|
In een geboortehoroscoop staat aangegeven waar de zon,
de maan en de planeten stonden op het moment dat iemand werd geboren.
De meeste astrologen geloven dat de levensloop van de betrokkene vaak
duidelijk in diens horoscoop herkenbaar is. De Astrotest bood hen de kans
dit geloof met feiten te staven. De verwachtingen van de deelnemers bleken
echter te hoog gespannen.
De wetenschapsfilosoof Karl Popper meende dat astrologische
uitspraken zo vaag zijn dat ze bij voorbaat niet te weerleggen zijn. Misschien
heeft Popper nooit een astrologisch handboek gelezen, want daarin zou
hij zonder twijfel toetsbare beweringen zijn tegengekomen. Zo worden er
bijvoorbeeld allerlei typerende eigenschappen toegeschreven aan mensen
die geboren zijn terwijl de zon in het teken Tweelingen stond. Zulke mensen
zijn volgens de astrologische leer van nature communicatief, veelzijdig,
nieuwsgierig, alert, veranderlijk en wat oppervlakkig. Als dat waar is,
dan lijkt het aannemelijk dat er in bepaalde beroepsgroepen, bijvoorbeeld
onder journalisten, extra veel Tweelingen te vinden zijn. Statistisch
onderzoek heeft zulke verbanden echter niet aan het licht gebracht. Ook
met behulp van psychologische vragenlijsten is men er niet in geslaagd
de kenmerkende eigenschappen van de zonnetekens aan te tonen.
Astrologen maken ernstig bezwaar tegen dit soort onderzoek.
Zij benadrukken dat men altijd naar de hele horoscoop moet kijken. Het
zonneteken is slechts één factor die door talloze andere astrologische
factoren wordt beïnvloed. Zo kan de invloed van de zon teniet worden gedaan
door de stand van de maan of door het samenspel van de planeten. Daarom
lijken duizend Tweelingen niet meer op elkaar dan iedere willekeurige
groep mensen. Blijkbaar is het heel moeilijk om de invloed van het zonneteken
aan te tonen. Het is daarom een raadsel hoe astrologen al in het verre
verleden hebben kunnen ontdekken wat de tekens te betekenen hebben.
In de afgelopen jaren hebben astrologen deelgenomen aan
experimenten waarbij ze de geboortehoroscopen van een aantal proefpersonen
van elkaar moesten onderscheiden. Het beste onderzoek staat op naam van
de voormalige astroloog Geoffrey Dean (1985). Door middel van een betrouwbare
psychologische vragenlijst (de Eysenck Personality Inventory) selecteerde
hij zestig personen die bijzonder extravert waren en zestig personen die
juist zeer introvert waren. De geboortehoroscopen van deze 120 proefpersonen
werden verzonden naar 45 ervaren astrologen. De astrologen probeerden
de extraverten van de introverten te onderscheiden door hun horoscopen
te analyseren. Van te voren waren ze er bijna allemaal van overtuigd dat
dit gemakkelijk zou lukken, maar de resultaten pakten anders uit. De astrologen
hadden hun keuzes evengoed kunnen bepalen door kruis of munt te gooien,
want hun score bedroeg slechts vijftig procent. Ze bleken evenmin in staat
om emotioneel labiele personen van emotioneel stabiele te onderscheiden.
Het was bovendien opvallend dat ze het onderling in het geheel niet met
elkaar eens waren. Horoscopen die volgens de ene astroloog van een extraverte
instelling getuigden, werden door de andere astroloog als introvert geduid.
Het onderzoek van Dean scheen te hebben aangetoond dat
horoscopen geen bruikbare informatie bevatten. Veel astrologen waren echter
van mening dat deze conclusie te ver ging. Naar hun oordeel was het alleen
duidelijk geworden dat de uitslag van een psychologische test niet op
basis van een horoscoop te voorspellen is. Daarmee is het niet uitgesloten
dat andere dingen wel in een horoscoop te zien zijn. De Astrotest, die
ik met steun van Skepsis organiseerde, bood astrologen de kans om dat
te demonstreren.
Gratis loterij
Via het Algemeen Dagblad van 13 mei 1994 nodigde
ik astrologen uit aan de Astrotest deel te nemen. Ik stelde het volgende
voor: Alle deelnemers ontvangen de geboortegegevens (plaats, datum en
tijdstip) van zeven proefpersonen, waarvan ze zelf horoscopen kunnen trekken.
Daarnaast krijgen ze zeven vragenlijsten die de proefpersonen hebben ingevuld.
De vragen mogen door de deelnemers worden bedacht. Zij krijgen de opdracht
bij elke vragenlijst de juiste horoscoop te zoeken. Wie daarin slaagt,
ontvangt 5000 gulden. Mochten er meerdere winnaars zijn, dan wordt dit
bedrag onder hen verdeeld.
Het aantal reacties op mijn oproep was boven verwachting.
Meer dan zeventig personen toonden belangstelling voor de test. Deze gegadigden
ontvingen een korte enquête om te bepalen hoeveel ervaring ze hadden als
astroloog. Bovendien moesten ze een reeks vragen formuleren die ik aan
de proefpersonen kon voorleggen. Ongeveer veertig astrologiebeoefenaars
vulden de enquête in en stuurden een vragenlijst op. Later meldden zich
nog meer astrologen aan, maar in overleg met mijn geldschieters besloot
ik het aantal deelnemers tot vijftig te beperken. Met meer deelnemers
zou de test wat al te veel op een gratis loterij gaan lijken, want elke
deelnemer had een kans van 1 op 5040 om toevallig de hoofdprijs te winnen.
Het was niet eenvoudig om geschikte proefpersonen te vinden.
Aanvankelijk had ik zeven mensen geselecteerd die in 1948 waren geboren.
Lea Manders, de voorzitster van het NGPA (Nederlands Genootschap van Praktizerende
Astrologen), vond dat echter geen goed idee omdat de geboortetijden destijds
niet zo nauwkeurig werden geregistreerd; ze werden vaak afgerond op het
hele of halve uur. Ik zocht daarom zeven nieuwe proefpersonen die omstreeks
1958 waren geboren, maar ook die bleken niet allemaal bruikbaar. In vier
gevallen kon de ascendent niet met zekerheid worden vastgesteld omdat
deze vlak bij de grens tussen twee tekens lag. Zo was er bijvoorbeeld
een proefpersoon wiens ascendant geen Steenbok maar Waterman zou zijn
als hij vier minuten later was geboren dan in zijn geboorteakte stond
aangegeven. Aangezien astrologen veel waarde hechten aan de ascendant
(het teken dat aan de oostelijke horizon opkomt) en ik niet kon garanderen
dat de geboortetijden tot op de minuut nauwkeurig waren, leek het mij
wenselijk vier andere proefpersonen te zoeken.
Uit de vragen die de deelnemende astrologen hadden opgestuurd,
distilleerde ik een lijst van 25 vragen die betrekking hadden op diverse
aspecten van het leven: beroep, hobby's, interesses, persoonlijkheid,
relaties, gezondheid, levensfilosofie, et cetera. De proefpersonen moesten
ook een aantal data opschrijven van belangrijke gebeurtenissen in hun
leven, want veel deelnemers hadden daarom gevraagd. Zelf voegde ik nog
24 meerkeuzevragen toe, die ik overnam uit de Berkeley Personality Profile.
Enkele ervaren astrologen mochten van te voren hun oordeel geven over
de vragenlijst. Ze hadden er weinig op aan te merken. Er werd alleen besloten
drie vragen over het ouderlijk huis van de proefpersonen toe te voegen.
Nadat de vragenlijsten door de proefpersonen waren ingevuld, stuurde ik
ze samen met de geboortegegevens naar enkele skeptici, die de passende
paren probeerden te vinden. Een van hen scoorde drie treffers. Er was
echter geen reden om te veronderstellen dat de paren met behulp van verborgen
aanwijzingen konden worden geïdentificeerd.
Hoge verwachtingen
Begin december werden alle gegevens verstuurd naar de
vijftig deelnemers aan de Astrotest. Ze kregen tien weken de tijd om de
horoscopen te analyseren. Desgewenst mochten ze aan twee proefpersonen
nog een extra vraag stellen, maar er was slechts één deelnemer die dat
deed. Uiteindelijk stuurden 44 astrologen hun oplossing in. De meerderheid
had in het verleden minstens honderd geboortehoroscopen geanalyseerd en
liet zich daar regelmatig voor betalen. De helft had meer dan vijftig
astrologieboeken gelezen, driekwart had een astrologiecursus of -opleiding
gevolgd en een kwart gaf zelf astrologielessen. Elf deelnemers waren aangesloten
bij het NGPA.
Er waren 36 deelnemers die op hun antwoordformulier aangaven
hoeveel treffers ze dachten te hebben gescoord. De verwachtingen bleken
hoog gespannen: achttien deelnemers dachten dat ze alle antwoorden goed
hadden, terwijl slechts zes astrologen minder dan vier treffers verwachtten.
"Ik ben ervan overtuigd dat deze test absoluut foutloos te maken
is," schreef een astrologe die in haar praktijk al meer dan vijfhonderd
horoscopen had geanalyseerd. Een andere optimist meldde: "Ik ben
er zeker van dat er heel velen 't bij het rechte eind hebben, want bij
mij was het zo dat ik na elke horoscoop meteen de lijst pakte die erbij
hoorde."
In werkelijkheid bleek de beste
deelnemer slechts drie treffers te hebben gescoord terwijl de helft geen
enkele vragenlijst bij de juiste horoscoop plaatste. De gemiddelde score
was 0,75. De astrologen hadden hun antwoorden net zo goed willekeurig
kunnen invullen zonder de horoscopen te raadplegen. Ook dan zouden ze
gemiddeld ongeveer één toevalstreffer hebben gescoord. De meest ervaren
astrologen bleken geen betere resultaten te hebben geboekt dan de beginnersgroep.
Omdat alle deelnemers dezelfde informatie hadden ontvangen,
leek het aannemelijk dat ze daaruit dikwijls dezelfde conclusies zouden
trekken. Dat was echter niet het geval. Evenals bij het onderzoek van
Dean waren de astrologen het onderling volstrekt niet met elkaar eens.
De zeven horoscopen moesten aan zeven vragenlijsten worden gekoppeld,
zodat er 49 mogelijke combinaties waren. Daarvan werd er geen enkele meer
dan 12 keer gekozen. Slechts twee deelnemers leverden onafhankelijk van
elkaar dezelfde oplossing in. Blijkbaar gebruikte iedere astroloog zijn
eigen spelregels.
Storende factoren
Om de reacties op de uitslag van de Astrotest te peilen,
stuurde ik de deelnemers na afloop een enquête, die helaas maar door de
helft van hen werd ingevuld. Negen van de 22 respondenten bekenden dat
ze verbaasd waren over het gebrek aan onderlinge overeenstemming. Vier
gaven toe dat de mogelijkheden van de astrologie niet zo groot waren als
ze hadden gedacht en zeven kwamen tot de conclusie dat astrologie alleen
in de praktijk werkt. Er waren niettemin zestien respondenten (75 procent)
die het aannemelijk achtten dat wetenschappelijke experimenten zullen
kunnen aantonen dat horoscopen wezenlijke informatie bevatten.
Ik vroeg de astrologen welke factoren naar hun oordeel
verantwoordelijk waren voor de teleurstellende resultaten. Tien respondenten
vonden de horoscopen te veel op elkaar lijken. Zij wezen erop dat de planeten
Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto bijna altijd in hetzelfde astrologische
teken stonden. Zo stond Uranus in alle gevallen in het teken Leeuw. Dat
is niet zo vreemd omdat deze planeet zeven jaar nodig heeft om een teken
te doorlopen. De leeftijdsverschillen tussen de proefpersonen konden niet
zo groot zijn, want de vragenlijsten boden veel aanwijzingen die het mogelijk
maakten hun leeftijd ongeveer te schatten. Niettemin vertoonden de horoscopen
talloze verschillen die moeilijk over het hoofd te zien waren.
Er waren eveneens tien respondenten die de antwoorden
van de proefpersonen te veel op elkaar vonden lijken. Uit een van de meerkeuzevragen
bleek bijvoorbeeld dat alle proefpersonen zichzelf zagen als iemand die
betrouwbaar werk aflevert. Het aantal onderlinge verschillen was echter
groter dan het aantal overeenkomsten. Bovendien waren de proefpersonen
zelden volledig eensgezind. In bijna alle gevallen was er wel iemand te
vinden die afweek van de meerderheid. Zo waren er niet alleen vier proefpersonen
die veel waarde hechtten aan dagdromen en esthetische ervaringen, maar
tevens één proefpersoon die daar juist niets van moest hebben. Desondanks
was zijn horoscoop blijkbaar niet herkenbaar als een vreemde eend in de
bijt.
Negen respondenten hadden het vermoeden dat de vragen
niet altijd naar waarheid waren beantwoord. Wellicht hadden de proefpersonen
een gebrek aan zelfkennis of misschien presenteerden ze een geflatteerd
beeld van zichzelf. Hoewel dat niet is uitgesloten, hadden veel vragen
betrekking op verifieerbare feiten. Het lijkt niet aannemelijk dat de
proefpersonen hebben gelogen over hun hobby's of over de datum van hun
huwelijk. Zelfs als alle gegevens onjuist waren (inclusief de geboortetijden),
zou dat nog niet verklaren waarom de deelnemers het onderling niet met
elkaar eens waren.
De meerderheid van de respondenten (13) was van mening
dat de proefpersonen onvoldoende informatie hadden verstrekt. Daarbij
kan worden aangetekend dat de deelnemers gemiddeld tien vragen hadden
ingeleverd, terwijl ze op veel meer vragen een antwoord ontvingen. In
een reactie op een eerder artikel over de Astrotest (De Groene Amsterdammer,
17 mei) schreef Lea Manders dat de vragenlijst niet wetenschappelijk verantwoord
was. Zij verweet mij dat ik deze niet aan een deskundige had voorgelegd.
Daarmee bedoelde ze niet zichzelf, want ik had haar de lijst van te voren
ter beoordeling opgestuurd. Ook een psycholoog zou waarschijnlijk geen
uitkomst hebben geboden, want aan een psychologische test zoals Dean gebruikte,
hecht Manders geen waarde. Het blijft onduidelijk welke deskundige ik
had moeten inschakelen. Het sterke punt van de Astrotest was dat de astrologen
hun eigen vragen mochten bedenken, zodat ze ook zelf verantwoordelijk
zijn voor hun falen.
Ongrijpbare intuïties
Als astrologie echt werkt, dan moet het mogelijk zijn
een test te ontwerpen waarin zowel astrologen als wetenschappers vertrouwen
hebben. Helaas hebben astrologen nog geen bruikbaar onderzoeksvoorstel
aangedragen. Ze hebben alleen kritiek geleverd op de gangbare onderzoeksmethoden,
die naar hun oordeel te grof zijn. De astrologische verschijnselen zijn
blijkbaar zo subtiel en moeilijk te lokaliseren dat we ons kunnen afvragen
hoe astrologen zo zeker weten dat ze voortdurend optreden.
Volgens Geoffrey Dean en Arthur Mather (1994) zijn astrologen
en skeptici het oneens omdat ze naar verschillende dingen kijken: de skeptici
willen weten of horoscopen correcte informatie kunnen verschaffen, terwijl
de astrologen op de eerste plaats hun cliënten tevreden willen stellen.
Veel astrologen geloven dat de positieve reacties van de cliënten aantonen
dat de planeten werkelijk wat te vertellen hebben. Dat kan echter worden
betwijfeld, want cliënten zijn naar het schijnt niet minder tevreden wanneer
de astroloog per ongeluk een verkeerde geboortehoroscoop gebruikt (Dean,
1987). Het komt in de praktijk regelmatig voor dat de cliënt een foutieve
geboortetijd opgeeft zonder dat dit tijdens het consult wordt opgemerkt.
Astrologen zijn kwetsbaar voor kritiek zolang hun beweringen
toetsbaar zijn. Verscheidene astrologen hebben inmiddels hun toevlucht
gezocht tot uitspraken die bijna niet te weerleggen zijn. Zij betogen
dat een horoscoop met name inzicht kan verschaffen in het diepste innerlijk
van de mens. De horoscoop toont onze ware aard, onze onbewuste drijfveren
en potentiële mogelijkheden. Hij kan onze problemen verhelderen en ons
helpen daar een oplossing voor te vinden. Een horoscoop kan echter niet
voorspellen hoe iemand zich daadwerkelijk gedraagt en hoeft ook niet overeen
te stemmen met de bewuste ervaringen van de betrokkene. Omdat we als mensen
over een vrije wil beschikken, kunnen we ons in een andere richting ontwikkelen
dan onze horoscoop aangeeft. Bovendien hebben we te maken externe factoren
die ons belemmeren in onze natuurlijke ontwikkeling. Deze visie maakt
astrologische uitspraken oncontroleerbaar en dus ongrijpbaar voor kritiek.
Toch blijven er nog twee problemen over. Ten eerste bestaan
er verschillende duidingssystemen. Al die systemen hebben overtuigde aanhangers,
maar het lijkt onwaarschijnlijk dat ze allemaal even goed werken. Waarom
is het ene systeem niet beter dan het andere? De tweede vraag is hoe astrologen
tot de conclusie zijn gekomen dat ze correcte geboortegegevens nodig hebben.
Een dubbelblind onderzoek zou wellicht uitwijzen dat ze na afloop van
een consult niet kunnen vaststellen of ze al of niet de juiste horoscoop
hebben geduid. In dat geval zou een centrale stelling van de astrologie
zijn ontkracht.
De oplossing voor deze problemen kwam tevoorschijn uit
een enquête die in 1992 werd voorgelegd aan een groep vooraanstaande astrologen
binnen het NGPA (Van Assem, 1993). Deze astrologen waren in meerderheid
van mening dat ze zinvolle informatie uit een horoscoop konden halen door
zich open stellen voor 'intuïtie, helderziendheid of leiding van boven'.
Deze intuïtie schijnt uitsluitend te werken in authentieke situaties.
De cli¨nt moet een reële hulpvraag hebben waarmee hij spontaan en op een
zelfgekozen tijdstip naar de astroloog van zijn keuze gaat. Zodra een
onderzoeker zich in dit proces mengt, verstoort hij de kosmische samenhang.
Daarom zal wetenschappelijk onderzoek nooit iets opleveren.
De meeste geënquêteerden geloofden dat cliënten niet toevallig
bij een bepaalde astroloog terechtkomen. Ze worden als het ware door een
onzichtbare hand geleid naar de astroloog die de voor hen meest toepasselijke
duiding zal geven. Ook het tijdstip waarop de cliënt zich bij de astroloog
aanmeldt, is niet toevallig, maar heeft 'een bedoelde betekenis voor de
betrokkene'. Steeds meer astrologen maken een horoscoop van het moment
dat een cliënt hun hulp inroept, een zogenoemde uurhoek. Zij nemen aan
dat zo'n uurhoek de diepere betekenis van het spontaan gekozen moment
kan blootleggen. De Britse astroloog Geoffrey Cornelius (1994) trekt deze
lijn verder door. Hij erkent dat astrologen soms met een verkeerde geboortehoroscoop
werken, maar dat heeft naar zijn oordeel een diepere bedoeling, want zo'n
foute horoscoop biedt de astroloog vaak precies wat hij nodig heeft. Cornelis
kiest als motto: 'If the cap fits, wear it.'
Een nieuwe Astrotest
Als astrologen zouden erkennen dat horoscopen louter een
bron van inspiratie zijn, dan hoeven er geen wetenschappelijke proeven
meer te worden uitgevoerd. Veel astrologen zijn er echter nog steeds van
overtuigd dat horoscopen wezenlijke informatie bevatten, al kon dat tot
nog toe niet worden aangetoond. Niet alleen de Astrotest mislukte, maar
ook een gelijksoortig onderzoek dat twee Amerikaanse psychologen in samenwerking
met een astrologische organisatie uitvoerden (McGrew & McFall, 1990;
Nienhuys, 1991). Het lijkt me daarom niet zo zinvol om dezelfde methode
nogmaals te beproeven.
Het lijkt me wel nuttig om een test uit te voeren waarbij
de astrologen rechtstreeks contact hebben met de proefpersonen. Vrijwel
alle eerdere tests hadden als nadeel dat zij zich tevreden moesten stellen
met louter schriftelijke informatie, terwijl er in hun praktijk altijd
een sprekende cliënt tegenover hen zit. Juist tijdens het gesprek krijgen
astrologen vaak de indruk dat ze de problemen en levensloop van de cliënt
heel duidelijk in diens horoscoop kunnen herkennen. De volgende onderzoeksopzet
biedt astrologen wat dit betreft meer mogelijkheden.
De astroloog ontvangt vier horoscopen met hetzelfde zonneteken
en uit hetzelfde jaar. Wat betreft de ascendanttekens, de maanstanden
en de bezetting van de zogenoemde huizen, verschillen deze horoscopen
zoveel mogelijk van elkaar. De astroloog krijgt een paar weken de tijd
om de verschillen goed te bestuderen. Daarna komt er een proefpersoon
langs die hij uitvoerig mag ondervragen. Een van de vier horoscopen is
de geboortehoroscoop van deze proefpersoon. Kan de astroloog vaststellen
welke horoscoop dat is?
Literatuur
Assem, L. van (1993). The astrologer's philosophy of life.
Correlation, 12(1), p.52-54.
Cornelius, G. (1994). The Moment of Astrology. Penguin Books, Arkana.
Dean, G. (1985). Can astrology predict E and N? Correlation, 5(2),
p.2-24.
Dean, G. (1987). Does astrology need to be true? Skeptical Inquirer,
11(2), p.166-184.
Dean, G. & Mather, A. (1994). Is the scientific approach relevant to
astrology? Correlation, 13(1), p.11-18.
McGrew, J.H. & McFall, R.M. (1990). A scientific inquiry into the validity
of astrology. Journal of Scientific Exploration, 4(1), p.75-83.
Nienhuys, J.W. (1991). Astrologie faalt in Indiana. Skepter, 4(2),
p.26-27.
Rob Nanninga is hoofdredacteur van Skepsis.
© Stichting Skepsis. Het is niet toegestaan artikelen
uit Skepter op andere websites over te nemen.
HOMEPAGE
SKEPSIS

DE
NIEUWSTE SKEPTER
|