten. Op avonden met optredens van ‘zieners’ wordt dat duidelijk. Ik heb er een stuk of 10 bezocht en de spreiding in kwaliteit is zeer groot. Sommigen kunnen het helemaal niet, maar ik heb 1 keer meegemaakt dat iemand in 5 minuten een schokkend correct beeld schetste van mijn huidige leven, inclusief de lunch die ik die middag had genuttigd. Zinloos maar wel leuk.

    2. Men denkt dat het onderzocht kan worden
    Omdat ik heb ervaren dat de gave niet te sturen is, is het mijns inziens ook niet te onderzoeken. Alleen mensen die het zelf ervaren plus de verbaasde mensen om hun heen zijn de echte kenners.

    Ik heb een zeer gezond gevoel voor logica. Ook bij het beoordelen van ongerijmdheden blijft dat recht overeind. Alleen al het grote aantal keren dat mijn vrouw en haar vader exact op hetzelfde moment de telefoon ter hand namen (dat is mij slechts één keer gebeurd, inderdaad met mijn vrouw) is voor mij afdoende bewijs. Bewijs waarvoor dan? Geen idee. De wetenschap helpt ook al niet mee omdat er bijna uitsluitend gezocht wordt naar bewijs van het tegendeel.

    Mijn vermoeden is, dat u zelf in uw omgeving nooit (met een duidelijke regelmaat) iets ongerijmds heeft meegemaakt…

Reacties zijn gesloten.