Tijdschrift Skepter
Psychologie, juli 1994 Homepage Onderwerpen Updates Nieuwe Skepter

In het licht van de dood


door Rob Nanninga

Mensen die balanceren op de rand van de dood vertellen naderhand soms over heel specifieke ervaringen. Over paradijselijke vrede, een ongekend stralend licht en volmaakte innerlijke rust. Tekenen van een hiernamaals of van op hol geslagen hersengolven?

Bijna twintig jaar geleden publiceerde de filosoof en medicus Raymond Moody het fascinerende boek Leven na dit leven. Het werd een internationale bestseller waarvan in de VS ruim drie miljoen exemplaren zijn verkocht. Moody beschrijft de ervaringen van vijftig personen die ten gevolge van een ongeval, een ernstige ziekte of een hartaanval op de rand van de dood balanceerden. Zij waren buiten bewustzijn geraakt en moesten in veel gevallen worden gereanimeerd. Het leek aannemelijk dat dit een zeer traumatische ervaring was geweest. Moody's informanten vertelden echter dat ze geen pijn of angst hadden ervaren maar een intens gevoel van rust, vrede en gelukzaligheid. Bovendien rapporteerden ze allerlei buitengewone waarnemingen. Hoewel die per individu verschilden, ontdekte Moody een aantal elementen die in meerdere verhalen voorkwamen. Hij beschouwde deze als de kenmerkende onderdelen van een zogenoemde bijna-doodervaring (BDE).

De meeste ondervraagden vertelden dat ze een uittredingservaring hadden gehad waarbij ze van bovenaf op hun stervende lichaam neerkeken. Een deel van hen was via een donkere tunnel naar een helder licht gereisd. Het licht werd vaak omschreven als een goddelijke bron van liefde en wijsheid waarin men zich volledig opgenomen voelde. Sommigen kwamen terecht in een paradijselijke omgeving waar ze overleden familieleden of andere onstoffelijke wezens ontmoetten. Ook zagen ze soms scènes uit hun eigen leven in versneld tempo aan zich voorbij trekken. Uiteindelijk beseften ze dat het tijd was om weer naar hun lichaam terug te keren, hoewel ze daar niet naar verlangden.

Diverse wetenschappers lieten zich inspireren door het werk van Moody en probeerden de bijna-doodervaringen beter in kaart te brengen. Zij vonden ongeveer dezelfde kenmerken, al waren er onderlinge verschillen in de mate en volgorde waarin deze door de ondervraagden werden gerapporteerd. De onderzoekers verenigden zich in een internationale organisatie die een eigen vaktijdschrift publiceert, Journal of Near-Death Studies. Velen van hen beschouwen het onderzoek naar bijna-doodervaringen als een mogelijkheid om een brug te slaan tussen wetenschap en religie.

Doden vertellen niets

Uiteraard moeten de onderzoekers erkennen dat ze onmogelijk kunnen gelden als bewijs dat onze geest na de dood blijft voortbestaan. Het feit dat iemand zijn bezoek aan het hiernamaals kan navertellen, impliceert immers dat zijn hersenen zijn blijven functioneren. Levende mensen kunnen nooit uit eigen ervaring vertellen wat er na hun dood gebeurt.

Een tweede probleem is, dat een tijdelijke hartstilstand in de meeste gevallen géén bijna-doodervaring veroorzaakt. We zouden hieruit kunnen concluderen dat slechts een minderheid der mensheid gezegend is met een onsterfelijke geest, de onderzoekers nemen liever aan dat velen zich hun bijna-doodervaring niet meer kunnen herinneren. De oorzaak van dit veronderstelde geheugenverlies is echter onbekend.

Aan de veronderstelling dat bijna-doodervaringen wijzen op een voortbestaan na de dood wordt afbreuk gedaan door het feit dat ze ook kunnen optreden wanneer mensen ten onrechte menen dat ze in levensgevaar verkeren. Bovendien kunnen de afzonderlijke elementen van een bijna-doodervaring zich onder allerlei omstandigheden voordoen. Daar staat echter weer tegenover dat de ervaringen zo sterk op elkaar lijken, dat het niet louter om willekeurige hallucinaties of wensdromen kan gaan. Daar komt bij dat de levensvisie van de betrokkenen vaak diepgaand wordt beïnvloed door hun bijna-doodervaring, waaraan ze bijzonder veel realiteitswaarde toekennen.

Hemel en hel

De Amerikaanse kinderarts Melvin Morse beschreef hoe hij in bijna-doodervaringen geïnteresseerd raakte door de ervaringen van de negenjarige Katie, die bijna in een zwembad was verdronken. Zij vertelde dat de engel Elizabeth haar door een tunnel naar de hemel had gebracht. Daar speelde zij met Mark en Andy, twee kinderen die nog geboren moesten worden, en had een ontmoeting met Jezus en de hemelse Vader, die haar weer naar huis zonden. 'U zult het zelf zien, de hemel is heel leuk!' zei Katie tegen Morse, die bekende dat zijn leven na dit verhaal 'niet meer hetzelfde is geweest.'

Hij sprak urenlang met de mormoonse ouders van Katie 'om feiten te ontdekken in haar opvoeding die haar ervaring beïnvloed zouden kunnen hebben', maar hij kon geen enkele overeenkomst vinden. Dat hij daar niet in is geslaagd, is echter hoogst merkwaardig omdat Katie's ervaringen juist zeer goed aansluiten bij het mormoonse geloof. Mormonen geloven dat er in de hemel zielen zijn die nog geboren moeten worden (zoals Mark en Andy), ze beschouwen God en Jezus als afzonderlijke personen van vlees en bloed, en kennen een prominente rol toe aan engelen die uit de hemel afdalen. Katies ervaringen waren dus vermoedelijk niet zo puur als Morse veronderstelde.

De sterke overeenkomsten tussen de bijna-doodervaringen kunnen voor een deel worden toegeschreven aan culturele factoren. Zo bleken de bijna-doodervaringen van Indiase dorpelingen diverse elementen te bevatten die men niet bij westerlingen aantrof. De meeste Indiërs vertelden dat ze tegen hun wil waren meegevoerd naar een man met een boek, die vaststelde dat zijn helpers de verkeerde persoon hadden opgehaald.

Een literatuuronderzoek naar middeleeuwse bijna-doodervaringen bracht eveneens afwijkende elementen aan het licht. De middeleeuwers werden tijdens hun ervaringen vaak aan allerlei beproevingen onderworpen en gaven beeldende beschrijvingen van het vagevuur.

Bijna-doodervaringen kunnen meer op elkaar gaan lijken doordat de onderzoekers die de verhalen optekenen, geneigd zijn deze in een bepaald schema te passen, waarin geen plaats is voor afwijkende visioenen. Veel mensen hebben bovendien moeite om hun bijna-doodervaring onder woorden te brengen, waardoor ze kunnen worden beïnvloed door suggestieve vragen of verhalen van lotgenoten.

De tunnel naar het licht

De getuigenissen van mensen die een bijna-doodervaring hebben gehad, wekken niet de indruk dat zij allemaal hetzelfde hiernamaals hebben bezocht. Toch is het opmerkelijk dat zo velen melding maken van een donkere tunnel en een stralend wit licht. Waarom gingen ze bijvoorbeeld niet via een roltrap naar een roze wolk of een blauwe poort? Een mogelijke verklaring is, dat de tunnelervaring wordt veroorzaakt door fysiologische factoren die bij alle mensen gelijksoortige effecten opwekken.

Zuurstofgebrek zou ertoe kunnen leiden dat het brein plaatselijk overactief wordt doordat de prikkeloverdracht tussen de hersencellen onvoldoende wordt geremd. Wanneer zo'n ruisachtige storing in de visuele hersenschors optreedt, zal men in het centrum van het gezichtsveld een helder licht zien, omdat de meeste cellen met dit gebied corresponderen. Het licht wordt geleidelijk groter naarmate de hoeveelheid storing toeneemt en schept de illusie dat men de uitgang van een tunnel nadert. Omdat het licht niet eerst wordt opgevangen door de ogen, maar de schors dus rechtstreeks gestimuleerd wordt, is het licht buitengewoon helder zonder dat het pijn doet aan de ogen.

Het licht wordt vooral waargenomen door mensen die medisch gezien werkelijk dicht bij de dood waren. Verscheidene andere elementen van een bijna-doodervaring komen daarentegen in ongeveer gelijke mate voor bij degenen die zich ten onrechte bijna dood waanden. Vermoedelijk hangen deze deels samen met een toename van de hoeveelheid endorfinen die in de hersenen worden geproduceerd. Deze morfineachtige stoffen komen vrij wanneer we onder grote stress staan en wekken aangename gevoelens op. Bovendien vergroten ze de kans op elektrische storingen in de temporele hersenkwabben bij de slapen, en het is bekend dat stimulatie van deze kwabben - kunstmatig met een elektrode of langs natuurlijke weg, zoals bij epileptische aanvallen - onder meer flashbacks en mystieke ervaringen kunnen oproepen, die we ook bij bijna-doodervaringen aantreffen. De Canadese hersenonderzoeker Michael Persinger vond aanwijzingen dat mensen die veel subjectieve paranormale ervaringen en veranderde bewustzijnstoestanden rapporteren, gevoeliger zijn voor kleine storingen in de temporele kwabben. Wellicht hebben zij ook meer kans op een bijna-doodervaring.

Buiten het lichaam treden

Veel mensen met bijna-doodervaringen zijn ervan overtuigd dat ze buiten hun lichaam zijn geweest en ze vertellen soms dat ze precies konden zien hoe de artsen hun leven probeerden te redden. Vergelijkbare uittredingservaringen worden echter door minstens tien procent van de bevolking gerapporteerd, waarvan een ruime meerderheid niet in gevaar verkeerde. Evenals bijna-doodervaringen kunnen ze de angst voor de dood verminderen.

Een uittredingservaring kan onder meer optreden in een toestand tussen waken en dromen. Het bewustzijn is nog helder terwijl men geen zintuiglijke indrukken meer ontvangt en ook het eigen lichaam niet voelt. In deze toestand zijn de hersenen geneigd een visueel beeld van de omgeving te construeren. Dat gebeurt bij voorkeur vanuit een hoger gelegen standpunt omdat dit de eenvoudigste manier is om de situatie ruimtelijk voor te stellen. Het zelfgecreëerde model van de werkelijkheid, dat vergelijkbaar is met een heldere droom, wordt als reëel ervaren zolang er geen beter alternatief beschikbaar is.

Uittreders vertelden dat ze dwars door muren konden vliegen. Als dat werkelijk waar is, dan mogen we aannemen dat ze kunnen vaststellen wat er in een andere kamer te zien is waar ze nog niet eerder zijn geweest. Uit parapsychologisch onderzoek is echter niet gebleken dat dit mogelijk is. Proefpersonen die in staat waren om een uittredingservaring op te wekken, zagen een betrouwbaar beeld van de omgeving zolang ze die kenden. Maar als ze naar een onbekende kamer reisden, waren hun indrukken hoofdzakelijk het product van hun fantasie.

Er zijn veel anekdotische verhalen over mensen die tijdens hun bijna-doodervaring correcte waarnemingen deden, maar het is moeilijk om te beoordelen hoeveel waarde we daaraan mogen hechten. De betrokkenen zouden graag willen dat hun ervaringen echt waren en zijn daarom waarschijnlijk geneigd de betrouwbaarheid van hun waarnemingen te overdrijven. De gebeurtenissen kunnen vaak niet meer worden geverifieerd omdat ze jaren geleden plaatsvonden. We kunnen ook niet uitsluiten dat het verhaal beïnvloed is door informatie die men na afloop heeft verkregen of door geluiden die tijdens de bijna-doodervaring toch nog vanuit de omgeving tot het bewustzijn zijn doorgedrongen. Zelfs wanneer we aannemen dat er soms sprake was van buitenzintuiglijke waarneming, dan betekent dat niet dat iemand buiten zijn lichaam is geweest.

Bijna-doodervaringen komen waarschijnlijk voort uit een combinatie van psychologische en fysiologische factoren. Ze hebben echter ook een religieuze dimensie. Een confrontatie met de dood kan een mystiek inzicht verschaffen in een onbegrensde werkelijkheid waarin het eigen ik niet langer centraal staat. Velen vertelden dat ze na hun bijna-doodervaring niet meer dezelfde waren. Hun leven had meer zin gekregen, ze bekommerden zich meer om anderen en hechtten minder belang aan materiële zaken. In het licht van de dood werden hun waarden, idealen en prioriteiten getransformeerd.

Literatuur

Susan Blackmore (1993). Dying to Live: science and the near-death experience. London: Grafton.

Meer artikelen over bijna-doodervaringen

Blackmore, Susan (1991). Bijna-doodervaringen binnen of buiten het lichaam?

Korthof, Gert (2007). Non-lokale biologie – misleidende citaten van Pim van Lommel.

Nanninga, Rob (2012). Een neurochirurg in de hemel. (over Eben Alexander)

Nanninga, Rob (2010). Slecht onderzoek naar bijna-doodervaringen.

Nanninga, Rob (2002). Tastend naar het licht: bijna-doodervaringen bij blinden.

Nienhuys, Jan Willem (2007). Pim van Lommel over kwantumfysica.

Nienhuys, Jan Willem (2008). Eindeloos bewustzijn.

Nienhuys, Jan Willem (2011). Swaab maakt gehakt van Eindeloos Bewustzijn.

Woerlee, Gerard (2007). Eindeloos bewustzijn – kritische bespreking.

 

 


Dit artikel verscheen in het tijdschrift Psychologie, juli/augustus 1994.
Rob Nanninga is hoofdredacteur van Skepter.
© Stichting Skepsis. Het is niet toegestaan artikelen uit Skepter op andere websites over te nemen.



Het tijdschrift Skepter is een uitgave van de stichting Skepsis. U kunt het werk van de stichting steunen door donateur te worden of een abonnement te nemen.

Voor 4 euro ontvangt u de nieuwste Skepter als proefnummer. Meer informatie over een abonnement of donateurschap is te vinden op de aanmeldingspagina.


Nieuwste Skepter
NIEUWSTE SKEPTER

Naar de bovenkant