Een onzichtbare epidemie
Ontvoeringen door buitenaardse wezens
Ufonauten die onschuldige mensen
ontvoeren, opereren of bevruchten - het lijken goedkope gruwelsprookjes
maar de moderne ufologie draait vrijwel uitsluitend om dergelijke dankzij
hypnose 'herinnerde' ervaringen. Zijn de buitenaardsen werkelijk zo agressief
of hebben we te maken met al te goedgelovige therapeuten en fantaserende
slachtoffers?
Decennia lang wisten we niet beter of buitenaardse
wezens waren goedaardig. Een man als George Adamski, die begin jaren '50
claimde regelmatig met 'Venusianen' in contact te staan, kon urenlang
gloedvol vertellen over de schoonheid van deze buitenaardse wezens en
hun bezorgdheid om het lot van de mensheid. Andere contactees (zoals deze
'contacthebbers' genoemd worden) beschreven wezens die er misschien geheel
anders uitzagen, maar ook die waren steevast vredelievend. Natuurlijk,
er waren uitzonderingen. In 1957 bijvoorbeeld beweerde een familie in
het dorpje Kelley-Hopkinsville in Kentucky dat zij een avond lang geteisterd
waren door enge gedrochtjes met lange armen en puntige oren, die slechts
met geweld buiten de deur konden worden gehouden. Maar het algemene beeld
was er toch een van vriendelijke buitenstaanders.
Dat veranderde in de loop van de jaren '60.
Er verrijst een nieuwe, kwaadaardige generatie 'ufonauten', die doelbewust
en rücksichtlos te werk gaan. Twee meldingen uit dat tijdvak die veel
aandacht trokken zijn hierbij wellicht richtinggevend geweest. Ten eerste
het verhaal van Antonio Villas-Boas (dat in 1965 boven tafel kwam maar
zich al in 1957 zou hebben afgespeeld). Villas-Boas, een Braziliaanse
boerenzoon, beweerde dat hij in een UFO gesleept was en daar werd gedwongen
de liefde te bedrijven met een beeldschone (doch dierlijk grommende) buitenaardse.
Het aldus verwekte kind, zo maakte ze met handgebaren duidelijk, zou verder
in de ruimte grootgebracht worden. Antonio zei van de copulatie genoten
te hebben, maar leed naderhand aan allerlei kwalen die hij toeschreef
aan dit incident.
De tweede belangrijke ervaring was die van
het echtpaar Betty en Barney Hill, en werd beschreven in het boek The
Interrupted Journey, van John Fuller, uit 1966 (de betreffende gebeurtenissen
zouden zich vijf jaar eerder hebben afgespeeld). De zaak-Hill behoort
tot de bekendste en waarschijnlijk meest grondig onderzochte uit de ufologie.
De kern van het verhaal is dat het echtpaar tijdens een lange autorit
huiswaarts een helder licht opmerkte, dat hen gaandeweg steeds meer angst
inboezemde. Eenmaal thuisgekomen constateerden ze dat ze veel langer over
de reis hadden gedaan dan verwacht. Gedurende de maanden daarna kreeg
Betty last van nachtmerries waarin buitenaardse wezens een rol speelden.
Uiteindelijk kwam het echtpaar onder de hoede van een hypnotiseur die
hen onder hypnose 'terugvoerde' naar de betreffende avond. Wat naar voren
kwam was een landing van een UFO, gevolgd door een medisch onderzoek en
een rondleiding aan boord van het ruimteschip. Daar was dus die 'verloren
tijd' in gaan zitten.
Radicalisering
Het boek werd een bestseller, maar werd door
deskundigen met grote argwaan ontvangen. Hypnotiseur Benjamin Simon distantieerde
zich in het voorwoord nadrukkelijk van Fullers conclusies en benadrukte
dat hypnose geen rode loper naar dé waarheid vormt, doch slechts naar
de waarheid 'zoals die door de patiënt gevoeld en begrepen wordt'. Ook
de leidende UFO-onderzoekers moesten weinig van het boek hebben. Geen
wonder. In datzelfde jaar 1966 ging een lang gekoesterd verlangen naar
politieke erkenning eindelijk in vervulling, en een al te gretige omarming
van een dergelijk fantastisch verhaal zou die ontwikkeling in gevaar brengen.
Die erkenning was het gevolg van de slordige
manier waarop de luchtmacht omsprong een hele serie meldingen uit de staat
Michigan. De officiële UFO-onderzoeker daar, de astronoom J. Allen Hynek,
liet tijdens een persconferentie weten dat de lichten waarschijnlijk toe
te schrijven waren aan spontaan tot ontbranding komend moerasgas. Wekenlang
stonden de kranten vol met honende commentaren. Het incident bleek een
keerpunt. Hynek, die het gevoel had door de luchtmacht gebruikt te zijn,
verbrak zijn banden met deze organisatie en richtte een onafhankelijk
Center for UFO Studies (CUFOS) op. Daarnaast besloot een congreslid voor
Michigan (en later president), Gerald Ford, dat die hele UFO-geschiedenis
nu eens door een andere instantie onderzocht moest worden en gaf zo de
stoot tot het Condon-onderzoek, dat eind 1968 resulteerde in het Condon-rapport.
Het rapport was een enorme teleurstelling
voor de ufologen. Onderzoeksleider Edward U. Condon constateerde dat er
zeker onverklaarde meldingen waren, maar dat er al met al geen reden was
om het verschijnsel verder wetenschappelijk te onderzoeken. De luchtmacht
zag hierin een mooie aanleiding om haar activiteiten op dit terrein tot
een minimum terug te schroeven. Voor de ufologen betekende het in feite
de definitieve breuk met het politieke en wetenschappelijke establishment.
Een geleidelijke 'radicalisering' was het gevolg; als de officiële instanties
weigerden hen serieus te nemen, dan hoefden ze zich ook geen zorgen meer
te maken over hun imago, en een deel van de meldingen negeren? Langzaam
schoven de (om de terminologie van Hynek te gebruiken) 'ontmoetingen van
nabij', de close encounters, naar het centrum van de belangstelling.
In wezen ongeloofwaardige ontvoeringsverhalen als die van Charles Hickson
en Calvin Parker uit 1973 en Travis Walton uit 1975 werden serieus onder
de loep genomen. Er was op een gegeven moment zelfs sprake van 'gevecht'
om degelijke gevallen tussen elkaar beconcurrerende UFO-organisaties.
In die tijd duikt ook de naam Budd Hopkins
voor het eerst op - de man die de ufologie een volkomen nieuwe richting
zou doen inslaan. Hopkins, een kunstschilder die een redelijke bekendheid
genoot in de New Yorkse kunstwereld, had al in 1964 een UFO gezien en
het onderwerp had hem sindsdien niet meer losgelaten. Naar aanleiding
van een melding in New Jersey schreef hij een artikel voor het tijdschrift
Village Voice, en spoedig druppelden de meldingen bij hem binnen.
Hij kwam op het idee waarnemers die vertelden over 'vermiste tijd' te
laten hypnotiseren, om zo 'herinneringen' naar boven te halen - net zoals
dat bij Betty en Barney Hill was gebeurd. In de loop der tijd groeide
er een los verband van hypnotiseurs die voldoende geïntrigeerd werden
door dit verschijnsel om dat gratis te doen. De eerste waarmee hij samenwerkte
was psychiater Bob Naiman, die vele vrije zaterdagmiddagen opofferde aan
urenlange, vaak vermoeiende sessies.
Angst op de weg
Hopkins was niet de eerste die op dat idee
kwam. De psycholoog Leo Sprinkle had dat in 1967 al gedaan in het kader
van het Condon-onderzoek. Het Condon-rapport concludeerde achteraf dat
deze techniek nutteloos was, maar Sprinkle was ermee door gegaan en had
in de jaren daarna vele UFO-waarnemers op die manier begeleid. Opvallend
was dat zij hun 'herinneringen' uiteindelijk ervoeren als een spirituele,
bevrijdende ervaring - een verschijnsel dat velen toeschreven aan Sprinkles
New-Ageopvattingen: hij was er van overtuigd dat de close encounters
door buitenaardsen gearrangeerd werden om de mensheid te begeleiden op
een pad naar geestelijke en technologische verlichting.
Hopkins trok andere conclusies. De verhalen
die hij te horen kreeg, nadat hij zijn cliënten onder hypnose had gebracht,
waren zonder uitzondering angstaanjagend. Zijn cliënten werden onder hypnose
vaak uiterst emotioneel en Nayman moest ze dan snel uit hun trance halen
of ze 'beschermen' door ze te suggereren dat het verleden was, niet echt,
als in een film. Die suggestie mocht echter niet te sterk zijn omdat de
waarnemers anders, aldus Nayman, zouden gaan fantaseren. De in de loop
van verschillende sessies 'herinnerde' ervaringen hadden allemaal hetzelfde
stramien: de 'vermiste tijd' groeide uit tot een close encounter
met vreemde wezens, gevolgd door 'herinneringen' aan een veelal pijnlijke
medische ingreep. De beschrijvingen van de wezens varieerden, en die van
de overgangen van buiten naar ín de UFO en van binnen de UFO weer naar
buiten, waren steevast niet aanwezig of zeer summier.
Een belangrijke stap voorwaarts waren de
sessies met acteur Michael Bershad, een vriend van Ted Bloecher, Hopkins'
medewerker in deze jaren. Bershad kon zich geen UFO herinneren en had
ook geen last van 'vermiste tijd', maar had wel altijd als hij een bepaald
stuk weg paseerde, een onaangenaam gevoel. In een serie ver uiteenliggende
sessies (begin en eind 1978, en weer een in 1980) ontvouwde zich het scenario
van een ontvoering die zich in 1973 op die weg zou hebben afgespeeld.
Voor Hopkins betekende dit een doorbraak: blijkbaar waren het niet alleen
klassieke UFO-meldingen of 'vermiste tijd' waarachter ontvoeringsverhalen
schuil konden gaan, ook een schijnbaar onschuldig verschijnsel als een
irrationele angst kon het restant zijn van een een dergelijke traumatische,
maar verdrongen ervaring. En Bershad was zomaar een 'friend of a friend'.
Hoeveel Amerikanen liepen er niet met dergelijke angsten rond? Hoeveel
daarvan waren ooit ontvoerd?
Een tweede nieuwe 'aanwijzing' dat de ontvoeringen
door buitenaardsen epidemische proporties had aangenomen was de zaak Virginia
Horton. Hopkins en Bershad waren in 1979 in een talkshow verschenen en
Virginia meldde zich kort daarna om twee 'gekke' ervaringen te vertellen.
Als zesjarig meisje had ze ooit op de boerderij van haar grootouders op
onverklaarbare wijze een wond aan haar kuit opgelopen. Virginia's moeder
kon zich dat niet meer herinneren, maar wist nog wel dat haar dochter
tijdens een vakantie in Frankrijk een half uur zoek was geweest en dat
haar jurk daarna vreemde bloedspatjes vertoonde, terwijl Virginia zélf
alleen maar zei dat ze een prachtig hert had gezien. Tijdens de hypnosesessies
bleek dat beide ervaringen verband hielden met ontvoeringen door buitenaardsen.
Het was duidelijk (althans voor Hopkins)
dat naast 'vermiste tijd' en irrationele angsten ook vreemde kleine wondjes
(of littekens) en indrukwekkende ontmoetingen (zoals met dat hert) aanwijzingen
waren voor een verdrongen ontvoering. Duidelijk was nu ook (althans weer
voor Hopkins) dat iemand meerdere keren ontvoerd kon worden. Indien nodig,
kwamen de buitenaardsen gewoon weer terug.
In 1983 zou hij kennismaken met Debby Tomey,
en haar verhaal zou de cirkel rond maken: buitenaardsen bevruchtten haar
de eerste keer, en kwamen later terug om de ongeboren vrucht weer mee
te nemen. Dit thema zou daarna nog vele malen naar voren komen.
Hoofd in een pot
Hopkins wist dat het tijd werd om te publiceren.
Ontvoeringen werden populair. Ralph en Judy Blum publiceerden in 1974
Beyond Earth - Man's contact with UFOs. Coral en Jim Lorenzen
(ooit klassieke ufologen, wars van fantastische verhalen) publiceerden
in 1976 en 1977 Encounters with UFO Occupants en Abducted!.
Ray Fowler kwam twee jaar later met The Andreasson Affair, en
in datzelfde jaar publiceerde (parapschycholoog) Scott Rogo en (ufoloog)
Ann Druffel The Tujunga Canyon Contacts. Maar al deze boeken
suggereerden dat het hier hoogst zeldzame ervaringen betrof. Hopkins wist
beter. Hij had de zaak, vond hij, veel systematischer aangepakt en zou
zijn conclusies publiceren in een boek dat The Invisible Epidemic
moest gaan heten - het boek dat uiteindelijk in 1981 zou verschijnen onder
de titel Missing Time. Hypnotiseuse Aphrodite Clamar (die onder
andere Bershad begeleidde) vertelde in het voorwoord hoe zij tijdens de
sessies te werk ging en dat zij niet in staat was te zeggen of het hier
om werkelijkheid of fantasie ging.
Missing Time verkocht redelijk.
Hopkins ging op lecture tour en ontdekte dat de meningen binnen
de UFO-gemeenschap verdeeld waren. Een van de sceptici was David Jacobs,
een historicus die ooit gepromoveerd was op de geschiedenis van het UFO-verschijnsel
(later verschenen als The UFO Controversy in America) en sindsdien
regelmatig opdook bij lezingen of conferenties. Na een bezoekje aan huize
Hopkins realiseerde Jacobs zich dat de door Hopkins 'ontdekte' ontvoerden
geen fantasten waren maar gewone mensen die simpelweg bang waren voor
wat ze onder hypnose allemaal zeiden. Jacobs ontdekte ook dat de zomerhuisjes
van Hopkins en hemzelf vlak bij elkaar stonden. Het werd de basis voor
een innige samenwerking. Jacobs leerde van Hopkins hypnotiseren en had
spoedig zijn eigen 'kring' van slachtoffers. Spoedig werkte hij net als
Hopkins en Clamar aan de ontwikkeling van hypnosetechnieken die het mogelijk
moesten maken feit en fictie te onderscheiden.
Een tweede belangrijke ontmoeting naar aanleiding
van Missing Time was die met Whitley Strieber, begin 1986. Hopkins
was zeer vereerd. Strieber is een bekende horrorauteur. Maar tegelijkertijd
verontrustte hem dat ook. Zijn de door Strieber als waar vertelde, gruwelijke
gebeurtenissen geen producten van zijn blijkbaar verstoorde, professioneel
getrainde fantasie? Strieber beschreef twee nachten in oktober en december
1985 gedurende welke buitenaardse wezentjes zijn huis binnendrongen, hem
bestormden en aan een soort van medisch onderzoek onderwierpen. Hopkins
was voorzichtig en stelde naast hypnose ook een psychologisch onderzoek
voor. Strieber hield dat laatste spoedig voor gezien.
Tijdens de hypnosesessies ontvouwde zich
het bekende schema van een UFO-ontvoering, met hier en daar een curieus
extra. (Strieber 'zag' in de UFO ook zijn zuster en vader.) Hopkins dacht
dat zijn herinneringen in grote lijnen reëel waren. Later echter kwam
het tot een breuk tussen de twee. Strieber had paranoïde buien en beschuldige
iedere nieuwkomer ervan een undercoververslaggever te zijn. Berucht werd
het verhaal dat hij Debby Tomey tijdens hun eerste ontmoeting vertelde
haar eerder gezien te hebben. Dat wil zeggen: haar hoofd, in een glazen
pot, in een UFO. En het bewoog ook nog.
De definitieve breuk tussen Hopkins en Strieber
ontstond in 1986, toen ze elkaar voor de voeten liepen met plannen voor
een boek. Strieber publiceerde uiteindelijk in januari 1987 Communion
(ondertitel: A True Story, maar die mededeling had op ook eerdere
horrorromans van hem gestaan); Hopkins kwam een paar maanden later met
Intruders, gebaseerd op de ervaringen van Debby Tomey en ander
'ontvoerde foetus'-verhalen. Communion werd een groot succes.
Intruders veel minder. Daar had Strieber Hopkins ook voor gewaarschuwd.
Alien op video
Communion betekende de doorbraak
voor het ontvoeringsfenomeen, en toen er eind 1987 een UFO-golf losbarstte
in Gulf Breeze, Florida, compleet met vele meldingen van ontvoeringen,
was de pers niet meer te houden. (De belangrijkste getuige toen, Ed Walters,
maakte vele foto's van de UFO's die hem lastig vielen. Hij verhuisde een
paar jaar later; de nieuwe bewoners troffen op zolder een model aan van
de UFO die Ed gekiekt had. Slordig, dachten velen. Een smerige streek
van UFO-debunkers, zei Ed. Later zou een vriend van zijn zoon bekennen
meegewerkt te hebben aan de productie van de foto's)
Walters, maar uiteraard ook Strieber, Hopkins
en Jacobs verschenen regelmatig in talkshows en gaven ettelijke lezingen.
De menigsverschillen bleven echter overeind, en langzaam begon Striebers
interpretatie van het fenomeen te verschuiven. Hij keerde zich af van
de opvatting van Hopkins en Jacobs dat het hier om harde, fysieke ervaringen
zou gaan: UFO's van bouten-en-moeren gevuld met ufonauten van buitenaards
vlees-en-bloed. Hopkins en Jacobs, zo stelde hij, verwaarloosden of verdoezelden
de mystieke, spirituele aspecten van dergelijke ervaringen. Zijn angstwekkende
encounters waren in feite stuipen in geestelijke groei. De vreemde
wezentjes waren de eerste vertegenwoordigers van een Nieuwe Wereldorde.
Hopkins en Jacobs vonden het allemaal prima. Hun merk ufologie was inmiddels
aan een ware zegetocht begonnen. Grote UFO-organisaties verdedigden hun
aanpak en opvattingen. Jacobs werkte hard aan het vergaren van materiaal
voor zijn eigen boek, Secret Life, dat uiteindelijk in 1992 zou
verschijnen. Hij maakte daarbij behalve van hypnose ook gebruik van een
in de criminologie ontwikkelde techniek die 'geleide herinnering' heet,
waarbij men de getuige voortdurend opdraagt het gebeuren te visualiseren.
(Deze omstreden methode is ook gebruikt tijdens de verhoren van de verdachten
in de Eper incestaffaire, zie ook Skepter, maart
1994.)
Secret Life draait volledig om door
slachtoffers 'herinnerde' verkrachtingen door buitenaardsen en de daaropvolgende
abortussen. Mannen vertelden dat hen op pijnlijke wijze sperma werd ontnomen.
Afgezien van oude littekens en bescheiden verwondingen die de cliënten
gemakkelijk zichzelf konden hebben toegebracht, waren harde bewijzen voor
deze misdaden niet te verkrijgen. Jacobs gaf cliënten die regelmatig klaagden
over buitenaardse binnendringers videocamera's mee die ze in de slaapkamer
moesten installeren en permanent moesten laten draaien, maar dat leverde
niets op. Wekenlang draaide de camera en gebeurde er niets, en dan ineens
vertelde de cliënt dat 'een stem' hen opgedragen had de camera uit te
zetten, waarna de buitenaardsen ongestoord hun gang konden gaan.
Desondanks gelooft Jacobs zijn cliënten onvoorwaardelijk.
En hetzelfde gold voor Hopkins. Beide vonden nieuwe bewijzen voor de ernst
van de situatie in de resultaten van een enquête die ze in 1992 uit lieten
voeren, en waaruit bleek dat een flink percentage van de Amerikanen wel
eens een of meer ervaringen had ondergaan die volgens de beide ufologen
suggereerden dat zij (zonder het te weten) ooit door ufonauten onder handen
waren genomen. Dertien procent van de zesduizend ondervraagden had wel
eens zoiets als 'vermiste tijd' meegemaakt; achttien procent was wel eens
wakker geworden met een 'verlamd' gevoel en de indruk dat er een vreemde
in de slaapkamer aanwezig was; tien procent had wel eens het gevoel gehad
te vliegen; acht procent had binnenshuis vreemde lichten gezien, en ook
acht procent had littekens waarvan ze niet wisten hoe die ontstaan waren.
Hopkins en Jacobs besloten dat degene die
vier van deze vijf ervaringen had, 'waarschijnlijk ontvoerd' was. Ze kwamen
op ruim 3,5 miljoen Amerikanen die hoognodig gehypnotiseerd moesten worden
om dat te controleren. In ieder geval viel niet meer te ontkennen dat
er sprake was van een ware buitenaardse invasie.
Symbolische buizen
De meest recente ster aan het ufologisch
firmament, John E. Mack, had en heeft grote waardering voor het werk van
Jacobs en Hopkins, maar heeft ondertussen ook een eigen visie op het verschijnsel
ontwikkeld, een die heel dicht bij die van Sprinkle staat. Hopkins 'ontdekte'
Mack in 1990, en wist onmiddellijk dat hij een big fish aan de
haak had: hoogleraar te Harvard en winnaar van de Pulitzerprijs (voor
zijn biografie uit 1976 van de Britse auteur T.E. Lawrence). Mack was
toen echter allang geen reguliere academicus meer. Hij had zich jaren
daarvoor vol overgave gestort op het onderzoek aan het beroemde (beruchte)
Esalen-instituut van de Tsjechisch-Amerikaanse psychoanalyticus Stanislav
Grof, die experimenteerde met drugs en andere geestverruimende middelen.
Mack kwam pas eind jaren '80 in aanraking met UFO's en het ontvoeringsfenomeen.
1990 bracht hij vrijwel volledig door in huize Hopkins, luisterend naar
diens cliënten.
Ze konden uitstekend met elkaar overweg,
Hopkins en Mack, maar het was onvermijdelijk dat de New-Ageprofessor,
zodra hij eenmaal zélf ging hypnotiseren en ondervragen, de kant op zou
gaan van Sprinkle, en de ervaringen van zijn cliënten zou interpreteren
als spirituele ervaringen. Een belangrijke aanwijzing vond hij dat zij,
hoeveel ellende er ook naar boven kwam, hun 'herinneringen' uiteindelijk
ervoeren als heilzame, kosmische ervaringen, die hen geestelijk een stapje
verder brachten.
En Mack concludeerde nog iets: de ontvoeringen,
zo vertelden zijn cliënten, vonden soms midden op straat plaats, met tientallen
potentiële getuigen. En toch had niemand iets gezien. Het was, zo concludeerde
hij, onmogelijk dat het hier om reële ontvoeringen ging, uitgevoerd door
de inzittenden van échte vliegende machines. Nee, de daders kwamen uit
een andere werkelijkheid, uit andere dimensies. Hun ingrepen lijken buitengewoon
pijnlijk, maar tegelijkertijd bewerkstelligen ze een geestelijke transformatie
van het slachtoffer, dat ook een innige band met de daders opbouwt. Zaken
als tunnels, buizen en draden, zo schrijft hij in Abduction - Human
Encounters with Aliens (dat dit voorjaar verscheen) 'kunnen natuurlijk
letterlijk worden opgevat, maar aan de andere kant symboliseren ze de
overgang van de ene bewustzijnstoestand naar de andere.'
Onvindbare getuigen
Jacobs' mislukte pogingen de ufonauten te
betrappen met behulp van videocamera's geeft het al aan: harde bewijzen
voor de ontvoeringen waren er niet. Maar in tegenstelling tot Sprinkle
en Mack hadden hij en Hopkins daar wél behoefte aan. Ze wilden bewijzen
dat er werkelijk sprake was van een 'onzichtbare epidemie'. Medio 1991
leek het dan eindelijk zo ver. Hopkins kwam met een ontvoering waarbij,
naar het scheen, meerdere getuigen aanwezig waren. De affaire staat nog
steeds sterk in de belangstelling in Amerikaanse UFO-kringen.
Het vermeende slachtoffer is Linda Napolitano,
en haar contacten met Hopkins dateren van enkele jaren daarvoor. Ze had
na het lezen van Intruders contact met hem gezocht vanwege een
curieuze bult op haar hoofd die wellicht een buitenaardse oorzaak had.
Tijdens de daaropvolgende hypnosesessies kwam een ontvoering naar boven,
maar Hopkins zag er weinig bijzonders in en begeleidde haar op de gebruikelijke
wijze. In november 1989 belde ze echter in paniek op: het was zojuist
weer gebeurd. Midden in de nacht werd ze 'meegenomen' door een blauwe
lichtbundel en zweefde zo uit het raam van haar slaapkamer (op de twaalfde
verdieping van een flatgebouw), een UFO in.
Hopkins was ook nu weer niet écht ondersteboven
van haar ervaring, maar dat veranderde toen hij in februari 1991 een brief
ontving van 'police officers Richard and Dan' waarin zij beschreven van
buitenaf getuige te zijn geweest van de ontvoering. Het verhaal bleek
te mooi om waar te zijn. Ondanks al zijn inspanningen was Hopkins niet
in staat de twee op te sporen. Linda daarentegen beweerde regelmatig door
hen lastiggevallen te worden. Ze zou zelfs door hen ontvoerd zijn. Hopkins
ontving bandjes en brieven van 'Richard' en 'Dan' (later ook een brief
van een derde, vrouwelijke 'getuige', die ook nooit boven water is gekomen),
en in een daarvan werd ook uitgelegd waarom zijn speurtocht vruchteloos
was geweest: ze waren geen politieagent. Ze vormden de escorte van een
'third man' die zeer belangrijk is en óók alles zou hebben gezien, maar
dat nooit officieel kon toegeven. Volgens Hopkins ging het om Perez de
Cuellar, de secretaris-generaal van de VN, en hij was ervan overtuigd
dat de buitenaardsen de ontvoering expres uitgevoerd hadden om de aandacht
van de secretaris-generaal te trekken.
En dat was nog maar het begin. Het verhaal
is in de loop der tijd alleen maar wilder geworden. Andere ufologen, waaronder
de bekende skepticus Philip Klass, onderzochten de zaak en begonnen grondig
te twijfelen aan Linda's geloofwaardigheid. Ze sprak zichzelf regelmatig
tegen. Haar verhaal leek verdacht veel op een sf-roman uit 1989. Perez
de Cuellar was in die periode op die plaats niet geweest - en de verklaring
van 'Richard' en 'Dan' kwam volstrekt niet overeen met de voorschriften
waaraan bewakers zich tijdens uitstapjes van deze belangrijke politicus
dienen te houden. Voor- en tegenstanders van Linda vliegen elkaar nog
steeds regelmatig in de haren. Laatste nieuws: Perez de Cuellar heeft
ontkend iets van een UFO-ontvoering af te weten. Hij werd eind vorig jaar,
toen hij op de luchthaven van Chicago wilde overstappen, door een ufoloog
aan zijn jasje getrokken. Hij wist nergens van. De ufoloog achtte het
echter niet uitgesloten dat de buitenaardsen De Cuellars geheugen hadden
'uitgeschakeld'...
Met de zaak Napolitano heeft het hele ontvoeringsfenomeen
een curieuze draai genomen. Het gaat niet meer om individuen die zich
onder hypnose verbijsterende ervaringen 'herinneren', er er is nu sprake
van een uitgebreid schimmenspel van ongrijpbare 'getuigen' die het verhaal
bevestigen en vernietigende aanwijzingen die haar verhaal onderuit halen.
Als Linda nooit ontvoerd is, dan is er in ieder geval sprake van een ingewikkeld
'complot' om Hopkins aan het lijntje te houden. Hopkins zélf is ervan
overtuigd dat Linda daar niet toe in staat is en gelooft haar onvoorwaaardelijk.
Hoe kan het ook anders. Hopkins 'weet' dat buitenaardsen regelmatig aardbewoners
ontvoeren en heeft dringend behoefte aan mensen die daar getuige van zijn
geweest. En Linda is en blijft de enige die contact heeft met de getuigen
van haar vermeende ontvoering - net zoals zij en haar collega-'slachtoffers'
de enige verbinding vormen tussen hem en de buitenaardse 'daders'. Hij
móét hen wel geloven, hoe fantastisch hun verhalen ook worden, want anders
heeft hij niets meer. Therapeuten als Hopkins en Jacobs (want zo beschouwen
ze zichzelf toch) zijn daarmee in een klassiek psychotherapeutisch dilemma
bekneld geraakt. Psychotherapie is geen 'medische hulp' in de gewone zin
des woords; het is wel eens vergeleken met een schaakwedstrijd. De therapeut
is geen dokter die klachten aanhoort, een diagnose stelt en een recept
uitschrijft, maar gaat met zijn cliënt een relatie aan, waarbij de behoeften
van beide partijen op een buitengewoon gecompliceerde manier met elkaar
verstrengeld kunnen raken. De cliënt vraagt in eerste instantie oprecht
om hulp. De cliënten die bij Hopkins aanbellen zijn in eerste instantie
werkelijk bang dat hem ooit iets 'buitenaards' is overkomen en reageren
vaak verbijsterd op datgene wat tijdens de eerste sessie naar boven komt.
Maar eenmaal gewend geraakt aan de steun en de aandacht, kan die hulpvraag
ondergeschikt worden gemaakt aan die behoefte aan hulp. Met steeds weer
nieuwe ontwikkelingen, nieuwe 'crises', weet zij de therapeut blijvend
te binden. Een therapeut die dit niet in de gaten heeft is gedwongen eindeloos
met haar ontwikkeling mee te gaan - en in het geval van Hopkins, die naarstig
op zoek is naar 'de bedoelingen' van de vermeende ontvoerders, worden
nieuwe, steeds gruwelijkere ontwikkelingen juist met hernieuwde belangstelling
begroet, hetgeen het proces uiteraard alleen maar versterkt.
Een goede therapeut echter herkent dit proces
en weet het te ondervangen door enerzijds wel te blijven geloven in de
'persoonlijke ervaring' maar tegelijkertijd te werken aan een blijvende
oplossing. Mensen als Sprinkle en Mack lijken op deze wijze te werk te
gaan. (Philip Klass heeft wel eens opgemerkt dat als mensen dan tóch zo
nodig onder hypnose willen om hun 'ontvoering' te 'herbeleven', ze dan
maar het beste naar Sprinkle kunnen gaan, want dat levert de minst traumatische
ervaring op.)
Wie vragen er om dergelijke hulp? Uit een
onderzoek midden jaren '70 uitgevoerd door Alvin Lawson bleek dat proefpersonen
die nooit een UFO gezien hadden en er verder ook niet in geïnteresseerd
waren, onder hypnose bijna net zulke fraaie ontvoeringsverhalen konden
vertellen als de vermeende slachtoffers. Lawson suggereerde dat dergelijke
verhalen ontstonden wanneer mensen moeite hadden fantasie en werkelijkheid
door elkaar te halen - de zogenoemde fantasy prone personalities.
Iets dergelijks kwam ook naar voren uit een onderzoek dat vorig jaar gepubliceerd
werd door Nicholas Spanos et al. Zij testten twee groepen mensen: een
groep die wel eens een UFO gezien had en een groep die beweerde ufonauten
gezien te hebben, ontvoerd te zijn et cetera. De laatste groep had vaker
'vreemde' of bovennatuurlijke ervaringen (en was duidelijk meer fantasy
prone), maar waarschijnlijk kwamen alleen degenen die al in buitenaardse
wezens geloofden er daadwerkelijk toe om die verschijnselen ook als UFO-ervaringen
te duiden.
Therapeuten als Hopkins en Jacobs realiseren
zich natuurlijk wel dat de verhalen die hun cliënten vertellen op fantasie
zouden kunnen berusten. Ze zoeken niet voor niets naar 'harde' bewijzen.
Voorlopig echter zijn ze er van overtuigd met een reëel fenomeen te maken
te hebben. Ten eerste omdat hun hypnosetechnieken dusdanig zouden zijn
dat het vrijwel uitgesloten is dat zij het niet in de gaten hebben als
de gehypnotiseerde ligt te fantaseren. Ten tweede vertellen hun cliënten
allemaal in grote lijnen hetzelfde verhaal, en in sommige gevallen komen
zelfs details nauwkeurig overeen. Hun critici zijn daar niet erg van onder
de indruk. De opvatting dat hypnose (op welke manier dan ook) een rechte
weg naar het 'vergeten' verleden zou vormen, is al lang en breed achterhaald
(zie Skepter, maart 1993). En wat betreft de overeenkomsten:
daar bestaat niet zo een-twee-drie een verklaring voor, maar er zijn mogelijkheden
genoeg. Iemand die voor zijn eerste hypnosesessie komt, kan nauwelijks
beschouwd worden als een 'onbeschreven blad'. Hij of zij heeft er meeestal
al het nodige over gelezen, en in de dagen daarna is er uitgebreid gelegenheid
kennis te maken met de therapeut en zijn opvattingen, terwijl in informele
bijeenkomsten en 'praatgroepen' de andere 'slachtoffers' aan de beurt
komen. En dan is er nog de mogelijkheid dat de therapeut hen tijdens de
sessies bewust of onbewust informatie verschaft over wat ze zouden moeten
vertellen. (Er is ook een school die zegt dat de cliënten onder hypnose
op paranormale wijze in contact komen met collega-slachtoffers, en zo
met dezelfde details op de proppen kunnen komen.)
UFO-ontvoeringen zullen de ufologengemeenschap
nog lange tijd bezig houden. Het ontstaan van de ontvoeringsrage binnen
de ufologie is an sich echter al een opmerkelijk verschijnsel. Er waren
in de voorafgaande jaren wel wat verhalen over ontvoeringen, maar die
vormden de uiterste randjes van een in hoofdzaak redelijk respectabele
pseudo-wetenschap. In de loop van de jaren '70 slaat dat volkomen om.
De ontvoeringen gaan de ufologie domineren. De randjes worden de kern.
De oorzaak hiervoor was waarschijnlijk de verwerping van het fenomeen
door de autoriteiten, eind jaren '60, en de opmars van New-Ageachtige
opvattingen die een veel fantastischer interpretatie van het UFO-fenomeen
toestonden. Wat de omslag in ieder geval bewijst, is hoe buitengewoon
flexibel een pseudo-wetenschap kan zijn. De ufologie leidde eind jaren
'70 een sluimerend bestaan. De gruwelijke 'onthullingen' van Hopkins en
Strieber hebben haar nieuw leven ingeblazen. Als ufologen geloof blijven
hechten aan door middel van hypnose verkregen 'herinneringen' van slachtoffers,
kunnen zij nog vele spannende jaren tegemoet gaan.
Literatuur
Budd Hopkins, Missing Time, Marek, 1981.
id., Intruders - The Incredible Visitations at Copley Woods, Random House,
1987.
David M. Jacobs, Secret Life - Firsthand accounts of UFO Abductions, Simon
& Schuster, 1992.
Philip J. Klass, UFO Abductions - A Dangerous Game, Prometheus Books,
1989.
John E. Mack, Abduction - Human Encounters with Aliens, Simon & Schuster,
1994.
Jim Schnabel, Dark White - Aliens, Abductions and the UFO Obsession, Hamish
Hamilton, 1994.
Zie ook:
Dr. Susan Clancy over
ufo-ontvoeringen (Skepter, zomer 2006)
© Stichting Skepsis. Het is niet toegestaan artikelen
uit Skepter op andere websites over te nemen.
HOMEPAGE
SKEPSIS

DE
NIEUWSTE SKEPTER
|